Aankomst in Nymarc
Slapen in de slaapzaal
Vertrek naar de boer, 's avonds komt de knecht niet terug
Zoektocht naar de knecht. Ontdekking van dode knecht en twee dode Noorderlingen.Ambush van drie Noorderlingen aan het einde van de middag. Een wordt gevangen genomen en opgesloten in de schuur.
Vreemd gesnuffel in de nacht, groot vliegend wezen stijgt op.
Speurtocht naar overgebleven Noorderlingen, ontmoeting met soldaten van de koning van Vandalus. Zij gaan mee naar de boerderij en vertellen dat zij jacht maken op de Noorderlingen
Gevangene, soldaten en Bartimeüs en Kritoias houden in de schuur de wacht, maar er gebeurt niets
Overdracht gevangene aan de soldaten. Bartimeüs en Kritoias gaan terug naar Nymarc. Onderweg spreekt een man hen aan die veel over hen weet en vertelt dat de boer in gevaar is omdat de soldaten terug zullen komen om hem te doden. Bartimeüs en Kritoias vinden dit vreemd, maar gaan toch terug. Ze moeten daarna de Noorderling uit de handen van de soldaten halen en naar De oude eik brengen waar de man op hen zal wachten. De boer stuurt zijn vrouw en kinderen weg en legt samen met Bartimeüs en Kritoias een hinderlaag
Drie soldaten te paard sluipen op de boerderij af. Bartimeüs en Kritoias ambushen hen en rekenen snel met hen af.
De boer stuurt een bevriende knecht met de paarden van de soldaten naar Nymarc. Bartimeüs en Kritoias gaan de soldaten achterna. Ze komen een kar met wijnhandelaren uit Montevest tegen die de soldaten hebben gezien.
Overnachting in de herberg De Beer. Geen bijzondere personen. De soldaten zijn hier gezien
Bartimeüs en Kritoias raken verward en gaat naar De oude eik omdat ze niet meer weten wat ze nu precies moesten doen. Ze trekken naar het noorden
Overnachting bij een boer
Verdere reis naar De oude eik, geen bijzonderheden
's Nachts verschijnt de man die zich als druïde voorstelt. Hij herinnert Bartimeüs en Kritoias aan het belang om de Noorderling te bevrijden en te ondervragen.
Terugreis naar de herberg
's Nachts worden Bartimeüs en Kritoias overvallen door drie rovers. Kritoias gebruik zijn magische licht om er een te verblinden, terwijl Bartimeüs op de overige twee inslaat. Kritoias slaat de laatste bewusteloos. Die vertelt hen na enige tijd over het kamp van de rovers. 's Ochtends vroeg gaan Bartimeüs en Kritoias naar het kamp waar nog drie rovers aanwezig zijn, met een mooie tangbeweging slagen Bartimeüs en Kritoias er in de rovers uit te schakelen.
Terugreis naar de herberg
Overnachting in de herberg
Reis naar Montevest
Overnachting in het bos
Reis naar Montevest. Een vrouw die op de weg ligt voert met een boogschutter in de bosjes een slechte hinderlaag uit. Kritoias slaat haar vanaf zijn paard met één klap neer.
Overnachting in het bos
Aankomst in Montevest, klein stadje bij een groot kasteel. De soldaten zijn hier gezien, maar snel verder getrokken. Er zwerft hier ook een dief rond. Drie thugs maken een onaangename indruk. Er zit een decadente wijnhandelaar en een geheimzinnige man in een pij. Korte tocht door de stad gemaakt en de verlaten toren van de tovenaar gezien. Er sluipt een dief rond in de velden.
Gedobbeld met de wachters, niet veel bijzonders ontdekt
In de velden op zoek gegaan naar de dief, sporen in hutje gevonden. In het bos gevochten met de drie thugs die dachten dat wij de dief waren. Alle drie de thugs verslagen. Een ondervraagd, die vertelde dat de bewakers langs het dorp zijn geweest. Daarna mannen gedood, waarna de dief ons zag. Dief, die Otto heet, gevangen genomen en eten gegeven. Hij bevestigt het verhaal van de thugs. Hij zal ons niet verraden. Teruggegaan naar Montevest waar de thugs gemist worden.
Gedobbeld met de wachters, zij hebben een bijzondere gevangene. Tegen de geheimzinnige gast aangelopen. Hij kan praten, maar probeert ons te negeren. 's Nachts hoort Kritoias gestommel, hij klimt uit het raam, wordt bijna ontdekt en hoort een man met de herbergierster praten. Hij volgt de man met zijn begeleider door het bos naar een afgelegen plek in het bos in de buurt van het kasteel.
De volgende ochtend blijkt de Markgraaf vermoord te zijn. In het dorp wemelt het van de wachters. Bartimeüs en Kritoias gaan naar de afgelegen plaats, vinden daar een verborgen lijk en een lange tunnel naar het kasteel. Ze komen door een wijnvat aan in de kelder. In de aangrenzende kerker blijkt de Noorderling opgesloten te zitten. Ze halen hem uit de cel en nemen hem mee naar Otto die hem zal bewaken. Bartimeüs en Kritoias gaan terug naar het dorp en worden kort ondervraagd door de wachters en krijgen te horen dat niemand het dorp mag verlaten. Dan confronteren ze de herbergierster met de nachtelijke gast. Zij biedt hen geld om mee te doen, maar daar willen Bartimeüs en Kritoias nog over nadenken.
Tegen de avond geven Bartimeüs en Kritoias groen licht aan de herbergierster. Zij achtervolgen haar naar het kasteel waar ze via de poort in gaat en niet meer terug komt.
De volgende ochtend komt uit het kasteel het signaal dat de dader is gepakt. Iedereen mag het dorp verlaten. Bartimeüs en Kritoias gaan direct op pad, maar slaan af naar de plaats waar Otto en de noorderling zijn.
's Nachts gaat de hele groep met behulp van Bartimeüs' nachtzicht op weg. Bij het verlaten van het dorp zien ze een geheimzinnig licht op de toren van de tovenaar
In het donker is het moeilijk reizen, daarom reist de groep overdag. Ze ontmoeten twee wijnhandelaren waarmee ze optrekken. Kritoias springt van de kar als een geheimzinnige ruiter hen achterop komt. Deze man met een vogel blijft staan op de plek waar Kritoias in de bosjes verdween en heeft hem kennelijk door, maar doet hem niets. Hij zegt dat hij niet naar Bartimeüs en Kritoias op zoek is, dan gaat hij verder. Bartimeüs komt intussen terug omdat van de andere kant ook ruiters komen. De hele groep verschuilt zich in de bosjes en trekt verder
Tegen de avond gaat de groep van het pad af door de bosjes om de ruiter af te schudden, daarna overnachting in het bos
Overdag gaat de groep verder door het heuvelachtige landschap. Er is geen spoor van de ruiter of zijn vogel te bekennen. Het blijft rustig.
Overnachting in het bos
De groep kruist het pad dat naar de herberg De Beer leidt en gaat slapen in een veld.
Bartimeüs ziet een vreemd licht en achtervolgt een viertal ruiters naar een verlaten boerderij. Het lijkt erop dat zij hier wel bekend zijn.
De groep reist over een inmiddels bekende weg langs de boerderijen op weg naar De oude eik
Overnachting in het bos
De groep reist door verlaten velden
Kritoias ziet een grote vogel over vliegen.
De groep komt aan bij de bosrand. Het bos ziet er een beetje eng uit. Bartimeüs gaat het bos in via een rivier en struikelt. Hij vindt het er niet prettig
De groep gaat slapen bij een vuurtje
Ze gaan met zijn allen het bos in, dat blijkt erg lastig. Geregeld struikelen ze. Bartimeüs klimt in een boom wat bijna verkeerd afloopt. Er is niets bijzonders te zien. De vraag is waar de druïde is. Dan verschijnt Mira, de leerlingdruïde die hen meeneemt het bos in. Ze komen bij een open plek waar een reusachtige oude eik staat en waar de druïde is. Hij ondervraagt de Noorderling. Die vertelt dat er een grote blanke man uit het zuiden het leger komt bezoeken en dat een groep van meer dan 200 soldaten via de oostelijke poort in Vandalus het land is binnengekomen. Hij is gedeserteerd uit die groep. De druïde vraagt Bartimeüs en Kritoias om te controleren of de schedel in het poortgebouw, dat de poort beschermt, er nog is.
Rustige nacht
Bartimeüs en Kritoias lopen langs de bosrand naar het westen
Rustige nacht
Bartimeüs en Kritoias lopen langs de bosrand naar het westen
Rustige nacht
Ze komen bij akkers in de heuvels en een boerderij. Daar vertelt de boer dat ze bij een dorpje komen aan een groot meer. Bartimeüs en Kritoias reizen die kant uit en zien een enorm meer waar vissers op rondvaren
Bartimeüs en Kritoias worden als gasten onthaald in het dorpje. Ze overnachten in een van de hutten
De volgende ochtend gaan ze via een voorde naar de westelijke oever van het meer en lopen de hele dag langs de waterkant. Wanneer ze kamp opslaan zien Kritoias in het laatste licht van de dag een ruiter het pad naar de poort oprijden
Rustige nacht
Bartimeüs en Kritoias komen bij het pad naar de poort en trekken de bergen in. Na enige tijd vinden ze een verbrand lijk dat bij een soort altaar lijkt te liggen.
Rustige nacht
Na een paar uur lopen worden Bartimeüs en Kritoias aangevallen door een waanzinnige man die uit de bosjes stormt. Bartimeüs velt hem met 1 slag van zijn bijl. De man heeft een koperen torc om en een tatoeage van een slang met vleugels. Even later komt Fernando de la Ruth opdagen, een druïdejager die toegeeft verantwoordelijk te zijn voor de verbrande man. Hij mag een druïde alleen maar doden als die bekend heeft een druïde te zijn. Bartimeüs en Kritoias verzinnen een verhaal dat ze naar de poort gaan vanwege een weddenschap met oom Bjorn.
Bartimeüs en Kritoias slapen met Fernando in een grot langs de weg. Er liepen mensen langs, maar dat hoorden ze niet
De volgende ochtend zien zij een groep mannen die waarschijnlijk druïden zijn. Kritoias confronteert hen. De groep ontkent, maar kan geen goede verklaring geven voor hun aanwezigheid. Kritoias achtervolgt ze tot ze om de hoek van een pad verdwijnen. Kritoias sluipt naar voren en hoort de groep praten met twee wachters. Die willen achter de druïdejager aan gaan. Bartimeüs, Kritoias en Fernando verschuilen zich in de bosjes, terwijl de groep druïden op het pad terugkeert. Fernando vraagt of Bartimeüs en Kritoias de boel in de gaten wil houden en informatie verzamelen. Hij gaat assistentie halen, maar dat duurt twee weken. Bartimeüs en Kritoias verschuilen zich in de bosjes, waar zij een pad ontdekken. Dan komen er ongeveer 8 wachters die achter de druïdejager aan gaan. Bartimeüs en Kritoias volgen het pad en zien vanuit de verte een groot kampement waar nog niet veel mensen aanwezig zijn. Ze keren snel terug en gaan op weg naar de poort
Overnachting in de bergen. Bartimeüs slaapt erg veel, Kritoias heel weinig
Bartimeüs en Kritoias zien aan het einde van de dag de grote kloof en lopen via een grote brug naar het poortgebouw van De Westelijke Poort. Dat wordt versierd door een kop van een hagedis. Antonio doet open en gelooft het verhaal van de weddenschap. Een klein contingent incapabele soldaten houdt hier de wacht. Poort is zeer misleidend, omdat het meer een grote muur is. Bartimeüs en Kritoias onderscheiden een vage mansfiguur op de poort. Zou dat de schedel zijn? Van een schedel zelf hebben de poortwachters niets gehoord
Overnachting in het fort. Beide worden wakker door een felle lichtflits. Bartimeüs ziet nog vaag een menselijke figuur op de muur. Ze gaan het onderzoeken, waarbij Kritoias ontdekt dat de muur op een of andere manier magisch is. Ook lukt het hem om de muur als een soort magisch voorwerp voor een heel klein deel te activeren.
De wachters doen het lichtschijnsel af als onzin. Bartimeüs en Kritoias vinden een soort alarmsysteem dat uit een glazenbol bestaat waar het licht van de poort op kan schijnen. Ze poetsen het op, hoewel dat volgens de poortwachter niet mag.
s Nachts kijken Bartimeüs en Kritoias of de muur weer licht geeft, maar dat is niet het geval. Wel zien ze een vaag lichtschijnsel in het bos. Zou dat de groep noorderlingen zijn?
Afscheid van het fort. Na een paar uur lopen gaan Bartimeüs en Kritoias het bos in. Bartimeüs struikelt over een paar losse botten. Kritoias denkt dat die van de veldslag zijn. Na een korte tijd komen ze bij een open plek waar een hoge stapel botten voor een grote rots liggen. Kritoias loopt omzichtig om de open plek heen terwijl Bartimeüs hem dekt met de boog. Dit levert niets op. Als Kritoias naar de rots loopt verschijnt er uit het niets een mist en lijken de lijken uit de grond op te staan. Meer dan tien lijken komen op Bartimeüs en Kritoias af, terwijl een ander lijk op rots roept: "Doodt de erfgenamen!". Kritoias' shock bolt heeft een bedroevend resultaat, maar verder verloopt het gevecht tegen de grote overmacht dankzij de traag bewegende monsters voorspoedig. Kritoias en Bartimeüs rekenen beiden met een aantal monsters af terwijl ze zich naar de rots toegegeven. Als een monster uiteenvalt lijkt het of er een soort geest ontsnapt. Kritoias sprint met behulp van een spreuk op de rots, terwijl Bartimeüs naar boven klimt. Kritoias' shieldspreuk houdt de leider op afstand terwijl Bartimeüs hem in de rug slaag. Als de leider zich omdraait slaat Kritoias hem volledig aan gort. De overige monsters blijven onderaan de rots staan en vormen een eenvoudige prooi.Op de rots staan oude en nieuwe runentekens die Kritoias overneemt op papier
Bartimeüs en Kritoias willen de nacht veilig doorbrengen. Kritoias probeert in de boom te klimmen, maar valt er uit, vergeet zijn landingspreuk en verzwikt zijn enkel. In het midden van de nacht verschijnt een doorzichtige, lichtgevende vrouwspersoon op de steen. Ze zegt niets en gebaart wat.
Deze dag rusten Bartimeüs en Kritoias uit om Kritoias' enkel te laten genezen. Er gebeurt niets bijzonders.
's Nachts verschijnt opnieuw de dame op de steen. Bartimeüs en Kritoias gaan er heen, maar je kunt er zo doorheen met je hand. De verschijning reageert niet
De open plekt lijkt niet natuurlijk te zijn. Er groeit maar heel weinig op de open plaats die de vorm van een bol lijkt te hebben. Bartimeüs en Kritoias herplanten een boompje in de open plek om te zien wat er gebeurt
Bartimeüs en Kritoias gaan beide rustig slapen en hebben een bijzondere ervaring. Het lijkt erop of ze meedoen aan een aanval op de gewonde eerste keizer, Bartimeüs, die door de druïde Beolin, hen wel bekend, als rebel wordt aangeduid. Bij de keizer is ook zijn vuurmagiër Merkor. Samen met leden van hun clan, althans dat denken Bartimeüs en Kritoias, ze herkennen niemand, voeren ze een aanval op Stilholm uit. Dit is op een andere plaats dan waar ze zijn gaan slapen. Stilholm is een verstevigd dorpje met een houten palissade en een houten hal. Beolin vliegt naar binnen en opent de poort. Bartimeüs en Kritoias worden als druïden gezien en blijken ook dat soort magie te kunnen gebruiken. Voor Kritoias is dat een vreemde gewaarwording omdat de kracht uit de aarde komt. Met een groep van tien strijders dringen ze het dorp binnen. Kritoias stopt het bloeden van een strijder, terwijl Bartimeüs een mist laat opkomen. Dan is er een opening en weten ze bij de hal te komen. Het merendeel van de strijders wordt gedood door een vuurbal van Merkor, terwijl een afgeschoten pijl in rook opgaat. Door een gecombineerde windvlaag raakt Merkor uit evenwicht. Dit geeft een andere boogschutter voldoende tijd om hem dood te schieten. De soldaten openen de deur van de hal en aan het einde staat de toekomstige keizer. Bartimeüs schiet zijn oorlel er af, maar dan roept de keizer met zijn dolk een grote draak die door de achterwand breekt en iedereen met zijn vuuradem dood. Bartimeüs en Kritoias worden wakker gemaakt door een vrouw die lijkt op de vrouw van de steen. Zij vraagt hen naar hun namen en de clan. Bartimeüs en Kritoias antwoorden naar waarheid en worden dan wakker. Nu blijkt dat zij een deel van de kracht die ze hadden hebben behouden. Bartimeüs kan mist oproepen en Kritoias kan bloedende wonden stelpen. Bartimeüs en Kritoias vragen zich af wie de dame was: De aardgodin of een druïde. Ze besluiten tot het laatste, want de aardgodin zou nooit naar hun naam vragen, die weet toch alles?
Bartimeüs en Kritoias rusten uit van de beproeving en zetten het boompje dat het niet zo goed doet weer terug. Er is voldoende tijd voor de ontmoeting met de druïdenjager. Ze proberen te peilen hoe diep de steen ingegraven zit, maar dat is zeker meer dan een paar meter.
Bartimeüs en Kritoias overnachten in het bos
Bartimeüs en Kritoias lopen het pad over de pas en door het dal terug naar de weg en lopen naar het zuiden
Overnachting langs het pad
Bartimeüs en Kritoias besluipen het kamp van de wannabe druïden. Terwijl ze in de bosjes verstopt zitten komen er twee 50-jarige mannen langs. Zij bespreken een discussie die in het kamp gaande is. De een is het met Vendolin eens, de ander niet. Zij hebben het over de steen van de laatste slag waar iets bij gaat verschijnen. Zij noemen een de Cardolonieten, klaarblijkelijk een druïdenorde. Bartimeüs en Kritoias besluipen de mannen en Kritoias probeert een slaapspreuk die jammerlijk faalt. Bartimeüs houdt hen aan de praat, terwijl Kritoias het nogmaals probeert. Een van de mannen valt in slaap, de ander wordt door Bartimeüs neergeslagen.Bartimeüs en Kritoias slepen ze mee naar het noorden
Overnachting langs het pad
De mannen heten Paul-Jean en Karel van Viertal. Zij zijn geleerden die onderzoek hebben gedaan naar de terugkeer van de druïden. Zij zijn er van overtuigd de goede plek met de steen te hebben gevonden. De berg is van daaruit zichtbaar, maar de conjugatie klopt niet. Er zijn stromingen binnen de druïden, zoals de Kalkorecense. Zij vertellen het verhaal dat de aardgodin een laatste mokerslag heeft gedaan om de toekomstige keizer te stoppen. Daar is de steen een overblijfsel van. Er is op die plek een vloek uitgesproken dat de keizer door de aarde verzwolgen zal worden. De voorspelling is dat de druïden na 7x7x7 jaar terug zouden keren, en dat is nu. Beolin is 1 van de 7 aardsdruïden. Bartimeüs en Kritoias zijn nu helemaal in verwarring over het hoe, wie en wat. De keizer beschuldigde de oude druïden van onderdrukking en nu beschuldigen de nieuwe druïden de keizer van onderdrukking. De oude druïden komen terug, maar Beolin denkt dat zij voor het land niets goeds in de zin hebben. De mannen zijn compleet in verwarring over de steen en willen de rest waarschuwen, dat willen Bartimeüs en Kritoias natuurlijk niet. Zij herkennen de oude tekens, maar kunnen het niet lezen. De ingekraste tekens zijn van het oude rijk. Iemand in het kamp kan hen wel helpen, die heeft geheime boeken met kennis van de druïden. Bartimeüs en Kritoias vinden dit vreemd, omdat de druïden niets van het schrift moesten hebben en een orale traditie hadden.
De twee mannen zien de verschijning van de vrouwe niet.
Bartimeüs en Kritoias graven een gat van meer dan 3 meter diep op de open plek omdat dat volgens de keizer niet mag. Er gebeurt echter niets.
Tijdens de wacht voelt Kritoias een windje door zijn haar.
De twee mannen blijven hier achter. Bartimeüs en Kritoias gaan op weg terug naar de druïdenjager. Aan het einde van de middag komen ze drie bewakers tegen die op weg zijn naar de twee mannen. Bartimeüs en Kritoias vallen hen aan, maar dat gaat maar net goed door geklungel van Kritoias. Opnieuw mislukt zijn slaapspreuk en met vechten gaat het ook niet goed. Een man wordt gedood tijdens de strijd. Bartimeüs en Kritoias zien geen andere keus dan de anderen te doden. Dat is nog beter dan ze vastgebonden achterlaten in het bos.
Bartimeüs en Kritoias vinden een bijzonder goede rustplek en overnachten daar
Het is bewolkt, met een lichte wind en het wordt ongeveer 18 graden. Bartimeüs en Kritoias volgen het pad en steken weer het bos door bij het pad naar de open plek. Bartimeüs sluipt naar een aantal mannen die als bewakers op het pad zitten, maar hoort niets bijzonders. Bartimeüs en Kritoias lopen verder naar de grot waar ze de druïdejager zouden ontmoeten. Daar is Fernando al gearriveerd met een drietal collega druïdejagers, Alessandro Verantos, Mileau en Stephano en 35 huurlingen. Deze Swords of the West worden aangevoerd door de grote Peer. Ze hebben een palissade over de weg opgericht om de druïden tegen te houden. De druïdejagers willen graag weten wie er in het kamp zitten, Melista, een dame van middelbare leeftijd, Kardolin en Vendolin, de grote slechterik. Ze lijken terug te schrikken van het verhaal van Bartimeüs en Kritoias over de honderden mensen. Ze vragen Bartimeüs en Kritoias om meer informatie te verzamelen. Bartimeüs en Kritoias eten in het kamp van de druïdejagers.
Overnachting in het kamp van de druïdejagers
Bartimeüs en Kritoias vertrekken tegen de middag opnieuw naar het kamp en sluipen langs de bergwand om niet opgemerkt te worden naar het kamp van de druïden. Ze observeren het kamp en zien onenigheid tussen een tweetal groepen. Het kamp lijkt niet goed bewaakt te worden, want er lopen geen patrouilles. Het kamp bestaat uit ongeveer 200 man.
Een groep mannen en vrouwen verlaat met toortsen het kamp aan de andere kant en gaat de berg op. Bartimeüs en Kritoias omcirkelen het kamp en gaan achter hen aan. Na een uur lopen komen ze bij een plek aan de rotswand waar palen met lampen en grote opgestapelde stenen staan. Drie mannen en een vrouw in witte gewaden ontvangen de groep mensen. Een van hen neemt een van de mannen apart en overlegt met hem. Kritoias geeft Bartimeüs sly ears zodat hij beter kan luisteren en Bartimeüs verdiept de schaduwen zodat hij goed naar de druïde en de man kan sluipen om ze af te luisteren. De druïde blijkt Kardolin te zijn. De man meldt dat de ruzies toenemen omdat de angst groter wordt. Hij vertelt dat mercenaries deserteren en dat er mensen weggaan en wil dat de druïde naar beneden gaat. Kardolin zegt dat hij niet weg kan omdat de druïden onderweg zouden zijn. Over vijf dagen is het nieuwe maan na de zonnewende, dan moeten ze wel komen. Kardolin vraagt om morgen Eudorior met zijn groep te sturen zodat hij op ze in kan praten. Hij vertelt dat Vendolin in de grot is. Bartimeüs en Kritoias sluipen achter de groep aan terug naar het kamp en gebruiken Bartimeüs' nachtzicht om op het pad terug te komen. Ze wekken Fernando en vertellen het verhaal. Ze besluiten de volgende dag in te grijpen.
Bartimeüs en Kritoias maken met de druïdenjagers een plan om de druïden levend in handen te krijgen. Bartimeüs en Kritoias gaan met drie van de druïdenjagers en vier swords naar boven, terwijl Fernando met de andere swords het kamp in zal nemen. Ze plannen de tocht zo dat ze tegen het vallen van de avond aankomen zodat ze met het laatste licht langs de bergwand naar het kamp kunnen sluipen. Bartimeüs zal een brandende pijl schieten als het feest gaat beginnen. Bartimeüs en Kritoias wachten met de druïdejagers tot er een groep naar boven vertrekt en gaan er achter aan. Boven aangekomen blijken er geen druïden op de plek met de stenen te staan. Wel zien ze verderop een toorts achter de rotswand verdwijnen. Ze gaan er voorzichtig heen en komen bij een donkere verdedigbare grot. Er liggen wat voorraden opgeslagen en er is een deur in de rotswand die echter op slot zit. Bartimeüs en Kritoias besluiten te wachten tot er iemand terugkomt en dan de deur open te trekken en ze te overmeesteren. Al snel komen er twee wachters aan. Bartimeüs rukt de deur uit hun handen en Kritoias tovert ze in slaap. Ze binden de wachters vast en gebruiken de toorts van de wachters om de donkere gang achter de deur in te lopen. De groep komt bij een splitsing. Bartimeüs gebruikt Path Lore om de juiste weg te bepalen en de groep komt in een grote grot waar een cirkelvormige uitsparing in de bodem zit. Er is een ladder naar beneden
Kritoias gaat als eerste naar beneden en komt in een grote grot waar aan het einde wat lichtschijnsel is dat uit een smalle doorgang komt. Voor de doorgang zijn barricades opgeworpen en voor de barricades staan vier man die richting de smalle doorgang kijken waar wat geschreeuw uit komt. Bartimeüs en Kritoias sluipen voorzichtig een uitgehouwen trap af tot ze op een meter of 25 van de wachters staan. Kritoias tovert een van de mannen in slaap, terwijl Kritoias de ander doodschiet, vervolgens komt de groep druïdejagers aan die korte metten maken met de overgebleven twee mannen. Dan roept een stem vanachter de doorgang wat er aan de hand is. Bartimeüs en Kritoias proberen te doen alsof, maar dat lukt niet al te best. Kritoias stelt zich verdekt op langs de smalle doorgang en ziet een grot waar op magische wijze licht schijnt en waar een grote eik in staat. Alessandro roept de druïden op zich over te geven, maar er komen 8 mercenaries aan gestormd. Bartimeüs schiet een pijl vanaf de barricade, maar mist en Kritoias gebruikt een schildspreuk. Dan ontstaat een groot gevecht waarbij alle mercenaries worden overmeesterd en twee swords sneuvelen. Dan ziet de groep vier druïden op zij van de boom staan, er ontstaat een impasse die Bartimeüs en Kritoias oplossen. Kritoias loopt naar voren en ziet een lijk dat omstrengelt wordt door de boom. Vendolin wil zich niet overgeven en roept Bartimeüs en Kritoias op naar de boom te lopen als ze durven. De andere drie druïden rennen door de struiken naar de achterkant van de boom. Kritoias schiet een shock bolt op Vendolin af, terwijl Bartimeüs een pijl schiet. Dan stormen ze op Vendolin af die nog stenen en keien op Bartimeüs af laat vliegen, maar het mag niet meer helpen. Kritoias slaat hem met zijn staf neer.
Kritoias gebruikt zijn Charm Kind spreuk om Vendolin te doen geloven dat hij een goede vriend is. Vendolin zegt dat hij geen keus had om Euborior te doden, omdat de druïden zullen komen. Wanneer precies weet hij echter niet. De eik is het laatste stuk van de heilige eik, het is aan hem om het te beschermen. Vendolin geeft Kritoias een plaats in de hoofdstad en de code om aan iemand door te geven wat er is gebeurd. Vendolin zegt nog dat het de taak van hem is sinds Kalkaris zijn verstand heeft verloren. Volgens de druïdenjagers heeft een idioot 200 jaar geleden honderden gedood met behulp van magie. Het lijkt er dus op dat Kalkaris toen ook in leven was. Kalkaris was 1 van de 7 druïden.
's Ochtends ontbeten en geslapen in het kamp van de druïdenjagers en mercenaries. Brief ontvangen van Fernando voor Meester Ernesto in Nymarc die ons zal belonen voor onze inzet. Daarna drie uur over het pad gelopen totdat de druïdenjagers, met de gevangen genomen Vendolin voorbij reden. Daarna een slaapplaats gezocht naast het pad
Overnachting naast het pad
Een uur gewacht op de mercenaries. Er verschenen er vier, kennelijk bang, waarvan een met zijn been trok. Daarna nog twee uur gewacht, maar er kwam niemand meer. Bartimeüs en Kritoias liepen terug naar het kamp, dat blijkt volledig verlaten te zijn. De paarden zijn de andere kant op gelopen, de berg op. Bartimeüs trackt de paarden en vindt er vijf die het pad zijn afgelopen. Een uur van de grote open plek staan vijftien andere paarden een stukje van het pad af. Een aantal ervan zijn nog gezadeld. Wanneer Bartimeüs en Kritoias doorlopen vinden ze bij de open plek geen levende mercenaries meer. Ze zijn gedood door beesten en planten. Kritoias haalt met zijn telekinese een buidel van een mercenary los. Het lijkt erop of het bos in opstand is gekomen. Daarna gaan ze verder naar het noorden, de bekende slaapplaats
Overnachting op de goede slaapplaats
Er loopt een spoor van een man over het pad naar de steen. Daar aangekomen blijken de twee druïdewannabees te zijn onthoofd en in het bos gesleept. Het lijkt erop of zij de dader kenden
Overnachting op de steen
Bartimeüs en Kritoias lopen terug naar de slaapplaats
Overnachting op de goede slaapplaats
Na vijf uur lopen komen Bartimeüs en Kritoias bij de plek met de 15 paarden. Die blijken ontzadeld te zijn. Bartimeüs vangt vier paarden en zadelt ze op. De reis gaat daarna verder te paard. Ze rijden langs het voormalige basiskamp en zoeken een slaapplaats
Rustige overnachting naast het pad
Bartimeüs en Kritoias ontmoeten op het pad een avonturier genaamd Daowin. Hij heeft gehoord van de druïdejagers en is op zoek naar spannende gebeurtenissen. Hij zegt dat hij normaal tussen Vandalus en Nymarc reist en nu hierheen is gekomen. Eerst niet via de Nymarcweg, later wel. Bartimeüs en Kritoias vertrouwen hem niet en weigeren te vertellen wie de druïdejagers gevangen hebben genomen. Hij komt oorspronkelijk van een stam uit de kern van het keizerrijk. Bartimeüs en Kritoias komen samen met Daowin het bergpad af en overnachten aan de oevers van het meer. Bartimeüs en Kritoias vertrouwen Daowin niet en houden zelf de wacht
Rustige overnachting naast het meer
Daowin neemt afscheid van Bartimeüs en Kritoias bij de splitsing naar het meerdorp. Hij gaat verder naar Nymarc. In het dorpje blijkt dat Daowin daar is geweest en naar Bartimeüs en Kritoias heeft gevraagd, net als een groep van 4 mannen te paard, maar dat was al een maand geleden. Die groep mannen is teruggereden
Bartimeüs en Kritoias slapen bij iemand in huis. Kritoias hoort tijdens zijn wacht iemand rond het huis sluipen. Hij zorgt ervoor dat hij beter kan luisteren en maakt Bartimeüs wakker. Bartimeüs spant zijn boog, terwijl Kritoias met telekinese het laatste luik ontgrendelt. Een persoon maakt het luik voorzichtig open. Hij fluistert psst. Kritoias psst terug. Dan roept de man "Karanach" en gooit een zwarte veer naar binnen. Kritoias probeert een slaapspreuk, maar die mislukt. De man is weggerend. Bartimeüs trackt hem buiten naar het meer, waar hij uit is gekomen en weer naar toe verdwenen
Bartimeüs en Kritoias nemen afscheid van de dorpelingen en gaan achterdochtig op weg naar het bos door de heuvels, maar zien overdag niemand
Bartimeüs en Kritoias overnachten bij de bosrand
Reis langs de bosrand
Bartimeüs en Kritoias overnachten bij de bosrand
Reis langs de bosrand, aankomst bij de boom
Bartimeüs en Kritoias overnachten bij de bosrand
Overdag gewacht, maar niets gezien. 's avonds ziet Bartimeüs een vuurtje op vijf kilometer afstand. Bartimeüs gebruikt zijn nachtzicht om dichterbij te komen en Kritoias gaat mee. Ze vinden een jonge vrouw die in een boom slaapt, terwijl haar paard naast de boom staat. Bartimeüs maakt haar wakker. Ze heet Metla en komt uit Nymarc. Eens per maand komt ze hier om beesten te vangen in haar strikken. In Nymarc kan ze geen baantje vasthouden. Bartimeüs en Kritoias spreken met haar af over drie dagen op deze plaats
Bartimeüs en Kritoias overnachten bij de bosrand
s Ochtends, nadat ze twee uur heen en weer hebben gelopen voor de bosrand zien Bartimeüs en Kritoias een stofwolk in de verte. Ze verstoppen de paarden in het bos en gaan kijken wie er aankomt. Het blijken de vier man uit de verlaten boerderij te zijn. Bartimeüs en Kritoias sluipen naderbij en Kritoias luistert ze af. Ze hebben het over een lijk dat ze hebben gevonden. Dat kan niet anders dan Otto zijn! De man genaamd Pedro gaat het bos in. Bartimeüs sluipt hem achterna en schiet hem van achteren neer. Maar Pedro is niet zwaar gewond! Hij rent op Bartimeüs af, die er na het vluchtig afschieten van een pijl vandoor gaat. Net als Pedro Bartimeüs heeft ingehaald valt hij op de grond. De andere mannen hebben intussen niet gemerkt dat Kritoias een slaapspreuk op ze had gedaan. Terwijl Bartimeüs Pedro met een pijl neerschiet en daarna met zijn bijl doodt teleporteert hij in de boom boven de mannen en tovert twee van hen met een slaapspreuk bewusteloos. De laatste geeft zich over. Hij gooit zijn wapen weg en Kritoias springt uit de boom. De man zegt dat hij voor de koning van Vandalus werkt en dat zijn opdracht is de noorderling terughalen. Hij vertelt dat Bartimeüs en Kritoias in grote problemen zitten, zeker als ze hem en zijn maten zullen doden. Verder wil hij geen extra informatie geven. Na een kort beraad besluiten Bartimeüs en Kritoias de mannen te doden. Ze kennen de plaats van de boom en zullen Bartimeüs en Kritoias zeker verraden. Dan lopen ze samen het bos in vinden daar het begraven lichaam van Otto. Wie heeft hem vermoord? Beolin, Mira en de noorderling zijn bij de boom nergens te bekennen.
Bartimeüs en Kritoias onderzoeken het lichaam van Otto en ontdekken dat zijn keel is doorgesneden en hij in zijn borst is gestoken. Zijn kleding ontbreekt en hij is kort nadat Bartimeüs en Kritoias zijn vertrokken gedood. Na intensief speurwerk ontdekt Bartimeüs dat er paarden sporen het bos uit lopen.
Bartimeüs en Kritoias overnachten bij de bosrand
s Ochtends vroeg zien Bartimeüs en Kritoias in de verte een groep mannen aan komen lopen. Bartimeüs gaat er te paard op af. De mannen zijn wat onzeker en willen niet vertellen wie ze zijn. Kritoias cast een gespellstorede shock bolt, vlak voordat iemand achter hem zegt stop te roepen tegen Bartimeüs. Het is Daowin die een gespannen boog op Kritoias richt, terwijl hij zegt dat hij wil praten. Kritoias draait zich om en ziet een tweede man. Bartimeüs merkt dat iets niet in de haak is en galoppeert terug, terwijl de tweede man Kritoias wil vastbinden. Die laat zijn shock bolt vliegen die Daowin zo afleidt dat hij zijn pijl over de op de grond duikende Kritoias heen schiet. Kritoias rolt achter de boom en staat op. Wanneer de tweede man om de boom heen wil lopen gebruikt Kritoias leaping om in de boom te springen. Dat gaat niet zo zacht, waardoor Daowin doorheeft wat er gebeurt en hem bedreigt in de boom. Hij schreeuwt intussen naar Bartimeüs dat hij zich over moet geven. Die doet dat niet, maar rijdt het bos in waar de tweede man hem gaat opzoeken. Dat bekomt hem slecht want Bartimeüs besluipt hem met Shades aan en slaat hem van achteren in een keer dood (66 Ambush). Kritoias heeft inmiddels in de boom een shield gebruikt en weet tenslotte Daowin in slaap te toveren. Dan spring hij met Landing uit de boom, net op tijd om een mes op de keel van Daowin te zetten en de acht boeren op afstand te houden. Na Bartimeüs' bedreigingen met de pijl en boog geven ze zich over.
De mannen blijken uit een dorpje aan het meer te komen en werden betaald om mee te gaan omdat Bartimeüs en Kritoias gevaarlijk zouden zijn. Bartimeüs geeft ze een mooie vergoeding voor hun tocht en de acht mannen gaat weer op weg naar huis. Dan maken Bartimeüs en Kritoias Daowin wakker en hebben een goed gesprek met hem. Hij vertelt dat een machtige man uit Vandalus hem opdracht heeft gegeven te achterhalen waarom Bartimeüs en Kritoias van Beolin naar de poort moesten. Hij kan niet vertellen wie, omdat hij dan zal sterven. Hij wordt gewoon betaald voor die opdracht. De tweede man heet Alvin en daar heeft hij verder niet zo veel mee. Hij vertelt verder dat er een huurmoordenaar genaamd Jondar achter Bartimeüs en Kritoias aan zit, die waarschijnlijk is gestuurd door Beolin. Bartimeüs en Kritoias vertellen dat ze het hoofd zochten in de poort en laten Daowin daarna gaan.
Bartimeüs en Kritoias zadelen de paarden op en gaat op zoek naar Metla om dezelfde dag nog naar Nymarc te kunnen vertrekken. Metla blijkt nog steeds te kamperen bij het beboste gebied. Als Bartimeüs en Kritoias vragen van welke vogel de zwarte veer is kijkt ze vreemd op en vraagt hoe ze er aan kwamen. Als Bartimeüs en Kritoias hebben verteld over de clan Karanach komt plotseling Korin, een grote ranger uit de bosjes gelopen. Het blijkt dat Metla vannacht bij Bartimeüs en Kritoias in de bosjes zat en de mannen had zien komen. Er ontstaat een geanimeerd gesprek waar veel informatie wordt gedeeld:
Bartimeüs valt een vogel op die 's nachts over het kamp vliegt. Hij schiet een pijl af, maar de vogel is ver buiten bereik.
Metla kijkt steeds in de lucht en zegt dat het bewolkt is en gaat onweren. De reis voert door een vlak graslandschap. Metla heeft een konijn gevangen in een strik dat 's avonds smakelijk wordt opgegeten
Een rustige overnachting in de tent op de vlakte.
De reis voert door het bos. Metla is vergeten een strik te zetten en Bartimeüs probeert een duif te schieten, maar faalt. Kritoias gebruikt een slaapspreuk om een drietal vogels in slaap te toveren. Vervolgens hoort Bartimeüs geblaf in het bos. Met zijn drieën gaan ze een stukje het bos in en zien een vijftal mannen met twee honden, die klaarblijkelijk aan het jagen zijn. Dat blijk bij nader inzien niet het geval, want wanneer Bartimeüs aanbiedt om vlees te kopen willen de mannen opeens geld zien. Kritoias tovert er twee met een voorbereide slaapspreuk in slaap waarna Bartimeüs ze bedreigt door te zeggen dat de mannen dood zijn. De overige drie sturen de twee honden op de paarden af, terwijl ze snel het bos in rennen. De paarden zijn niet erg onder de indruk en de honden rennen achter hun baasje aan. Als Bartimeüs en Kritoias de twee mannen willen vastbinden roepen de mannen dat ze onder schot worden gehouden. Kritoias houdt ze aan de praat, terwijl Bartimeüs een grote mistwolk laat ontstaan. Snel binden Bartimeüs en Kritoias de mannen vast en nemen ze mee op hun paarden. Bij het ondervragen blijkt dat dit een groep rovers is die "bescherming" bieden aan de plaatselijke bevolking. Ze zijn hier gekomen omdat er hier een opportunity was. Bartimeüs en Kritoias leveren ze uit aan de plaatselijke boeren en reizen verder. Aan het eind van de dag komen ze bij de verlaten boerderij aan, die helemaal leeg blijkt te zijn.
De overnachting in de verlaten boerderij verloopt ongestoord
Na proviand te hebben ingeslagen bij de Beer, waarbij Metla angstvallig buiten de omheining bleef, gaan ze op weg naar Nymarc. Het is best wel druk op de weg. Voordat ze Nymarc bereiken neemt Metla afscheid. Als Bartimeüs en Kritoias haar willen bereiken moeten ze in De Lekke Beker bij de eenogige barman naar Maria vragen. De volgende dag zal Metla er dan zijn wanneer de koets naar Montevest vertrekt.
De hele familie is heel blij als Bartimeüs en Kritoias zich weer melden. Kokkie heeft lekkere pap klaargemaakt en vertelt dat er een mooie vrouw met rood haar vergezeld van een bodyguard naar ze heeft gevraagd. Ook oom Caedmon wil alles weten van de avonturen van Bartimeüs en Kritoias, die zich natuurlijk behoorlijk op de vlakte houden. Ze vertellen alleen iets over de noorderlingen, Montevest en de poort. Oom Caedmon heeft ook een opdracht voor Bartimeüs en Kritoias. Hij heeft de helm van de stichter van Nymarc, Wilhelm, in de kelder. Iemand heeft hem gevraagd er het ontbrekende blazoen op te zetten dat aangeleverd zal worden uit de hoofdstad. Het blazoen heeft iets met de druïden te maken, is ontvreemd en zal binnenkort worden bezorgd. Bartimeüs en Kritoias moeten eerst het geld ophalen en daarna dit ruilen voor het blazoen. Het heeft misschien iets met de 7 magistraten te maken. Elke dag is een andere magistraat de baas
Bartimeüs en Kritoias overnachten bij de werkplaats
Kokkie vertelt een verhaal dat een mooie roodharige vrouw een magistraat zou hebben betoverd, waardoor Nymarc onafhankelijk bleef van het keizerrijk.Bartimeüs en Kritoias reizen af naar de kazerne van de druïdenjagers, dat zich ten zuiden van de stad bevindt. Ze komen langs de haven met de zuidbrug, lopen verder door het armendistrict, passeren de dievenhaven, waar ze De Lekke Beker tegenkomen en gaan vervolgens over de brug naar de andere kant waar het huurlingenkamp is. Ze melden zich aan de poort van de druïdenjagers en worden ontvangen door Ernesto. Hij wil hen graag een beloning geven en vraagt wat Bartimeüs en Kritoias zouden willen hebben. Bartimeüs spreekt zijn voorkeur uit voor een betere bijl en Kritoias wil graag iets om beter zijn magie te kunnen gebruiken. Ernesto vraagt hen over twee dagen terug te komen.
Vervolgens gaan Bartimeüs en Kritoias op weg naar herberg De Dronken Dryade op de oude markt, waar ze een fles Montevestische witte wijn gekoeld met zuiver ijs uit de witte bergen bestellen. En wat brood. De waard brengt hen het brood en een afgesloten fles waar een briefje in zit. Ze lopen terug naar de werkplaats en maken de fles open. Op het briefje staat de opdracht om op de poortmarkt een pakje voor vrouwe Kinsella op te halen. Zo gezegd zo gedaan. Bartimeüs en Kritoias lopen over de noordbrug via de oude markt naar de poortmarkt en spreken de marktmeester aan. Al snel komt een boodschapper met een pakje voor Bartimeüs en Kritoias. Opnieuw gaan ze terug naar de werkplaats en daar blijkt dat er een verse vis in het pakje zit. Het briefje in de vis stuurt ze naar de zuidbrug, waar in de vierde waterspuwer een kistje verstopt blijkt te zitten. In het kistje zitten twee toegangskaarten voor het toneelstuk Tristaan en Isoldoor van de schrijver Mollieu voor de avond. Er zit ook een gouden koord bij dat een van hen moet dragen.Bartimeüs en Kritoias gaan 's avonds naar het theater aan de noordkant van de stad en worden na afloop verzocht zich te melden bij de actrice die Isoldoor speelt. Zij begeleidt hen naar de artiesteningang, waar in de steeg een zwarte koets zonder herkenningstekens staat opgesteld. Bartimeüs en Kritoias stijgen in en krijgen door een gordijntje van een gehandschoende hand een kistje aangereikt en een goudkleurige dolk. Het kistje bevat de betaling. Om de leverancier te ontmoeten moeten ze naar de nieuwe markt, waar een advertentie is aangebracht door een charlatan die werk zoekt voor 10 goud per uur.Bartimeüs en Kritoias lopen direct door naar de nieuwe markt en vinden de advertentie. Om de Charlatan te ontmoeten moeten ze zich de volgende dag in de grote hal melden rond het 5e uur.
Bartimeüs en Kritoias brengen het kistje met de betaling naar oom Caedmon en overnachten bij hem op de bank.
De volgende dag blijven Bartimeüs en Kritoias het kistje bewaken en gaan aan het eind van de middag naar de grote hal. Kritoias draagt de gouden dolk zichtbaar aan zijn riem en ze worden al snel door een man aangesproken. Terwijl ze doen alsof ze druk handelen vertelt hij hen dat het object over de rivier naar Nymarc wordt vervoerd en in de dievenhaven zal aankomen. Oom Caedmon krijgt bericht wanneer het zover is, dan moeten Bartimeüs en Kritoias zich, met de betaling, het eerste uur na middernacht melden bij de dieven haven.
Bartimeüs en Kritoias overnachten in de barak bij de werkplaats
's Ochtends vertelt William hen dat hij de overdracht gaat doen, maar graag wil dat Bartimeüs en Kritoias mee gaan. Daarna gaan Bartimeüs en Kritoias op weg naar de basis van de druïdenjagers via de zuidelijke haven. Ze krijgen een hartelijke ontvangst van Ernesto die twee geschenken voor hen heeft. Bartimeüs krijgt een goede handbijl, door een echte meester vervaardigd, terwijl Kritoias een ring krijgt waarmee hij twee spreuken per dag extra kan doen.Ze lopen terug naar de dievenhaven en gaan lunchen in de Zeemeermin. Daar worden Bartimeüs en Kritoias aangesproken door Peer die hen een partij touw probeert te verkopen. Nauwelijks hebben ze hem afgepoeierd of er ontstaat rumoer in de haven. De Charlatan blijkt dood in het water te drijven. Hij is duidelijk gemarteld. Bartimeüs en Kritoias helpen de havenmeester om de Charlatan uit het water te vissen en naar de schuur van de havenmeester te brengen. Een belangrijke man, Olvart Harrelson komt aanlopen, samen met wachters en geeft de havenmeester de opdracht het lijk naar het stadhuis te brengen. Bartimeüs en Kritoias lopen met de havenmeester mee naar de oude stad.
Op de markt is een winkeltje waar ze materiaal voor tovenaars verkopen. Het blijkt het winkeltje van de school te zijn. Runenpapier is er te koop voor 1 goudstuk per vel, maar dat heeft Kritoias niet bij zich. Wanneer ze vragen naar Ole horen ze dat hij op het stadhuis werkt. Bartimeüs en Kritoias gaan terug naar het stadhuis en vragen naar Ole. Die verschijnt al snel. Hij blijkt de archivaris te zijn en is zeer geïnteresseerd in de runen. Hij vertelt dat het geen letters maar woorden zijn en herkent er een paar. Hij belooft uit te zoeken wat het is en contact op te nemen. Bartimeüs en Kritoias vertellen Ole hun verhaal en vragen naar Stilholm. Dat ligt aan de noordgrens van het oude rijk, een paar dagreizen zuidelijk van hier. Het dorpje is in de oorlog verwoest en nooit herbouwt. Ole verklaart ook de glazenbol die Bartimeüs en Kritoias bij de poort zagen. Dat is een communicatiesysteem dat door magisch begaafden gebruikt wordt. Ole gelooft niet dat de poort bedoeld is om een leger tegen te houden, maar dat het een focus is voor de banvloek op de aartsdruïde.Bartimeüs en Kritoias gaan terug naar oom Caedmon en doen hun verhaal. Ze zijn namelijk onzeker of er nu nog een waarschuwing komt aangezien de Charlatan dood is. Dat had niet gehoeven want op hetzelfde moment wordt een steen door de ruit gegooid met een briefje waarop staat dat vandaag de dag is. Bartimeüs en Kritoias gaan uitrusten om vanavond fris aan de overdracht te kunnen beginnen.
Bartimeüs en Kritoias lopen met William naar de dievenhaven. Kritoias heeft van oom Caedmon een helmornament gekregen die als decoy gebruikt kan worden. Ze verstoppen zich langs de kade bij een paar kisten en worden bijna ontdekt als de havenmeester zijn ronde doet en William over een touw struikelt. Omdat het bijna 1 uur na middernacht is sluipen ze al snel weer terug naar de kade. Daar zien ze korte tijd later een lichtschijnsel en William gaat erop af om de ruil te doen. Hij komt spoedig teruglopen en gaat met Kritoias tussen twee loodsen staan. Terwijl Bartimeüs de wacht houdt verwisselt Kritoias de pluim in het kistje dat William heeft gekregen met het helmornament en maakt vervolgens de pluim onzichtbaar. Wanneer ze aan de andere kant tussen de loodsen uitkomen en over het plein naar de Zeemeermin lopen worden ze aangesproken door twee man met zwaarden. Die eisen het kistje op terwijl Kritoias een schildspreuk uitspreekt. Om het niet al te makkelijk te maken verweren William en Kritoias zich, terwijl Bartimeüs komt aanrennen. Het gevecht verloopt voorspoedig, een van de mannen valt bewusteloos neer, totdat William door een magische vuurpijl wordt getroffen en gruwelijke brandwonden oploopt. Zijn tegenstander maakt van de gelegenheid gebruik om hem neer te steken. William laat de zak en zijn zwaard vallen en zijgt ineen. Bartimeüs en Kritoias slaan op de man in die de zak probeert te pakken en trekken zich dan met de zak terug tussen de loodsen terwijl ze William achter zich aanslepen. Bartimeüs roept een mist op, terwijl Kritoias aan zijn slaapspreuk begint. Ze zijn beide nog niet klaar als twee nieuwe mannen voorzichtig het steegje inlopen, ze zien blijkbaar niets en roepen Bartimeüs en Kritoias op zich over te geven. Dan rolt de slaapspreuk van Kritoias over hen heen, terwijl de mist opkomt en beide vallen in slaap. Bartimeüs snijdt beide de keel door, terwijl Kritoias constateert dat William dood is. Kritoias roept nog meer mist op om de havenmeester het zicht te beletten
Bartimeüs en Kritoias nemen het lichaam van William mee naar een roeibootje dat in de zijhaven ligt. Ze snijden het touw door en roeien tot onder de steiger. Daar wachten ze even tot het in de buurt rustig is en daarna roeien ze de rivier op en laten zich stroomafwaarts meevoeren. Een eindje ten zuiden van de krottenwijk meren ze aan, trekken William zijn leren pantser uit en geven hem een vikinggraf. Via de armenbrug lopen ze naar de oostoever om via de zuidbrug weer terug te keren. Ze melden zich bij oom Caedmon die de pluim van paardenhaar overneemt en goed opbergt. Bij nadere bestudering merkt Kritoias op dat er een magische spreuk op de pluim ligt. Dan gaan Bartimeüs en Kritoias slapen bij oom in het gastenverblijf
Kritoias droomt dat hij op een heuvel staat, zonder dat er bergen te zien zijn. In de verte komen vier ruiters aan. Kritoias verstopt zich snel in een bosje dat hij plotseling naast zich ziet. De ruiters zijn naar hem op zoek. Dan wordt Kritoias wakker, omdat Bartimeüs een geheimzinnige mist in het huis ziet. Bartimeüs en Kritoias gaan op onderzoek uit, maar vinden niets bijzonders. Alleen trilt de kelderdeur heel eventjes.
s Ochtends koopt Kritoias twee bladen rune paper. Oom Caedmon vindt het intussen gevaarlijk worden omdat de nachtelijk gebeurtenissen zijn ambities om magistraat te worden dwarsbomen. Hij stuurt Bartimeüs en Kritoias samen met de inmiddels ook onzichtbaar gemaakte pluim op weg naar Izendaal waar zijn zus, de tante van Bartimeüs en Kritoias woont. De weg naar Izendaal voert over de andere oever en de reis verloopt rustig. Aan het einde van de dag komen Bartimeüs en Kritoias aan in de herberg "De blauwe eik" en nemen daar een kamer. Een mijnronselaar probeert Bartimeüs en Kritoias te interesseren voor een carrière in het mijnwezen, maar die slaan dat beleeft af.
Bartimeüs moet de wacht houden, maar valt toch in slaap. Kritoias droomt intussen dat hij in het bosje zit en dat de vier personen waaronder minimaal een man en een vrouw daar in gaan zoeken. Kritoias denkt aan meer bosjes, die ook prompt verschijnen. De groep vindt dit verdacht en wil hem gaan uitroken. Kritoias bedenkt een bliksemflits en een regenbui om dit tegen te gaan, maar hij ziet toch vuur verschijnen. Dan wordt erop de deur gebonsd omdat de herberg in brand staat. Bartimeüs en Kritoias klimmen door het raam, pakken de paarden en gaan er vandoor. Na een half uurtje met Bartimeüs' nachtzicht te hebben gereden slaan ze achter wat bosjes hun kamp op.
De volgende dag rijden ze verder naar Izendaal. Aan het eind van de middag worden ze ontvangen door hun tante en oom Danark, die een van de wapensmeden in het dorp is. Izendaal valt onder keizerlijk bestuur waarbij Everhard de inspecteur de controle uitvoert. Hij woont in een fort bovenaan de vallei met een aantal wachters. Ferfaar heeft de concessie van de keizer gekregen en verkoopt het erts en de kolen die gemijnd worden aan de handelaren en smeden. Het dorp is al heel oud en onlangs is een nieuwe mijn geopend. Bartimeüs en Kritoias gaan slapen in het aparte gastenverblijf naast het huis van oom en tante.
Bartimeüs houdt de wacht, terwijl Kritoias eerst gaat slapen. Opnieuw gaat Kritoias' droom verder. Deze keer proberen de tegenstanders iets anders, ze schieten in het wilde weg in de bosjes. Het bijzondere is dat de pijlen wel allemaal in de buurt van Kritoias komen. Het getik blijkt ook in de echte wereld te bestaan, want Bartimeüs hoort tikken op de deur. Hij maakt Kritoias wakker, opent de deur en valt het skelet aan dat samen met vier kompanen de hut belaagd. Het skelet is echter eerder en geeft Bartimeüs een trap tegen zijn been waardoor hij even in de verdediging wordt gedrongen. Kritoias maakt een magisch schild en tovert dan een muur van koude voor de deur, die de skeletten aantast en er uiteindelijk twee kapot maakt, terwijl een derde naar de grond wordt gewerkt. Bartimeüs doet intussen zijn uiterste best en slaagt er in de overige skeletten te vernietigen, maar hij loopt zelf wel wat klappen op. Kritoias wordt intussen door de onnatuurlijke koude van de skeletten aangedaan en voelt zich niet heel lekker.
Na het gevecht zien Bartimeüs en Kritoias dat de delen van de skeletten weer naar elkaar toe kruipen! Snel pakt Kritoias kolen uit de smidse waar hij een wachter tegen het lijf loopt. Die gelooft het verhaal niet en loopt mee naar de plaats voor de hut waar de botten liggen. Nadat hij het zelf heeft gezien schreeuwt hij wat nog meer mensen wakker maakt, maar hij helpt ook de botten te verbranden. Bartimeüs en Kritoias vinden het mooi geweest en gaan opnieuw slapen.
De volgende ochtend ontbijten Bartimeüs en Kritoias bij oom en tante in huis. Daarna gaan ze het dorp in en Bartimeüs zegt dat de ondoden waarschijnlijk uit de mijn komen. De mijnopzichter, Jarrod, vindt dit grote onzin en daagt Bartimeüs en Kritoias uit om mee de mijn in te gaan. Ze gaan mee en op de weg erheen vraagt Jarrod wie hen heeft betaald om dit verhaal te verspreiden. Bartimeüs en Kritoias ontkennen en ontdekken dat de mijn in de opstartfase is, er is niet eens een grote mijngang! Door goed te zoeken ontdekt Bartimeüs wel sporen van een groot knaagdier dat iets versleept heeft, sporen van een touw en het spoor van het knaagdier naar het dorp.Dan gaan Bartimeüs en Kritoias naar het kerkhof en het blijkt dat de vijf skeletten hier vandaan zijn gekomen, uit de oude graven.
Bartimeüs en Kritoias gaan nog wat rust pakken, want van goed slapen is het de vorige dagen niet gekomen. Kritoias droomt nu dat een van de personen een vogel oproept, of zich in een vogel verandert om vanuit de lucht zijn schuilplaats te vinden. Kritoias bedenkt een grote storm en wordt dan wakker door geschreeuw uit het dorp. Bartimeüs en Kritoias spoeden zich naar de plaats des onheils en het blijkt dat Dorny de bedelaar is aangevallen door een monster en half is opgegeten.
Bartimeüs ontdekt bij de bedelaar de sporen van een op twee poten lopend knaagdier. Dan komt ook Ruarc aanlopen, de zoon van oom en tante, die juist vandaag is teruggekeerd van een rondreis. Gezamenlijk, en met een groep nieuwsgierige inwoners volgen ze het spoor langs het dorp op weg naar de oude mijn. Bij de weg naar de mijn komen ze Everhard met twee wachters tegen. Die wil weten wat er aan de hand is en dwingt ze terug te gaan naar het lijk van Dorny. Everhard probeert de dood van Dorny te bagatelliseren, maar uiteindelijk gaan ze toch allemaal op weg naar de mijn. Daar blijkt dat een van de wachters van Everhard sporen heeft uitgewist.
De mijn ziet erop het eerste gezicht in orde uit, dichtgetimmerd en met de totems aan weerszijde op hun plek, maar Everhard wil Bartimeüs, Kritoias en Ruarc niet laten onderzoeken. Kritoias gebruikt daarop telekinese om de planken die de mijningang afsluiten heen en weer te bewegen. Daarbij valt een plank naar beneden, waar Everhard behoorlijk van schrik. Hij trekt zelfs lijkbleek weg als er plotseling voetstappen in de mijn zijn te horen, met dank aan Ruarc. Everhard gaat er met zijn wachters vandoor, terwijl Bartimeüs door het ontstane gat naar binnen tuurt. Het duurt niet lang, of hij valt daarbij flauw. Als hij weer is bijgekomen ontdekken Bartimeüs, Kritoias en Ruarc dat er in de mijn allemaal planten groeien die naar de uitgang komen. Ze gaan naar het midden van de gang en lijken de totems te mijden. De verdorde planten stoppen vlak voor de afsluiting. Verder lijkt er niets bijzonders te zijn en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan terug voor de lunch. Na de lunch zoeken ze Everhard in zijn kasteeltje op, maar die ontkent er iets van te weten. Kritoias prepareert een stuk rune papier met een slaapspreuk ter bescherming van het voorwerp. De rest van de dag is het rustig
Kritoias droomt weer dat hij op een heuvel staat, maar de vijanden gebruiken ook magie en zorgen ervoor dat alle bosjes weg zijn. Kritoias roept vervolgens een grote vuurbal op en roostert alle vijanden. Dan bedenkt hij dat hij in een dorpje is. Daar gaat hij naar een herberg, De Diepe Mijn met een lange dunne man.
De volgende ochtend zegt tante dat zij ook van een lange dunne man heeft gedroomd. Kritoias vindt dit wel vreemd, maar stelt er geen vragen over. Dan gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc opnieuw naar de mijn en vinden daar een recentelijk ingesneden tekst "Help me". De tekst is gemaakt door een persoon op laarzen, misschien Everhard of een van de wachters. Ruarc en Kritoias vallen intussen ten prooi aan een geheimzinnige macht in de mijn, wat ze zelf niet door hebben. Ze zijn het niet eens met elkaar en maken ruzie. Na een tijdje gaat het weer voorbij en lijkt het alsof er niets is gebeurd. De familieleden besluiten om de volgende nacht vroeg naar de oude mijn te gaan om te zien of er iemand naar toe komt die ze kunnen helpen
Kritoias droomt dat hij met de man spreekt. Die zegt dat de omslag voor de godin daar is, dan wordt hij wakker. Snel gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc naar de mijn en verstoppen zich daarom om degene die om hulp vroeg te onderscheppen. Na een tijd wachten verschijnt een soort lopende rat die door Kritoias vakkundig in slaap wordt getoverd. Ze nemen de rat gevangen, slepen hem verder het bos in en daar blijkt het om Everhard te gaan. De veranderingen begonnen een paar weken geleden. Hij probeert het tegen te gaan, maar dat lukt niet altijd. Hij vraagt Bartimeüs, Kritoias en Ruarc om hem te doden, maar die besluiten de wachters te halen.
In het ochtendlicht komt iedereen aan en na een kort onderhoud met Everhard blijkt dat hij niet op weg was naar de mijn, maar er juist vandaan kwam. En dat hij zojuist de totems had vernietigd! Bartimeüs, Kritoias en Ruarc schrikken zich kapot en haasten zich met de dapperste wachter naar de oude mijningang. Ze stellen zich op om met toverspreuken en pijlen de naar buiten komende monsters te bevechten, maar helaas kwam er alleen maar duisternis naar buiten. Ook horen ze de Kritoias welbekende stem. Bartimeüs schiet in het donker, maar raakt de houten planken, ook Kritoias' waterpijl mist. Ruarc houdt zijn spreuken nog even voor zich. Bartimeüs probeert vuur te maken, maar wordt door de stem in zijn greep gehouden. Kritoias gebruikt een lichtspreuk en stormt op de mijningang af. Zodra hij de dunne man ziet probeert Ruarc hem met zijn stem te verstijven, maar de man schudt het van zich af. Hij kan echter de harde klappen van Kritoias niet afweren, omdat hij zich concentreert op het inbedwang houden van Bartimeüs. Met drie klappen gaat hij tegen de vlakte en lost in lucht op, terwijl Bartimeüs en Ruarc zich in de strijd storten. De mijn blijkt helemaal verlaten te zijn, er zijn alleen heel veel ranken die uit de grond lijken te komen en naar de mijningang gaan, allemaal verdord.
Tijdens het middaguur komen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc weer terug bij oom en tante en kunnen gelijk aanschuiven bij de lunch. Die middag helpen ze oom/vader in de smidse. Voor het avondeten gaan ze nog even langs bij het fort, maar daar is de deur dicht en op kloppen wordt niet gereageerd. Bartimeüs klimt met ondersteuning van Kritoias en Ruarc over de muur en is net bezig om de balk van de poort te halen als een van de wachters aan komt lopen. Hij vertelt dat Everhard zich heeft opgesloten in zijn kamer, maar dat voor de rest alles goed is. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertrekken en na een licht avondmaal gaan ze hun vertier zoeken in de herberg. Het is er gezellig druk met mijnwerkers en een aantal dames van plezier. Kritoias weet zich in te houden, Ruarc is licht aangeschoten, maar Bartimeüs weet geen maat te houden en wordt aan het eind van de avond door Kritoias en Ruarc naar huis geholpen. Zonder zijn leren pantser uit te doen valt hij op zijn bed in slaap.
Kritoias had gehoopt dat zijn dromen voorbij zouden zijn, maar dat is helaas niet het geval. Hij staat in de ruïnes van het dorp waar hij de vorige keer was. Het lijkt erop dat het dorp een paar honderd jaar geleden is verwoest. Dan ziet hij van alle kanten ruiters zijn kant op komen. Kritoias maakt zich onzichtbaar en leviteert omhoog. Hij ziet van alle kanten legereenheden aanstormen die banieren dragen waar een gevleugelde slang op staat. Tegelijkertijd lijkt het dorpje terug in de tijd te gaan, het bouwt zich weer op en er lopen mensen. De soldaten vallen het dorpje aan en de dorpelingen gillen en schreeuwen. Dan klinkt van buiten ook geschreeuw. In het noorden-westen van het dorp is iets aan de hand. Bartimeüs is nog steeds dronken, maar gaat toch met Kritoias en Ruarc mee, die snel zijn schild en strijdhamer heeft meegegrist. Het is donker en Kritoias tovert een lichtstraal uit zijn hand. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen langs de huizen en horen van verschillende plaatsen gegil en er komen nu ook mannen, vrouwen en kinderen langs hen heen rennen naar de veiligheid van het dorp. Dan komen ze oog-in-oog te staan met drie aapachtige wezens, twee meter lange wezens die haar hebben dat verdacht veel lijkt op de pluim in het kistje.
De drie apen aarzelen geen moment en rennen op Bartimeüs en Ruarc af. Ze mijden Kritoias, omdat die licht bij zich heeft. Bartimeüs en Ruarc weren de monsters moedig af, maar worden af en toe geraakt, terwijl Kritoias een slaapspreuk gebruikt om twee van de monsters uit te schakelen. Ondertussen laat Ruarc zijn hamer vallen en weert met zijn schild af, terwijl de aap op hem in slaat met zijn klauwen. Ten slotte wordt de buik van de derde door de bijl van Bartimeüs opengereten, waarna hij ter aarde stort. Ondertussen zien Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lichtschijnsel achter zich. Enkele huizen staan in brand en het gegil duurt voort. Ze lopen richting het centrum van het dorp en zien dan drie monsters die proberen een huis binnen te dringen. Zonder te aarzelen rennen ze erop af en slaan ze in de rug. Bij Kritoias lukt dat bijzonder goed, de aap zijgt ineen. Bartimeüs heeft minder geluk, mist de aap en slaat in de deurpost. Ruarc weet de aap licht te verwonden. Voordat de aap kan reageren mislukt Kritoias' bewaarde waterpijl volkomen waardoor hij verbijsterd achterblijft. De apen slaan intussen toe, terwijl Bartimeüs en Ruarc in de verdediging worden gedrongen door de klauwen van de apen. Als Kritoias is bijgekomen slaat hij de aap bij Bartimeüs waardoor die versuft is. Ondertussen wordt Ruarc door de aap te grazen genomen. Kritoias draait zich naar de aap bij Kritoias in de veronderstelling dat Bartimeüs de andere aap wel uit zal schakelen, maar dat mislukt. Kritoias slaat de aap bij Ruarc, maar wordt dan door beide apen tegelijkertijd in elkaar geslagen wat hem een bloedende arm oplevert. Bartimeüs en Ruarc vallen de beide apen van achteren aan en doden hen.
Kritoias stelpt zijn bloedende arm met een toverspreuk en maakt daarna Bartimeüs onzichtbaar omdat het gevecht nog niet voorbij is. Bartimeüs ziet op het marktplein een aantal apen die door met speren bewapende mannen van de wacht zijn omsingeld. Het lijkt een stand-off. Bartimeüs gaat naar huis en pakt zijn boog. Onzichtbaar schiet hij een pijl in het dijbeen van een van de apen, die vervolgens bloedend op de grond zakt. Direct vallen de speermannen aan en maken korte metten met de apen. De tragedie in het dorp is groot. Zeker twintig dorpelingen zijn gedood, een veelvoud gewond en een aantal huizen is door vallende kaarsen afgebrand. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan hun rust pakken om de volgende ochtend uit te zoeken waar de monsters vandaan kwamen. Kritoias droomt die nacht verder niet.
Na een kort ontbijt lopen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc door het dorp naar de plaats waar de apen verschenen. Verscheidene mensen zijn hun spullen aan het pakken, een aantal is bezig een omheining te bouwen en een ander deel trekt naar het fort. Bartimeüs volgt de sporen van de apen terug vanaf de plek waar ze de eerste apen tegenkwamen. Het spoor is eenvoudig te volgen en voert naar een open plek in het bos waar een soort cirkel van takken is gemaakt van een meter doorsnede met twee bebloede plekken er in. Uit die cirkel komen de sporen van ongeveer twintig apen. Door heel goed te zoeken ontdekt Bartimeüs ook de sporen van een man van gemiddeld gewicht, zijn sporen voeren terug naar het dorp. Kritoias voelt dat hier een Essence toverspreuk is gebruikt. Ze lopen terug naar het dorp waar Kritoias zich terugtrekt in het gastenverblijf om te herstellen. Wanneer Bartimeüs door het dorp loopt ziet hij een opstootje bij het dorpsgebouw. Iemand heeft een stuk papier erop genageld dat een soort pijl met vleugels toont."H'm, dat lijkt een gevleugelde slang" denkt Bartimeüs en hij neemt het stuk papier mee.Dan gaat ook hij slapen. Rond vier uur arriveren zes ruiters in het dorp. Het blijken druïdejagers te zijn onder leiding van ene Perry. Die is niet onder de indruk van Bartimeüs' verhaal dat hij goede bekende is van de druïdejagers. Perry is hier om het verhaal van de ondoden te onderzoeken waarbij Bartimeüs en Kritoias primair de verdachten zijn. De druïdejagers gaan verder naar de herberg, terwijl Bartimeüs zich naar het fort rept om Everhard te waarschuwen. Bij het fort is het een drukte van belang. Veel mensen willen er schuilen, maar de wachters doen de deur niet open. Ze horen wel Bartimeüs' verhaal aan. Dan gaat Bartimeüs naar de herberg om de druïdejagers het stuk papier te geven. Daar blijkt dat zij al weten dat hij dat heeft en dat hij naar het fort is gegaan. Bartimeüs ontkent dat er nog meer "geheime" dingen in het dorp zijn die hij hen zou moeten vertellen. De rest van de dag blijft het rustig
Kritoias droomt weer over het verwoeste dorp. Daar loopt nu een man met een stok naar iets te zoeken. Kritoias daalt af en vraagt de man wat die zoekt."Een aanwijzing" zegt de man. "Een aanwijzing waarvoor?" vraag K."Voor de verwoesting van het dorp" antwoord de man.Dan vindt hij een kistje waar de staart in blijkt te zitten en wordt Kritoias wakker.
Later die dag komt een boodschapper van de keizer in het dorp aan. Hij vertelt dat de bijeenkomst in Nymarc plaatsvindt vanaf midzomer. Het is daarna een maand feest in plaats van de gebruikelijke week. Er zullen veel hoogwaardigheidsbekleders zijn, zoals de koning en koningin van Vandalus, bijna alle prinsen van de prinsdommen, met uitzondering van Jortal en Porton en de Mond van de Keizer. Gedurende de bijeenkomst mogen er geen wapens gedragen worden in de stad, behalve met speciale toestemming van de keizer. Verder wordt de oude markt twee weken voor het feest al afgesloten voor burgers en handelsverkeer.Even later komt vrouw Lavana aan met een paar bewakers. Zij komt uit Nymarc en heeft een boodschap van oom. Hij is vertraagt en vraagt Bartimeüs en Kritoias om te wachten. Lavana reist in opdracht van vrouw Marcalla, één van de magistraten, en komt 100 zwaarden bestellen. De vader van Ruarc besluit om nog even te blijven en zwaarden te gaan smeden. De rest van de dag blijft het rustig. De druïdejagers komen nog even langs bij de smidse en een groep dorpelingen is bezig een palissade rond het dorp te bouwen
Kritoias droomt opnieuw over het verwoeste dorp. Nu zegt de man dat wat er in het kistje zit een spoor van verwoesting trekt. Kritoias opent het kistje en er komt een grote aap uit die Kritoias probeert te wurgen. Kritoias wordt wakker en het dorp wordt opnieuw aangevallen. Dit maal hebben de apen steun gekregen van honden die vuurspuwen. Bartimeüs en Kritoias worden aangevallen, terwijl Ruarc steun geeft vanaf het hoofdgebouw met een lied dat een van de apen vasthoudt. Kritoias probeert de vuurhond in slaap te toveren, maar dat mislukt. Bartimeüs en Kritoias springen net op tijd weg zodat ze niet dodelijk door het vuur van de vuurhond worden getroffen. Op dat moment is er een lichtflits en zijn de apen even verdoofd. Bartimeüs en Ruarc maken korte metten met de monsters terwijl Kritoias zichzelf geneest van een bloedende wond
's Ochtends zoekt Bartimeüs weer naar sporen van de monsters en opnieuw leidt dat naar het bos. Nu ligt er een dode man in de kring en geen sporen die er vandaan leiden. Als ze weg willen gaan worden ze geconfronteerd door een man die in het bos verscholen zat. De man zegt dat hij een agent van de keizer is en de helden heeft geholpen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen het verhaal van het kistje, maar de agent wil het kistje niet overnemen. Hij wil namelijk zien wie de opdrachtgever is. Ze besluiten om naar het fort te gaan waar blijkt dat Everhard zich heeft opgesloten met een of andere boer. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc beklimmen met een touw dat Kritoias omhoog heeft laten staan het dak op en breken een deel van het dak weg. Ze kruipen voorzichtig over de zolder en dalen langzaam af. Dan zien ze bij de voordeur de boer met Everhard staan. Everhard lijkt de boer te gehoorzamen. Ruarc vertelt een stilte verhaal waarna Kritoias met een simpele slaapspreuk de boer in slaap tovert. Dan blijkt Everhard betoverd te zijn door de boer. Plotseling valt het kwartje. De boer wordt bezeten door de geest uit de mijn! Everhard heeft de beide wachters die binnen waren opgegeten. Daardoor ontsteekt de laatste wachter in razernij en steekt Everhard overhoop.
Kritoias gaat uitrusten, terwijl Bartimeüs op zoek gaat naar zwaarden die door oom zijn uitgeleend aan de inwoners van het dorp. Hij vindt 23 lange zwaarden en 16 korte zwaarden.In de loop van de middag arriveren zes ruiters in het dorp. Het zijn wachters van Damvalle, de leenheer van dit gebied. Hij woont in kasteel Lodepoort dat aan de Lode ligt, dezelfde rivier die door Nymarc stroomt. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc begeleiden de ruiters naar het landhuis van de eigenaar van de mijn als de soldaten horen dat er druïdejagers in het fort zitten. Het huis is verlaten en alle meubels zijn bedekt met kleding. De wachters gedragen zich arrogant en laten Kritoias een vat bier halen.Als Bartimeüs en Kritoias in hun gastenverblijf komen blijkt er gezocht te zijn, maar het kistje is niet ontdekt.
Kritoias blijft dromen, dit maal zit hij in een cel en hoort hij buiten een geluid. Hij wordt heel bang als de deur opengaat en de grote aap binnenkomt. Met zijn grote klauw scheurt hij de keel van Kritoias open terwijl hij zegt dat de heer hem komt verlossen. Dan wordt Kritoias wakker en blijkt er buiten niets aan de hand.
Kritoias maakt zich onzichtbaar en gaat het gastenverblijf bewaken. Bartimeüs gaat weer het dorp in om zwaarden te zoeken en komt dan Metla tegen. Hij gaat met haar naar het gastenverblijf waar zij een verontrustende mededeling doet: Oom is gevangengenomen door de magistraat, de oude tang, Chioban Marcalla op verdenking van verraad tegen de stad en de keizer. Metla heeft hem kort gesproken en ze zegt dat Bartimeüs en Kritoias iets hebben dat hier mee te maken heeft. Bartimeüs vertelt over het object en de verschillende belevenissen die Bartimeüs, Kritoias en Ruarc hebben gehad. Metla vertelt verder dat Ole op weg is naar de steen om de runen verder te onderzoeken. Ook is er in de haven iets bijzonders aan de hand met een lange dunne man die daar rondwaart. Hij lijkt iets weg te hebben van de geest die Bartimeüs, Kritoias en Ruarc hebben bevrijd. Uiteindelijke roepen ze Kritoias en Ruarc er bij. Metla blijkt het kistje te hebben gevonden, maar er niet ingekeken. Kritoias laat de apenstaart zien. Bartimeüs vertelt ook over de vreemde tekening die ze hebben gevonden. Metla herkent dit en vertelt dat dit het teken van de derde god is.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan naar het fort. Daar blijkt dat de man waar de geest in schuilt die nacht is gedood terwijl hij in zijn cel zat. Zijn keel is opengerukt.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertrouwen inmiddels vrouw Lavana niet meer, aangezien zij nog niets betaald heeft voor de zwaarden, er gerommeld is in het gastenverblijf en zij iets te maken heeft met de oude tang. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan naar de herberg waar zij verblijft met het kistje in Kritoias' rugzak om ze te provoceren. Het excuus is dat oom wil praten over de betaling en levering van de zwaarden. Daarna gaat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc opzichtig naar de oude mijn en Kritoias en Ruarc doen net of zij het kistje begraven terwijl Bartimeüs verderop zit met zijn boog. Bartimeüs ziet de geheim agent zich in de bosjes verstoppen voordat de twee wachters van Lavana aankomen. Zij gaan vlakbij Kritoias en Ruarc staan die veel lawaai maken en aan het graven zijn. Dan proberen de mannen het kistje te ontvreemden, terwijl Kritoias een koude muur achter ze zet. Als een van de mannen zich omdraait om met het kistje weg te lopen schiet Bartimeüs hem door zijn oog, waarna de man geruisloos ineen zijgt. Kritoias ziet dit en haal plotseling uit naar de andere wachter. Zijn hard klap breekt de arm van de man. Die trekt verbouwereerd zijn zwaard, doet een paar passen naar achteren en wordt bevangen door de kou. Terwijl hij daardoor verdoofd is schiet Bartimeüs hem dood.
Vervolgens gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc terug naar het dorp. Zij wachten Lavana op als zij bij het gesprek bij oom vandaan komt en Kritoias betovert haar. Hij spreekt met haar af in de herberg en hoort haar daar uit. Zij is inderdaad gestuurd door de oude tang, maar alleen om het voorwerp terug te halen. Het verhaal van de zwaarden is onzin en ze hebben een boodschapper die oom heeft gestuurd gedood. Kritoias neemt afscheid en gaat snel terug nar Bartimeüs en Ruarc. Daar rijst het plan om haar het bos in te lokken. Kritoias gaat terug en vertelt Lavana dat hij haar het voorwerp kan geven als ze over een uur het bos in komt. Lavana stemt in, helemaal blij met haar vriend.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc wachten Lavana op in het bos. Voordat ze Kritoias heeft benaderd schiet Bartimeüs haar neer, waarna Kritoias een waterpijl op haar schiet. Lavana huilt dat haar vriend haar verraden heeft en Kritoias zegt "Ik ben je vriend niet" waarna ze bezwijkt.De rest van de dag verloopt rustig, Oom en tante besluiten om de volgende dag naar Nymarc te vertrekken.
Kritoias droomt dat hij een soldaat is van clan Karanach die op de vlucht is door de heuvels rondom Izendaal voor het legers van de toekomstige keizer, samen met andere vluchtelingen, die eerder schimmen lijken.
Voordat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc op pad gaan dient Derdrich zich aan. Hij heeft een brief van S bij zich waarin staat dat Derdrich het object met zijn leven zal bewaken. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc moeten naar de stad gaan om te achterhalen wie de verraders zijn die het object willen hebben. Derdrich heeft voor hen de sleutel van een kamer in de "Blozende Boerin" waar ze kunnen verblijven. Verder bevat de brief een waarschuwing om geen magie in de buurt van het object te gebruiken omdat dat poorten opent die beter gesloten kunnen blijven. Ruarc merkt direct op dat dat rijkelijk laat is aangezien Kritoias elke dag een onzichtbaarheidsspreuk op het object zet. De link met de vreemde dromen die Kritoias heeft gemaakt wordt direct gelegd.Met een grote groep ex-Izendalers gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc met oom en tante op weg naar Nymarc. Ze volgende de route via de rivier en komen aan het einde van de dag aan in Bleidorp, een dorpje aan de rivier. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan vooruit en boeken een kamer in "De oude hond" waar Ruarc onderhandelt over de prijs. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en Derdrich gaan buiten het dorp slapen om problemen met de laatste spreuk die op het object is gecast te vermijden.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc dromen allemaal dat zij soldaten zijn van clan Karanach op de vlucht voor het leger van de keizer. Er is nog maar weinig eten en als de verkenners terugkomen en verhalen van een boerderij met voedsel wijst Korwin de clanleider twintig soldaten, onder wie BKR, aan om de boerderij te overvallen. Ze volgen de verkenners door de velden en komen bij de boerderij aan die door tien man wordt bewaakt. Kritoias oppert dat ze wachten tot lunchtijd als de meeste van de soldaten aan het eten zullen zijn. Zo gezegd zo gedaan, tijdens de lunch blijven er maar twee man buiten staan en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc met zeven andere mannen sluipen naar de boerderijgebouwen. Wanneer een wachter om de schuur komt gelopen wordt hij direct door Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gedood. De tweede wachter ziet dit en heeft de tijd alarm te slaan voor ook hij wordt neergeslagen. Terwijl de andere mannen de voorkant van de boerderij belegeren rennen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc naar de achterkant. Onderweg komen ze nog twee soldaten van de keizer tegen waar ze snel mee afrekenen. De achterdeur is onbewaakt en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc rennen naar binnen om de vier overgebleven wachters die bij de voordeur aan het vechten zijn in de rug aan te vallen. De wachter van Kritoias draait zich om en weet hem te verwonden. De andere twee worden direct neergestoken. Nadat de vierde wachter van buiten wordt gedood rekenen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc snel af met de laatste man.De hoeveelheid voedsel in de boerderij blijkt beperkt te zijn, er is veel meel, maar dat is nu niet direct eetbaar. De soldaten besluiten om koeken te bakken die direct als voedsel kunnen dienen. Terwijl ze daar mee bezig zijn komen er een aantal ruiters aan. Kritoias doet zich voor als wachter en praat met de kapitein. Die vertelt dat de keizer de clan over twee dagen wil aanvallen, hoewel hij nog wel een plan heeft om ze binnenboord te houden, want hij zou het jammer vinden als de clan verloren gaat.De soldaten besluiten dat de clan direct gewaarschuwd moet worden en gaan gezamenlijk de drie uur teruglopen naar het kamp. Daar vertellen ze het verhaal aan Korwin die vindt dat er een clanraad gehouden moet worden. Hij geeft Bartimeüs, Kritoias en Ruarc de taak de druïden te halen die zich een paar uur verder in het bos ophouden.
Als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc bij de druïden aankomen komen ze daar 8 druïden tegen i.p.v. de bekende zeven. De onbekende druïde heet Fjordan en lijkt verdacht veel op de familie van Bartimeüs, Kritoias en Ruarc. Het is niet onwaarschijnlijk dat de familie van Bartimeüs, Kritoias en Ruarc van hem afstamt en daarmee eigenlijk van clan Karanach is, want dat is Fjordan. Theolin vindt intussen dat de clan niet nuttig is. Pas na een nacht slapen willen de druïden mee naar het kamp.Op de terugweg worden de druïden en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc begeleid door een boomstrijder, alleen op die manier kunnen ze op tegen de vuurmagie van de opstandeling. Wanneer ze aankomen gaat Beolin naar de raad van de clan. Niet lang daarna komt een kar met voedsel van de nieuwe keizer aan. De soldaat roept de clan op zich over te geven de keizer wil niet dat ze verhongeren. Hij zegt dat de druïden de derde god aanbidden, niet de aardgodin. De clanvergadering wordt onderbroken en Beolin confronteert de ongewapende soldaten. Hij zegt dat het klopt dat de aardgodin zwak is in de herfst, maar dat zij krachtig genoeg is. Hij laat een boomstrijder de kar verpletteren tot groot ongenoegen van de clanleden. Korwin verzet zich hier ook tegen en zegt dat hij zijn clan niet wil laten uitroeien en daarom zich zal aansluiten bij de keizer.De druïden grijpen nu in. De aartsdruïde Gweolyn betovert alle aanwezigen en laat de meesten door takken vastpakken en bij elkaar drijven. Dan laten druïden bloed over de grond lopen en steken de takken met de clanleden in brand. Onder gekerm en geschreeuw voeren zij een ritueel uit waarmee zij een demoon oproepen. Korwin schudt de spreuk af en roept dat zijn speer en bloed van Karanach de druïdes zal verslaan. Dan trekt Gweolyn een nogal verrot hoofd van een kind uit een zak en zegt dat dat het geheime kind van Korwin was. Korwin haalt met zijn speer uit naar Gweolyn, maar Fjordan werpt zich ervoor en wordt gedood. Dan gooit Korwin zijn speer naar de demoon. Hij roept dat zijn speer en zijn zwaard Gweolyn zullen vernietigen. De demoon is woest omdat de speer hem pijn doet en scheurt Korwin uit elkaar. Als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc door de boomstrijders worden gedood worden ze 's ochtends wakker in hun tent.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc informeren de volgende ochtend naar een bijzondere plek in het bos. In het dorp horen ze een verhaal over een man die heel lang in het bos heeft rondgezworven, volgens hemzelf, maar daar maar een paar dagen is geweest. Een vrouwtje dat vlak bij het bos woont zou er meer vanaf moeten weten. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan met de familie op weg naar Nymarc en komen inderdaad langs een hutje waar een oudere vrouw in woont. Zij bevestigt het verhaal. De man was door het bos op zoek naar een kortere weg van Nymarc naar Bleidorp, maar die was er helemaal niet. In het bos heeft hij voldoende eten gevonden, iemand leek hem te helpen. Er is iets bijzonders met het bos aan de hand, maar of daar nu de plaats is waar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc naar op zoek zijn weet ze niet. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en Derdrich besluiten om toch het bos in te gaan op zoek naar de plaats waar de brand zou zijn geweest. Na een tijd lopen komen ze een zwaar bepantserde man tegen die hen de weg versperd en vraagt waar ze heen gaan. "Op zoek naar een verschrikkelijke plek" zegt Kritoias. "Die zal je dan zeker vinden" zegt de man, want als je in dit bos iets zoekt en het is er, dan zal je het vinden". Hij is bovendien in het geheel niet blij met het feit dat Kritoias de paardenstaart heeft meegebracht, een onderdeel van de vijand. Plotseling bemerken ze een aantal vreemde wezens die hen omsingeld hebben, het zijn er een stuk of twintig. De monsters zien er groenig en klein uit, zijn bewapend en eisen de paardenstaart van Kritoias op. De man in het harnas zegt dat het goblins zijn. De afstand tussen de werelden is hier dun en de paardenstaart heeft daar niet aan mee geholpen.
Er ontstaat een gevecht tussen de twee groepen waarbij de bepantserde man Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en Derdrich te hulp schiet. Kritoias tovert een aantal goblins in slaap, waarop een tweede groep vlucht. Terwijl Ruarc de derde groep angst inboezemt en op de vlucht jaagt met een stem uit het bos raken Metla en Derdrich met de man in gevecht met de vierde groep. Bartimeüs en Kritoias schakelen de restanten van de eerste groep uit. Tenslotte worden ook de goblins van de vierde groep zonder veel schade uitgeschakeld.Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en Derdrich besluiten om verder te gaan op zoek naar het zwaard dat volgens geruchten in het bos moet liggen, maar zijn toch wat ongerust omdat volgens de man er onlangs een druïde is geweest. Helaas is die hen te snel af geweest. In een kasteel in het bos vinden ze alleen een dode man, het zwaard is verdwenen. Het is tijd om terug te keren naar de familie. Maar dan bedenkt Bartimeüs dat ze ook op zoek kunnen gaan naar de aardgodin. Als die hier is, moeten ze haar kunnen vinden.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en Derdrich lopen verder door het bos en komen na niet al te lange tijd aan de bosrand. In de verte zien ze een stad met stadsmuur en een citadel op een heuvel liggen. Benieuwd naar wat dat zal zijn gaat de groep op weg door het heuvelachtige, groene landschap. Wanneer ze vlakbij de stadsmuur zijn valt er plotseling een man van een steile klif naar beneden. Kritoias redt hem door een snel uitgesproken toverspreuk waardoor de man relatief zacht neer komt en alleen zijn been breekt. Hij is uitbundig gekleed en stelt zich voor als Tino della Despatoris. Hij is gekomen om de prinses, genaamd Dea, te bevrijden uit de Citadel, waar ze gevangen houden wordt door Valin Djeuful, de slechte heer maar dat gaat nu natuurlijk niet meer. Hij vraagt de groep om voor hem de prinses te bevrijden, maar wel uit te kijken voor de barbaren die de stad belegeren. De stad heet trouwens Nymarc...Vlak buiten de stad komen Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en Derdrich inderdaad drie man tegen die zich voorstellen als de barbaren Bor de Hamer, Per de muis en Olma de dappere. Zij willen de stad veroveren, maar kunnen dat niet door de hoge stadsmuur. Zij hebben wel de zoon van de Burgemeester gedood, die nu rottend voor de poort ligt. Als de groep naar de stad loopt zien ze inderdaad het met vliegen bezette rottende karkas van een man liggen. De man en vrouw van de stadspoort vragen wat ze komen doen. Bartimeüs meldt dat ze de prinses komen bevrijden en dat lijkt helemaal geen probleem te zijn. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en Derdrich mogen doorlopen en gaan naar links, lopen door wat druk bezette straten en komen dan op een plein uit.
Op het plein staat op een sokkel een gouden standbeeld van de stichter van de stad met in zijn hand een gouden speer. De schout is druk bezig het beeld op te poetsen. Hij verwijst hen naar de handelaren die hen verder kunnen helpen. De handelaren zijn met zijn zevenen en zitten in een mooi gebouw. De groep vertelt een mooi verhaal over de spullen die ze kunnen verhandelen, maar de handelaren zijn meer geïnteresseerd in de gouden speer. Als de groep die voor hen van het marktplein haalt zullen ze hen verder helpen het kasteel binnen te komen.Daarna de groep op weg naar de herberg "De gouden draak". Daar ontvangt de waard hen allerhartelijkst en natuurlijk is er ook de dochter van de waard, die volgens Bartimeüs de moeite niet waard is. De groep krijgt kamer 343 aan de achterkant van de herberg. De groep eet wat, praat met een aantal mannen, waaronder een oude wachter, in de herberg en vervolgens gaat Bartimeüs er vandoor. Hij gaat in het donker kijken of hij de speer te pakken kan krijgen. (Maar zegt dat niet).Hij komt op het marktplein waar niemand is en klimt op de sokkel, maar het uit de handen van het beeld trekken van de speer heeft meer voeten in de aarde. Tot overmaat van ramp komen de stadswachten ook nog op het plein. Die zien Bartimeüs, maar vinden het allemaal prima. Bartimeüs trekt tenslotte de speer uit de hand van het beeld en gaat er vandoor. Maar dan merkt hij een vreemde gedaante op die hem volgt. Hij besluit het wezen in een steegje te verrassen, maar slaat door hem heen! Het wezen zegt dat het niet met het spel mee doet, waar Bartimeüs en de groep dat wel doen. Kritoias, Ruarc en Metla zijn inmiddels op zoek naar Bartimeüs gegaan en nemen hem weer mee terug naar de herberg.
De volgende ochtend gaat de groep met een onzichtbare speer naar de handelaren, die daar heel blij mee zijn. Dan blijkt dat de speer regelmatig wordt gestolen van het marktplein waarna de schout een nieuwe bestelt die de handelaren vervolgens leveren. Een van de handelaren neemt de helden mee naar beneden om hen een beloning te geven. De sleutelbewaarder gaat ook mee en ontsluit de kluis. Daar geeft de handelaar hen een kistje met een gouden hoofd, maar zegt erbij dat ze daar niets over tegen de anderen mogen zeggen. Dat had hij natuurlijk niet moeten doen. Als ze boven zijn vertelt Bartimeüs het vrijwel direct aan de andere handelaren die daar boos om worden. De ene handelaar zet vervolgens de helm van de stichter van de stad op, met de paardenstaart. Kritoias probeert hem in slaap te toveren, maar daardoor smelt de helm over zijn hoofd en verandert hij in de gruwelijk aapdemon die de andere handelaren aanvalt. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en Derdrich rennen naar beneden en houden zich schuil tot het gevaar over is. Als ze vervolgens naar de citadel gaan vinden ze twee gouden wachters zonder hoofd. Het ene hoofd past precies op een van de wachters, nu het andere hoofd nog vinden.
Na enig denkwerk gaat de groep naar het andere deel van de stad waar de burgemeester woont. Hij wil graag een zwaard hebben dat in een gang onder de stad ligt en bewaakt wordt. In ruil daarvoor wil hij het hoofd wel geven. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en Derdrich begeven zich naar de gang en maken daar korte metten met twee zwaar bewapende wachters. Een pijl, een shock bolt en heel wat steken en klappen maken in minder dan een minuut gehakt van de mannen. Achter de deur die zij bewaken vinden ze het zwaard, gaan er mee naar de burgemeester en krijgen het tweede gouden hoofd. Na een uitgebreide discussie of dit wel een goed idee is, waarbij de oude man voor verwarring zorgt, zet Bartimeüs tenslotte het hoofd op de twee gouden man. Vervolgens gaat de poort open en verschijnt de godin en de slechte man
De groep besluit de tent op te zetten, Metla slaapt in een boom, wat maar goed is ook, want het lichtje gaat al snel uit. De nacht verloopt zonder bijzonderheden.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en Derdrich wandelen naar de boerderij waar een boer hen vertelt dat er twee wegen zijn om naar Nymarc te reizen. Via de lodenweg, dan komen ze langs een groep druïdenjagers, of om via Vermarc waar een eenheid keizerlijke ruiterij zijn intrek heeft genomen. De man vraagt waar zij vandaan komen en Kritoias vertelt dat de clan uit Berra komt waar de 40-jarige prins Finbar de Vijfde de scepter zwaait. Hij is getrouwd en heeft 6 kinderen waaronder 2 huwbare dochters. Metla neemt afscheid van de anderen, zij zal op eigen gelegenheid naar Nymarc reizen. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich besluiten om via de lodenweg naar Nymarc te reizen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zullen in de bekende herberg naar Blauwbladkaas vragen als zij haar nodig hebben.Al snel komen ze groepen reizigers tegen die wachten tot zij worden doorgelaten door soldaten van Vandalus. Van hen horen ze dat zelfs de leider van de druïdejagers, Demortalis, persoonlijk toezicht houdt op wie er naar Nymarc reist. Als Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich staan te wachten worden ze aangesproken door soldaten die vragen of er een vrouw met hen meereist die aan de beschrijving van Metla voldoet. De helden ontkennen en kopen vervolgens één van de wachters met twee zilverstukken om. Onder luid boegeroep worden Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich met voorrang behandeld.
Na een tijdje lopen komen Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich bij een tweede rij met wachtende reizigers. Ditmaal is er zelfs een houten palissade over de weg neergezet om de doorgang te beletten. Een van de druïdejagers komt naar de helden toe en vraagt waar zij vandaan komen. Kritoias antwoord naar waarheid, wat hen op een uitnodiging van Demortalis komt te staan. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich worden naar een tent in het midden van het druïdejagerskamp geleid en worden persoonlijk ondervraagd door Demortalis. Hij behandelt hen vriendelijk en biedt hen wijn aan, maar steeds is er de onderliggende dreiging van de ondervragingstechnieken van de druïdejagers. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich vertellen grote delen van het verhaal in Izendaal, waardoor Perry een promotie krijgt, de ontmoeting met de noorderling, Beolin en de tocht naar de poort. Het blijkt dat Demortalis al veel van Bartimeüs, Kritoias en Ruarc wist, ook dat zij de noorderling bevrijd hadden en dat zij het object in bezit hebben. Ook Demortalis wil het object niet hebben, maar denkt dat de druïden eraan achter zitten. Hij wil dat Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich voor hem uitzoeken of dat zo is en hem waarschuwen. Daartoe geeft hij hen een zegelring met het symbool van een valk. Hij verblijft in het druïdejagerskasteel waar ook de koning van Vandalus naar toe zal komen. Demortalis herinnert Bartimeüs, Kritoias en Ruarc er fijntjes aan dat er aanklachten van druïderij tegen hen zijn ingediend. Dan nemen ze afscheid gaan op weg naar Nymarc dat nog maar een paar kilometer verderop is.
In het donker proberen Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich de weg naar de herberg te vinden, maar dat loopt niet goed af. Ze verdwalen in de sloppenwijken en lopen zich vast in een steegje. Aan het begin van het steegje verzamelen zich een aantal schimmen. Kritoias bereidt een toverspreuk voor, terwijl Bartimeüs zijn boog laadt. Dan komt er een man die hen graag voor een leuk bedrag naar de herberg wil brengen. Daar is Bartimeüs niet van gediend. Hij bedreigt de man met zijn boog en laat hem langzaam naar het begin van de steeg lopen. Als ze daar zijn aangekomen komen er plotseling een aantal mannen uit het duister die aan willen vallen. Één van hen laat Bartimeüs even door zijn been zakken waardoor hij zijn pijl laat schieten en de bedreigde man er in slaagt snel de hoek om te rennen. De vier man die van de andere kwamen worden door een perfect geplaatste lichtflits volledig verward en kunnen alleen nog maar een beetje afweren. Als Bartimeüs weer op zijn benen kan staan schiet hij twee van de mannen neer. In een mooi gecoördineerde actie leidt Ruarc de overige twee af, terwijl Kritoias ze van achteren met zijn staf neerslaat. Dan roept Kritoias een dichte mist op en gaan Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich er vandoor.
In het licht dat uit de huizen komt kunnen Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich de weg naar de Blozende Boerin terugvinden. Het is vlakbij de nieuwe markt en Derdrich is er al een keer eerder geweest. De waard ontvangt hen allerhartelijkst en slijt hen voor 1 zilverstuk kamer 1 voor een maand, inclusief ontbijt. De sleutel die ze hebben is van kamer 7. Die kamer blijkt echter overhoop gehaald te zijn. Volgens Bartimeüs is dat al een aantal dagen geleden gebeurt. Een snelle inspectie van de donkere steeg brengt niet veel licht in het duister. Aangezien Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich niet weten wat er gelegen heeft kunnen ze ook niet bepalen of er iets weg is. Het is wel opvallend dat Stilvan drie verschillende kostuums heeft om zich te vermommen. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich gaan in de tegenoverliggende kamers slapen, maar houden wel de wacht.
Ruarc hoort 's nachts voetstappen in de gang boven de kamers. Verder blijft het rustig
's Ochtends horen Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich aan het ontbijt dat de afgelopen nacht iemand de stadwacht een groot plezier heeft gedaan door "De Lange Pier" te doden. Hij is samen met drie anderen het slachtoffer geworden van een criminele afrekening in de sloppenwijken. De afgelopen tijd was er onrust in de sloppenwijken en leek een revolte op touw te zijn, maar dat is nu in de kiem gesmoord.Na het ontbijt gaan Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich naar het huis van oom en tante om te vragen wat er nu is gebeurd. Ze worden binnengelaten door een verdrietige Pieternel, de meid van oom en tante. Ze hebben het idee dat er iemand stond te kijken toen ze naar binnen gingen. Als tante aan komt lopen zien Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich dat zij aardig is toegetakeld. Zij vertelt dat oom Caedmon aangehouden is omdat hij zwaarden zou hebben gesmeed, een belachelijke beschuldiging, maar voor dat gebeurde kwamen er drie mannen die tante een mes op de keel zette om te proberen oom iets afhandig te maken. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich praten om de hete brij heen, maar vertellen wel dat er iets is dat anderen willen hebben. Tante laat Professor Quirijn halen, de boekhouder van oom Caedmon, die probeert te achterhalen wat er met oom gaat gebeuren.
Quirijn vertelt Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich dat wachters op de dag dat Chioban aan de macht was de smederij en de winkel zijn binnengevallen. In de smederij hebben ze zwaarden gevonden waarop oom Caedmon met een aanklacht van hoogverraad is opgepakt. De smidse wordt nog steeds bewaakt. Het woonhuis is ook doorzocht, maar na een korte inspectie blijkt de helm nog steeds in de kelder te liggen. Quirijn probeert al een tijd te achterhalen wat er nu met oom gaat gebeuren, maar niemand mag hem spreken, wat niet gebruikelijk is. Hij probeert nu bij de magistraat Dwight Calhona een afspraak te maken. Hij is morgen aan de macht, de dag na Chioban, en dat is ook de eerste dag dat hij vrijgelaten kan worden, hoewel dat met de aanklacht van hoogverraad niet waarschijnlijk is.
In de stad zijn zeven magistraten verdeeld in twee kampen voor de keizer en voor aansluiting bij Vandalus of de Prinsdommen. Nymarc is namelijk een vrijstad onder de keizer met bepaalde privileges, zoals het feit dat criminelen uit het keizerrijk hier niet vervolgd kunnen worden. Het gerucht gaat dat de mond van de keizer de privileges gaat intrekken, hoewel de bijeenkomst officieel gaat over de handel met de noorderlingen. Dwight Calhona, 80, ernstig ziek en tovenaar is voor de keizer, evenals Chioban Marcalla die ook al in de 70 is. Verder is Tobias Balfarra ook een keizerrijkman. Hij heeft contacten in de onderwereld. Tegenover deze drie staan Archibald Zaltheim, Polmiro Dolbar, een voormalig soldaat uit Vandalus en Mirte d'Aberdal, een ongetrouwde vrouw van onder de 50 die uit het zuiden komt. Alleen de positie van Irina Tiboldi, die eveneens beschikbaar is en uit de loodhandel komt is onbekend.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich hebben een uitgebreide discussie over wie nu de opdrachtgever van oom is. De anti-keizermagistraten komen daarvoor het meest in aanmerking. De vraag is dan ook of Chioban oom heeft opgesloten om het smeden van de helm te stoppen. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich besluiten om Mirte, die het meest verdacht is, één van de apenstaarten te sturen in een juten zak met daarin geschreven het adres tegenover de blozende boerin zodat ze kunnen zien of er iemand op af komt. De andere actie is om te kijken wie nu het huis van tante in de gaten houdt. Kritoias maakt Bartimeüs onzichtbaar zodat hij Kritoias, Ruarc en Derdricht ongemerkt kan volgen en zie wie achter hen aankomt terwijl die met een ingepakte helm uit de winkel door de stad gaan lopen.
Deze actie heeft meer succes dan Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich hadden kunnen denken want niet meer dan vier partijen komen achter hen aan: een bedelaarster, twee bedienden en een man met een vrouw, die later afhaakt. Na een tiental minuten lopen door de straten met pakhuizen versnelt de bedelares en spreekt Kritoias, Ruarc en Derdricht aan, die zich omdraaien. "Geef het aan mij!" zegt zij. Kritoias vraagt wat zij dan precies wil hebben, maar de vocabulaire van de vrouw is nogal beperkt en zij kan zich niet preciezer uitdrukken. Ze komt echter wel dreigend over, waardoor Kritoias de ingepakte helm naar haar toe gooit als ze hem wil gaan slaan. Even van haar stuk gebracht heeft Kritoias voldoende tijd om een schildspreuk uit te spreken voordat de bedelares met haar scherpe nagels Kritoias in het gezicht krabt en zijn gezicht beetpakt. Ruarc probeert haar te betoveren om stil te staan, maar de bedelares schuld de spreuk af. Derdrich grijpt naar zijn zwaard, terwijl de onzichtbare Bartimeüs vanaf 50 meter komt aanrennen. Alle drie de overgebleven mannen, die elkaar niet lijken te kennen staan ongeïnteresseerd verspreid door de straat te kijken. De vrouw geeft Kritoias een kopstoot waarna Kritoias haar probeert te slaan. Daarna grijp hij naar zijn quarterstaff, terwijl Ruarc zijn warhammer trekt. Derdrich haalt met zijn zwaard uit, maar verdient zijn salaris niet omdat hij volledig mist. De vrouw haalt nog een keer uit naar Kritoias en wordt dan van achteren opengereten door de handbijl van Bartimeüs. Kritoias geeft haar nog een klap met zijn quarterstaff waarna de bedelares ineen zijgt.
"Roep de stadswacht" horen Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich.Kritoias tovert snel een dichte mist om hen heen."Ik wil één van die mannen nog achtervolgen" zegt Bartimeüs."We moeten hier snel weg" zegt K, terwijl hij de handen van de bedelares onderzoekt.Hij maakt iedereen onzichtbaar en pakt de helm weer op, maar die is te groot. Kritoias en Ruarc dragen de helm tussen hen in en zeggen tegen Derdrich dat iedereen op eigen gelegenheid naar de herberg gaat. Derdrich vindt dit niet zo fijn, in de eerste plaats omdat hij net betoverd is, maar ook omdat hij dan geen oogje op de staart kan houden. Uiteindelijk stemt hij toe en ieder gaat zijns weegs. Kritoias en Ruarc komen even voor Derdrich weer bij de Blozende Boerin aan, waarbij Derdrich niet weet hoe hij weer zichtbaar kan worden.
Bartimeüs achtervolgt inmiddels de man, die gaat terug naar het huis van tante en even later komt de vrouw naast hem op een bankje zitten. Bartimeüs zit onzichtbaar achter ze en hoort dat ze door een vrouw zijn gestuurd om te bekijken waar het voorwerp heen wordt gebracht. Hij was zeer verbaasd door de magie die werd gebruikt en ze besluiten dat ze gewoon hier weer moeten gaan wachten. De man gaat even later naar de Lachende Dryade op de oude markt om verslag uit te brengen. Bartimeüs luistert hem af, terwijl hij onder het genot van een beker wijn zijn bevindingen aan een klerk vertelt. Bartimeüs achtervolgt de klerk die het stadskantoor binnengaat. Bartimeüs wurmt zich naar binnen door de entree waar wachters voor staan en komt in een lange gang met ramen aan de ene kant en deuren aan de andere kant. Dan wordt de klerk opeens teruggeroepen door de wachters. Bartimeüs vindt het vreemd en blijft staan, dan wordt opeens het commando gegeven het gebouw te ontruimen omdat er iemand binnen is. Kennelijk was er een soort waarschuwing in het wachtlokaal toen Bartimeüs er door sloop. Hij gaat verder de gang in als een groep wachters de kamers doorzoeken. Zij hebben het er over dat Chioban al in veiligheid is gebracht. Hij ziet ook even een man met een soort toverstaf, maar die gaat al vrij snel weer terug het wachtlokaal in. Als Bartimeüs niemand meer ziet zet hij een raam open en verstopt zich in een archiefkamer. De soldaten ontdekken het open raam en even later hoort Bartimeüs buiten wachters lopen en honden blaffen.
Het blijft een tijdlang stil terwijl Bartimeüs in de archiefkamer zit. Dan komt er een man die uitgebreid de grond bestudeert onder het raam. Hij concludeert dat er helemaal niemand uit het raam is geklommen en gaat terug naar het wachtlokaal. Even later komen twee mannen met een grote zak kalk die naar het einde van de gang gaan en kalk over de vloer strooien. "Ai, dan kom ik hier niet meer weg" denkt Bartimeüs en hij snelt langs de mannen de trap omhoog. Boven is een soortgelijke gang en ook hier zijn ramen die open kunnen. Bartimeüs klimt uit het raam en laat zich vallen, waardoor hij weer zichtbaar wordt, maar gelukkig niet gewond raakt. Nonchalant loopt hij om het gebouw heen terug naar de herberg.
Bartimeüs klimt, vermomd als bedelaar, het raam van de herberg uit het steegje in. Hij gaat aan de straatkant zitten en observeert de voorbijgangers. Het valt hem op dat er een man aan de overkant van de straat staat, die de herberg in de gaten houdt. Bartimeüs lokt hem mee het steegje in, maar de man wordt steeds agressiever als hij dichterbij de kamer komt. Wanneer het luik opengaat en hij Kritoias ziet staan slaat hij door. Bartimeüs probeert hem van achteren neer te slaan met zijn blote handen, maar dat mislukt en de man wil zich op Bartimeüs storten. Kritoias betovert Bartimeüs, zodat die op het dak kan springen. Kritoias en Derdrich verdedigen zich intussen en slaan de man uiteindelijk neer. Dan binden ze de man vast ter ondervraging.
Kritoias en Derdrich vertrekken uit de herberg, omdat de man zichzelf niet meer onder controle had toen hij in de buurt van de staart kwam. Ze lopen door de stad en strijken uiteindelijk neer in een herberg aan de nieuwe markt. Als ze daar van een lekker glaasje melk genieten wordt er plotseling op het raam gebonkt. Daar is ook een bedelaar verschenen die nu probeert naar binnen te komen. Dat trekt de aandacht van de wacht die de man zonder veel omhaal doodsteken.Intussen is de man in de herberg bijgekomen. Hij vertelt dat hij Peter heet en uit de krottenwijk komt. Hij weet niet waar hij is, of hoe hij daar is gekomen. Het huis van dr. Brendon is gesloten, waardoor de bedelaars weg moesten. De dokter was als een vader voor ze. Toen ze daar weggingen kwamen ze in de handen terecht van slechte mensen in een huis dat ze de veilige haven noemen.Peter was een dakdekker voordat hij van het dak op zijn hoofd viel. Grote Pier is de baas in het veilig huis. Dan wordt hij vermoord en dan is hij er weer. Bartimeüs en Ruarc laten Peter gaan. Bartimeüs achter volgt hem naar een gebouw in de krottenwijk en heeft een kort gesprek met de havenmeester.
Kritoias heeft de afgelopen dag een toverspreuk op de staart gegooid en dat is goed te merken. Hij droomt dat hij in een kelder gevangen is gezet. Naast hem ligt het stoffelijk overschot van een man. Kritoias kijkt om zich heen als het lijk plotseling gaat bewegen. Het probeert de deur open te doen, maar die zit op slot. Het lijk bedreigt Kritoias en vertelt dat zijn meester dood en verderf gaat zaaien. Kritoias teleporteert uit de cel naar buiten en gooit een ijsbal in de cel.Dan worden ze wakker omdat er iemand buiten op het raam loopt te bonken. Als ze het luik open doen probeert er weer iemand naar binnen te komen. Deze heeft gelukkig weinig kans, want Ruarc vertraagt hem waardoor hij zonder enig probleem wordt neergeknuppeld door de anderen. Bartimeüs pakt het lijk van de man op en loopt er mee naar de rivier om er van af te komen. Vervolgens gaat hij nog even op onderzoek uit in de dievenhaven. Daar ontdekt hij in een pakhuis een welbekende cirkel...
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich keren terug naar het kantoor van oom en gaan met Tobias nogmaals de administratie door. Bij het onderzoeken van het bureau stuiten ze op een geheime lade waarin een afgesloten kistje staat. Met enig geweld openen ze het kistje, waar een aantal brieven in blijken te zitten. Ze zijn geschreven door een vrouw een oom en beginnen met "mijn liefste". Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich concluderen dat dit alleen maar van D' Aberdal kan zijn, de oude tang komt niet in aanmerking. Ze schrijven een brief aan d'Aberdal in een poging contact op te nemen.Bij het bezorgen van de brief komen ze langs de markt waar één of andere man een verhaal ophoudt: "Man drakenvlucht, verenigd worden. Zij die de namen kennen weten dat ze geroepen zijn: Arvan, Beolin, Theolin. Draken komen uit het noorden. Het vuur zal ons verzengen.". Dit klinkt vreemd, maar het lijkt een rare man te zijn. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich besluiten om naar de dievenhaven te gaan om de opdrachtgever van de bedelaar te vinden die hen bespioneerde.
In de dievenhaven gaan ze naar de Zeemeermin waar de man inderdaad aanwezig is. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich proberen zich voor te doen als arbeiders die werk zoeken, maar dat lukt niet zo best. Uiteindelijk achtervolgen ze de man naar zijn huis, waar hij gaat slapen. Meer komen ze niet te weten. Wanneer ze teruglopen naar de herberg zien ze dat erop de brug wachters van het keizerrijk rondlopen. Ze luisteren een gesprek af waaruit blijkt dat de man die op de markt stond te praten dood is gevonden in een park, gewikkeld in planten.De nacht verloopt verder rustig.
Er komt een boodschapper in de herberg die vertelt dat iemand graag wil praten in de herberg op het marktplein over de brief die zij gestuurd hebben. Kritoias begeeft er zich samen met Derdrich naar toe. De man, die ze spreken is door d'Aberdal gestuurd, maar uit het gesprek blijkt dat hij er eigenlijk niets van af weet. Hij is wel zeer geïnteresseerd en biedt hulp aan om er samen achter te komen wat er aan de hand is. Intussen houden Bartimeüs en Ruarc de omgeving in de gaten. Natuurlijk zit er de gebruikelijke bedelaar buiten, een man en een vrouw zijn druk aan het praten en er keek even een man naar binnen. Na afloop van het gesprek gaan Kritoias en Derdrich via een omweg terug naar de herberg. Bartimeüs en Ruarc constateren dat ze niet worden gevolgd.Wanneer ze aan het lunchen zijn in de Blozende Boerin schuift een man bij hen aan die zich Ben noemt. Het blijkt een lid van een geheimzinnige organisatie te zijn die "klusjes opknapt". Zij hebben nu een nieuw klusje gekregen, namelijk het bevrijden van de oom van Bartimeüs, Kritoias en Ruarc. De man weet echter niet wie de echte opdrachtgever is en dat zint hem niet. Ook denkt hij dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc nodig zijn om de bevrijdingsactie succesvol uit te voeren. Hij biedt hen aan samen oom te bevrijden, maar dan moeten ze wel eerst bewijzen dat ze te vertrouwen zijn. Dat bewijs bestaat er uit een verrader van het dievengilde, Schele Hugh, die ook kalend en dik is, een kopje kleiner te maken en zijn gildemedaillion terug te nemen. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich vinden dit prima en spreken af een sjaal aan het raam te hangen wanneer de klus is geklaard.Terwijl Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich wachten om naar de Zeemeermin te gaan waar Hugh regelmatig gezien wordt komt een boodschapper een briefje brengen. Daarin staat dat de oude tang wil onderhandelen en dat ze om 12:00 uur 's nachts bij de tombe van Orville Mohaughlin op het kerkhof moeten zijn.Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich schrijven een boodschap aan de druïdenjagers om hen te waarschuwen voor de plaats waar de enge wezens opgeroepen kunnen worden en laten de boodschap door een jongen bezorgen.Vervolgens gaan Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich op verkenning naar het kerkhof in het noorden van de stad. Na enig zoeken vinden ze op een wat afgelegen plaats, niet erg in het zicht de tombe van Orville. Inmiddels is het aan het einde van de middag en gaan ze naar de dievenhaven.
In de Zeemeermin staat ook dit keer pap op het menu, maar ander positief nieuws is niet te melden. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich willen nog niet direct naar Hugh vragen omdat ze bang zijn hem af te schrikken en hij laat zich deze avond ook niet zien. Rond half elf vertrekken Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich naar het noorden van de stad, wat in het donker toch al gauw een half uur lopen is. Onderweg worden ze aangesproken door keizerlijke wachters, maar ze mogen zonder veel oponthoud passeren. Bij de tombe is nog niemand te zien en Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich verstoppen zich op verschillende plaatsen in de buurt. Bartimeüs zorgt ervoor dat hij iets kan zien in het donker en Kritoias doet hetzelfde voor hemzelf en Ruarc.Rond middernacht verschijnt een vrouw met een lantaarn bij het graf. Kritoias loopt voorzicht op haar af. Zij stelt zich voor als Miranda en zegt dat ze onderhandelt namens de oude tang. Die is zeer geïnteresseerd in het voorwerp en laat merken dat er een connectie is met het feit dat oom in het gevang zit. Ze wil het voorwerp graag ruilen tegen een grote geldelijke beloning, maar Kritoias laat doorschemeren dat de vrijlating van oom hoog op het lijstje staat. Hij vraagt of zij kan regelen dat zij een paar woorden met oom kunnen wisselen en Miranda zegt dat dit wel te regelen valt.Wanneer Miranda is weggelopen horen Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich plotseling een vreemd schrapend geluid. Vervolgens zien zij van verschillende kanten schimmen op hen afkomen, die al snel herkenbaar worden als bewegende skeletten. Een beangstigend gevecht volgt waarin Derdrich al snel in het gevecht de kluts kwijt is. Kritoias heeft ook zijn dag niet en wordt gered door zijn magische schild, terwijl hij tweemaal loopt te hannesen met zijn staf en door één skelet aardig mishandelt wordt. Ook Ruarc loopt te klunzen. De dag wordt gered door Bartimeüs die zes van de negen skeletten vernietigd. Gelukkig komt er geen rare kou van af zoals de vorige keer. Om zeker te zijn verbranden Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich de resten van de skeletten in een muur van vuur. Daarna maken ze dat ze wegkomen, want in sommige tombes is nog steeds het gekras van nagels op steen te horen.
Kritoias heeft weer een droom. Hij droomt dat hij een man is die in een soort cel zit. Hij wordt opgehaald door een man die zijn schoenen wil hebben. Hij geeft de man een klap in zijn gezicht. Dan wordt hij samen met de man meegenomen om op weg te gaan naar de herberg! Kritoias rent vooruit en bonkt op het raam. Bartimeüs en Kritoias zien voor het raam weer een bedelaar slaan en meppen hem neer. Dan wordt Kritoias wakker en roept dat er een overval gaat komen. Even later wordt erop de deur gebonkt en staan er een hoop mannen voor de deur. Bartimeüs houdt de herbergier tegen die de deur open wil doen, terwijl Kritoias naar boven gaat. Als de deur is gebarricadeerd komt Bartimeüs ook naar boven en samen bestoken ze de de bedelaars en de twee apen die ze hebben meegenomen. De vijanden zijn niet blij en laten de apen los, die proberen naar boven te klimmen. Eentje slaagt er in naar binnen te klimmen en die wordt in zijn rug neergeslagen door Ruarc, die naar boven was gekomen toen bleek dat de deur niet werd ingebeukt. De andere krijgt een klap van Kritoias, een mep van het venster en valt naar beneden waar hij sterft.Als de vijanden verslagen zijn komt de stadswacht die inmiddels was geroepen. Even later verschijnen de druïdejagers die iedereen die iets gezien heeft afvoert, behalve de helden en een man en een vrouw die ook in de herberg waren en verdwenen zijn.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich gaan naar tante om wat voedsel van de herberg over te brengen. De rest van de dag rusten ze uit en bedenken ze wat ze die avond kunnen doen om schele Hugh te vinden.
Vroeg in de avond gaan Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich opnieuw naar de Zeemeermin. Nu gaan ze rondvragen naar Schele Hugh. Ze letten goed op en zien dat er een man wegloopt nadat Kritoias de serveerster heeft gesproken. Bartimeüs gaat achter hem aan en ziet dat hij een loods binnengaat. Even later komt de man met iemand anders terug, die in de herberg een gesprek met Kritoias aangaat. Kritoias speldt hem een verhaal op de mouw en zij lopen via een omweg terug, terwijl Bartimeüs de andere man achtervolgt. Uiteindelijk zetten ze de man in een steeg onder druk, waarna hij hen helpt de loods binnen te komen. In de loods zetten Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Derdrich de portier onder druk, die hen naar achteren brengt. Daar loopt het blufspel stuk, want er staan twee grote kleerkasten. Bartimeüs lanceert een verrassingsaanval, terwijl Kritoias' waterpijl de muur raakt. Er vindt een korte vechtpartij plaats tussen de kisten waarbij Bartimeüs, Kritoias en Derdrich met de mannen vechten en Ruarc uitzoekt of er een andere uitweg voor Schele Hugh is. Dat blijkt niet het geval, maar intussen is de portier gevlucht. Kritoias tovert één van de mannen in slaap, maar niet voordat Bartimeüs een nare wond op zijn been heeft gekregen. Terwijl hij op de grond ligt vecht Derdrich met de andere man. Als Schele Hugh er zelf aan komt met een boog betovert Ruarc hem met zijn stem. Kritoias gebruikt een spreuk om achter hem te komen en slaat hem neer met zijn staf. De overgebleven man heeft geen kans meer. Ze vinden Hugh en pakken zijn amulet en zijn goud,Kritoias droomt die nacht dat een man, waarschijnlijk een druïde hem vraagt om de stad uit te gaan met de staart, omdat het anders vreselijke gevolgen heeft. Hij zegt in de droom dat hij wat zal opruimen. Als Kritoias wakker wordt blijkt Derdrich gewurgd door een slingerplant.
De dood van Derdrich drukt zwaar op het gemoed van BKR. Bovendien is Bartimeüs zodanig gewond dat hij niet goed meer kan lopen. In de loop van de ochtend wordt er een brief bezorgd dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc die nacht naar het kerkhof moeten komen zodat ze oom kunnen ontmoeten, maar ze mogen geen wapens meenemen.Om Bartimeüs te helpen gaan ze naar da Elmo Manros, de dokter van oom. Hij beveelt vooral rust aan.
Die avond gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc opnieuw naar het kerkhof. Daar worden ze opgehaald met een geblindeerde koets, die al snel de stad verlaat. Na een rit van anderhalf uur komen ze bij een soort buitenverblijf waar ze naar de kelder worden geleid. Aangekomen in een cel mogen ze hun blinddoek af doen. Daar blijkt oom gevangen te worden gehouden, maar... hij weet helemaal niets!. Hij is wel ondervraagd door een vrouw met rood haar, twee of drie keer en de vraag was vooral waar het was en wie het had. Zij vertelde ook dat hij niet meer bang moest zijn en zich rustig moest houden. Ze zei wel dat het uit de hand aan het lopen was en dat het snel opgelost zou worden. De brieven zijn van Tobias en het doel is om een sterke basis voor de prinsdommen te maken. De gebroeders Chucain weten hier meer van. Zij zijn van een handelshuis van de prinsdommen. Dan worden Bartimeüs, Kritoias en Ruarc weer teruggebracht naar het kerkhof. De afspraak is om de volgende dag op hetzelfde tijdstip de prijs te noemen.Ben is inmiddels ook gearriveerd en als hij hoort dat oom niet in Nymarc is gaat zijn eerste plan niet door. Hij belooft wel om uit te zoeken waar oom gevangen zit.
Bartimeüs maakt Kritoias die nacht weer veel te vroeg wakker voor zijn wachtbeurt en dat is niet het enige, want Ruarc valt gewoon in slaap. Hij schrikt wakker als Metla hem vroeg in de morgen op zijn schouder tikt. Zij zegt dat er iemand buiten de herberg in de gaten houdt. Kritoias wordt ook wakker en Metla vertelt dat zij de omgeving gaat verlaten. Er is een keizerlijk leger net buiten de stad onder leiding van Vylryc Ardoryan, de zoon van Amarc Ardoryan. Deze laatste is het hoofd van de Suil Is Cluas Dardati Ri, de Ogen en Oren van de Keizer. Metla vermoedt dat het leger hier is omdat er iemand uit die groep is vermoord. Ruarc en Kritoias speculeren dat dit wel eens Stilvan zou kunnen zijn. Metla is bang dat het keizerlijk leger de stad gaat innemen, want volgens haar zijn er een aantal partijen die hier om de macht strijden: Vandalus, waarbij opvallend is dat het hoofd van de druïdenjagers eerder is gekomen dan verwacht. De prinsdommen, die niet heel snel waren en nu een probleem hebben omdat het keizerlijk leger op hun geplande verblijfplaats kampeert, De magistraten die nu gezamenlijk ergens verborgen zijn, ze zijn niet blij met de keizerlijke troepen, maar hebben geen leger om er iets tegen te doen. En dan zijn er natuurlijk ook nog de echte druïden, waarvan er minimaal een in de stad is. Bartimeüs is inmiddels wakker geworden en schuift aan. Dan gaat het gesprek over de staart. Volgens Metla hoort die helemaal niet op de helm en was dat alleen maar een smoes om ervoor te zorgen dat iemand de staart hierheen zou halen. De staart is direct na het verslaan van de demon naar de hoofdstad gebracht. Niemand weet ook precies wat de staart kan. Kritoias bedenkt dat hij misschien wel kan voelen wat de staart voor krachten heeft. Hij probeert een te worden met de staart, wat op zich al aardig gevaarlijk is, en hoort plotseling onbegrijpelijke stemmen. Hij ziet een soort landschap waar de apen en honden en andere gruwelijke wezens in wonen met veel bergen en oranje gloed. Het krachtniveau van de staart is enorm en het lijkt erop dat je met de staart wezens uit die wereld hierheen kan halen. Dat kan echter niet zomaar, het voorwerp moet opgeladen worden en dat doet het waarschijnlijk door residuele magie uit zijn omgeving te trekken.
Metla vertelt dat Vandalus hier ook een move wil gaan maken. Er waren een viertal bevolkingsgroepen: De vissers, de bergvolken, de bosmannen en de vlaktestammen. De groepen uit de bossen en de vlakten waren oorlogszuchtig en vielen de bergstammen aan toen daar een druïde, Kalkaris, was verschenen. Vervolgens maakten ze de vissers tot slaven die ze in de mijnen in de bergen lieten werken. De bos- en vlaktevolkeren zijn samengekomen en daar is één koning uit voortgekomen. Metla vertrekt en de rest van de dag rusten Bartimeüs, Kritoias en Ruarc uit.
's Nachts gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc opnieuw naar het kerkhof om te onderhandelen met Miranda. Ze zetten hoog in op 500 goudstukken waarbij ze laten doorschemeren dat het om een machtig artefact gaat en dat er nog meer belangstellenden zijn. Miranda zegt dat ze maar tot 200 goudstukken kan gaan. Enige tijd later wordt er dan toch een deal gesloten, het voorwerp voor 300 goudstukken, oom's vrijlating en volledige rehabilitatie. De uitwisseling vindt om 2 uur plaats in de Dronken Dryade.Tijdens de wacht van Kritoias hoort hij iemand aan de deur. De stem lijkt verdacht veel op die van Ben, dus als de man naar binnen wil doet Kritoias de deur open. Maar dan blijken het drie onbekende mannen te zijn. Razendsnel gooit Kritoias de deur dicht en roept Bartimeüs en Ruarc. De mannen komen klagen namens een onbekende partij dat er met Miranda is gesproken over het voorwerp. Kritoias hoeft niet eens te doen alsof hij van niets weet, want dat is ook zo. De mannen komen echter niet met een naam. Terwijl Bartimeüs naar boven loopt laat Kritoias één van de mannen binnen om met hem te praten. Het gesprek vlot nog niet heel erg wanneer Bartimeüs van bovenaf een pijl in het been van één van de twee andere mannen schiet. De derde man rent weg in het donker en Kritoias laat de gewonde man binnen. Hij geneest zijn bloedende wond met een spreuk en gaat dan weer verder met de andere man praten. Die vertelt nog steeds niets. Na een charmspreuk is hij veel loslippiger en het blijkt dat hij door Miranda is gestuurd om uit te zoeken of er wel een tweede koper is. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc voeren de man en de gewonde man nadat hij is bijgekomen dronken, binden hen vast en sluiten hen op in één van de kamers.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan in de loop van de ochtend naar tante toe en maken daar alles klaar om iedereen die de boel in de gaten houdt mee te lokken. Ze stoppen één van de nepstaarten in het kistje en lopen daar opzichtig mee naar de Dronken Dryade. Binnen in de drukke herberg zit Miranda al te wachten. Ze heeft Boodewen meegenomen, een tovenaar, om het voorwerp te testen. Kritoias haalt het kistje te voorschijn en overhandigt het aan de Boodewen. Die doet er een spreuk op en zegt dat het een soort staart lijkt. Kritoias verzekert hem dat het zeer bijzonder is, maar dat je wel de vaardigheid moet hebben om dat te onderkennen. Op een vraag van Miranda legt Bartimeüs uit wat het voorwerp waarschijnlijk kan doen. Dan laat Miranda een kistje met 300 goudstukken door twee bewapende mannen afleveren. Na een tijdje wachten wordt oom ook afgeleverd door een koets. Oom wordt naar binnengebracht en de transactie wordt afgerond, alleen de rehabilitatie van oom neemt wat meer tijd in beslag. Als Boodewen de staart weg wil leggen vertelt Kritoias hem nog dat hij moet oppassen met het gebruik van magie in de buurt van het voorwerp. Dan zien Bartimeüs, Kritoias en Ruarc dat er zich druïdejagers voor de herberg verzamelen. Zij nemen snel afscheid en gaan op weg naar het huis van oom. In een steegje maakt Kritoias Bartimeüs onzichtbaar zodat hij kan zien wat erop het marktplein gebeurt.Daar gaan vijf van de druïdejagers de herberg binnen en nemen Miranda en Boodewen gevangen. De vijf andere druïdejagers gaan achter Kritoias en Ruarc en oom aan. Die hebben dat door en besluiten dat ze beter kunnen maken dat ze de stad uitkomen. Als ze thuiskomen is tante opgetogen dat oom weer terug is. Naast tante is er niemand thuis en Kritoias maakt iedereen onzichtbaar. De druïdenjagers bonken op de deur en eisen binnengelaten te worden. Als er geen reactie komt beuken ze de deur in. Ze doorzoeken het huis, maar vinden niemand. Terwijl oom en tante nog wat spullen zoeken om mee te nemen komt Bartimeüs ook aanlopen en gezamenlijk jagen Bartimeüs en Kritoias potentiële dieven weg met enge geluiden en opkomende mist. Dan vertrekken ze in groepjes naar de rand van de stad.
Onder een grote eik maakt Kritoias iedereen weer zichtbaar en ze wandelen gezamenlijk naar het kamp van de vluchtelingen uit Izendaal. Daar komt het tot een gelukkige hereniging van de familie. Oom stuurt een bericht naar Quirijn om het huis goed af te sluiten en te laten bewaken. In het kort vertellen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc van hun belevenissen in de stad. De vraag is echter: "Wat nu?" Bartimeüs, Kritoias en Ruarc besluiten om met de staart naar het kamp van de keizerlijke troepen te gaan om daar na te vragen wat zij nu moeten doen, omdat Stilvan feitelijk hun opdrachtgever was. Rond 15:30 uur gaan ze op pad.Het kamp van de keizerlijke soldaten is op een heuvel gelegen. Zodra Bartimeüs, Kritoias en Ruarc proberen de heuvel op te lopen worden ze aangesproken door een aantal wachters die de snotneuzen vragen wat ze komen doen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc leggen uit dat ze graag de baas willen spreken omdat ze belangrijk en geheime informatie hebben. De wachters leiden hen naar een tent met mooie spullen waar na enige tijd Dame d'Alvain binnentreedt. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen het deel van het verhaal wat gaat over de staart en wie daar achter zit. Dame d'Alvain lijkt Bartimeüs, Kritoias en Ruarc te geloven en zij vertelt dat het lichaam van Stilvan is aangetroffen. Het lijkt erop dat hij door een wild beest is gedood. Bij zijn verscheurde lijk lag nog een lichaam van een onbekende man. Dame d'Alvain kan niet alles plaatsen en haalt Harman de Lelijke, een man in rijke kledij met een ooglap. Hij stelt zich voor als tovenaar.
Dame d'Alvain verontschuldigt zich als er trompetgeschal is, omdat Demortalis komt overleggen of onderhandelen met de leider van de troepen. Wanneer zij weg is hoort Harman Bartimeüs, Kritoias en Ruarc uit. Zij vertellen het verhaal nu wat uitgebreider met nadruk op de vreemde verschijnselen van de staart. Herman geeft aan dat hij deze verhalen kent uit geheime boeken die hij natuurlijk niet heeft gelezen. Hij weet ook niet precies wat de bedoeling nu is. De soldaten zijn er namelijk om eventueel de stad in te nemen als er een aanval zou komen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc geven aan dat er vannacht waarschijnlijk een aanval komt omdat Kritoias veel magie heeft gebruikt bij het voorwerp. Herman en Dame d'Alvain zorgen ervoor dat er troepen gereed staan en na een goed maal gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc in een tent met wat soldaten slapen.
En natuurlijk gaat Kritoias weer dromen. Dit keer bezoeken Beolin en Theolin hem in zijn droom. Theolin is het nu wel een beetje beu en zegt dat er actie gaat komen. Al snel daarna wordt Kritoias wakker gemaakt omdat er een groep mannen onder leiding van Grote Pier uit de sloppenwijken komt onder het roepen van kreten tegen de keizer. Snel staan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc op en houden zich afzijdig als de soldaten van de keizer zich onder leiding van de leider in gaan grijpen. De aanval begint met een vuurbal van Herman die talloze slachtoffers maakt in de groep van vijftig rebellen. Daarna voeren de soldaten een charge uit en trekken de sloppenwijk in.Kritoias vertrouwt dit niet zo en denkt aan een afleidingsmanoeuvre. Hij krijgt gelijk want al snel verschijnen er aan de andere kant van de heuvel een tiental apen. Kritoias schreeuwt om hulp en Dame d'Alvain mobiliseert een dertigtal troepen om de apen te bestrijden. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc blijven op de achtergrond om in te grijpen als er een aap door de linies breekt, maar ook daar zijn ze niet veilig. Een derde groep, ditmaal nog tien apen valt van de zijkant aan en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc moeten vechten voor hun leven. Kritoias en Ruarc kunnen niet veel anders doen dan de klappen opvangen en afweren, maar Bartimeüs hakt erop los en weet de linkerkant van de linie van de apen te doorbreken. Als de soldaten afgerekend hebben met de andere apen is het gevecht snel beslist.Kritoias geneest snel zijn bloedende wond als de stilte wederom op de heuvel valt, maar in de stad is het nog onrustig.
Nadat de monsters zijn verslagen gaat d'Alvain met haar troepen naar de magistraten toe. Zij raadt Bartimeüs, Kritoias en Ruarc aan op de heuvel te blijven. Die blijven rustig staan, tot ongeveer 30 minuten later een vrouw hen aanspreekt die hen meeneemt naar een paar bosjes om hen iets te vragen.Zij vertelt het verhaal van de Oldomani, een volk in de prinsdommen aan de kust. 150 jaar na het verdrijven van de druïden kwam een man, genaamd Amsa Orsa, aan en hij liet de storm liggen. Vervolgens liet hij zich zo eens in de 7 jaar zien. Zo'n 150 jaar geleden verscheen de Marleum, die ijverde voor de grote sprong, verder de zee op. Zij gingen in het noorden naar de stad Tuadum, de stad van de handel.Tijdens de tweede expeditie was er een complot tegen het leven van Amsa Orsa, door Olilu Manmak. Hij liet met duistere magie een dolk maken met haar van Amsa Ursa die hem met 1 stoot kon doden.. Daarna ontstond een stammenoorlog waarna Boro van de Guighol de Oldamani weer verdedigde. Hij stichtte de stad Calaoir. Na 49 jaar stierf Boro zonder kinderen na te laten, de zoon van zijn broer werd de nieuwe heerser Boro de tweede.Toen verscheen Melphoor. Hij was de raadsman van Boro de tweede. Na 12 jaar werd Boro vermoord waar Melphoor van verdacht werd. Torwin, de zoon van Boro werd de nieuwe heerser, maar hij verdronk na 4 jaar.
Toen kwam Nabrork de oorlogszuchtige. Hij begon de strijd tegen de Korbati, maar hij werd vermoord, waarna Melphoor de regent werd gedurende 31 jaar. Hij onderhandelde met de Korbati en sluit vrede, maar geeft de veroverde gebieden niet terug. Dan 1 jaar voordat de zoon Weyum volwassen wordt sterft Melphoor.Myrtha Petrachi van Calaoir heeft Melphoor onderzocht en kwam tot de ontdekking dat dit Beolin moet zijn. Melphoor was bezig om in de rotsen in het noorden een basis aan te leggen. De dolk die was gemaakt is het enige wapen wat in staat is om hem te doden en het ritueel om onsterfelijk te worden dat Beolin heeft uitgevoerd ongedaan te maken. Verder bleek nog een andere bijzonderheid. Alleen nazaten van moederskant van Oilin kunnen de dolk gebruiken om hem te doden. Beolin heeft nu iets bij zich, omdat hij iets van zichzelf bij zich moest houden, namelijk zijn laatste druppel bloed.De vrouw heeft een schriftrol en een oude dolk bij zich. Met de spreuk op de schriftrol kan zij bekijken of één van Bartimeüs, Kritoias en Ruarc degene is die de dolk kan gebruiken. Bartimeüs is de eerste en het is meteen raak. De vrouw voert een channelingspreuk uit en laat een druppel bloed van Bartimeüs op de dolk vallen. Die wordt daarop ineens mooier. Haar meester vraagt Bartimeüs, Kritoias en Ruarc om naar Calaoir te gaan om te helpen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vinden dit wel een goed plan en gaan overleggen met ooms en tantes om terug te gaan naar de prinsdommen. Halverwege de tocht moeten ze schuilen voor druïdejagers die waarschijnlijk naar hen op zoek zijn. Na familieberaad besluiten ze diezelfde nacht nog te vertrekken. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc willen nog de paarden ophalen bij de werkplaats en lopen voorzichtig door de onrustige stad. Aangekomen bij de werkplaats zijn een zestal mannen bezig in te breken. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc maken korte metten met deze dieven. Kritoias laat verblindt er een aantal met een lichtflits, terwijl Bartimeüs de arm van één van hen breekt. De man die door blijft gaan de deur in te beuken wordt daarna door hem neergeschoten. Twee mannen duiken weg achter een ton. Als Ruarc hen oproept zich over te geven komt één van hen tevoorschijn. De andere probeert weg te sluipen, maar wordt van grote afstand doodgeschoten door Bartimeüs. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc ontwapenen de rest en laten de overleden gaan.Daarna pakken ze snel de paarden, wat maliënkolders die daar liggen en andere waardevolle spullen en keren terug naar het kamp waarbij ze de arme wijken vermijden.
Wanneer het licht is geworden vertrekt de karavaan naar de Prinsdommen, hoewel de vrouw niet is verschenen vinden Bartimeüs, Kritoias en Ruarc het verstandiger om nu te vertrekken. Naast de familie van Ruarc en oom en tante uit Nymarc gaan er ook een tweetal knechten mee, Modun en Hirkul en twee strijders. In totaal een man of vijftien op twee karren en zes paarden.Tijdens de tocht, ziet Kritoias iets groots naar het oosten vliegen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc discussiëren over wat ze hebben meegemaakt en denken dat dit iets te maken kan hebben met Balbar, de derde god. De rit voert naar Herenhal, over glooiende heuvels met weinig bebossing.Na een uur of drie komt de karavaan een aantal boeren tegen die op weg zijn naar Nymarc. Wanneer zij het nieuws over de opstand en brand in de stad horen willen zij hun etenswaren graag aan de tantes verkopen. In de tussentijd hoort Kritoias een vreemde hoge pieptoon. Het lijkt van de staart af te komen. Kritoias concludeert dat die magisch is of wordt opgeladen. Hij probeert de magische energie in de staart te gebruiken om een steen te laten trillen, maar die explodeert.Tegen de avond komt de karavaan in Vormarken aan, waar zij een slaapzaal reserveren in de herberg. Ruarc vertelt daar het verhaal over Nymarc, de bedelaars staken de stad in brand en de keizerlijke troepen zijn de helden. Met een lange tocht voor de boeg gaan de reizigers vroeg slapen, maar ze zetten wel een wacht uit.
Dat was een verstandige keuze, want midden in de nacht hoort Ruarc gestommel. Hij gluurt samen met één van de knechten naar buiten en hoort een kreet. Kort daarop verschijnen gestalten die schuifelend naar de slaapzaal toelopen. Ruarc slaat alarm en barricadeert de deuren. Kort daarop wordt hard op de deuren gebeukt. De vrouwen en kinderen vluchten naar de vliering, terwijl de mannen zich opmaken voor het gevecht.Dan staan er plotseling twee apen in de slaapzaal. Zij proberen Kritoias aan te vallen, maar de anderen beschermen hem. In het gevecht met de apen tovert Kritoias er één in slaap, terwijl de andere wordt neergeslagen. Plotseling is er een grote knal en een explosie maakt een gat in de houten buitenmuur. Een aantal mannen wil naar binnenlopen. Het blijken doden te zijn! Bartimeüs herkent minimaal één van de boeren waar zij vanmorgen mee hebben gehandeld, terwijl hij in de verte een zwarte schaduw ziet. Even later is er nog een explosie en de voordeur vliegt open om nog meer lopende doden binnen te laten, maar ook deze worden bij de ingang tegen gehouden. En ook in de derde muur verschijnt een groot gat, maar ook hier komen de monsters niet binnen. Na een verwoed gevecht wordt de aanval, zonder doden aan de kant van de reizigers, afgeslagen.
Bartimeüs gaat op onderzoek uit om te ontdekken waar de tovenaar vandaan is gekomen. Sporen zijn in de buurt lastig te vinden doordat er veel overheen is gelopen. Bij de plaats waar hij de zwarte schaduw heeft gezien heeft hij meer geluk. Bartimeüs vindt sporen van klauwen die naar de herberg lopen en het dak opklimmen. Met hulp van Kritoias vliegt hij naar het dak en ontdekt daar ook klauwsporen. Het wezen heeft op het dak gelegen en is daarna naar beneden gesprongen, maar daarvandaan zijn de sporen niet meer te volgen.
's Ochtends vroeg gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc alleen op pad om de familie niet verder in gevaar te brengen. Die begonnen ook vragen te stellen waarop Ruarc zei dat hij dit soort wezens alleen uit sprookjes kende. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zadelen hun paarden op en vertrekken bij het licht van de opkomende zon.Aan het einde van de ochtend komen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc bij een boerderij waar juist op dat moment een man naar buiten komt die volledig overstuur is. Zijn vrouw en drie kinderen zijn vermoord! Ruarc kalmeert de man, terwijl Bartimeüs binnen een kijkje neemt. De vrouw en kinderen zijn de hersens ingeslagen met een schep die er naast ligt. Sporen kan Bartimeüs niet vinden, althans niet op de grond. Op de kleding van de man zitten bloedspetters. De man zegt dat hij gedroomd heeft van een zwart wezen en dat zijn gezin was gedood toen hij terugkwam in de boerderij. Het lijkt er echter sterk op dat de man zijn gezinsleden zelf heeft gedood, maar dan onder invloed van iets anders. Als Bartimeüs de man mee naar binnen sleurt verliest deze het bewustzijn. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc besluiten de man buiten te leggen met wat geld en de boerderij met de doden te verbranden om een nare ontmoeting met ondoden te voorkomen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc trekken verder, lunchen onderweg en rijden verder. Dan hoort Kritoias geritsel in de bosjes. Te veel lawaai voor een dier. Bartimeüs loopt met getrokken bijl de bosjes in en ontdekt daar een bewaker die zegt dat hij is aangevallen door zijn kameraden die hem aanvielen omdat hij iemand gedood zou hebben, maar dat hebben ze zelf gedaan. Hij maakte deel uit van een patrouille voor de herberg De Zatte Beer. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc nemen de man mee en stuiten al snel op de kameraden van de man. Die zeggen dat hij gek is geworden en hen heeft aangevallen, maar de man ontkent dat. Als Bartimeüs over een droom begint bevestigt hij dat alleen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vinden dat dit hen genoeg tijd heeft gekost en gaan verder naar de herberg terwijl achter hen de man door zijn kameraden in elkaar wordt geslagen.
Als ze bij de Zatte Beer aankomen blijkt daar het vaandel van de prinsdommen te hangen. Een diplomatieke missie heeft zijn intrek genomen in de herberg en is naarstig op zoek naar informatie over de situatie in Nymarc. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc krijgen een bad, te eten en vertellen hun, uitgeklede, verhaal. Er zijn twee mannen die veel het woord voeren, Belarian en Mirus. Vooral Mirus wil graag dat er iemand naar Nymarc gaat om de situatie verder uit te zoeken, maar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc houden dit af en vertrekken aan het eind van de middag naar Herenhal. Als ze wegrijden ziet Kritoias dat er een postduif wordt losgelaten.
Na een tijd hoort Kritoias weer het vreemde geluid uit de staart. Hij probeert te kijken of het sterker wordt als je een bepaalde kant op rijdt, maar dat is niet het geval. Kort daarop zoeken Bartimeüs, Kritoias en Ruarc een slaapplaats op ongeveer honderd meter van de weg en gaan rusten. Bartimeüs neemt de eerste wacht en gaat in de boom zitten. In de nacht hoort hij plotseling een stem en er verschijnt een gestalte tegen het maanlicht. Snel maakt Bartimeüs de anderen wakker. De gestalte zegt met raspende stem dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc Karanach Spawn zijn en dat ze naar Nymarc terug moeten keren met de staart omdat anders iedereen in hun buurt zal sterven. Bartimeüs schiet een pijl, maar mist de gestalte, die daarop toch in elkaar zakt. Het blijkt Mirus te zijn die niet weet hoe hij hier is gekomen. Aan zijn schoenen te zien is hij gelopen. Hij vraagt wat er aan de hand is en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen een deel van het verhaal over de staart. Mirus bevestigt dat Tobias degene is die de helm met de staart nodig had en voegt daar aan toe dat een tovenaar uit de prinsdommen de staart wilde hebben omdat hij daarmee iets goeds voor de prinsdommen in Nymarc kon doen. Die magiër komt binnenkort ook naar Herenhal om mee te gaan naar Nymarc.
De volgende ochtend gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc met de man op weg naar Herenhal, want ondanks het dreigement van die nacht zijn ze niet van plan het wezen te helpen. Mirus is niet blij, maar heeft weinig keus omdat hij niet alleen naar de herberg terug wil lopen. Als ze net op de weg aankomen verschijnen er vijf bandieten die Mirus de diplomaat willen ontvoeren. Bartimeüs spant zijn boog en wordt dan opgeschrikt door een pijl die over zijn hoofd vliegt uit wat bosjes aan de kant van de weg. De mannen rennen op Bartimeüs, Kritoias en Ruarc af en roepen dat zij de diplomaat sparen, maar dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc dood moeten.Bartimeüs raakt één van de bandieten in zijn schouder, maar ondanks de harde klap wordt hij daar maar een beetje door opgehouden. De dertig meter afstand zijn al snel overbrugd. Kritoias had alleen maar tijd om een magisch schild te maken en Ruarc kon nog net zijn wapen en schild trekken. Het gevecht is kort en dodelijk. Bartimeüs hakt meteen de arm van één van de bandieten af en heeft daarna geluk als een andere bandiet een opening ziet, maar hem niet erg weet te verwonden. Kritoias wisselt slagen uit met de bandiet aan de linkerkant en zij lopen beiden wat blauwe plekken op, terwijl Ruarc niet goed door de verdediging van de bandiet op de rechterflank heen komt. Intussen loopt de vijfde bandiet om de groep heen en probeert Mirus neer te slaan, terwijl Mirus hem probeert te steken, maar de mannen krijgen geen grip op elkaar.
Bartimeüs slaat de tweede bandiet die voor hem stond ook neer. Dat is voor Kritoias het teken om vol in de verdediging te gaan. Hierdoor ontstaat echter een opening waardoor hij het been van de bandiet op de linkerflank breekt. Bartimeüs maakt het karwei af en assisteert daarna Kritoias met een mooie aanval in de flank. Tenslotte slaat Kritoias de bandiet die met Mirus slaat bewusteloos. Dan zien ze nog twee man met bogen wegrennen die in de bosjes verstopt waren.
Mirus komt bij en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc besluiten om met Mirus terug te gaan naar de herberg. Daar zijn een aantal druïdenjagers aangekomen die nogal opgewonden zijn omdat de herberg is aangevallen door lopende lijken. Mirus vraagt Bartimeüs, Kritoias en Ruarc om een brief naar de heer van Herenhal te brengen Belenos VI van de Artomani. Kritoias krijgt een verzegelde brief mee en een symbool om aan te geven dat zij boodschappers zijn.Vrijwel direct stijgen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc weer op en gaan op weg naar Herenhal met het doel daar tegen de avond aan te komen. Al snel ontdekken zij dat zij gevolgd worden door twee druïdenjagers en, alsof dat nog niet genoeg is, zien zij ook dat een roofvogel een andere roofvogel aanvalt. Dat betekent dat de man met de vogel ook weer achter hen aan zit...
Bartimeüs heeft een goed idee, Bartimeüs, Kritoias en Ruarc verstoppen zich in een aantal bosjes die na een paar uur opdoemen om de druïdenjagers af te schudden. Kritoias en Ruarc stemmen hier mee in en het drietal stijgt af en leidt de paarden tussen de bomen door het bos in tot de weg niet meer zichtbaar is. In de verte horen ze de druïdenjagers voorbij rijden. Na een half uur wachten gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc voorzichtig weer de weg op. In de verte zien ze de druïdenjagers rijden. Ze volgen ze op grote afstand en bedenken dan dat de druïdenjagers zeker terugkomen als ze ze kwijt zijn. Bij een volgende groep bomen verstoppen ze zich opnieuw. Het duurt even, maar dan komen de enigszins geïrriteerde druïdejagers terugrijden. Ze mopperen dat ze Bartimeüs, Kritoias en Ruarc kwijt zijn geraakt, maar hebben er vertrouwen in hen weer terug te vinden. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gniffelen in hun vuistje en rijden verder naar Herenhal.
Wanneer Bartimeüs, Kritoias en Ruarc in de verte de heuvels zien liggen waar Herenhal ligt komt hen een man tegemoet. Hij spreekt hen aan en vertelt hen dat hij Arkhol heet en op zoek is naar dappere mensen die willen helpen in Herenhal. Er is een complot om prins Cael II, de prins van de Korbati, te doden. Als leden van de stam van de Portoni met stamhoofd Dindor moet dat voor Bartimeüs, Kritoias en Ruarc ook belangrijk zijn, want als de prins wordt gedood, dan leidt dat tot onrust.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zijn enigszins voorzichtig, want ze willen het liefst door naar Calaoir om achter Beolin aan te gaan, maar ze laten zich overhalen in ieder geval de brief te lezen die de diplomaten hen hebben gegeven. Daar blijkt niet veel bijzonders in te staan, alleen dat het op de weg gevaarlijk is, dat er een bovennatuurlijk aanval is geweest en dat er om advies wordt gevraagd. Arkhol stelt hen voor om naar de ruïne van de Dameburcht te gaan die vlakbij Herenhal ligt. De Dameburcht ligt tegenover de Hereveste en is ongeveer 150 jaar geleden in een conflict vernietigd.
Aangekomen bij de Dameburcht vertelt Arkhol dat hij denkt dat de Mano Tinto meer weten van de komende aanslag. Zij hebben een ontmoetingsplek in De Leren Lap. Hij kan daar niet heen, omdat ze hem kennen, maar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zijn onbekend en kunnen proberen te infiltreren en meer te weten te komen over de aanval.Tijdens het eten gaat het voor de zoveelste keer mis. De zwarte schaduw verschijnt opnieuw, zegt "Nu kan ik jullie eigenlijk doden" en hij roept opnieuw een stel apen op. Als dat het enige was geweest hadden Bartimeüs, Kritoias en Ruarc met Arkhol een kans gehad, maar nu gebruikt de zwarte schaduw ook andere krachten. Hij betovert zowel Ruarc als Kritoias, die allebei als een soort zwijntjes in de modder gaan rollen, terwijl Bartimeüs er vandoor gaat met de een aap achter hem aan. Arkhol wordt bewusteloos geslagen en alles lijkt verloren als twee andere schaduwen de apen met pijlen buiten gevecht stellen. De zwarte schaduw verdwijnt en Ruarc en Kritoias komen tot hun positieven. Bartimeüs doodt de aap en keert dan ook terug
Na de aanval nemen de twee mensen die hen geholpen hebben hen mee naar hun schuilplaats. Het blijken de vrienden van Arkhol te zijn. Vlakbij de Dameburcht is een kleine vallei waar een stenen gebouwtje staat. Het valt Kritoias op dat er veel natuursymboliek op staat. Kritoias probeert de runen te lezen en herkent vooral woorden die met de natuur, en dus druïden, te maken hebben."Snel kom binnen" zegt de vrouw die hen voor gaat. "Wat moeten we met de paarden doen?" vraagt Kritoias."Welke paarden?" vraagt de vrouw, "Argh, nou laat die dan maar buiten staan!"Als Kritoias en Ruarc naar binnen lopen zien ze de man en de vrouw even een blik in de hoek werpen en Kritoias ziet met zijn nachtzicht dat er een voetstap staat."Hé, ik zie daar een voetstap, weten jullie zeker dat het hier veilig is?" vraagt Kritoias aan de twee."Ik zie geen voetstap", zegt de man terwijl hij vakkundig de voetstap vertrapt.Bartimeüs loopt naar de hoek, rukt de struiken naast de verbouwereerde man weg en ontdekt daar een luik in de bodem. "Kijk een luik!" zegt Bartimeüs.Het blijkt dat het luik toegang geeft tot een ondergrondse schuilplaats waar ook een gangetje en een deur is die ze niet open krijgen."Dat willen we wel even bekijken" zegt Bartimeüs.
De twee, die zich voorstellen als Prisla en Molor, vinden het eigenlijk maar niets, maar gaan er uiteindelijk toch mee akkoord. Zij vertellen dat die hun schuilplaats is. Ze zijn anarchisten die hier naar toe gekomen zijn omdat ze op andere plaatsen gezocht worden. Prisla komt bijvoorbeeld uit Calaoir.Bartimeüs en Kritoias trekken het luik open en dalen de touwladder af. Ze komen in een kelder waar wat voorraden van de groep liggen. Er is ook een gang van een meter of vijf lang waar een aantal nissen in staan, die groot genoeg zijn voor een urn of een hoofd. Aan het eind van de gang is een stenen deur waar runen op staan. Kritoias probeert ze te lezen, maar dat gaat lastig. Bartimeüs onderzoekt de deur en vindt sporen van een bruine stof, waarschijnlijk opgedroogd bloed op de runen. Kritoias probeert een te worden met de deur en ontdekt dat het echt een deur is die open kan. Om dat nu te proberen is waarschijnlijk geen goed idee, eerst maar eens een nachtje slapen.
Ruarc neemt de eerste wacht en geeft die over aan Prisla, die echter al wakker blijkt te zijn. Ruarc gaat gewoon slapen en de volgende ochtend worden de drie verkwikt wakker. Ook Arkhol blijkt bij te zijn gekomen.
Arkhol vertelt dat hij in Herenhal, hier beneden, als informant werkt. Hij weet niet precies voor wie, omdat hij door een andere man is aangeworven. Hij moet er nu voor zorgen dat er geen aanslag plaatsvindt, maar alle drie zijn zij te bekend geworden. Daarom wilde hij Bartimeüs, Kritoias en Ruarc hebben. Kritoias is nog enigszins in de war en beschuldig hem er van dat hij wist dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc uit Nymarc kwamen. Door de ontwikkelingen in Nymarc zijn er grote politieke verschuivingen in de prinsdommen. Er zijn vier groeperingen: de zwarte wolven, de witte wolven, de hazen en de beren. De zwarte wolven willen Nymarc innemen om op die manier de handelsroute naar het zuiden in handen te krijgen en bestaan uit de prinsdommen Berra, Gardomen en het zuidelijk deel van de Scortoni. De Lodvinae, Portoni en de Jortal zitten in het zuiden en willen als witte wolven ook expansie, maar dan naar het zuiden in het gebied van de stammen van de Tuaïs. De hazen, de Noord-Scortoni en de Oldomani zijn isolationisten. Zij willen zich afscheiden en een doorgang langs de zeestraat. Tenslotte zijn er de beren, de Artomani en de Korbati, die ook expansie willen, maar dan via diplomatieke weg.Arkhol moest nu voor zijn opdrachtgever ook uitzoeken wie er naar Herenhal kwam, drie mannen, druïdejagers, en een man met vogels.
Arkhol weet ook niet wat er achter de deur zit, maar stemt er in om mee te gaan als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc de deur gaan onderzoeken. Ruarc ontdekt dat de tekst op de deur de oertaal is, maar hij kan de taal niet begrijpen. Bartimeüs maakt een wondje in zijn vinger en strijkt met het bloed over de runen. Kritoias ziet dat magie zijn werk doet bij de deur, maar hij gaat niet open. Ruarc ziet dat Arkhol even naar zijn hand kijkt en merkt daar op dat hij littekens heeft."Helaas hij gaat zo niet open" zegt Bartimeüs."Arkhol weet daar wel meer van!" zegt Ruarc.Arkhol kijkt wat bangig, maar geeft uiteindelijk toe dat hij met een briefje en bloed de deur kan openen. Op die manier legt hij contact met zijn opdrachtgever. Na enige druk snijdt hij in zijn vinger, traceert de rune met zijn bebloede vinger en zegt een spreuk op van een papiertje. De deur zakt de grond in en Kritoias neemt het briefje van Arkhol over.
Achter de deur bevindt zich een trapeziumvormige ruimte waar een grote steen met een uitholling in staat. De uitholling leidt naar een gat dat doorloopt tot diep in de grond. Kritoias peilt met een tinstuk dat het water zeker 30 meter lager staat. Naast de steen staan twee vuurschalen. Een nader onderzoek van de ruimte laat niets zien, behalve wat bruine vlekken bij de uitholling. Bartimeüs vraagt Arkhol hoe hij hier met zijn opdrachtgever in contact komt. Arkhol geeft toe dat hij daar ook een briefje voor heeft. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc overleggen kort en willen wel eens weten wie zijn opdrachtgever is. Arkhol sputtert tegen omdat het nog twee dagen duurt voordat hij contact moet opnemen en omdat hij bang is dat zijn opdrachtgever boos zal zijn. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zijn er echter nu en worden nu boos als Arkhol niet aan de slag gaat. Arkhol geeft toe, snijdt in zijn vinger en zegt de spreuk. Dan gaan ontstaan er plotseling twee vuren op de schalen, volgens Kritoias een essencemanifestatie en dan verschijnt er een beeld van een oude uitgemergelde man, die vaag de trekken van een bekende heeft.
"Beolin", zegt Bartimeüs."Binnen een dag, ik ben onder de indruk" zegt Beolin, "mijn excuses voor mijn uiterlijk, maar ik verzeker je dat je daar niets van ziet als je hier naast mij zou staan."Beolin is uitermate spraakzaam en gaat in op een aantal vragen van BKR. Zij krijgen de volgende (des)informatie:
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vermoeden dat dit een soort plaats was waar de aardgodin, Dana werd vereerd. Bartimeüs doet zijn mistspreuk die hij heeft gekregen en de hele ruimte vult zich razendsnel met een dikke mist. Als hij een zegen vraagt voelt hij de kracht van de godin door zich heen razen. Kritoias probeert zijn spreuk om een bloedende wond te genezen en dat werkt ook bijzonder goed, de energie lijkt ergens anders vandaan te komen dan bij zijn andere spreuken. Daarvoor moest hij wel eerst even de vuurpijl die hij stand-by had afschieten. Ruarc probeert een beeld van een vuur te maken, maar dat lukt niet zo goed. Als Kritoias een muur van vuur neerzet gaat dat prima.
Na deze bijzondere gebeurtenis komen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc tot de volgende conclusies:
Verder lijkt het erop dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc ervoor gezorgd hebben dat de plannen van een ieder behoorlijk verstoord zijn geraakt door hun acties in Nymarc, of eigenlijk door een paar overijverige druïdenjagers waardoor Bartimeüs, Kritoias en Ruarc met spoed de stad wilden verlaten…
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc klimmen met Akhol de ondergrondse ruimte uit waar de godin werd aanbeden. Prisla kijkt wat onrustig en zegt dat zij mensen de heuvel op heeft horen komen en dat die nu bij de ruïne zijn. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen tot halverwege de 200 meter naar de ruïne en dan gaat Bartimeüs in schaduwen gehuld alleen verder. Hij sluipt naar boven en ziet vanuit de bosjes een aantal soldaten de lijken van de apen bekijken. Zij hebben het er over dat er bij een slachting ook zo'n soort wezen is gevonden. Bartimeüs wil daar meer van weten en haalt Kritoias en Ruarc op om gezamenlijk naar de soldaten te gaan.De soldaten zijn bijzonder verbaasd als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc de heuvel opkomen en een vaag verhaal ophouden dat zij de apen hebben gedood en hier kampeerden omdat ze Herenhal niet konden vinden. Bartimeüs trekt een pijl uit één van de apen en vraagt naar de slachting die er geweest zou zijn. De soldaten vertellen dat een karavaan op weg naar Herenhal volledig is uitgemoord. Dat klinkt helemaal niet goed en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc maken zich bijzonder ongerust over hun familie. Zij nemen snel afscheid van de soldaten, pakken hun paarden en snellen over de weg terug naar het oosten.
Van een afstand zien Bartimeüs, Kritoias en Ruarc al een grote groep paarden en mannen staan en daar tussendoor een op zijn zij liggende kar die hen maar al te bekend voorkomt. Een aantal wachters proberen hen tegen te houden, maar Bartimeüs laat zich niet stoppen en rijdt verder tot hij de gemutileerde lichamen ziet liggen van de vader, moeder, broers en zussen van Ruarc, oom en tante uit Nymarc en alle andere leden van de karavaan. Een grote boosheid en verdriet maakt zich van Bartimeüs, Kritoias en Ruarc meester. Wat hadden ze kunnen doen om dit te voorkomen? Waarom is de karavaan aangevallen? Door wie is wel duidelijk, want tussen de lijken ligt ook het lichaam van een aap en een aantal rottende lijken. Ook één van de druïdenjagers die Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gisteren achtervolgden is in de strijd gevallen, van de andere ontbreekt ieder spoor. Verder is er niets verdwenen, want Bartimeüs vindt al snel het kistje met goud tussen alle spullen.
De wachters hebben inmiddels de Burgomaister van Herenhal opgehaald. Hij condoleert Bartimeüs, Kritoias en Ruarc met hun verlies en stelt mannen ter beschikking om te helpen de slachtoffers te begraven. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc kiezen ervoor om de lichamen te verbranden om te voorkomen dat zij de volgende nacht Herenhal zullen belagen. Een aantal meegekomen mannen uit Herenhal gaan aan het werk om hout te kappen uit het bos in de buurt. Met de Burgomaister is ook Miladon meegereisd. De man met een flamboyante hoed stelt zich voor als demonenjager en vertelt dat dit de dienaren van meester Balbar zijn en dat er nog veel meer soorten van dit soort demonen zijn. De Burgomaister gelooft hier duidelijk niets van. Aan het eind van de middag worden de lichamen op een tweetal grote brandstapels gecremeerd waarbij Kritoias het vuurt aansteekt en Ruarc een ontroerend verhaal vertelt.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc reizen mee terug naar Herenhal waar zij ontvangen worden door Prins Belenis van de Artomani die hier al aanwezig is vanwege de voorgenomen reis naar Nymarc. De spullen van de familie worden hier tijdelijk opgeslagen nadat zij op een andere kar waren overgeladen. De Prins betuigt eveneens zijn medeleven en informeert naar de situatie, maar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc kunnen hem geen nieuwe informatie over Nymarc en de aanvallen geven. Zij krijgen een kamer toegewezen waar zij een zeer aangename maaltijd nuttigen. Ruarc houdt met een fles wijn de eerste wacht.
Kritoias droomt dat hij alleen aan tafel zit in de kamer waar zij net gegeten hebben. Dan komt er een man of een vrouw binnen, het is moeilijk te zeggen wat dit wezen nu precies is. Het wezen zegt dat het tijd is dat dit ophoudt en vertelt Kritoias dat de focus nu overgedragen moet worden. Het gaat er om in control te zijn. De persoon vertelt ook dat er geen aanval zal komen vannacht, dan verlaat hij/zij de kamer.Ruarc wordt wakker van een deur die open gaat. Hij maakt snel Bartimeüs wakker en samen kijken ze op de gang, maar daar komen alleen maar twee wachters aanlopen die vragen wat er aan de hand is. Bartimeüs en Ruarc verontschuldigen zich en gaan de kamer weer in. Ze maken Kritoias wakker die over de droom vertelt. Dit moet daar zo over nadenken dat hij Bartimeüs en Ruarc de rest van de nacht laat slapen.
De volgende morgen komen Jakanda, een raadslid van middelbare leeftijd, bij Bartimeüs, Kritoias en Ruarc langs om te praten over de situatie. Zij vertelt dat er spanningen in de stad zijn tussen de Wolven en de Hazen en dat dit tot geweld kan leiden. Na het ontbijt maken Bartimeüs, Kritoias en Ruarc een rondje door de stad. Op het marktplein is het een drukte van belang. Vele kooplieden proberen hier hun waren te slijten, omdat ze te bang zijn om naar Nymarc te reizen.Na wat rondvragen komen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc aan bij het huis van Miladon. Op de deur zijn runen te zien, maar dit lijken amateuristische kopieën van echte runen te zijn. Zij kloppen op de deur en Miladon laat hen binnen. Hij zegt dat hij hen al verwacht had. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vragen naar zijn achtergrond met de demonen en Miladon vertelt over het boek dat al eeuwen in bezit van zijn familie is en wat zij proberen te vertalen. In dit boek staat dat er een andere wereld is, de wereld van de demonen, waarin Balbar de heerser is. Als de tweede maan verschijnt zal het demonenrijk zich openbaren. De demonen komen in drie gevolgen, de hersenlozen, de malvolenten, lange wezens, en daarna de heer en meesters. In het boek staat dat de lezer zich moet voorbereiden op de terugkeer van Balbar, maar of dat nu is om hem tegen te houden of er van te profiteren is onduidelijk.Ruarc herkent de taal van het boek enigszins van een oude liedbundel, waar liederen in staan met minder prettige inhoudt, die soms zelfs aan incantaties doen denken.Miladon vertelt ook dat de demonen alleen vernietigd kunnen worden als je ze dood met een magisch wapen, waarvan er al jaren één in zijn familie is, een lange dolk, anders verdrijf je ze alleen maar terug naar het demonenrijk. Het teken dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc in Izendaal hebben gezien is het teken van Balbar.Ruarc en Kritoias bestuderen het oude boek dat op de lessenaar in een hoek van de kamer ligt. Kritoias herkent in een deel van het boek de structuur van toverspreuken. Het lijkt erop dat dit een spreukenboek is waar additionele tekst bij is geschreven. Kritoias schrijft een aantal van de spreuken over om ze later te bestuderen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc nemen afscheid van Miladon en gaat iets eten op het marktplein. Dan horen ze al snel rumoer bij de poort. Er staan boeren uit de omgeving voor de poort die binnengelaten worden. Zij hebben een gewonde bij zich en vertellen dat ze zijn aangevallen. De soldaten laten de groep vluchtelingen binnen en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc volgen de gewonde man een huis binnen. Daar horen zij dat een zwarte gestalte gezegd heeft "Zij weten waar ze moeten zijn, ik wacht op ze". Dit is een duidelijk aanwijzing wie de focus zou moeten hebben en een uitgelezen kans om deze slechte moordenaar te grazen te nemen.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc nemen contact op met Miladon. Hij wil graag meevechten om te kijken of zijn dolk de demonen kan vernietigen. Op de markt slaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc tegen dumpprijzen allerlei spullen in om een val op te zetten voor de in het zwart gehulde gestalte, speren, scheppen, pijlen, olie, toortsen en kleden. Ook huren ze een tiental mannen in om te helpen de val op te zetten. De groep gaat de poort uit waar de vluchtelingen door naar binnen kwamen en ontdekken na een kwartiertje lopen op aanwijzingen van Bartimeüs de perfecte plaats om de valstrik op te bouwen. Helaas blijkt het daar niet mogelijk om te graven, omdat je al na tien centimeter op de rotsbodem zit. Een paar honderd meter verderop is wel een goede, vlakke plaats te vinden en de mannen graven op aanwijzingen van Bartimeüs, Kritoias en Ruarc een cirkel met anderhalve meter diepe kuilen waar een speer in wordt gezet. De kuil wordt afgedekt met een kleed waarop zand en gras wordt gelegd. Tegen de avond gaan de mannen weg en bereiden Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en Miladon zich voor op een gevecht.
Als het donker is geworden hoort Kritoias plotseling geluid van de staart komen. De apen komen er aan! Hij werpt zijn klaargezette toverspreuk en maakt van de strijdhamer van Ruarc en zijn eigen staf een magisch wapen, daarna zorgt hij ervoor dat hij kan vliegen. Bartimeüs zegent zichzelf en Ruarc bereidt zich voor om de eerste aap die er aan komt in slaap te laten vallen. Lang hoeven Bartimeüs, Kritoias en Ruarc niet te wachten want voordat zij goed en wel klaar zijn komen de apen uit het donker aanstormen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc verwachten dat zij in de kuilen vallen, maar de doeken zijn te strak gespannen waardoor zij zonder problemen er over heen lopen (02/01/01), maar de twee apen achter hen hebben minder geluk. De donkere gestalte blijft op de achtergrond en begint ook aan een toverspreuk.De defensieve houding van Bartimeüs en Ruarc heeft succes, want de apen komen in eerste instantie niet door hun verdediging heen. Miladon heeft minder geluk, hij wordt al snel door één van de apen neergeslagen. Kritoias vliegt omhoog en slaat hard op de aap in die ook al door Ruarc was geraakt, daarna gaat hij achter de tovenaar aan. Bartimeüs probeert de andere aap van zich af te houden die Miladon eerst aanviel, terwijl Ruarc de aap die als eerste bij Bartimeüs aankwam in de zij aanvalt. Al snel daarna wordt die neergeslagen. De goede gevechtstechnieken van Bartimeüs en Ruarc zorgen ervoor dat ook de apen die eerst in de kuilen waren gevallen direct schade krijgen waardoor Bartimeüs en Ruarc niet echt in de problemen komen. Bartimeüs kan de gruwelijke klauwen goed ontwijken en de maliënkolder van Ruarc voorkomt dat hij grote wonden krijgt. Na iets meer dan een minuut vechten liggen alle apen bewusteloos op de grond, behalve diegene waarvan Bartimeüs de hersens heeft ingeslagen.Kritoias stormde inmiddels op de zwarte gestalte af en weet hem te raken voor dat hij een spreuk kan doen, maar veel effect heeft dat niet. Hij weet door zijn kennis en magische begaafdheid de effecten van de spreuk van de zwarte gestalte af te weren. Ook zijn tweede slag heeft niet het gewenste resultaat, maar ook de twee spreuk van het wezen kan niet door de mentale kracht van Kritoias heen breken, ook al scheelt het maar weinig. Dan gaat het wezen over op bruut geweld. Kritoias probeert snel om hoog te vliegen, maar loopt een bloedende wond op als hij omhoog vliegt. Van dichtbij vuurt hij shock bolts op het wezen af, dat hem nog steeds met zijn beïnvloedende spreuken probeert onder controle te brengen. De eerste shock bolt doet het wezen omdraaien, maar verstoort zijn spreuk niet, maar ook deze heeft geen effect. Als het wezen ziet dat Bartimeüs en Ruarc de apen hebben neergeslagen draait hij zich om en rent er vandoor. Een laatste shock bolt van Kritoias vertraagt zijn vlucht, waarna Bartimeüs en Ruarc hem van achteren neer kunnen slaan. Wanneer Ruarc hem met zijn betoverde strijdhamer de hersens inslaat verdwijnt het wezen terwijl er zwarte substantie weglekt.
Bartimeüs pakt de dolk van Miladon, die bewusteloos, maar niet ernstig gewond op de grond ligt, en steekt de andere apen dood, alle lichamen verdwijnen met uitzondering van degene wiens hersens al waren ingeslagen. Kritoias keert ook terug naar de vaste grond tussen de kuilen nadat hij zijn bloedende wond heeft geheeld als plotseling drie paar ogen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc aanstaren."Very impressive" zegt één van de drie katachtige wezens die hen vanuit het donker aankijken.
Bij nadere beschouwing blijken het leeuwinnen te zijn. Twee gedragen zich als normale leeuwen, maar de derde, die ook een stukje groter is spreekt Bartimeüs, Kritoias en Ruarc aan en gooit een soort charmspreuk op ze. De overweldigde kracht van de magie laat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc geen enkele kans. Zij vertelt dat Beolin achter Bartimeüs, Kritoias en Ruarc aan zit. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc achten dit waarschijnlijk, maar niet op het niveau dat Beolin hen direct wil doden. Bartimeüs confronteert de leeuwin met het feit dat zij de één van de aartsdruïden is en uiteindelijk geeft zij toe dat zij Silvoa is. Silvoa ziet graag dat de staart weer terug wordt gebracht naar de hoofdstad, maar daar zijn maar twee man voor nodig. Zij valt aan, maar wordt aangevallen door de andere twee leeuwinnen. Silvoa vertelt dat de godin Bartimeüs, Kritoias en Ruarc beschermt verandert in een mensengestalte en vliegt weg. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc proberen haar nog te raken, maar missen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan slapen in het veld. Kritoias droomt dat hij weer op de vlakte staat en daar ligt nu iemand. Het is het lichaam van een vrouw in witte gewaden die uitgestrekt op de grond ligt. Een dolk is dwars door haar borst gestoken. Ze lijkt dood, maar fluistert "help"
Overdag gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc nieuwe kleding kopen op de markt en genieten van een uitgebreid bad. In de loop van de dag verschijnt een jongetje dat een briefje heeft. Daarin staat dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vannacht om 12:00 uur buiten de muur bij de oostpoort moeten komen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vermoeden dat dit een bekende is, maar zijn er niet zeker van.
En ja hoor, natuurlijk was het Metla die Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gevraagd had om naar haar toe te komen. Zij is geschokt te horen wat er met de familie van Bartimeüs, Kritoias en Ruarc is gebeurd en heeft zelf ook verontrustend nieuws:
Dan horen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en Metla een onderaards gerommel. Het komt uit de richting van het ondergrondse heiligdom van de druïden. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla spoeden zich er heen en zien dan dat de plek door een instorting is vernietigd. Uit de omgeving komen een zestal levende doden aanlopen, waaronder Molor, Prisla en Arkhol. De vier werken goed samen en slagen er in de ondoden te vernietigen voordat zij veel schade kunnen doen.Voor de zekerheid verbrandt Kritoias de resten. Dan zien zij plotseling overal in de omgeving lichtflitsen uit de hemel, een onheilspellend teken.Bartimeüs probeert een toverspreuk te doen bij de resten van het heiligdom, maar valt direct flauw. Na een tijdje komt hij bij en vliegen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc de stad in. De volgende dag hebben zij afgesproken om met Metla naar het zuidoosten te gaan, naar het hoofd van de echte druïdejagers.
De rest van de dag blijven Bartimeüs, Kritoias en Ruarc uitrusten van de vermoeiende gebeurtenissen van de afgelopen nacht. Tegen de avond worden zij gewekt door een bediende die vertelt dat er rumoer in de stad is, bij het huis van de demonenjager. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc kleding zich snel aan en snellen door de drukke straten. Aangekomen bij het huis blijkt dat dit in brand staat, maar van de demonenjager zelf is geen enkel spoor te bekennen. Binnen is wel iets aan de hand. Bartimeüs denkt er over naar binnen te springen door de muur van vuur die voor de ingang zit, maar deinst terug door de intense hitte. Kritoias zet een muur van water voor de ingang waardoor de hitte dragelijk wordt. Bartimeüs wil naar binnen gaan, maar dan verschijnt er een gevleugeld wezen met een groot zwaard. Van te voren heeft Kritoias de wapens van Bartimeüs en Ruarc magisch gemaakt. Bartimeüs pakt zijn boog en schiet op het wezen wat door de deur naar buiten komt. Ruarc gaat tussen Kritoias en het wezen in staan en raakt in gevecht, terwijl Kritoias van afstand magische waterpijlen op hem afschiet. Het wezen probeert bij Kritoias te komen, maar Ruarc schermt hem af. De pijlen van Bartimeüs hebben helemaal geen effect. Na een paar goede treffers vliegt het wezen de lucht in, maar valt in stof uiteen als hij door een laatste waterpijl van Kritoias wordt getroffen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc bekijken de uitgebrande woning, maar vinden geen spoor van de demonenjager of zijn magische dolk. Als ze weer buiten komen horen ze iemand roepen over Balbar, en vervolgens een grote explosie waarbij de burgemeester en een aantal stadswachten omkomen. Bartimeüs ziet een verdachte man wegrennen, sprint achter hem aan en weet hem na een korte achtervolging in te rekenen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan terug naar hun slaapplaats en proberen daar de man uit te horen, maar die levert niet veel nieuwe informatie op. Als de prins uit de stad vertrekt, naar het kasteel op de heuvel, gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc met hem mee.
Als Kritoias gaat slapen droomt hij dat hij in een volledig donkere ruimte staat en dat er letterlijk iemand in zijn nek staat te hijgen. Als hij zich omdraait draait het gehijg gewoon mee. Met een spiegel probeert hij achter zich te kijken, maar schrikt vreselijk van wat hij ziet dat hij wakker schrikt. In het kasteel is niets gebeurd.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertrekken uit kasteel en gaan op weg naar de Zatte Beer. Metla voegt zich na een paar kilometer bij hen. Even na het middaguur ontdekken ze een drietal ruiters die over de weg rijden. Ze verstoppen zich in de bosjes, waarna Bartimeüs onzichtbaar op onderzoek uit gaat. De mannen blijken verkenners van het keizerlijk leger te zijn. Wanneer één van de mannen is afgestegen springt Bartimeüs op zijn paard en gaat er vandoor. De mannen weten niet precies wat er nu gebeurt en gaan achter het paard aan. Na een tijdje stopt Bartimeüs het paard en stijgt af. De mannen blijken geen bedreiging en rijden na korte tijd verder.
Als Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla bij de Zatte Beer aankomen zijn de diplomaten nog steeds aanwezig. Ook zijn er inmiddels reizigers uit Nymarc gearriveerd. Over het algemeen rijkere inwoners die de wijk hebben genomen en met hun karren zijn vertrokken. De enige die er niet is is hun oude vriend Mirus. Hij is de vorige ochtend met de noorderzon vertrokken. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc onderzoeken de kamer van Mirus en ontdekken daar op één van de bedposten een lichte inkerving van het teken van Balbar...
De herbergier heeft die avond weer heerlijke mannenpap met harde worst klaargemaakt. Hij waarschuwt wel dat dit wel eens de laatste keer kan zijn omdat de aanvoer van verse producten met alle problemen in Nymarc en Herenhal tot stilstand dreigt te komen. Na het eten schuiven Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla bij een aantal reizigers aan tafel. Zij vertellen dat er angst heerst in Nymarc. Keizerlijke troepen hebben weliswaar de stad onder controle, maar een groot leger van Vandalus zou op het punt staan de stad aan te vallen. Ruarc vertelt de reizigers een mooi verhaal en daarna gaan Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla slapen.
Tijdens de wacht van Bartimeüs en Kritoias blijft het rustig. Kritoias slaapt goed en heeft geen rare dromen. Ruarc schrikt tegen de ochtend wel op van hoorngeschal. Hij maakt Bartimeüs en Kritoias wakker. Kritoias kijkt naar buiten, maar ziet geen bijzonderheden, terwijl Bartimeüs Metla wakker maakt. Ze gaan gevieren naar beneden en gaan door de voordeur naar buiten. Op een meter of vijftig zien ze een groep mensachtige wezens hun kant op lopen. Het zijn een stuk of twintig schaap- of geitachtige wezens die een grote man met stierenkop aan een ketting met zich meetrekken. Op hun vacht hebben ze verf aangebracht. Ook trekken ze een mens over de grond naar met hen mee en wanneer Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla goed kijken blijkt dit Mirus te zijn. Metla maakt zich uit de voeten, terwijl Bartimeüs een pijl trekt om te schieten, maar die laat hij op de grond vallen. De leider laat twee kleine groepjes de omgeving verkennen. Als de leider van de groep naar de herberg wijst en een kreet slaakt gaat Bartimeüs er ook vandoor, terwijl Kritoias en Ruarc zich terugtrekken in de herberg. De groep komt snel bij de herberg aan en de leider eist, via een tolk, dat Kritoias en Ruarc vertellen wie hun meesters zijn en dat de deur wordt open gedaan zodat het mensenkind verzorgt kan worden. Als daar naar zijn zin niet snel genoeg gehoor aan wordt geheven komt de stierman naar voeren en ramt op de deur. Die kraakt in zijn voegen en Kritoias en Ruarc doen de deur open. De wezens vallen niet direct aan, maar vragen op nieuw naar hun meesters, terwijl een groot deel van de wezens de andere gasten en de herbergier in de gelagkamer verzamelen. Ruarc meldt dat die over drie dagen komen en Kritoias zegt dat het er zeven zijn. Dat lijkt de wezens enigszins te verontrusten. Intussen moet Ruarc zijn hamer afleggen, waarbij Kritoias tot zijn geluk een toverspreuk ziet mislukken als één van de wezens met een speer naar hem dreigt. Ruarc moet intussen een emmer water voor de stierman halen. De leider zegt intussen dat zij de bende van de Fahkwar zijn.
Als één van de schaapmannen met de stierman naar de stallen loopt ziet Bartimeüs zijn kans schoon. Hij schiet de stierman in zijn been en slaat de schaapman in twee klappen dood. De stierman is echter minder aangedaan door het schot in zijn been dan Bartimeüs had gedacht en die kan zich daardoor ternauwernood verweren tegen een enorme klap van de stierman. Bartimeüs wordt volledig in het defensief gedrongen en troost zich met het bloed dat langs het been van de stierman blijft stromen en hem langzaam verzwakt.Kritoias had intussen een flitspreuk voorbereid en laat die afgaan als er buiten gehuil van de stierman te horen is en de leider de mannen naar buiten stuurt om te kijken wat er aan de hand is. De magie is deze keer zo krachtig dat de hele groep die binnen staat 2,5 minuut verdwaasd is en de mensen in de gelagkamer zelfs nog langer. Ook Ruarc weet aan het verblindende effect te ontsnappen doordat hij van te voren door Kritoias was gewaarschuwd. Wat volgt is een slachtpartij waarbij Kritoias en Ruarc in korte tijd de 12 wezens die binnen zijn en de hond die ze nog meevoerden in elkaar slaan met gebroken armen, schedels en vernietigde ingewanden tot gevolg. Als de wezens geen gevaar meer vormen sprint Ruarc naar buiten en slaat de stierman in zijn rug, die was hier niet op voorbereid en wordt door Bartimeüs en Ruarc met een paar klappen neergeslagen. Bartimeüs neemt zijn bijl en slaat het hoofd van de stierman af. Ook de andere wezens binnen worden gedood.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan buiten op zoek naar Metla en de zeven wezens die verdwenen zijn. Bartimeüs volgt het spoor van de groep van vier en na een paar honderd meter vinden ze de vier wezens doorzeefd met pijlen levenloos op het pad liggen. Het zijn grote pijlen, niet iets wat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc ooit eerder hebben gezien. Bartimeüs volgt de sporen naar een aantal bosjes en ziet dat daar tussen de vijf en tien personen hebben gestaan. Met een volgende toverspreuk ontdekt hij dat het gaat om de vreemde wezens die Bartimeüs, Kritoias en Ruarc in het betoverde bos en in de droom hebben gezien.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan terug naar de herberg en ontmoeten daar Metla, die aan de andere kan van de herberg ook drie doorzeefde wezens heeft gezien. Ruarc spreekt Mirus aan en betovert hem zodat ze samen naar de kamer gaan waar Mirus heeft gezeten. Mirus vertelt dat de meester nu gaat komen omdat het bliksemlicht is geweest. De tweede maan zal snel komen. Zestien jaar geleden heeft hij het ware woord gehoord en tot inzicht gekomen dat Balbar de enige heerser is. Hij heeft de geschriften met de verhalen verbrand en andere zaken liggen nog thuis. Als Ruarc hem probeert meer uit te horen stoot hij op een channelingspreuk die weerstand biedt. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla binden Mirus vast en vertellen de herbergier om hem over te dragen aan de autoriteiten.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc rusten een halve dag uit en gaan dan met de paarden de sporen van de wezens volgen. Na een paar uur gaan zij van de weg af en komen een plaats tegen waar Mirus waarschijnlijk de groep is opgepakt. Het spoort volgt verder een bos in en eindigt bij een donkere grot. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla besluiten goed uit te rusten voor ze de volgende ochtend de grot in gaan. Om de staart wat uit de buurt van magie te houden besluiten ze dat Bartimeüs voortaan de staart bij zich houdt.
Bartimeüs slaapt de hele nacht, terwijl Kritoias en Ruarc de wacht houden en Metla in een boom slaapt. Er gebeuren deze nacht geen bijzondere dingen.
De volgende ochtend staan Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla al vroeg op en gewapend met fakkels betreden ze de grot. De rotsige bodem loopt langzaam naar beneden totdat ze in een grotere grot bij een waterpoel uitkomen die doorgang blokkeert. Bartimeüs ziet aan het einde iets dat op een doorgang lijkt, maar daar daarvoor moet je onder water door gaan. Bartimeüs onderzoekt de sporen en ziet dat de wezens hier het water uitgekomen moeten zijn. Hij zorgt ervoor dat hij kan zwemmen zonder energie te gebruiken en waadt dan langzaam het koude water in. Het water is gelukkig niet al te diep, maar de doorgang is onder water en met zijn handen aan de wand loopt hij een meter of tien tot het dak omhoog gaat en hij weer boven water komt. Helaas is het aan de andere kant pikdonker. Bartimeüs keert langs dezelfde weg terug en meldt dat ze er door kunnen, maar dat er wel licht nodig is.Voor Kritoias is dat geen probleem, hij moet alleen even zijn bewaarde slaapspreuk kwijt. Hij probeert die op Ruarc uit, maar de spreuk mislukt volkomen. Kritoias heeft wat hersteltijd nodig en tovert daarna een lichtstraal uit zijn linkerhand. Hij gaat ook het water door en aan de andere kant blijkt een kleine grot te zijn. Het water gaat in een soort rivier verder, maar er is ook een soort gang, die natuurlijk is, maar er wel handig uitziet. Bartimeüs, Ruarc en Metla komen ook door het water en Bartimeüs bevestigt na enig zoekwerk dat de geitenwezens hier inderdaad door zin gelopen.
Ruarc gaat voorop de gang in en Kritoias loopt vlak achter hem aan om de gang te verlichten. Na een tijdje licht er een soort letter op de muur op, een soort channelingspreuk die waarschijnlijk als waarschuwing dient. Even later komen Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla in een grot die zo groot is dat de vijftien meter lichtstraal van Kritoias de overkant niet verlicht. De gang komt uit op een soort platform waarvandaan ijzeren sporten in de muur tien meter naar beneden leiden naar de boden van de grot. Bartimeüs, Ruarc en Metla komen min of meer eenvoudig beneden, maar het licht gaat bij Kritoias steeds uit als hij een sport vastpakt en hij moet zich met een landingspreuk redden als hij drie meter boven de boden van de ladder afvalt.Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla kiezen ervoor om rechtsom de rotswand te volgen. Ze lopen ongeveer honderd meter langs de gebogen wand als ze bij een gat in de muur komen van ongeveer vijftien meter breed. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla blijven de wand volgen en lopen een soort gang in. De gang splitst zich na ongeveer twintig meter, maar beide gangetjes lopen dood.Ze lopen terug naar de grote grot en blijven de rechterwand volgen. Na ongeveer veertig meter is er een nieuwe gang naar rechts. Na ongeveer 10 meter zien Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla een aantal huiden op de vloer liggen in wat op een soort kamertje lijkt. Hier zullen ongeveer vijf van de wezens geslapen en gegeten hebben, want er zijn ook nog wat etensresten te vinden.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla lopen weer terug, steeds maar weer de rechterwand volgend en komen in een nieuwe gang. Deze leidt naar een grotere ruimte waar eveneens huiden op de vloer liggen, maar er is ook een tent."Lekker slimme beesten" zegt Kritoias, "waarom zetten ze een tent op in een grot?"In de tent liggen ook wat andere voorwerpen, zoals een ijzeren dolk met een benen handgreep en een klein kistje. Ruarc probeert het kistje met zijn handen te openen, maar als hij het aanraakt gloeit er weer een soort rune op. Ruarc voelt dat iets hem magisch wil beïnvloeden, maar hij weerstaat de aanval. Het kistje is echter op slot. Hij pakt zijn familiebeitel en wrikt de deksel open. In het kistje zitten twee bronzen bracers, een bronzen torque en een opgerold perkament. Kritoias verwacht een val, maar er zit geen spreuk op het stuk perkament. Het blijkt een kaart van de omgeving te zijn waarbij cirkels zijn getekend met een soort boom. Bij de hoofdstad, bij Vandalus en bij de prinsdommen. Naar alle cirkels lopen pijlen, ook vanuit het zuiden.Als ze weer teruglopen merkt Bartimeüs op dat er een steentje naar beneden rolt, het zou goed kunnen dat er wezens in de buurt zijn en Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla observeren.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla lopen verder en vinden een nieuwe gang met drie slaapplaatsen en een grot waar een ketting aan de muur zit. Hier is waarschijnlijk de man met de koeienkop in opgesloten geweest. De rechterwand volgend komen ze bij een volgende, bredere gang waar ze na een meter of dertig aan de linkerkant een zijgang zien. Bartimeüs merkt op dat er lucht uit die gang stroomt. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla volgen eerst de rechterwand en komen in een grot van een meter of twintig doorsnede met een kleine inham, waar verder niets bijzonders te zien is. Op dat moment voelen ze een vreemde trilling in de grond. Als ze weer teruglopen naar de zijgang staan er opeens vier geitenwezens in de gang, waarvan twee met bogen en twee met zwaarden en schilden.
Kritoias ziet ze net op tijd in het licht uit zijn hand. Hij slaagt er in één van de twee pijlen die op Ruarc worden afgeschoten opzij te duwen met een toverspreuk, de andere mist. Bartimeüs schiet een pijl op één van de twee geitmensen die de boogschutters afdekken en verwondt hem licht, terwijl Metla in het duister verdwijnt. Terwijl Ruarc een lichtillusie maakt bereidt Kritoias een slaapspreuk voor. De twee boogschutters schieten op Kritoias, maar door zijn behendigheid en gebrek aan pantser missen ze hem. Bartimeüs beantwoordt het vuur, maar mist de boogschutter. Dan verschijnt de lichtillusie van Ruarc, die daarna naar voren loopt om de twee wezens met schilden aan te gaan vallen met zijn hamer. Kritoias' slaapspreuk mislukt ook nu weer compleet waardoor hij de rest van het gevecht verdwaasd rondloopt. Terwijl Ruarc in gevecht komt doen de boogschutters een stap opzij en raken zowel Kritoias als Bartimeüs. Kritoias heeft geluk, de pijl schampt hem slechts, terwijl Bartimeüs een nare bloedende wond aan zijn arm op loopt. Maar voordat hij geraakt wordt heeft hij zijn eigen pijl al laten vliegen en die raakt de slagader van de andere boogschutter in zijn arm waardoor deze kermend van pijn achteruit strompelt en ten slotte ineen zijgt.
Kritoias weet de twee geitenwezens die hem aanvallen goed te pareren en brengt één van hen schade toe, terwijl Metla de andere boogschutter van achteren neersteekt. Zij snijdt ook een slagader in een arm door en met deze boogschutter loopt het net zo af als met de andere. Daarna sluipt ze naar voren en steekt één van de wezens met zwaard en schild in de rug. Die draait zich om om haar af te weren. Dat had hij beter niet kunnen doen, want zijn schedel wordt in stukken geslagen door een ontketende Bartimeüs die hem van achter met zijn bijl aanvalt. Het andere geitwezen weert wanhopig Ruarc af en wordt vervolgens hard in zijn kruis geraakt door Bartimeüs waarbij het bloed in het rond spat. Ook deze geitenman zakt ineen en sterft.Kritoias komt ten slotte weer bij zijn positieven en stopt het bloeden van Bartimeüs' wond. Maar niet nadat hij even goed moest nadenken hoe dat ook al weer ging. Bartimeüs moet nu een uur uitrusten om de wond niet weer open te laten gaan en Kritoias tovert een lichtbal zodat ze niet in het donker hoeven te zitten. Na een uur maakt de lichtbal plaats voor de schijnwerper, maar niet voordat ze weer een trilling door de grond hebben voelen trekken en gaan Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla de zijgang onderzoeken waar Bartimeüs de tocht uit voelde komen
Die gang splitst zich al snel, maar het rechterdeel loopt dood. In het linkerdeel zien Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla na een tiental meters lopen een soort lichtschijnsel aan het einde van de gang. Bartimeüs sluipt langzaam naar voren en ontdekt aan het einde van de gang na een flauwe bocht een grot waarin een grote sinkhole is die een natuurlijke trap vormt. Van onder aan de trap hoort Bartimeüs de geluiden van soortgelijke wezens. Hij kijkt voorzichtig over de rand en ziet tientallen van de geitenmannen, maar hij kan het einde van de grot niet zien. Bartimeüs sluipt voorzichtig terug naar de groepKritoias maakt Bartimeüs onzichtbaar en Bartimeüs keert terug naar de grot. Hij kan nu iets naar beneden gaan en ziet dat er zeker driehonderd van dit soort geitenmannen in de grot aanwezig zijn, inclusief voorraden. Aan het einde van de grot is een groot stuk steen en juist op dat moment verschijnen er tien van de geitenmannen uit de steen, terwijl de grond opnieuw trilt.Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla spoeden zich terug naar de ingang van de grot. Het laddertje omhoog blijft lastig voor Kritoias. Bij het gangetje dat onder water staat probeert Kritoias om met magie de scheuren in de rots groter te maken zodat het gangetje instort, maar de rotsen zijn te stevig.
Op aanraden van Metla besluiten Bartimeüs, Kritoias en Ruarc om samen met Metla naar Onna, het hoofd van haar orde te gaan die op die moment in Lodepoort verblijft. Om daar te komen moeten ze vanaf de herberg naar het zuiden reizen en komen ze langs Izendaal.De reis van de grot naar de herberg verloopt zonder verstoringen en bij de herberg zijn er opnieuw veel reizigers uit Nymarc. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla besluiten hier te overnachten en boeken twee kamers. Ze vertellen het verhaal van het leger geitenmannen aan de herbergier, maar die wil dit niet liever niet geloven. Bartimeüs raadt hem aan weg te gaan, maar de herbergier ziet een leven als bedelaar in Herenhal niet zitten. Bartimeüs zegt dat het volledig zijn eigen keuze is.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla slapen die nacht in hun eigen kamers en er gebeuren geen bijzondere dingen. Uitgerust staan ze op, alleen de arm van Bartimeüs, waar de geitenman een pijl in had geschoten is nog wat pijnlijk.
Het is een bewolkte dag als Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla afscheid nemen van de herbergier en te paard het pad naar het zuiden nemen dan naar de weg tussen Herenhal en Izendaal leidt. Op de weg valt het Ruarc op dat er steeds een roofvogel te zien is, zou Theolin hen in de gaten houden?Wanneer ze dichterbij Izendaal komen ontdekken Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla een verbrande boerderij. Nader onderzoek door Bartimeüs, waarbij hij toch even werd afgeleid door Metla, wijst uit dat een ongeorganiseerde groep bewapende mannen de bewoners heeft gedood en verbrand. Ze reizen verder naar Izendaal tot Bartimeüs een soort versperring op de weg ontdekt.Op de weg staan een aantal vaten en takken zodat je er met de kar niet door kan. Aan de zijkant staan een paar tenten en er zitten een zestal lichtbewapende mannen. Eén van de mannen pakt zijn speer, komt naar de versperring en vraagt Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla naar hun bestemming. Als Bartimeüs zegt dat zij op doorreis zijn en langs Izendaal komen zegt de man dat Izendaal tegenwoordig Balbaria heet. Dat is het sein om in actie te komen. Kritoias had intussen zijn slaapspreuk voorbereid en tovert alle zes de mannen in slaap. Bartimeüs stijgt af en snijdt de kelen van deze ketters door. Onderzoek van het kamp levert veel eten en 50 zilverstukken op.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla besluiten om uit te zoeken wat er in Izendaal aan de hand is. Ze rijden totdat de weg afslaat naar Izendaal en daar verbergen ze de paarden in het bos. Kritoias en Ruarc blijven achter om het kampje te beschermen terwijl Bartimeüs en Metla naar de top van de heuvelrij rondom Izendaal sluipen.Het dorpje staat nog steeds overeind en er is in de afgelopen drie weken zo te zien niet veel veranderd. Alleen de twintig op staken gespietste doden aan de rand van het dorp zijn zo te zien nieuw. Izendaal is nog steeds bevolkt en er lopen normale mensen met wapens rond. Ook zijn er een aantal huifkarren te zien en lijkt het erop dat er zich mensen verzamelen. Het lijkt op de verzamelplaats van de druïden in het noorden, hoewel het aantal mensen hier nu beperkt lijkt tot vijftig. Bartimeüs overlegt met Metla of het verstandig is om nader onderzoek in het dorp te plegen als zij uit de richting van de oude mijn een tiental mannen met rode gewaden en kappen over hun hoofd zien lopen. Izendaal is duidelijk een uitvalsbasis van Balbar geworden. Snel en vrijwel geluidloos maken Bartimeüs en Metla zich uit de voeten.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla bestijgen hun paarden en gaan verder op de weg naar Lodepoort. Zoals verwacht is er aan de andere kant ook een soort wegversperring. Hier zijn een negental mannen aan het koken. Deze zijn iets beter bewapend en een man met een speer loopt naar het viertal toe als zij komen aanrijden. Bartimeüs leidt de man af met het verhaal dat zij al betaald hebben, terwijl Kritoias zijn slaapspreuk opnieuw inzet. Hij denkt er iets te makkelijk over, maar slaagt er toch in zes van de mannen in slaap te brengen. Bartimeüs bedreigt de mannen, terwijl Ruarc probeert er twee te kalmeren, maar de mannen zijn niet onder de indruk. Wel van een shock bolt van Kritoias die een man met een zwaard even van zijn stuk brengt. Bartimeüs start de onthoofdingsactie, maar een van de mannen probeert weg te rennen. Bartimeüs rent achter hem aan en breekt zijn rug, terwijl Kritoias de overgebleven man met het zwaard met een shock bolt bestookt waardoor hij omgedraaid wordt zodat Bartimeüs ook hier zijn rug kan breken met zijn bijl.Bartimeüs doodt alle mannen op een na, die hij ondervraagt. Het blijkt dat zij afgesproken hebben om hier te verzamelen. Twee jaar geleden is de man aanhanger van Balbar geworden door een goed verhaal van Grote Pier in Nymarc. Hij is hier nu een week en zij hebben de ongelovigen gedood. Volgens hem zijn de tekenen er en zullen zij Balbar ontvangen als de maan komt. De mannen in de rode gewaden zijn priesters die regelmatig een gelukkige offeren. Daarom was hij blij in dit kamp te zitten. Dat is nu wel voorbij, want Bartimeüs onthoofdt ook deze vijand. In het kamp vindt Kritoias nog 36 zilverstukken.Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla rijden nog een uur verder en slaan dan een kamp op.
Het standaard wachtschema wordt gevolgd waarbij Metla de laatste wacht neemt. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc worden wakker gemaakt, maar niet door Metla. Het is een jonge Beolin die hen wakker schopt. Dit blijkt opnieuw een droom te zijn in het verleden, maar dan voordat Beolin druïde is geworden. Hij is een jonge avonturier, die met tien strijders van de stam en zes jongeren die als drager fungeren (en waarvan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc er drie zijn) op weg is naar het noorden. In de oude geschriften die hij in het geheim heeft gelezen staat dat daar een soort poort is waar hij meer van wil weten. Gweolyn, de druïde van de stam, zou dat natuurlijk nooit goed vinden. De groep is vlakbij de Lode. Na een dag lopen langs de Lode, maar die toen nog niet zo heette, slaan zij hun kamp op. De strijders houden wacht tegen de wilde stammen in de bossen
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc worden wakker gemaakt, dit keer door Metla die een lekker konijntje heeft gevangen. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Metla zadelen de paden weer op en bereiken na een halve dagreis het stadje Lodepoort. Metla neemt buiten Lodepoort afscheid en zegt dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc naar de herberg de Gouden Baars moeten gaan en zich vooral rustig moeten houden. Binnen een paar dagen zal zij contact opnemen.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc rijden Lodepoort binnen. Het is een rustig stadje waar niet veel aan de hand lijkt te zijn. De staljongen bevestigt dit. Door de problemen in Izendaal is er veel minder handel en ook lijken er minder reizigers naar Nymarc te zijn. De herbergier bevestigt dit en het is dan ook geen probleem om een kamer voor drie personen te krijgen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen dat zij uit de prinsdommen komen en op weg zijn naar het zuiden. 's Avonds is er brood met vis en ham.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc houden wacht en de nacht verloopt rustig.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc blijven in de herberg en rusten een dagje uit. Kritoias bestudeert de geschriften van de demonenjager. In de loop van de dag knoopt een man een gesprek aan met Ruarc, als hij hoort dat hij een verhalenverteller is zegt hij dat hij wel een optreden in het kasteel van de heer van Lodepoort kan regelen dat een kilometer zuidelijker aan de Lode ligt.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc besluiten geen wacht te houden en ook deze nacht verloopt rustig.
Overdag verdiept Kritoias zich weer in de vreemde runen, terwijl er in de ochtend een brief arriveert voor Ruarc. Hij is uitgenodigd om vanavond gedichten en ander vertier te verzorgen tijdens een maaltijd bij de heer van Lodepoort.Tegen de avond vertrekken Bartimeüs, Kritoias en Ruarc, alleen gewapend met een dolk, naar het kasteel. Het is een versterkt woonhuis, met een hal waarin een aantal tafels staan voor de ongeveer vijftien gasten van de heer van Lodepoort. Hij zit met zijn gezin natuurlijk aan de hoofdtafel. Ruarc vertelt tijdens de gangen van het uitstekende diner een aantal mooie gedichten en spannende verhalen, nadat hij door de kamerheer van te voren was ingelicht over de te vermijden onderwerpen. Aan het einde van de maaltijd wordt Ruarc verzocht samen met zijn vrienden naar de achterkamer te komen voor een onderhoud met de heer van Lodepoort.Dat blijkt allerminst het geval, want in de achterkamer verschijnt Metla, die hen in de kelder door een geheime doorgang in een vat meeneemt naar een verborgen kamer. Daar zit een vrouw op leeftijd op hen te wachten.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc nemen plaats en de vrouw stelt zich voor als Onna Branwin, de leidster van de (Geen suggesties), de wachters van het noorden. Het is een organisatie die na de verbanning van de druïdes is opgericht om de noordgrens te bewaken zodat de druïdes niet terug zouden keren, maar dat bleek ijdele hoop. Al snel verscheen Beolin in de prinsdommen en Kalkaris in Vandalus.De organisatie had vroeger ook een militaire tak, maar die is afgeroomd toen de druïdejagers in Vandalus werden opgericht. Daarnaast was er ook een spionagetak, maar die werkzaamheden zijn voor een groot deel overgenomen door de spionagedienst van de keizer. Nu is er alleen nog een onderzoeksteam en een geheime strijdgroep en spionage-eenheid. De mond van de keizer geeft (Geen suggesties) opdrachten, terwijl zij rapporteren aan de Ogen en Oren van de keizer. Zij kijken nu vooral naar wat er gebeurt.
De druïden bestudeerden vroeger oude geschriften die zij voor een groot deel vernietigd hebben, maar een deel van de informatie heeft de D'anwli achterhaald. Daaruit blijkt dat de druïden geloven in meerdere bestaanswerelden:
De druïden hechten veel belang aan de bijzondere eiken, omdat op verschillende geschriften lijnen tussen deze bomen zijn ingetekend. Het verhaal dat er ruzie is tussen de stammen en druïdes lijkt verzonnen te zijn.Een andere bijzondere ontdekking is dat de druïdes bezig waren met een soort vat, of container voor de goden, zodat zij de goden in een vorm als wezen konden maken.De steen in het noorden is een communicatiemedium tussen de druïden, maar lijkt de laatste tijd niet gebruikt te zijn.Volgens de geschriften liepen de kinderen van de godin hier vroeger rond, maar trokken zich terug in het bos van Mailor. Bartimeüs meldt hier dat het vrijwel zeker om de wezens gaat die Bartimeüs, Kritoias en Ruarc elfen noemen en die nu ook hier zijn.
Belangrijke en zeer geheime informatie is dat de D'anwli al 200 jaar één van de aartsdruïden gevangen houden. D'Arval heeft in het verleden veel met hem gesproken en heeft op basis van de hem gegeven informatie de speer van de keizer gestolen en is er mee naar het noorden gegaan, over de bergen. Hij heeft alleen vertelt dat de D'anwli hulp bij de kinderen van de godin zouden moeten zoekenAlles wijst erop dat de druïden krachten uit de verschillende werelden willen combineren, maar de reden hierachter is nog niet duidelijk. Alles wijst er echter op dat de gebeurtenissen in een stroomversnelling komen met het aanstaande verschijnen van een maan.
Onna weet verder niets over de staart te vertellen. Zij zou Metla naar het zuiden kunnen sturen met de staart, maar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vinden dat veel te gevaarlijk. Als zij naar het bos gaan, zo'n week reizen naar het zuidwesten is het beter om de staart te begraven. De staart het bos mee innemen is niet handig omdat de elfen daar niet op gesteld zijn. De neven besluiten om een groot deel van het geld, ongeveer 300 goudstukken, bij Onna in bewaring te geven. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc nemen daarna afscheid van Onna en wandelen met de burgemeester terug naar Lodepoort. De burgemeester vertelt over vreemde verhalen uit Bleidorp waar pratende beesten zouden rondlopen en het bos van Malor voor een deel verdwenen zou zijn.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc slapen in de herberg en houden wacht, maar het blijft rustig, tot vlak voor zonsopkomst. Ruarc voelt een vreemde trilling en maakt de anderen wakker. De conclusie is dat dit wel eens het gevolg zou kunnen zijn van nog meer geitenmannen die hier naar toe komen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zijn rustig aan het ontbijten en vragen aan de herbergier naar een timmerman om een kistje te laten maken. Hij verwijst ze naar Peter de timmerman. Dan komt er een jongen binnen rennen die roept "De keizer is hier!". Dat lijkt de neven nogal sterk, maar ze gaan toch een kijkje nemen. Buiten stromen de mensen samen op het stadsplein waar een tiental keizerlijke soldaten te paard zijn gearriveerd. De burgemeester verwelkomt hen en Kritoias hoort via een toverspreuk dat dit de voorhoede is die controleert of alles veilig is voor de Mond van de Keizer. Zij komt over twee dagen naar Lodepoort.Kritoias en Ruarc gaan naar Peter de timmerman en bestellen bij hem een houten kistje dat van binnen voorzien is van lood. "voor een grap...". Peter vindt het een bijzondere grap, maar zegt geen nee tegen de 8 bronsstukken die hij ze in rekening brengt. Het kistje is over twee dagen klaar. Daarna keren Kritoias en Ruarc terug naar de herberg, gelukkig kunnen ze daar blijven want de andere herberg is door de soldaten gevorderd. Bartimeüs koopt intussen wat pijlen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc moeten een aantal dagen wachten en wandelen door het stadje en langs de stadsrand. Bij de weg naar het noorden zien zij in de verte een aantal mannen op een heuvel die naar hen, of Lodepoort, wijzen. De neven verstoppen zich in de bosjes en na enige tijd komen er twee mannen op paarden aanrijden. Bartimeüs blijft in de bosjes liggen, terwijl Kritoias en Ruarc achter de mannen aan gaan. Zij rijden naar de herberg en Kritoias en Ruarc gaan ook naar binnen. Ruarc knoopt een gesprek met één van de mannen aan die zegt dat hij Ingmar heet. Zij komen uit Nymarc, maar hebben het daar voor gezien gehouden nu de stad onder keizerlijk bestuur valt. Vandalus zou onderhandelen met de keizerlijke troepen, maar intussen wel de rivier naar het zuiden hebben geblokkeerd. Dat was de gewenste route voor de twee mannen, maar die was geblokkeerd. Ze vragen nu naar mogelijkheden om hiervandaan per schip naar het zuiden te vertrekken.
Als Bartimeüs terug wil keren naar de herberg heeft hij het gevoel dat er iets niet in de haak is, hij weet zeker dat hij iets gemist heeft. Hij speurt naar vijanden, maar kan niemand vinden. Terug in het dorp vraagt hij Kritoias om hem onzichtbaar te maken zodat hij beter kan zoeken. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan een stukje het dorp uit en Kritoias maakt Bartimeüs onzichtbaar en zorgt dat hij goed om zich heen kan kijken. Bartimeüs gaat terug naar de noordkant van de stad, terwijl Kritoias en Ruarc op het stadsplein rond gaan lopen. Als Bartimeüs hard schreeuwt kunnen ze het daar horen.Het enige dat Bartimeüs echter ziet is een kar uit Bleidorp. Kritoias en Ruarc worden op het stadsplein aangesproken door een vrouw die zich Tyrah noemt. Zij zegt dat zij net is aangekomen en is wel erg geïnteresseerd wat Kritoias en Ruarc aan het doen zijn en waar ze vandaan komen. Die vertellen dat zij uit Herenhal komen en dat er verder niets bijzonders is gebeurd onderweg, behalve wat mannen die tol hieven bij Izendaal. Als de dame afscheid heeft genomen laat Bartimeüs zijn neven schrikken door bij hen in de buurt "pssst" te zeggen. Hij heeft in de verte een hoorn gehoord, ongeveer hetzelfde geluid als bij de overval van de geitenmannen op de herberg bij Herenhal.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan terug naar de herberg, pakken hun paarden en rijden naar het noorden om uit te zoeken waar het geluid vandaan kwam. Bartimeüs weet zeker dat het niet van de weg kwam en de neven rijden door de velden naar een stuk bos. Daar zien en ruiken ze rook. De neven stijgen af en Bartimeüs sluipt de laatste tweehonderd meter naar het bos. Hij kruipt voorzichtig tussen de bomen door en ziet dan de resten van een gevecht. In een boom zit een elfenpijl en op een open plek een stukje verderop zijn een drietal geitenmannen lijken aan het verbranden. Een drietal andere geitenmannen ligt uit te rusten op de grond. Na een tijdje verschijnen er nog drie geitenmannen terwijl de drie geitenmannen die op de open plek stonden weer op zoek gaan in het bos. Bartimeüs sluipt terug en trekt in het voorbijgaan de pijl uit de boom.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc maken een plan om de geitenmannen aan te vallen. Kritoias gooit een koudebal, terwijl Bartimeüs pijlen schiet. Als de geitenmannen dichterbij komen zet Ruarc er twee vast, gaat Bartimeüs over op zijn handbijl en gebruikt Kritoias spreuken om de geitenmannen te bestrijden.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc sluipen naar de open plek, dat lukt niet heel goed, maar de geitenmannen zijn niet erg alert. Het eerste deel van het plan verloopt prima. Kritoias kan met zijn koudebal alle negen aanwezige geitenmannen raken. Vier van hen worden direct zo door de kou bevangen dat ze geen rol in het gevecht meer spelen. De andere vijf staan even verdwaasd te kijken. Bartimeüs schiet twee pijlen, maar weet er slechts met één te raken en van een slaapspreuk van Kritoias is één van de geitenmannen niet onder de indruk. Vier van de anderen proberen de neven van twee kanten te benaderen. Bartimeüs pakt zijn bijl en rent op het linkergroep van twee af, terwijl Ruarc van elk groepje er één vrijwel vastzet. De twee geitenmannen die niet vastgezet zijn rennen allebei op Bartimeüs af. Die probeert één van hen direct neer te slaan, maar slaagt daar niet in, terwijl hij wel flink wordt verwond door één van de geitenmannen. Tot overmaat van ramp laat hij daarna ook nog eens zijn bijl vallen. Kritoias heeft één van de vastgezette geitenmannen met een waterpijl neergeschoten en komt net op tijd bij Bartimeüs aan om één van de geitenmannen te laten missen. Bartimeüs slaat één van de geitenmannen neer, en wordt dan opnieuw gered als Kritoias de laatste aanstormende geitenman laat missen. Dan wil Kritoias de vastgezette geitenman doodslaan, maar dat blijkt niet zo eenvoudig. Ruarc ziet dat het niet goed loopt, omdat Bartimeüs nu klappen krijgt van de geitenmannen en maar blijft missen. Hij laat zijn hold spreuk gaan en valt van de zijkant aan zodat het nu weer drie tegen drie is. Kritoias slaat als eerste zijn tegenstander neer, kort daarop gevolgd door Ruarc. De laatste geitenman heeft dan geen kans meer.
Kritoias geneest de bloedende wond van Bartimeüs en samen met Ruarc onderzoekt hij de open plek. Naast de bekende snuisterijen en de hoorn hebben de geitenmannen geen bijzondere dingen bij zich. Hun leider was waarschijnlijk gedood door de elfen. De lijken van het vorige gevecht zijn gezamenlijk met de spullen op de brandstapel gegooid.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc binden de twee geitenmannen vast en nemen ze op de paarden mee terug naar Lodepoort. Bartimeüs heeft beide mannen een zak over het hoofd getrokken waardoor ze wel bekijks trekken als ze het stadje binnenrijden, maar vol kunnen houden dat ze overvallen zijn door Izendalers. De rit voert naar de herberg waar de keizerlijke soldaten zijn ingekwartierd. De soldaat die op wacht staat wil eerst zijn kapitein niet roepen, maar als Bartimeüs de kop van één van de geitenmannen laat zien gaat hij overstag. De kapitein vraagt wat er gebeurt is en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen dat ze een groep geitenmannen hebben gedood, dat er nog meer waren bij de Zatte Beer en dat er nog een grot is waar er een paar honderd in zitten. De kapitein bedankt de jongens met een zilverstuk en zendt patrouilles uit.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan terug naar de Gouden Baars en worden terwijl ze in de stal staan aangesproken door Tyrah. Die wil heel graag weten wie de mannen waren die de jongens op de paarden mee hadden genomen. Kritoias vertelt het Izendaal verhaal en probeert daarna uit te vinden wat Tyrah hier komt doen en waar ze slaapt, omdat ze niet in de herberg verblijft. Ze reist rond en gaat terug naar de hoofdstad Branduïn, maar blijft vaag over waar ze verblijft. Dan gaan de jongens naar de gelagkamer waar ook iedereen wil weten wat er gebeurt is. Ruarc vertelt het verhaal in geuren en kleuren en verdient er een gratis maaltijd mee. De jongens gaan vroeg naar bed.
Kritoias en Ruarc verdelen de wacht omdat Bartimeüs wel wat last heeft van de klap op zijn zij en zijn rust hard nodig heeft. De wacht van Kritoias verloopt rustig en Ruarc is bijzonder oplettend. Hij hoort buiten een man en een vrouw over Bartimeüs, Kritoias en Ruarc praten en over de "geitenkoppen". Even voor het ochtendgloren trilt de aarde opnieuw
Nog vijf dagen voordat Bartimeüs jarig is en even een dagje om uit te rusten. Kritoias en Ruarc zijn allebei in september jarig, op de 24e en 28e. Bartimeüs blijft vandaag op bed liggen en Kritoias en Ruarc lopen een rondje door het stadje. Het enige nieuws is dat er weer reizigers uit Nymarc zijn aangekomen die vertellen dat er nog steeds gepraat wordt tussen de keizerlijke troepen en Vandalus. Aan het einde van de middag gaat er weer een trilling door de grond. De mensen in Lodepoort beginnen nu wel wat ongerust te raken.
Kritoias houdt eerste wacht, maar kan zijn ogen niet open houden en valt een uurtje in slaap. Ruarc let weer heel goed op, maar vannacht gebeurt er niets bijzonders, op de gebruikelijke trilling voor zonsopkomst
Bartimeüs is weer helemaal opgeknapt en tijdens het ontbijt horen de jongens dat er vannacht een patrouille is overvallen. Als de aarde dan plotseling weer trilt is het even stil in de gelagkamer. Na het eten gaan de jongens naar Peter de Timmerman om het kistje op te halen. Hij heeft er echt een meesterwerk van gemaakt en om het helemaal af te maken gaat hij er vandaag ook nog een slotje op zetten zodat het kistje niet plotseling open kan schieten. In de middag kan het kistje worden opgehaald.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc wachten rustig af en gaan terug naar Peter. Kritoias geeft de timmerman een fooi en als de jongens de werkplaats uitlopen horen ze "De Mond van de Keizer is er!"De hele stad loopt uit om de schepen te zien die uit het zuiden komen aanvragen. De kade is schoongeveegd, maar daar leggen de schepen niet aan, ze blijven in het midden van de rivier liggen en de Mond van de Keizer gaat niet van boord. Dan zien de jongens in de menigte de lange man staan die een paar dagen geleden Lodepoort vanaf een heuvel in de verte bekeek...
Kritoias zorgt ervoor dat hij wat beter kan horen en probeert de lange man en zijn kompaan af te luisteren. De kompaan blijkt een van de huurlingen uit Nymarc te zijn. Kritoias vangt een aantal flarden van het gesprek op: "Izendaal is op schema", "Morkan is al gesignaleerd", "Hopelijk wordt het niet zo'n fuck-up als de vorige keer". Dit voorspelt niet veel goeds omdat ze kennelijk iets met Izendaal van doen hebben. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc maken een plan waarbij Bartimeüs onzichtbaar en met verscherpte oren de mannen zal achtervolgen om uit te zoeken waar ze verblijven en wat ze van plan zijn. Bartimeüs en Kritoias gaan achter een huis staan zodat Kritoias de spreuken kan doen, waarna Bartimeüs de mannen volgt die nu teruglopen naar het marktplein en daar op een bankje gaan zitten. Ook Kritoias en Ruarc slenteren over de markt.Dan komt Tyrah plotseling aanlopen en fluistert iets in het oor van de mannen, wat Bartimeüs helaas niet kan verstaan. Zonder dat Kritoias en Ruarc het weten gaat hij achter Tyrah aan, die terugloopt naar het nog toegankelijke deel van de kade en daar aan de waterrand gaat zitten. Bartimeüs sluipt naar haar toe en spreekt haar aan. Zijn opmerkingen dat zij Balbaraanhangers zijn lijken geen indruk te maken. Tyrah gaat ook niet in op vragen over wie ze nu werkelijk is. Ze vraagt schamper of Bartimeüs, Kritoias en Ruarc een soort nieuwe druïdenjagers zijn. Als Bartimeüs antwoordt dat zij de brengers van de dood zijn verdwijnt ze plotseling. Bartimeüs denkt dat ze onzichtbaar is en geeft een trap naar voren. Daar stond Tyrah, die nu zichtbaar wordt en in het water valt, maar Bartimeüs kan zijn evenwicht op de glibberige kade niet bewaren en valt achter haar aan het water in. Als hij bovenkomt ziet hij haar niet en hij zwemt terug naar de oever. Tyrah komt midden in de rivier boven en besluit naar de andere oever te zwemmen als ze ziet dat Bartimeüs op de oever klimt en haar te voet volgt. Ook op de schepen houden ze haar nu in de gaten.
Bartimeüs loopt in zijn natte kleding terug naar de markt, waar Ruarc hem al aan ziet komen lopen. Hij is uiterst verbaasd, omdat de twee mannen juist in de andere richting zijn verdwenen. De vraag is nu wat te doen. Bartimeüs is ervoor om direct de aanval te kiezen, maar dat lijkt de andere twee jongens wat gevaarlijk met al die keizerlijke troepen in de buurt. De vraag is ook of ze uit hun tent te lokken zijn door opzichtig Lodepoort te verlaten. Het is echter al laat en dat soort plannen zullen tot morgen moeten wachten.Tijdens het avondeten trilt de grond opnieuw en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zijn bang dat er langzamerhand wel een groot leger van geitenmannen geformeerd wordt.
Ditmaal houden Bartimeüs, Kritoias en Ruarc een tweemans wacht, eerst Bartimeüs en Kritoias, dan Kritoias en Ruarc en tenslotte Bartimeüs en Ruarc. De hele nacht blijft het rustig, maar tegen het ochtendgloren horen ze hoorngeschal, gevolgd door geluiden van gevechten van de rand van de stad.
Bartimeüs maakt Kritoias wakker en zegent zichzelf. Kritoias pakt zijn staf, zorgt dat hij met een toverspreuk kan vliegen en verlaat de kamer via het raam. Bartimeüs en Ruarc rennen vervolgens de trap af. Kritoias ziet vanuit de lucht dat zeker vijftig bewapende mannen en vrouwen uit de richting van Izendaal Lodepoort zijn binnengevallen en nu huizen binnengaan om daar de inwoners te doden. De keizerlijke troepen proberen in de chaos de Izendalers terug te dringen. Kritoias ziet een groep van negen Izendalers waar hij zonder iemand anders te raken een koudebal op kan gooien. Er volgt een enorme klap en de negen man liggen te creperen op de grond.Bartimeüs vertrouwt het niet en denkt dat het een afleidingsmanoeuvre is. Hij gaat met Ruarc naar de haven om te kijken wat daar gebeurt. Een contingent keizerlijke troepen houdt stand op de kade en als een groepje Izendalers tussen de huizen door de kade opkomt aarzelen ze om door te stoten. Bartimeüs heeft zijn pijl en boog al klaar en schiet één van de mannen door zijn hoofd.
Kritoias heeft zichzelf intussen onzichtbaar gemaakt en vliegt naar de kade als hij ziet dat het schip met de Mond van de Keizer slagzij maakt. Bartimeüs heeft gelijk, de aanval van de Izendalers is een afleidingsmanoeuvre. Als Kritoias de landing inzet om Bartimeüs en Ruarc naar het schip over te zetten komen er een viertal personen uit een pakhuis de kade op, waaronder de lange man. Als de Mond van de Keizer uit de kajuit van het schip komt vuurt één van de mannen een vuurbal op het schip af. De Mond van de Keizer wordt in een zee van vlammen verkoold. Bij de keizerlijke soldaten breekt nu een lichte paniek uit.Bartimeüs en Ruarc aarzelen niet en rennen richting de aanvallers. Twee van hen rennen er vandoor, terwijl de lange man en een ander Bartimeüs en Ruarc de pas af wil snijden. Bartimeüs richt zijn boog, waarop de mannen ijlings dekking zoeken achter en paar kisten. Ruarc wil zijn holdspreuk doen, maar daarvoor moet hij zijn vijanden zien. Bartimeüs cirkelt om de kisten heen om een goed schootsveld te krijgen. Als de mannen dit doorkrijgen springen ze op en rennen op Bartimeüs af. Dat moment gebruikt Ruarc voor zijn spreuk en hij weet de kleinere man te vertragen. Bartimeüs, enigszins onder druk van de aanstormende lange man in volledige maliënkolder mist met zijn pijl en trekt snel zijn bijl om zich te verdedigen. Er ontspint zich een evenwichtig gevecht tussen de twee, maar dat wordt verstoord als de tweede man na meer dan een halve minuut is aangekomen en Bartimeüs op zijn been raakt. De lange man schreeuwt intussen dat hij een vrijbrief van de keizer heeft en dat de keizerlijke soldaten hem moeten helpen. Ruarc laat zijn spreuk gaan en begint nu met zijn hamer op de kleinere man in te slaan.
Intussen heeft Kritoias al vliegend de rennende personen ingehaald. Het is een man zonder pantser, de tovenaar die de vuurbal heeft gegooid, met een vrouwelijke bodyguard in een maliënshirt. Tyrah is nergens te bekennen, die heeft waarschijnlijk de boot laten zinken. Kritoias laat zijn tweede koudebal van de dag los met opnieuw een verwoestend resultaat. De ongepantserde tovenaar wordt in de buikstreek getroffen, stort neer en crepeert net als de Izendalers. De bodyguard wordt gered door haar maliën, maar is wel even versuft van de enorme klap. Dat geeft Kritoias tijd om een vuurpijl voor te bereiden. De hitte daarvan is zo groot dat het lichaam van de bodyguard tot stof vervalt en het metaal van de maliën smelt.Kritoias vliegt vervolgens snel terug om Bartimeüs en Ruarc te helpen die in hevig gevecht met de twee mannen zijn. Een volgende vuurpijl van Kritoias vernietigt het pantser van de lange man en verdoofd hem, terwijl Bartimeüs en Ruarc juist op dat moment de andere man in elkaar slaan, die vervolgens zijn wapen laat vallen en zich over wil geven, maar een laatste uithaal van Ruarc velt hem. De lange man weert een volgende klap van Bartimeüs nog af, maar met een harde uithaal slaat Kritoias zijn zwaard uit zijn hand. Ten slotte slaat Bartimeüs hem tegen de grond.
Kritoias rent terug naar de tovenaar, terwijl Bartimeüs en Ruarc hun wapens laten vallen als de keizerlijke troepen met getrokken wapens hun kant op komen. Terwijl Bartimeüs zijn bloedende wond verbindt onderzoeken de soldaten de twee mannen. Zij blijken allebei 100 goudstukken en een brief bij zich te hebben die op een vrijbrief van de keizer lijkt. De mannen heten volgens de brieven Jolak en Ingmar. Bartimeüs roept direct dat dit niet kan kloppen. Mannen die voor de keizer werken zouden toch nooit de Mond van de Keizer vermoorden?Kritoias ontdekt bij de tovenaar ook een vrijbrief. Zijn naam is Morkan van Nymarc en Kritoias denkt dat dit weleens dezelfde man zou kunnen zijn die Willem heeft gedood. Kritoias pakt de brief waarin staat dat de drager voor de koning van Vandalus werkt en stopt de brief in de laars van Morkan.
Bartimeüs en Ruarc worden afzonderlijk ondervraagd door de kapitein van de soldaten. Zij vertellen allebei hetzelfde verhaal. Dat ze meegingen helpen tegen de aanval van de Izendalers, dat ze dachten dat het een afleidingsmanoeuvre was, dat iemand vanuit het pakhuis een vuurbal op de Mond van de Keizer gooide en dat deze twee mannen daar bij betrokken waren. Verder vertellen ze allebei dat ze uit de prinsdommen komen en onlangs vanuit Herenhal naar Lodepoort zijn gereisd voor een optreden van Ruarc bij de heer van Lodepoort. Na het verhoor worden ze onder begeleiding van soldaten naar de herberg de Gouden Baars gebracht.Kritoias wacht intussen totdat soldaten eindelijk de plaats hebben gevonden waar de twee daders zijn gestorven. Kritoias geeft direct aan dat hij gezien heeft dat Morkan een tovenaar is en de vuurbal heeft gemaakt. Toen ze vluchtten heeft Kritoias ze gedood. De soldaten gaat dit iets boven de pet en ze gaan de kapitein halen. De kapitein vraagt direct bij welk legeronderdeel Kritoias hoort. Die snapt daar niet veel van en de kapitein vertelt dat Kritoias militaire middelen inzet. Kritoias vertelt dat hij met zijn neven en familie op weg was naar de Prinsdommen na de onrust in Nymarc, maar dat de familie is omgekomen bij een overval en dat de neven nu op weg zijn naar het zuiden. De kapitein laat Kritoias zijn staf houden en Kritoias keert terug naar de herberg, maar niet voordat hij zich er van heeft verzekerd dat Peter de timmerman, en zijn vrouw, de slachting van de Izendalers heeft overleefd.
De neven rusten uit in hun kamer in de herberg waar ze na twee uur weer een trilling voelen. Een half uur later worden ze opgehaald door soldaten om zich te melden in het kasteel van Lodepoort. Daar blijkt dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc verdachten zijn en dat de vrijbrieven die de aanslagplegers bij zich hadden echt zijn. De kapitein vraagt aan de neven wat er is gebeurd en zij vertellen hun verhaal. Ingmar, die ook aanwezig is, zegt dat hij van niets weet, waarna Kritoias hem er fijntjes op wijst dat hij naast de dader van de aanslag stond, daar niets tegen heeft gedaan en vervolgens ook niet achter de dader aan is gegaan, maar Bartimeüs en Ruarc heeft tegengehouden. Bartimeüs wijst erop dat het allemaal behoorlijk verdacht is. De kapitein geeft opdracht Bartimeüs, Kritoias en Ruarc naar een wachtkamer te voeren omdat de heer van Lodepoort recht zal spreken.Na korte tijd komt een meid in de wachtkamer en neemt Bartimeüs, Kritoias en Ruarc mee naar de kelder en door het bekende holle vat naar de geheime kamer, waar Onna op hen wacht. Zij vertelt dat de gevonden brieven echt zijn. De zegels hebben alle zichtbare en magische kenmerken. De brief is een echte vrijbrief zonder einddatum. Dat is heel verontrustend, omdat het betekent dat er iemand aan het keizerlijk hof is die tegen de keizer werkt. Het waarom is onduidelijk. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vermoeden dat het Beolin is, omdat de koning van Vandalus deze onrust nu niet kan gebruiken. Volgens Bartimeüs kan het ook iemand aan het hof zijn die zelf Mond van de Keizer wil worden. Onna wil graag weten wie er achter zit en vraagt Bartimeüs, Kritoias en Ruarc om te kijken of ze achter de opdrachtgever van de daders kunnen komen, maar twijfelt omdat de andere opdracht om het zwaard te halen ook belangrijk is. Zij gaat in ieder geval regelen dat de neven worden vrijgesproken.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan terug naar de wachtkamer en worden al snel opgehaald en voor de heer van Lodepoort geleid. Die velt het oordeel dat de dader van de aanslag, de tovenaar Morkan reeds is gedood en dat de neven verder niets met de aanslag te maken hebben en dus vrijuit gaan. De bevolking is teleurgesteld, want die hadden graag gezien dat er iemand werd opgehangen. De kapitein raadt Bartimeüs, Kritoias en Ruarc aan om niet te lang in Lodepoort te blijven.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc eten in de herberg, waar de neven het lied "In Lodepoort werd de Mond van de Keizer vermoord" componeren. Met een ander verhaal weet Ruarc de bevolking nog wat op te beuren. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc besluiten te gaan slapen en morgen Lodepoort in zuidelijke richting te verlaten om de daders van de aanslag achter zich aan te lokken.
Die nacht trilt de aarde opnieuw en vlak voor het opkomen van de zon nog een keer. De frequentie lijkt toe te nemen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc slaan proviand in bij de herbergier, nemen afscheid en vertrekken op hun paarden in zuidelijke richting over de weg die uiteindelijk naar de 200 kilometer zuidelijker gelegen stadstaat Olcadaïr voert. Na een paar uur rijden komen ze bij een bebost en heuvelachtig gedeelte naast de rivier waar ze in hinderlaag gaan liggen. Na niet al te lange tijd horen ze in de verte twee paarden aankomen. Het zijn Jolak en Ingmar die er niet al te vrolijk uit zien.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zetten hun plan in werking. De dodelijke pijl van Bartimeüs treft Jolak in de nek. Kritoias gooit een bal van koude naar de twee mannen, maar daarvan slaan alleen de paarden op hol. Jolak wordt uit het zadel geworpen en Ingmar gaat er vandoor. Bartimeüs schiet een tweede pijl en raakt het paard van Ingmar in zijn achterbeen. Terwijl Kritoias en Ruarc het lichaam van Jolak in de bosjes slepen en van 100 goud en vrijbrief ontdoen, rent Bartimeüs naar zijn paard en zet de achtervolging op het bloedende paard van Ingmar in. Na ongeveer 10 minuten ziet hij Ingmar met zijn rug naar hem toe naast zijn paard staan en proberen zijn paard in bedwang te houden.Bartimeüs stijgt af, pakt zijn boog en dreigt Ingmar dood te schieten. Die gooit zijn wapen weg en gaat op de grond liggen. Bartimeüs' verhoor levert beperkte informatie op. In Nymarc werd de groep benaderd door een mooie vrouw met gevlecht donker haar genaamd Sylvia. Zij droeg dure jurken en zilveren kettingen. Zij heeft ook de vrijbrieven verzorgd. Veel meer weet Ingmar niet, omdat Morkan de contactpersoon was. Ondanks zijn belofte hem te laten gaan executeert Bartimeüs Ingmar met één slag van zijn bijl, wat een boer de stuipen op het lijf jaagt. Bartimeüs pakt Ingmar ook het goud en de vrijbrief af en rijdt verder met Kritoias en Ruarc die inmiddels aangekomen zijn.
De neven overleggen hoe ze naar de overkant kunnen komen. Terug naar de bruggen bij Nymarc is geen optie, maar 200 kilometer naar het zuiden rijden eigenlijk ook niet. De rivier is hier ook te breed om de paarden met magie over te zetten, maar ze gaan op zoek naar een eilandje in de rivier, dan moet het lukken.Na een aantal uur rijden komen ze een visser tegen die bevestigt dat er wel dorpjes zijn naar het zuiden, maar geen bruggen. Wel kun je in die dorpjes een pontje vinden, of een boot vragen je over te zetten. Dan is plotseling weer een trilling te voelen. Volgens de visser zijn er de laatste tijd rare dingen aan de hand, want een boer in de buurt hoorde laatst 's nachts een paar koeien praten die langs zijn huis liepen.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc besluiten om eens een kijkje te nemen bij de boer, want ze denken dat het hier om de beruchte geitenmannen gaat. Een paar kilometer verder vinden ze de landweg die naar de boerderij leidt en al snel zien ze in de verte de ogenschijnlijk verlaten gebouwen van de boerderij liggen. Bartimeüs sluipt vooruit om te proberen de sporen van de geitenmannen te vinden. Dat blijkt niet zo moeilijk want een stuk of twintig van de monsters zijn achter de boerderij langsgetrokken."Laat je wapens vallen" hoort Bartimeüs plotseling achter zich. "we hebben je onder schot en je vrienden ook""Ja, ik laat mijn wapens vallen" roept Bartimeüs hard.Kritoias en Ruarc horen rumoer achter de boerderij en snel maakt Kritoias hen allebei onzichtbaar. Ze stijgen af en sluipen allebei langs een andere kant om de boerderij heen.
Een wezen stapt uit de bosjes en loopt op Bartimeüs af. Het is een kind van de godin die Bartimeüs vraagt wat de neven hier komen doen. Bartimeüs zegt dat zij komen om te onderzoeken of het hier ook om de geitenmannen gaat. Het wezen bevestigt dit en zegt dat dat komt omdat de poorten in het noorden open zijn gegaan. De kinderen van de godin en de geitenmannen bestrijden elkaar, maar als ze naar het zuiden gaan vinden ze het wel prima. Bartimeüs vraagt hen of ze weten waar het zwaard is. Dit leidt eerst tot verwarring omdat de kinderen van de godin aannemen dat het om een gewoon zwaard gaat. Kritoias fluistert Bartimeüs in om te zeggen dat het om het zwaard uit het bos gaat en dat de druïde Kalkaris dit het andere bos mee in heeft genomen. Dat zegt het kind van de godin wel iets, dat bos heet voor hen het bos van Anam en is het bos waar de laatsten zijn achtergebleven in deze wereld. Dan kijkt het kind van de godin plotseling op en zegt "Pak je wapens".Kort daarop klinkt hoorngeschal en een groep van twintig geitenmannen komt uit de bossen 50 meter verderop en rent met getrokken wapens en schilden op de neven en kinderen van de godin af.
Kritoias had een schildspreuk gebruikt toen het kind zei om de wapens te pakken, doet een paar passen naar de muur van de boerderij en bereidt een bal van koude voor. De kinderen van de godin en Bartimeüs schieten pijlen op de geitenmannen af en ook van de rechterkant komen plotseling pijlen uit de bosjes. Een paar van de geitenmannen wordt geraakt, maar dit remt hen niet af, net zo min als de koudebal van Kritoias, die alleen voor een frisse wind zorgt. De situatie wordt penibel als Bartimeüs met zijn tweede pijl de aanstormende geitenman niet weet te doden en er een handgemeen ontstaat waarbij in de eerste ronde al twee van de in totaal tien kinderen van de godin door de geitenmannen dood worden geslagen. Koelbloedig optreden van Ruarc en Kritoias draait het gevecht in het voordeel van de neven en kinderen als zij de helft van de geitenmannen in slaap weten te toveren. De andere geitenmannen worden in het handgemeen verslagen waarbij Bartimeüs van een geitenman een been afhakt. Tenslotte snijdt Bartimeüs van de slapende geitenmannen de keel door.
De kinderen van de godin blijken niet erg spraakzaam te zijn. Doordat ze tegen Bartimeüs zeggen dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc de Olcar moeten verzamelen om te verbranden begrijpt hij dat de beestman dus Olcar heten. Bartimeüs vraagt hoe de kinderen van de godin zichzelf noemen en dat blijkt Vanyana te zijn. Terwijl uit het noorden een donkere lucht nadert houden de Vanyana zich vooral met zichzelf bezig, verzorgen hun gewonden en maken brancards om ook de doden mee te nemen. Kritoias waarschuwt ze dat het beter is om de doden te verbranden omdat ze anders vervelend kunnen gaan doen, maar de Vanyana kijken alleen maar onbegrijpelijk. Tijdens het opruimen van de Olcar ontdekt Ruarc dat de zwaarden en bogen die ze hebben eigenlijk best wel goed zijn, daar kan hij nog iets van leren. Met de wapens van de Vanyana is het wat minder goed gesteld. Ruarc neemt één van de zwaarden van de Olcar mee. Bartimeüs vraagt nog aan de Vanyana waar de Olcar nu vandaan komen. Dat blijkt uit de Olcdome te zijn, wat wel gelijk zal zijn aan de wereld van het kwaad. De godin heeft vroeger de Olcar uit de Mightdome, deze wereld, verdreven, maar de vraag is of ze dat nu weer zal doen.Nadat Bartimeüs de boerderij in brand heeft gezet waar de Olcar in zijn gesleept nemen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc afscheid van de Vanyana en rijden terug naar de rivier.
Bij de rivier aangekomen gaan de neven op de t-splitsing naar rechts, richting het zuiden. Na een paar kilometer rijden zien ze plotseling een boot tegen de oever liggen. Die is daar niet netjes bij een steiger aangelegd, maar zo lijkt het, zo de over op gevaren. De neven stijgen af, maar het dek is wel wat hoog en je moet flink klimmen om het dek op te komen. Kritoias laat Bartimeüs een magische sprong maken en Bartimeüs verkent de boot. Op het dek liggen behoorlijk wat vaten met bier en kisten met allerlei handelswaren opgestapeld. Aan de achterkant van de boot vindt hij een harnas voor paarden en een duwboom, dit is een trekschuit. Ook is er een kajuit, maar die blijkt onder het bloed te zitten. Ook vindt Bartimeüs daar kleding die over de naden gescheurd lijkt te zijn en een kistje met een stuk of 50 zilverstukken. Ondanks de grote hoeveelheid opgedroogd bloed is er geen lijk te vinden en het stinkt er ook niet.Bartimeüs brengt verslag uit aan Kritoias en Ruarc."Zou het hier niet om een weerwolf kunnen gaan? Gezien de gescheurde kleding?" denkt Kritoias.Dat is natuurlijk speculatie, maar de boot is wel een goede optie om naar de overkant te komen. Het grote probleem blijft daarvoor natuurlijk: de paarden.
Bartimeüs maakt op het dek ruimte voor de paarden door de kisten aan de landzijde overboord te gooien en de biervaten in het water te rollen. Daardoor is er voldoende ruimte voor de drie paarden en is er een soort van loopplank waarover ze aan boord kunnen komen. Dat moet wel snel gaan gebeuren want het begint inmiddels donker te worden. Het eerste paard dat Bartimeüs naar boven probeert te leiden heeft er geen zin in, maar met de andere twee is het geen probleem. Bartimeüs is nog bezig met het laatste paard als de neven in de verte op de oever richting het zuiden wat gekraak horen. Bartimeüs probeert het paard opnieuw omhoog te krijgen, maar dat lukt hem niet. Om geen tijd te verliezen verplaatst Kritoias het paard met een spreuk naar het dek en springt dan snel aan boord. Dan zien de neven op ongeveer 50 meter aan de oever een wolfachtige gestalte op twee benen richting de boot rennen. Het wezen huilt als een wolf, waardoor de neven concluderen dat het inderdaad om een weerwolf gaat en wil kennelijk voorkomen dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc er met de boot vandoor gaan. Bartimeüs en Ruarc duwen de boot snel af waardoor de weerwolf het water in moet om bij de boot te komen. Kritoias vuurt een ice bolt op hem af wat de weerwolf enigszins hindert. Bartimeüs pakt zijn boog, maar zijn goed gemikte pijl lijkt wel op de huid van de weerwolf af te ketsen. Terwijl de boot door de stroming wordt gegrepen en naar het zuiden begint te drijven vuurt Kritoias nog een shock bolt af. Die komt hard aan bij de weerwolf. Zijn heup wordt geraakt en hij verdwijnt onder water.
In het donker varen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc langs een dorpje aan de westoever van de rivier. Hoewel het nog niet heel laat is, is er geen licht te zien. Waarschijnlijk zijn de inwoners uitgeroeid door de weerwolf. Ruarc vindt het vooral sneu voor de visser die de neven eerder die dag hebben ontmoet. Na een half uur varen stuurt Bartimeüs de boot naar de linkeroever en de neven besluiten om aan boord de nacht door te brengen.De wacht van Bartimeüs verloopt rustig. Ruarc meent een paar kattenogen uit de bosjes naar de boot te zien staren, maar dat kan ook verbeelding zijn geweest."Het is tijd" zegt een stem tegen Kritoias, die zich vervolgens opmaakt om de wacht over te nemen, maar dat blijkt niet de bedoeling. Zeven schimmen, waaronder Beolin en een nog vagere schim zijn verzameld aan de andere kant van de poort en sporen Kritoias aan om mee te gaan en die vindt dat wel prima. Zijn benen en armen bewegen stram en hij sleept zich langzaam voort. Als Kritoias goed kijkt ziet hij er uit als een ondode. Om hem heen hebben honderden van deze monsters zich verzameld en onder leiding van de aartsdruïden begeven ze zich vanuit het noorden naar de poort. Kritoias kijkt naar de maandstand om te zien of dit op hetzelfde moment gebeurt, maar dat lijkt niet het geval. Er is niet één maan, maar er zijn er twee en de maanstand van de maan die Kritoias kent doet vermoeden dat de gebeurtenissen in de droom nog minimaal twee weken in de toekomst liggen.
"Jouw wacht", zegt Ruarc, terwijl hij Kritoias wakker schudt."Ondoden buiten!" is het enige wat Kritoias zegt. Dan hoort Ruarc ook geplons in het water naast de boot. Snel maakt hij Bartimeüs wakker en is blij dat hij zijn maliënkolder nog aan heeft. Ongeveer twaalf gestalten bewegen door het riet naar de boot en beginnen aan boord te klauteren. Bartimeüs pakt zijn bijl en slaat van de eerste zijn hoofd af. Kritoias en Ruarc beginnen ook te slaan, maar kunnen niet voorkomen dat drie van de ondoden aan boord komen. Kritoias en Ruarc slaan hun ondoden kapot voordat ze echt gevaarlijk kunnen worden. De laatste doet een zielige poging om Ruarc te verwonden en wordt dan tot poeier geslagen. Bartimeüs pakt de boom en duwt de boot af. Een van de ondoden probeert de stok vast te houden, maar Bartimeüs wrikte hem los. Kritoias gooit nog twee koudeballen in een poging de ondoden te vernietigen, maar ze lopen alleen wat schade op voor de stroming de boot meeneemt en de ondoden in het duister verdwijnen. De paarden bleven trouwens bijzonder rustig tijdens deze gebeurtenis.Als Kritoias de wacht houdt ziet hij een groot vliegend wezen van de boot afvliegen dat de vleugelslag heeft van een vogel. Als het licht begint te worden stuurt Kritoias de boot voorzichtig de kant in, maar toch worden Bartimeüs en Ruarc hier wakker van.
Het regent als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zich klaarmaken om van boord te gaan. Dit keer hebben ze geen mooie stapel met kisten om de paarden overheen te laten lopen en dus gebruikt Bartimeüs de loopplank die best wel steil naar beneden loopt. Hij slaagt er in om twee paarden van de boot af te krijgen, maar het derde paard, dat ook niet aan boord wilde, blijft weigeren. Ook dit keer moet Kritoias magie gebruiken om het paard van boord te helpen.De neven besluiten om richting het noordoosten te trekken, omdat ze vermoeden dat daar het bos van Anam is. Bartimeüs voelt of er aan deze kant van de rivier paden in de buurt te vinden zijn, maar dat blijkt niet het geval.De dag verloopt rustig, er is geen enkel spoor van menselijke aanwezigheid en de rit door de heuvels verloopt rustig. Het valt Kritoias wel op dat er weer een vogel boven hen hangt. Als hij probeert voorzichtig naar de vogel toe te vliegen houdt die verdacht veel afstand, alsof iemand de vogel bestuurt.Na in totaal twaalf uur reizen en 30 kilometer slaan de neven kamp op.
De nacht verloopt rustig
Bartimeüs wil de vogel uitschakelen. Daarom maakt Kritoias hem onzichtbaar en zorgt hij ervoor dat Bartimeüs kan vliegen. Bartimeüs kijkt even goed waar de vogel zit, vliegt dan omzichtig omhoog en nadert hem vanuit de zon. Met een goedgerichte pijl maakt hij een einde aan het leven van de vogel.De ochtend verloopt rustig, maar de lunch wordt verstoord door een kleine beer die op de heerlijke geuren van de maaltijd afkomt. Kritoias duikt snel achter een boom, maar Ruarc gebruikt zijn stem om de beer tot bedaren te brengen. Hij geeft hem wat eten en lokt hem weg van het kamp. Bartimeüs en Kritoias zadelen intussen de paarden weer op en Kritoias zet voor de zekerheid een muur van koude tussen de beer en de neven voordat Ruarc ophoudt met kalmeren en ook opstijgt. Zonder problemen rijden de neven verder.Ook de rest van de dag verloopt zonder bijzondere gebeurtenissen en opnieuw slaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc hun kamp op.
Tijdens het avondeten voelen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc weer een zachte trilling door de grond gaan, die was er gisteren niet geweest. Kennelijk komen er niet overal Olcar over uit hun wereld. De nacht verloopt verder rustig
's Ochtends gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc na een goede maaltijd weer op pad en na een paar uur reizen komen ze bij een stenen weg die van noord naar zuid leidt. Bartimeüs voelt dat het pad in het noorden naar Nymarc gaat en in het zuiden bij een andere grote stad uitkomt.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc overleggen welke kant ze op zullen gaan, de weg volgen of toch verder naar het noordoosten. Kritoias vliegt met een toverspreuk omhoog, maar ziet in de verte helaas geen bos liggen. Wel ligt er verder naar het noorden, langs de weg, een dorpje waar ze wellicht de weg naar het bos kunnen vragen. Als de neven op pad gaan naar het noorden ziet Bartimeüs dat er twee mannen uit het zuiden naderen. Een strijder te paard en een lopende man met een boog. Dit zijn de eerste mensen die Bartimeüs, Kritoias en Ruarc de afgelopen dagen hebben gezien en ze knopen een gesprek aan. De strijder heet Donogb. Hij komt uit het zuiden en is op weg naar Lodepoort. De andere man Cathal, begeleidt hem. De neven vragen of zij de ligging van het bos kennen waar ze naar op zoek zijn. Dat blijkt gelukkig het geval te zijn en de heren willen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc wel de weg wijzen, maar Donogb staat erop dat hij eerst naar Lodepoort moet om daar iemand te bezoeken. Kritoias vraagt een beetje door, maar het blijkt niet de heer van Lodepoort te zijn."Dan kan het bijna niet anders dan dat hij op weg is naar Onna en dat zou betekenen dat deze Donogb ook een lid is van de d'Anwli." denkt Kritoias. Hij probeert met subtiele hints de man uit te horen, maar die laat niets los.
Aan het einde van de dag komt het groepje aan in Avendorp. Daar blijken zich tientallen vluchtelingen te hebben verzameld. Deze zijn niet afkomstig uit Nymarc, zoals Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vermoedden, maar uit de dorpen Barkendaal en Zuidenmark in de buurt. Zij zijn verdreven door soldaten van Vandalus, maar die vechten niet alleen. De mensen vertellen ook over mannen die door planten gewurgd zijn, een duidelijk geval van druïderij. Dit geeft aan dat de aartsdruïden actief aan de strijd meedoen en niet alleen hier. In Avendorp horen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc ook dat Harman de Lelijke, de tovenaar die ze bij de keizerlijke troepen in Nymarc hebben ontmoet, gedood is.Als de troepen van Vandalus inderdaad aan een opmars bezig zijn, dan zijn de mensen hier ook niet veilig. Bartimeüs verzint een list om de mensen weer op weg te krijgen. Hij gaat op verkenning buiten het dorp en ziet daar dan zogenaamd soldaten van Vandalus. Tegen de avond komt hij terug met de alarmerende melding dat er soldaten van Vandalus aankomen. Ruarc neemt het woord en spoort de enigszins tegenstribbelende bevolking aan om Avendorp zo snel mogelijk te verlaten en zo niet het slachtoffer te worden van de soldaten van Vandalus. Morrend vertrekt de bevolking. Even later ziet Bartimeüs een grote vliegende gestalte, te groot voor een vogel. Dat zou wel eens een aartsdruïde kunnen zijn.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal hebben de herberg nu voor zich alleen en nemen hun intrek in twee aparte kamers op de eerste verdieping. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc houden hun normale wachtschema aan. Er volgt nog een lichte trilling, lichter dan voorheen en dan gaan ze slapen. Tijdens de wacht van Kritoias hoort hij buiten wat rumoer. Kritoias zorgt dat hij prima kan zien in het donker en ontdekt een aantal mannen die aan deuren aan het rommelen zijn. Hij maakt Bartimeüs wakker en probeert er een aantal in slaap te toveren, terwijl Bartimeüs ze beschiet. De criminelen maken geen kans en worden gedood.
De volgende ochtend ontbijten de heren met de spullen die zijn achtergelaten in de herberg en vertrekken voor weer een enerverende rit naar Lodepoort. De rit voert over een zandweg en Cathal kan de paarden lopend verbazingwekkend goed bijhouden.Aan het einde van de dag arriveert het gezelschap bij de rivier. Aan de andere oever zien ze Lodepoort liggen, ook het pontje ligt aan die kant. Gelukkig is er een bel waarmee ze de veerman kunnen attenderen op hun komst. Na korte tijd steekt hij met zijn pontje de rivier over en zet het gezelschap voor een klein bedrag over.De herbergier in de Gouden Baars is enigszins verrast dat hij Bartimeüs, Kritoias en Ruarc weer terugziet, maar accepteert hun geld zonder bezwaar en na een goede maaltijd gaan de heren naar hun kamers.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc houden hun gebruikelijke wachtschema, maar het blijft rustig.
De volgende ochtend na het ontbijt vertrekt Donogb voor zijn afspraak. Zoals verwacht gaat hij op bezoek bij Onna en na zijn terugkeer gaat het gezelschap weer terug naar Avendorp, om vandaaruit naar het bos te reizen. Tijdens de tocht over de zandweg vertelt Donogb dat de aartsdruïde die gevangen werd gehouden door de d'Anwli is ontsnapt, zeer verontrustend nieuws. Donogb begrijpt nu ook dat de verhalen die Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertelden over de monsters die door het land trekken op waarheid berusten. Cathal blijkt een bewaker van het bos te zijn waar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc naar toe willen reizen. De organisatie waar hij lid van is moet in de gaten houden of Kalkaris niet terugkeert uit het bos.Tegen de avond arriveert het gezelschap bij Avendorp en zowaar, het dorp is bezet door vijftien soldaten van Vandalus. Donogb wil er omheen trekken, maar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc willen deze kans om eventuele plannen van de soldaten van Vandalus te ontdekken niet laten lopen.
Er staan een viertal mannen buiten bij een kampvuur de wacht te houden, terwijl de rest in de herberg zit. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal willen de mannen naar buiten lokken door de soldaten bij het kampvuur uit te schakelen en er daarna, als de mannen verontrust naar buiten komen, een koudebal in te jagen. Deze opzet mislukt echter. Als één van de mannen even weg loopt om te gaan plassen sluipt Bartimeüs naar hem toe en slaat hem neer. Donogb sluipt naar de andere kant en als één van de ander mannen gaat kijken waar zijn plassende kompaan blijft overmeestert hij één van de anderen met zijn dolk. Bartimeüs doodt de man die komt kijken, maar Cathal slaagt er niet in de overblijvende man neer te schieten. Die kiest het hazenpad en vlucht naar binnen.
Donogb doodt de man die hij had overmeesterd en pakt zijn boog. Hij sluipt met Cathal langs de zijkant van de herberg naar de achterdeur, maar zij trekken zich snel terug als een vijftal soldaten van achter het gebouw verschijnen. Kritoias probeert ze te doden met zijn koudebal, maar het effect is marginaal. Gelukkig schieten Donogb en Cathal er eentje neer. Donogb en Cathal raken nu in gevecht met de vijf mannen, waarop Ruarc er twee in slaap tovert en Kritoias een derde laat slapen. Hierdoor kunnen Donogb en Cathal de overgebleven man neerslaan.Bartimeüs is inmiddels om het gebouw heen gelopen, om de boogschutters op de eerste verdieping te vermijden. Hij loopt via de achterdeur naar voren en schiet de slapende mannen dood. Ruarc hindert de boogschutters met licht voor hun ramen, terwijl Kritoias zichzelf uitschakelt. De stress van het gevecht werd hem te veel en een koudebal ontploft niet in het gebouw, maar twintig meter achter Kritoias, terwijl hij op de grond zakt en suf voor zich uit staart.
Bartimeüs beukt de voordeur in, terwijl Donogb en Cathal via de achterdeur binnenvallen. Ruarc komt snel achter Bartimeüs aan en met zijn vieren schakelen ze de soldaten op de begane grond snel uit. Alleen zitten er nu nog een drietal boven, die een pijl in hun hoofd schieten als ze de trap op lopen. Bartimeüs roept de kracht van de godin op en laat een dichte mist ontstaan op de eerste verdieping. In de dekking van de nevel sluipen de aanvallers naar boven. De soldaten zijn verrast en worden al snel verslagen.Bartimeüs hoort de gevangenen uit. Ze hebben helaas geen plannen bij zich, maar het wordt duidelijk dat ze hier doelbewust naar toe zijn gestuurd.
De aarde trilt opnieuw wanneer het gezelschap de lichamen van de soldaten van Vandalus op een grote brandstapel net buiten het dorp verbrandt. Kritoias is nog steeds volledig van de wereld en Bartimeüs neemt hem mee naar de herberg waar hij Kritoias op een bed boven vastbindt om te voorkomen dat Kritoias rare dingen gaat doen.Tijdens de wacht van Bartimeüs trilt de aarde opnieuw, terwijl tijdens de wacht van Donogb Kritoias wakker wordt. Kritoias weet eerst even niet waar hij is, maar realiseert zich al snel dat dit geen droom is en dat zij gewonnen hebben omdat hij, ondanks dat hij is vastgebonden, zijn mes nog wel steeds bij zich heeft en zichzelf kan lossnijden. Kritoias sluipt voor de zekerheid naar de trap en ziet beneden Donogb zitten die de wacht houdt. Die geeft Kritoias wat te drinken en adviseert hem om weer te gaan slapen.Dat slapen duurt niet al te lang, want Cathal merkt tijdens zijn wacht op dat er rumoer buiten is. Er lopen een aantal Olcar door het dorp. Cathal maakt de anderen wakker en vanuit een bovenraam zien Bartimeüs en Cathal dat de Olcar naar de brandstapel gaan waar één van hen vreemde gebaren gaat maken. Ze besluiten om deze Olcar een halt toe te roepen en gewapend met nachtzicht naderen ze de Olcar voorzichtig. Cathal en Kritoias naderen de Olcar op zo'n 15 meter, terwijl Donogb links op zo'n 30 meter zit en Bartimeüs en Ruarc op 30 meter aan de rechterkant. De koudebal van Kritoias mist zijn uitwerkt dit keer niet en drie van de Olcar zijn aardig aangedaan. Tot verbazing van Kritoias gebruikt Cathal een springtoverspreuk om midden in de groep Olcar terecht te komen. Hij wil de Olcar die rare bewegingen maakt het vuur in slaan, maar die wordt al door een pijl van Bartimeüs in de rug getroffen en is uitgeschakeld. Donogb schiet een pijl in een andere Olcar terwijl Cathal in een handgemeen terecht komt. Kritoias schakelt een volgende Olcar uit met een slaapspreuk en met een tangbeweging worden de Olcar verslagen door klappen met een quarterstaff, een handbijl en een zwaard.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal gooien ook de lijken van de Olcar op de brandstapel en lopen terug naar de herberg. Dan valt het oog van Cathal op een glinstering aan de andere kant van het dorp. Hij ziet een groep mannen de weg oversteken. Voorzicht lopen de helden langs de gebouwen naar het dorp tot ze bij de plaats komen waar de mannen liepen. Bartimeüs ziet dat het hier om Vanyana moet gaan. Niet degenen die ze aan de overkant van de rivier hebben gezien, maar de gepantserde variant. Als ze teruglopen naar de herberg om hun paarden te halen zien ze dat de Vanyana ook in het dorp zijn. Ze maken voorzichtig contact en de leider van de groepen van twintig Vanyana stelt zich voor als Ilyandor. Ze vragen wat er is gebeurt en Kritoias vertelt dat ze een groepje Olcar hebben gedood. De Vanyana zijn verbaasd omdat ze nooit iets doen. Bartimeüs meldt dat dat de laatste tijd wel iets is veranderd. De Vanyana waren op weg om iets te halen en zijn daarin geslaagd en keren terug en als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zeggen dat ze op zoek zijn naar het zwaard zeggen ze of zij weten wat er precies is gebeurd met de verdwenen druïde. Als ze dat niet weten vertelt Donogb wat er is gebeurd.
Zijn orde bewaakte de druïde in een fort. Op een dag kwam er een innemende vrouw aan de poort. Bartimeüs en Kritoias roepen direct dat dit vast Silvoa is geweest. De druïde was opgesloten in een put en bewaakt door pilaren en een paars licht. Na de komst van de vrouw begonnen de bewakers tegen elkaar te vechten en de plantenwereld keerde zich ook tegen hen. Alleen Donogb heeft de slachting overleefd.De Vanyana vertellen dat de krachten steeds sterker worden. De mensen hebben deze krachten vroeger ingeperkt door Wards te maken. Het zwaard dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zoeken bevindt zich in een andere wereld, of eigenlijk een andere perceptie. De meester van Cathal onderzocht de scheuren die tussen de werelden optreden, maar hij is nu verdwenen rond dezelfde tijd als de aanval op het fort plaatsvond.
De helden rusten nog een paar uur uit en reizen dan met de Vanyana naar het zuiden. Onderweg vertellen de Vanyana het verhaal van Saskia, the squirting elf. Tijdens de reis houdt een grote vogel het gezelschap in de gaten.Na een dagreis bereiken ze de herberg "De Zotte haas", waar Donogb en Cathal een aantal dagen eerder al verbleven. De Vanyana en de helden zetten hun kamp op uit het zicht van de herberg en de helden gaan nog even naar de herberg, maar daar is op wat handelaren en vluchtelingen na geen bijzondere reiziger aanwezig.
In deze nacht houden de helden hun eigen wacht, terwijl de Vanyana ook wachtlopen. Tijdens de wacht van Cathal ziet hij een vreemde groene scheur ontstaan die een connectie met Kritoias lijkt te hebben. Die droomt intussen dat hij in de herfst wakker wordt en een vervallen herberg ziet. Als hij daar aankomt blijken er monsters in te zitten die de deur dicht doen. Kritoias doet de deur open en de monsters vieren binnen feest. Als Kritoias naar binnengaat worden de monsters wat opdringerig en als Kritoias weg wil gaan is de deur weg. Hij maakt de deur open met een portalspreuk en op dat moment ziet Cathal de scheur opengaan. Cathal maakt iedereen wakker en al heel snel stormen er tien aapdemonen op de helden af. Kritoias tovert er met krachtige magie vijf in slaap. Bartimeüs, Cathal, Donogb en Ruarc houden de andere aapdemonen nog even af voordat ze met een tweede krachtige spreuk eveneens in slaap worden getoverd. Bartimeüs maakt ze vervolgens dood met zijn bijl die hij gezegend heeft.
De Vanyana hebben ook een aantal gewonden te betreuren. Kritoias wil zijn gave van Dana gebruiken om het bloeden van één van hen te stelpen, maar de Vanyana zijn daar erg huiverig voor. De verwondingen van hun metgezel zijn ook dermate ernstig dat geen enkele hulp meer kan baten.De Vanyana willen nu wel weten waar deze rift zoals zij dat noemen, vandaan is gekomen. Normaal zijn er banen waar werelden bij elkaar komen en waar je van de ene in de andere wereld kunt overstappen. Deze Vanyana weten daar niet heel veel van, want hun huis Vanadan heeft die kennis maar in beperkte mate, maar ze hebben twee riftmeesters bij zich, Sezana en Lovani. Op de plaatsen waar meerdere banen bij elkaar komen hebben de mensen vroeger de wards aangelegd.Kritoias vertelt hen over de staart en er ontspint zich een uitgebreide discussie of het verstandig is te proberen om de staart te verbranden. Kritoias denkt van niet omdat het een voorwerp is waar veel energie in zit. Ook de loden binnenkant van het kistje heeft niet kunnen verhinderen dat de staart voor een nieuwe droom bij Kritoias zorgde. Cathal voegt toe dat hij van zijn meester heeft geleerd dat het vernietigen van dit voorwerp er niet voor zorgt dat de bijbehorende demon vernietigd wordt.
Donogb houdt wacht en ziet tegen de ochtend dat Sezana haar tent verlaat en naar het bos loopt. Hij vindt dat wat vreemd, want wat gaat ze daar nu doen. Hij maakt Bartimeüs wakker die zegt dat ze waarschijnlijk moet poepen. Donogb wil weten wat er aan de hand is en overtuigt Bartimeüs dat hij haar moet achtervolgen. Bartimeüs zorgt ervoor dat hij zachtjes kan lopen en loopt het bos in in de richting die Sezana is verdwenen. Al snel ziet hij haar van boom naar boom lopen. Ze heeft hem niet in de gaten, maar als Bartimeüs haar even uit het oog verliest omdat ze achter een boom verdwijnt zien hij haar niet meer terug.Donogb heeft inmiddels iedereen wakker gemaakt en gaat blijft net zolang op een Vanyanawachter inpraten dat hij met Donogb meegaat om Sezana te zoeken. Ook Cathal sluit zich bij hen aan, maar niet voor hij ervoor gezorgd heeft boven de bomen uit te kunnen kijken. Ruarc trekt ondertussen zijn maliënkolder aan en Kritoias gaat ontbijt klaarmaken.In het bos is geen (voet)spoor van Sezana te vinden en de volgende stap is om te kijken wat er in de tent van Sezana is gebeurd. Niet veel naar het blijkt, want Sezana en Lovani liggen daar nog gewoon te slapen? Zij weten van niets en hebben het idee dat Donogb uit zijn nek kletst. In de tent is ook niets verdwenen. Kritoias gaat ook op onderzoek uit en ontdekt dat er achter de boom een essence-toverspreuk is gebruikt, dat kan ook het gebrek aan voetsporen verklaren als diegene magie beheerst kan hij of zij ook gevlogen hebben. Cathal gebruikt zijn vaardigheden om beter te kunnen ruiken, maar hij kan de geur van Sezana niet terugvinden bij de boom, voordat hij bijna kokhalzend van de stank van zijn metgezellen de spreuk beëindigt. De grote vragen blijven natuurlijk wie en waarom?
Het is inmiddels ochtend geworden en de Vanyana komen in een grote discussie wat nu te doen met de staart. Lovani wil hem gebruiken om een poort te openen en het gevecht naar de vijand te brengen, iets waar Bartimeüs volledig achter staat. Sezana vindt dat geen goed plan. Volgens haar is het zelfs te gevaarlijk om de staart mee te nemen door de rift. Kritoias sluit zich hierbij aan, niemand kan voorzien wat er gaat gebeuren als de staart een rift doorgaat. De enige oplossing lijkt te zijn om de staart achter te laten, maar dan moet hij wel beschermd worden. Ilyandor besluit om zes van zijn Vanyana die taak te geven. Ruarc overhandigt hen het kistje en ze gaan het bos in om zich daar te verbergen.De hele groep gaat nu op weg naar de plaats waar ze de rift door kunnen gaan op weg naar gevangenis van de aartsdruïde. Dat verbaast Donogb, want waarom zouden ze door een rift moeten? Het was toch altijd een dag lopen vanaf de rand van het bos? Bovendien is Donogb ook zelf weer teruggekomen na de bevrijding van de aartsdruïde. Kritoias merkt op dat het erop lijkt dat die gevangenis helemaal niet zo in de buurt is en misschien wel honderden kilometers verder weg is. Het feit dat de Vanyana ook voor de bevoorrading zorgden en eigenlijk altijd meeliepen op weg naar de gevangenis is ook wel een indicator dat ze via een rift gegaan zijn.
Aan het einde van de dag komen de helden en de Vanyana in de buurt van de plaats waar de rift is waar ze gebruik van maken. Sezana en Lovani gaan met een aantal wachters voorop, terwijl de anderen wachten tot de juiste plaats is gevonden. Na korte tijd komen ze weer terug en vertellen dat deze rift onlangs is geopend. Kritoias vraagt of een rift eigenlijk altijd open blijft staan of dat die gesloten moet worden. Sezana antwoordt dat een rift zichzelf sluit. De riftwalkers nemen de groep mee naar de plaats waar de rift zich bevindt. Daar zien de helden een aantal stenen op de grond liggen. Ruarc ziet dat de tekens op de stenen te maken hebben met de taal van de Vanyana. Waarschijnlijk staat er dat dit een rift is en waar hij naar toe gaat.Lovani begint bij de stenen een toverspreuk uit te voeren en Sezana en Kritoias staan op een aantal meters toe te kijken. Kritoias is bijzonder geïnteresseerd hoe dit in zijn werk gaat. Plotseling is een zoevend geluid te horen en Lovani zakt ineen door een pijl die uit de bosjes op hem is geschoten. In de bosjes is het geluid van metaal te horen.
Kritoias aarzelt niet en zet zijn schildspreuk op, Cathal zorgt ervoor dat hij goed kan uitwijken en Sezana laat zich op de grond vallen. Donogb en Ruarc grijpen hun schilden en wapens terwijl Bartimeüs zijn boog grijpt en zich klaar maakt om te schieten. Ilyandor lijkt wel versteend te zijn als er, geheel tegen de verwachting in nog een pijl uit de bosjes op de kermende Lovani wordt geschoten en er tien Vanyana met bogen uit de bosjes komen. Zij roepen iets in de taal van de Vanyana, terwijl Ruarc naar voren loopt om Sezana te beschermen. Ilyandor weet niets anders uit te brengen dan "We kunnen beter gaan rennen". Kritoias vindt dit een prima idee en vuurt een koudebal op de groep boogschutters af omdat hij het geen goed idee vindt in de rug te worden geschoten. Met een enorme klap wordt een groot deel van de boogschutters tijdelijk uitgeschakeld. Maar twee van hen zijn nog in staat te reageren. Zij zijn even verbaasd, maar schieten dan op Kritoias. Hij weet één van de pijlen met een Deflection af te weren, terwijl de andere pijl mist.
Bartimeüs raakt met zijn pijl één van de Vanyana, terwijl Cathal naar voren springt om het gevecht naar de boogschutters toe te brengen. Als hij bij hen in de buurt is en over hen heen springt ziet hij waar het metaalachtige geluid vandaan komt. Achter de tien boogschutters staan nog twintig Vanyana in een volledig metalen pantser waar hij nu middenin terecht komt. Met nog een sprong weet hij uit het directe bereik van hen te komen. Donogb rent naar voren en hakt zowat het been van één van de boogschutters af, terwijl Ruarc bezig is een spreuk voor te bereiden. Cathal maakt een springende beweging terug naar de paarden, Donogb rent terug naar de groep en pakt zijn boog. Dan verschijnt er een zes meter lange en drie meter hoge muur tussen de twee strijdende partijen. Ilyandor en zijn Vanyana kiezen het hazenpad en rennen er vandoor. Bartimeüs rent naar voren om de zwaargewonde Lovani te redden. Donogb dekt hem door de eerste Vanyana die zijn hoofd om de muur steek een pijl in zijn nek te schieten. Kritoias en Ruarc lopen langzaam terug naar de paarden terwijl Kritoias een volgende koudebal voorbereidt om de aftocht te dekken. Cathal is inmiddels bij de paarden aangekomen en weet de dieren in de chaos en het lawaai volkomen rustig te houden en ze zo neer te zetten dat Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal straks snel weg kunnen komen. Bartimeüs tilt de hevig bloedende Lovani op en rent met hem op zijn rug naar de paarden, terwijl Donogb langzaam met zijn boog achteruit loopt. De Vanyana zijn komen nog steeds niet voorbij de muur, misschien maken ze een omtrekkende beweging. Terwijl de andere opstijgen laat Kritoias een volgende koudebal op een zestal meter achter de muur en op drie meter hoogte ontploffen. Dan stijgt ook hij op en galopperen Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal er vandoor.
Na een paar minuten gereden te hebben stoppen ze om te proberen Lovani te redden. Hij bloedt vreselijk uit de twee wonden die de pijlen van de andere Vanyana hebben gemaakt. Donogb assisteert Bartimeüs bij het verbinden van de verwondingen, maar het lukt Bartimeüs desondanks niet het hevige bloeden te stoppen. Ook de toverspreuken van Kritoias hebben niet voldoende resultaat en Lovani verliest het bewustzijn en sterft niet veel later.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal proberen de gevluchte Vanyana terug te vinden, terwijl Bartimeüs moppert over hun lafheid: "Als ze waren blijven staan en mee hadden gevochten hadden we ze makkelijk kunnen hebben."Hij gaat voorop en rijdt voorzicht door het bos, op zoek naar sporen. Die zijn in het donker echter niet eenvoudig te vinden en na verloop van tijd besluiten ze om het kamp voor de nacht op te slaan.Terwijl Donogb en Bartimeüs het eten bediscussiëren klinken er opeens twee korte hoornstoten. Kritoias herinnert zich dat de Vanyana waarmee ze zijn opgetrokken ook kleine hoorns bij zich hadden. Bartimeüs zorgt er daarop voor dat hij goed in het donker kan zien en stilletjes kan bewegen en gaat op het geluid af. Na voorzichtig door het bos te zijn geslopen ziet hij beweging in de struiken en maakt behoedzaam contact. Het blijkt inderdaad één van de Vanyana te zijn die weggerend zijn. De groep is niet bij elkaar gebleven en hij is de anderen kwijtgeraakt. Bartimeüs en de Vanyana sluipen terug naar het kamp. Daar ziet Donogb plotseling twee groenige ogen vanuit de bosjes het kamp in kijken. Zo plotseling als ze er waren zijn ze ook weer weg. Donogb waarschuwt de anderen en Kritoias kijkt met zijn nachtzicht de richting op die Donogb aanwijst. Hij ziet echter alleen nog wat beweging in de bosjes verderop. "Dat zou best wel eens een grote kat geweest kunnen zijn. Misschien Silvoa?".
Als Bartimeüs met de Vanyana terugkomen in het kamp laat Bartimeüs duidelijk zijn ongenoegen blijken over de verwarrende situatie bij de rift gate. Voor de Vanyana is het allemaal wel duidelijk: Het is voor niet-Vanyana verboden door de rifts te gaan, dus huis Hyvalda had alle recht om de riftwalker te executeren. Hun leider Monkaro zal niet heel blij zijn dat de Vanyana zich niet aan de regels hebben gehouden en hen zelfs hebben aangevallen. Zij zijn één van de machtige huizen die vooral militaire kracht hebben. Huis Mesadini is nog machtiger in de politiek.Bartimeüs gaat vervolgens op zoek in het bos en vindt nog twee Vanyana die hij veilig terugbrengt. Bij de volgende zoektocht hoort hij vreemde kreten en vindt hij twee Vanyana die door planten gewurgd worden."Duidelijk een teken van aartsdruïden", denkt Bartimeüs en met een grote kat in de buurt roept hij "Silvoa, kom maar te voorschijn, ik weet dat je er bent!"Maar er komt niemand uit de bosjes.
Als Bartimeüs terugkomt in het kamp besluiten ze om met zijn allen te gaan kijken. Bij de plek aangekomen blijken de strengelende planten al een groter gebied te beslaan. Donogb slaat er met zijn bijl naar en moet hard trekken om zijn bijl uit de grijpende lianen los te trekken. Dit soort betoverde planten dicht bij het kamp is geen goed plan en ze trekken verder om wat afstand tussen hen en de planten te maken. Een kleine heuvel biedt een goede plaats om te overnachten. Kritoias maakt zijn staf magisch voor de komende zestien dagen en dan neemt Bartimeüs met twee Vanyana de eerste wacht.Het blijft dit keer niet rustig, want plotseling stapt een grote leeuwin het kamp binnen en verandert in een mooie vrouw. Bartimeüs maakt de anderen wakker en zegt "Welkom Silvoa, ik dacht al dat je in de buurt zou zijn.".Als Donogb Silvoa ziet wil hij haar direct aanvliegen, want zij is verantwoordelijk voor de dood van zijn kameraden, maar hoe erg hij ook wil, een machtige betovering verhindert hem om Silvoa aan te vallen.
Silvoa is gekomen om een deal te maken. Het blijkt dat de aartsdruïden niet echt ruzie hebben, maar soms wel verschillende opvattingen. Volgens Silvoa wil de godin weer aanbeden worden en kan zij dat alleen maar voor elkaar krijgen door met Balbar op te trekken. Sommige van de aartsdruïden zijn echter wel zeer enthousiast voor Balbar en daar heeft Silvoa niet veel mee op. Zij weet dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc op zoek zijn naar het zwaard om aartsdruïden te doden en zij wil wel helpen om hen door de rifts te krijgen. Daar staat echter tegenover dat zij dan Beolin moeten doden. Dat lijkt Bartimeüs, Kritoias en Ruarc geen rare deal, sterker nog dat waren ze toch wel van plan. Silvoa heeft ervoor gezorgd dat Sezana doet wat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc willen zodat ze hen mee kan nemen door de rifts. Het enige wat ze moeten doen is hen zoeken. Er zijn nog een aantal Vanyana bij Sezana, de overige die nog los door de bossen zwierven heeft ze gedood om zich veilig te voelen tijdens dit gesprek.Na het bezegelen van de deal vraagt Bartimeüs nog of zij in het kamp van de Vanyana was, maar dat ontkent ze. Dan verandert Silvoa weer in een leeuwin en verdwijnt in het struikgewas.Donogb is uitermate woest, maar kan nog steeds niets doen. Uiteindelijk kalmeert hij. De rest van de nacht gebeurt er verder niets meer.
De hele groep vertrekt 's ochtends op zoek naar Sezana. Na enige tijd zien ze in de verte een boskat die hen aankijkt en vervolgens met een duidelijk doel een bepaalde richting op loopt. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan er direct achteraan. Donogb vindt dit wel weer bijzonder, dit is toch een gewone boskat? Er blijkt wel iets bijzonders met de boskat te zijn geweest, want hij leidt hen naar een open plaats in het bos waar twee tenten staan en Sezana met Ilyandor en nog twee van de Vanyana verblijven.Bartimeüs confronteert Ilyandor die zegt dat hij niet veel anders had kunnen doen. Huis Hyvaldo stond volledig in hun recht. De vraag is waarom zij aan de rand van het bos opereren en niet in het midden, want dat is meer hun gebied. Donogb vraagt of Ilyandor nog steeds het kistje wil hebben dat in de gevangenis van de druïde ligt. Ilyandor antwoordt bevestigend, maar wil niet ingaan op vragen wat er dan in het kistje zit. De kortste route is helaas door de rift waar de Hyvaldo waren. Er zijn wel andere rifts, maar daar moeten ze dan eerst naar toerijden. Dat lijkt Bartimeüs geen goed plan. Kritoias valt hem bij, want eigenlijk moeten ze voor midzomernacht het zwaard in bezit hebben. Desnoods doen ze een stormaanval door de rift heen als de Hyvaldo aan de andere kant zitten.Allereerst gaan Bartimeüs en Donogb de rift aan deze kant verkennen. Kritoias maakt Donogb met zijn paard onzichtbaar en Bartimeüs zorgt ervoor dat hij goed kan sluipen. Gezamenlijk komen Bartimeüs en Donogb bij de plaats waar de rift kan worden gemaakt aan, maar daar blijkt zich niemand meer te bevinden.
Na een uitgebreide discussie over de fysische eigenschappen van rifts maakt Sezana uiteindelijk de rift open. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal zijn voorbereid, maar er bevindt zich niemand aan de andere kant van de rift. Sterker nog, er is eigenlijk niets bijzonders te zien. De hele groep gaat er doorheen en gaat op zoek naar een heuvel waar de volgende rift is die ze moeten volgen.Na een paar uur rijden ziet Donogb in de verte de heuvel liggen. Hij gaat met Bartimeüs op verkenning uit en het blijkt dat de ruïne op de heuvel bewaakt wordt door een viertal vuurhonden, drie vuurwezens met zwaarden en een schaduw. Omdat de rift bovenop de heuvel ligt moeten ze deze groep verslaan om er door te gaan. Na een kort overleg zetten ze hun plan in werking. Kritoias maakt de wapens van Bartimeüs, Donogb en Ruarc magisch, maakt zich onzichtbaar en zal boven de ruïne vliegen om er een bal in te gooien. De demonen zijn te ver verspreid en de nog resterende muren van de ruïne zorgen ervoor dat zij niet in het effect staan, maar dit zal voldoende moeten zijn om Donogb de kans te geven naar binnen te rennen en de schaduw uit te schakelen. Ruarc kalmeert eerst één van de honden, waarna Bartimeüs zal schieten en dan begint de stormaanval van de Vanyana met Ruarc. Cathal blijft achter om Sezana te schermen.
Zo gezegd zo gedaan. De Vanyana, Bartimeüs en Ruarc nemen positie in aan de onderkant van de heuvel. Ruarc betovert één van de vuurhonden die op de vier hoeken staan zodat Donogb onzichtbaar naar de muur van de ruïne kan sluipen. Kritoias vliegt onzichtbaar naar boven en zodra de vuurhonden in een kwetsbare positie staan schiet hij een koudebal op de vuurman en de schaduw die gezamenlijk in het midden van de ruïne staan. De schaduw is van slag door de plotselinge explosie van ijs die ook een deel van de resterende tussenvloer laat instorten. De vuurman draait zich om naar het geraas, waardoor hij niet ziet dat Donogb naar binnen rent en op de schaduw inslaat. Bartimeüs schiet intussen op de gekalmeerde vuurhond die ook aardig is aangedaan door de koude. De Vanyana en Ruarc rennen naar voren om de vuurhonden aan te vallen, maar de vuurhond op de andere hoek rent naar binnen, op het lawaai af. De vuurhond met vuurmanbegeleider op de hoek rechtsachter komen naar voren om de Vanyana te bevechten, terwijl de laatste vuurhond en vuurman zich achter de ruïne verbergen.
Donogb slaat hard op de schaduw in, maar slaag er niet in hem direct te doden. Kritoias vuurt een waterpijl op de vuurman naast de schaduw af die daardoor in het defensief wordt gedrongen. Donogb slaat met een volgende klap de schaduw dood en raakt in gevecht met de vuurhond, terwijl de Vanyana de vuurhond en de vuurman in de rug aanvallen waarmee het pleit is beslecht.Bartimeüs stormt ook naar voren waar Ruarc met twee Vanyana in gevecht raken met de vuurhond, en wordt geraakt door het vuur van de vuurhond, dat hem gelukkig niet ernstig verwond. Inmiddels zijn de vuurhond en de vuurman van de rechterachterhoek ook aangekomen en het gevecht raakt daar in evenwicht. De Vanyana laten zich van hun beste kant zien en slaan hard op de monsters in. Het vuur van de vuurhond raakt Ruarc vol op zijn schild waardoor hij het door de hitte moet laat vallen. Dan valt Bartimeüs de vuurman in de rug aan en krijgen de helden het overwicht, ook deze groep is uitgeschakeld.
De laatste vuurhond en vuurman zijn inmiddels ook aan de zijkant van de toren verschenen. Donogb kijkt voorzichtig vanuit de ruïne om niet door het vuur van de hond te worden geraakt en gooit een goed gemikte dolk in de poot van het beest. Deze wordt kort daarop gevolgd door een vernietigende ice bolt die door Kritoias vanuit de lucht wordt geschoten. De vuurman is naar voren gerend waar hij wordt neergehakt, terwijl Bartimeüs en Kritoias met magische wapens de bewusteloze demonen vernietigen.
Sezana gebruikt daarna haar krachten om een riftportaal te openen. Hier is wel verandering te zien, want de toren verdwijnt en de groep staat op een heuveltop. Toch is er iets raars aan de hand volgens Sezana, er zijn namelijk randen te zien in de rift en dat hoort niet. Kritoias zegt dat dit nu precies is wat hij de vorige keer bedoelde, maar Sezana zegt dat er iets mis is. Bovendien voelt het nu plotseling een stuk koeler en is er aan de hemel vreemd licht te zien. Volgens Donogb zijn ze nu gewoon naar een andere plaats, maar Bartimeüs en Kritoias vinden het raar dat je dan geen verschil in de omgeving ziet, dan zouden twee verschillende plaatsen er hetzelfde uitzien.Bartimeüs ontdekt al snel een weg die langs de heuveltop voert. Hij gaat naar beneden om met zijn toverspreuk te zien waar de weg naar toe gaat. Dat duurt wat langer dan normaal, want zijn concentratievermogen laat hem in de steek. De uitkomst is verrassend. De enigszins vervallen weg voert nergens heen.Op ongeveer 200 meter zien ze plotseling een achttal Vanyana verschijnen met paarse accenten in hun kleding.. Ilyandor weet niet precies wat hij moet doen en raakt in discussie met Kritoias over de vorige keer dat ze andere Vanyana tegenkwamen. Dan verdwijnen de andere Vanyana even zo plotseling als ze gekomen waren.
Sezana vertrouwt het niet en Kritoias gaat op onderzoek uit. Hij ontdekt in de buurt waar de Vanyana verschenen een trillende plek in de lucht, alsof het daar warm is. Hij raakt de plek aan en voelt daar iets wat lijkt op de bron van zijn Essence-energie. Het lijkt wel of hij het zo in zijn hand kan houden. Tegelijkertijd opent er zich iets en verschijnen de acht Vanyana. Het blijken echter geen Vanyana te zijn, maar een soort demonen, gehuld in harnassen van de Vanyana en bewapend met speren en lange messen. Een onheilspellend gevoel valt over de hele groep. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal en twee van de Vanyana kunnen het van zich afschudden, maar Ilyandor en twee Vanyana rennen ervandoor, terwijl Sezana, die achterop bij Donogb zit duizenden angsten uitstaat. Het paard van Donogb is ervaren en laat zich niet kennen, maar de andere paarden gaan er vandoor. Kritoias was al afgestegen om de plek te onderzoeken en Cathal en Ruarc springen van hun paard af. Bartimeüs probeert zijn paard te kalmeren en onder controle te krijgen, maar dat lukt niet en het paard galoppeert er vandoor met Bartimeüs op zijn rug.
Kritoias rent direct bij de acht demonen vandaan naar een boom op zo'n twintig meter afstand en weet met een toverspreuk de boom in te springen voordat de voorste twee demonen hun speren kunnen gooien. De ene mist, maar de andere laat een flinke blauw plek achter, waarna Kritoias een goede positie in de boom bemachtigd. Cathal rent op de voorste twee demonen af en gaat met één van hen in gevecht.Hij weet hem keer op keer te raken, en dwingt hem in het defensief, maar slaagt er niet in grote schade toe te brengen. Ruarc probeert twee van de demonen te betoveren, maar hun metalen helmen zorgen ervoor dat de toverspreuk volledig mislukt, bij een tweede poging lukt het wel. Donogb pakt intussen zijn boog en schiet één van de achterste demonen in zijn schouder waardoor hij verdoofd blijft staan. De demonen hebben intussen nog niet door dat er een grote groep aan hun flank staat. Ze omsingelen Cathal en lachen hun maat uit die door Cathal vernederd wordt. Dan schiet Donogb een andere demon in zijn been. Het wezens zijgt bloedend ineen. Cathal springt de groep uit en dat is voor Kritoias het signaal om zijn koudebal af te vuren, maar ook dit keer beschermt het ijzer de demonen van grote schade. De achterste demonen draaien zich om en bewegen naar de Vanyana die naast Ruarc staan.
Tussen hen ontstaat een gevecht, waar ook de eerder geraakte demon zich in mengt. Donogb schiet er nog één aan die door Ruarc was betoverd, zodat hij even niet weet wat hij moet doen. De drie aan de voorkant maken zich op om achter Cathal aan te gaan die eerst opzij is gerend naar de boom waar Kritoias in staat en dan weer naar voren rent. Een van de demonen heeft een speer opgepakt van de stervende demon. Voordat ze kunnen aanvallen dwingt Cathal er één met een speer in het defensief en schiet Kritoias een shock bolt op de andere met een speer af waardoor die verdoofd is. Degene zonder speer probeert eerst Cathal te slaan, maar trekt dan zijn lange mes als dat geen resultaat heeft. Bartimeüs heeft intussen zijn paard onder controle gekregen en galoppeert terug naar het strijdgewoel.
Ruarc valt de twee demonen bij de Vanyana in de flank aan, terwijl Donogb een pijl in een demon schiet die een speer naar hem wil gooien. Hij schampt hem alleen maar, waardoor de aanval van de demon helaas niet wordt onderbroken. De speer raakt Donogb in de nek, maar geeft hem gelukkig alleen maar een flinke blauw plek omdat hij afketst op zijn maliënkolder. Sezana geeft een gil en duikt achter de rug van Donogb weg.De Vanyana en Ruarc slaan de demonen die bij hen staan neer en Cathal weert zich kranig tegen de drie demonen die voor hem staan, ondersteund door nog een shock bolt van Kritoias. Dan komt Bartimeüs aanrijden. Zijn eerste slag op de demon die de speer naar Donogb had gegooid mist nog, maar met zijn tweede slag slaat hij het wezen de hersens in. Dan valt hij de drie demonen die bij Cathal staan in de rug aan.Ruarc en de Vanyana komen hen ook helpen. Kritoias gebruikt zijn laatste toverkrachten om uit de boom te springen en hij rent naar voren om te gaan helpen net als Donogb die te paard aankomt, maar dat is niet meer nodig omdat de demonen door de ontstane overmacht zijn neergeslagen.
Ilyandor komt inmiddels teruglopen en gezamenlijk onderzoeken ze de demonen. Ze hebben schubben en dragen de paarsblauwe kleding van de Hyvalda. Nadat Bartimeüs de paarden heeft teruggevonden besluiten ze om een paar uur te rusten om op krachten te komen.Sezana wil tijdens deze pauze weten wat de mensen van de druïdes weten en of ze Silvoa wel vertrouwen. Bartimeüs en Kritoias vertellen (een deel van) het verhaal en maken duidelijk dat ze Silvoa helemaal niet vertrouwen, maar dat soms de doelstellingen weleens gelijk lopen. Het lijkt erop dat Sezana geen enkele keus heeft om Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal naar het zwaard te brengen, maar over weer terugbrengen is niets gezegd.Na een paar uur reist het gezelschap verder over de weg. Tegen de avond komen ze bij een aantal heuvels aan, daar slaan ze hun kamp op zodat ze de volgende dag door de pas kunnen reizen naar de volgende rift
Bartimeüs houdt de eerste wacht, samen met een Vanyana. Hij ziet plotseling een groene flits in de verte. Dat lijkt heel erg op wat er rond Kritoias gebeurde. Dan hoort hij ook een ijselijke, waarschijnlijk menselijke, kreet. Bartimeüs maakt de rest wakker en hij gaat met Kritoias op pad om de bron op te zoeken. Ze zorgen er allebei voor dat ze in het donker kunnen zien en vertrekken. Na een kwartier lopen zien ze in de verte een naakte man een heuvel aflopen. Als ze op de top van die heuvel komen zien ze onderaan de heuvel een aantal verkoolde wezens liggen. Een nader onderzoek brengt niet aan het licht wat dit voor wezens geweest zijn. Bartimeüs gebruikt een spreuk om te kijken wat hier is gebeurt en ziet dat er een naakte, wat oudere man heeft gestaan die de twee demonen die hij tegenkwam in een vuurzee hulde. Hij kijkt om zich heen en merkt dan het spoor van de man op. Bartimeüs en Kritoias volgen de voetsporen en ontdekken na korte tijd de naakte man, die slapend op de grond ligt. Ze maken hem voorzichtig wakker en spreken hem aan, maar de man kan weinig zinnigs uitbrengen. Wat opvalt is dat de man zwart geblakerde handen heeft waar hij verder geen last van schijnt te hebben. Kritoias slaat zijn mantel om de man heen en Bartimeüs en Kritoias leiden de man voorzichtig terug naar het kamp waarvan het vuur al van verre is te zien. De anderen maken zich ondertussen enigszins ongerust en halen opgelucht adem als Bartimeüs en Kritoias met de man terugkeren.
Cathal herkent direct zijn meester Hobart Mortenson, maar ook hij kan niet tot hem doordringen. Kritoias probeert te theoretiseren waarom de man zwart geblakerde handen heeft. Als hij probeert te achterhalen of er spreuken actief zijn wordt het vuur actiever en tongen van vuur komen langzaam richting Hobart, Kritoias en Sezana, die geschrokken achteruit deinst. Het gezelschap besluit weer te gaan slapen. Hobart probeert iets uit, maar valt vervolgens flauw. Kritoias houdt de wacht, samen met een andere Vanyana. Na een tijdje begint Hobart te woelen en te brabbelen. Kritoias vertrouwt het niet en maakt Donogb wakker. Die probeert Hobart wakker te maken, maar voordat dat lukt ontstaan er plotseling boven het vuur groene lichtflitsen. Kritoias begint direct een toverspreuk voor te bereiden, terwijl Donogb Bartimeüs wakker schopt. Kritoias slaat intussen alarm en hij is klaar als vier vuurdemonen uit het kampvuur komen. Hij schiet een shock bolt in de eerste, die een afwachtende houding aanneemt. Donogb beschermt Bartimeüs door tussen hem en een aanstormende vuurdemon te gaan staan. De Vanyana beschermt intussen zijn vrienden, maar is niet geconcentreerd en laat zijn zwaard vallen. Cathal intussen gaat volledig in het defensief en de laatste vuurdemon komt niet door zijn verdediging heen.
Kritoias vuurt een waterpijl op de vuurdemon af, die bijzonder effectief is. Het wezen raakt versuft en zijn fysieke vorm wordt daarna vernietigd door Bartimeüs die is opgestaan en zijn wapen heeft gepakt. Daarna gaat hij Donogb helpen en samen verslaan ze de tweede vuurdemon. De derde vuurdemon heeft wel de verdedigende Vanyana geraakt, maar wordt daarna vrijwel vastgezet door Ruarc zodat zijn twee vrienden hem kunnen helpen. Kritoias valt deze derde vuurdemon daarna van achteren aan en geeft hem een flinke klap, waarna de Vanyana het karwei afmaken. De laatste vuurdemon verlegt zijn aanval naar Ilyandor die Cathal is komen helpen. Het hete vuur van de demon doet hem behoorlijk pijn, zelfs al wordt hij maar heel kort geraakt. Dit laatste wezen wordt daarna vakkundig door Bartimeüs en Donogb van achteren aangevallen en omgelegd.
Cathal neemt de wacht over, terwijl de rest gaat slapen. Tijdens zijn wachtbeurt probeert hij met Hobart te praten, maar die is nog bewusteloos. Ruarc neemt de wacht over en na een uur hoort hij plotseling Hobart prevelen en het vuur begint harder te branden. Dat klinkt niet goed en Ruarc probeert Hobart te kalmeren met een rustgevend verhaal, maar dat mislukt. Hij wordt wel op één of andere manier in de gedachtewereld van Hobart getrokken. Plotseling staat hij alleen met Hobart, de anderen zijn weg. De meester van Cathal is plotseling een stuk duidelijker. Hij zegt dat het nu de tijd is en dit de plaats en dat hij ze nu moet halen. Ruarc zegt dat dit nu juist niet de plaats is en dat ze terug moeten naar de plaats waar de anderen zijn. Hobart is volkomen in verwarring komt er niet helemaal meer uit. Ruarc probeert hem met hypnose te kalmeren en dat lukt enigszins, maar dan verschijnt plotseling een demon uit het vuur die probeert hem met een vurig zwaard te slaan. Door het tumult worden Kritoias en Cathal wakker. Zij zien dat Ruarc op Hobart ligt en dat Ilyandor met zijn zwaard op Hobart probeert te slaan. Cathal springt op, gaat tussen Hobart en Ilyandor in staan en probeert Hobart los te trekken, terwijl Kritoias Ruarc aanraakt om ze los te krijgen. Ruarc ziet intussen dat er nog meer demonen op hem af komen. Hij gebruikt een stun song, maar die wordt op het nippertje door Kritoias afgeweerd. Dan wordt Ruarc wakker, hij vertelt dat Hobart helder was en geen zwarte handen had. Kritoias stelt voor om Hobart in een maliënkolder te hijsen zodat hij moeilijker toverspreuken kan doen.
Dan maakt Kritoias Bartimeüs en Donogb wakker die ondanks het tumult rustig lagen te slapen. Na een voedzaam ontbijt breken ze de tenten op en gaan op weg naar de volgende rift. De weg voert nu tussen de heuvels door en Donogb zegt dat hij dit gedeelte herkent.Na korte tijd komen ze bij de plaats aan waar de rift is. Sezana gebruikt haar magie om de poort te openen. Op dat moment schrikt Hobart op, het gebruik van deze magie lijkt effect op hem te hebben. Aan de andere kant van de rift lijkt alles normaal, de eerste tekenen zijn een stelletje irritante vliegen.Ruarc merkt op dat het gebruikt van riftmagie invloed op Hobart had en dat hij misschien helder wordt als Sezana haar spreuk op hem gebruikt. Omdat het niet handig is om dat in de buurt van de rift te doen reizen ze een half uurtje door op weg naar de toren. Als Sezana de riftspreuk op Hobart uitvoert wordt hij inderdaad helder, maar hij begint ook gelijk in snel tempo te verouderen. Hobart vraagt waar hij is en Cathal vertelt hem dat ze op de plaats zijn waar de druïde is verdwenen. Hobart zegt dat er mensen zijn die poorten openen, dat dat heel gevaarlijk is en dat ze gestopt moeten worden. Hij verwijst waarschijnlijk naar de druïdes. Hij was namelijk achter een vrouw aangelopen. Omdat het niet goed gaat met Hobart gebruikt Sezana een nieuwe spreuk om de rift te sluiten en de veroudering stopt inderdaad, maar Hobart is ook niet meer helder.
Het gezelschap gaat op weg naar de toren waar de druïde gevangen zat. Volgens Donogb gaat het om een toren met drie verdiepingen waar bovenin de commandant verbleef die het kistje heeft waar ze naar op zoek zijn. Verder zijn er nog drie muren die van klif naar klif lopen en de toren goed verdedigbaar maken. Kritoias vraagt Ilyandor wat er nu in het kistje zit wat zo belangrijk is. Ilyandor vertelt hen dat het om een kleitablet gaat waar een deel van de instructies op staan om door de riften te lopen om bij Kalkaris te komen. Omdat dat ook de plek is waar het zwaard zou zijn is dat voor Bartimeüs, Kritoias en Ruarc ook van belang.Als ze in de verte de toren zien liggen zien ze bij een heuvel in de buurt rook opstijgen. Bartimeüs en Kritoias gaat op onderzoek uit en zien dat er een aantal Vanyana met geel in hun tuniek op de heuvel staan. Ze rijden terug en delen dat mede aan de anderen. Ilyandor zegt dat het hier om de Adanni gaat en hij vraagt zich af waarom zij hier zijn. Waarschijnlijk ook om het kleitablet te vinden.
Ze gaan met zijn allen op weg naar de Vanyana, die hen al tegemoet rijden. Ilyandor begroet hen en ze rijden allemaal mee rond de heuvel naar het kamp van de Adanni waar Marandalin, geflankeerd door twee lijfwachten in harnas Ilyandor begroet. De overige Adanni, een stuk of twintig, zijn gekleed in leer en dragen bogen bij zich. Kritoias herinnert zich dat de Vanyana die ze in het bos met de goblins zijn tegengekomen paars in hun kleding hadden.Ilyandor praat enige tijd met Marandalin en keert dan terug om te overleggen. Het blijkt dat er een muur van planten is opgetrokken voor de twee stenen muren, dat er demonen hier rondlopen en dat de collega's van Donogb als wandelende lijken de toren bewaken. Ook is er een wandelend lijk dat met zijn aanraking de Vanyana ziek heeft gemaakt. Na ampel overleg besluiten ze om snel richting de toren te reizen. Sezana, Hobart en één van de Vanyana blijft hier. Als ze op weg gaan sluiten zich ook snel vier Adanni in leren uitrusting bij hen aan.
Na korte tijd komen ze bij een bijna zes meter hoge muur van takken, bladeren en lianen. De dikte ervan is niet in te schatten. Donogb pakt zijn boog en schiet er een pijl in. Dat heeft als enig resultaat dat er een vreemde trilling door de muur trekt. Kritoias zegt tegen iedereen om afstand te nemen en schiet van tien meter afstand een vuurbal in de plantenmuur. Met een enorme klap ontstaat een flink gat in de muur en breekt er een behoorlijke brand uit, omdat het hout volledig is uitgedroogd.De explosie is echter opgemerkt door een zestiental aapdemonen die met enorme snelheid over de heuvel aan komen rennen. Bartimeüs en twee Adanni schieten twee van de apen neer en Donogb gooit zijn dolk in één van hen. Ruarc en de Vanyana nemen een verdedigende positie in. Kritoias heeft geen tijd voor nog een vuurbal en slaagt erin het merendeel van de apen met een felle lichtflits te verblinden vlak voordat ze gaan aanvallen. Hierdoor is een groot deel van de vijanden tijdelijk geen bedreiging meer. De Adanni zijn minder gelukkig, want één van hen wordt in stukken gereten door een aap. Cathal en Donogb schieten de Adanni te hulp en slaan met hen de aapdemonen neer, maar niet voordat bij één van de Adanni zijn buik wordt opengereten en het bloed er uit spuit. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc slaan intussen twee-aan-twee met een Vanyana de gestunde apen dood, waarbij Ruarc en Kritoias op vrijwel hetzelfde moment een andere aapdemon van de zijkant de ribbenkast verbrijzelen. Dat kost wel wat tijd en Cathal en Donogb moeten te hulp schieten zodat ze zijn uitgeschakeld voordat het effect van de toverspreuk voorbij is. Donogb doorboort achteloos van achteren de laatste aapdemon die direct ineenzijgt.
Kritoias gebruikt zijn magisch gemaakte vechtstok om de nog niet gedode aapdemonen definitief te vernietigen, terwijl Bartimeüs er bij de Adanni op aandringt om hun doden te verbranden, maar daar willen ze niet aan. Ze nemen hun gevallen kameraden terug mee naar het kamp. Donogb ziet intussen dat de muren die hij zo goed kent zijn overwoekerd met planten, de poort staat open en bij de muur schuifelen de overblijfselen van zijn goede vrienden.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal lopen met hun Vanyanavrienden naar de poort toe. Donogb gaat voorop en is zeer verbaasd als hij daar geen lopende doden, maar gewoon zijn collega's aantref. Zij beweren dat Donogb die ochtend is vertrokken uit het kamp. Lord Brannok is de commandant van de eenheid en hij verblijft in de toren. Donogb overtuigt zijn collega's dat zij de hele groep door moeten laten. Bartimeüs en Kritoias lopen een stukje terug en merken op dat de heg is verdwenen, evenals bewijs dat er gevochten is met de aapdemonen. Als ze verder lopen ziet Donogb dat het er netter en beter onderhouden uit lijkt te zien dan in het verleden. Er is hier wel iets heel vreemds aan de hand.Dan komt er uit de richting van de toren opeens een soort groenige golf aanzetten. De meesten kunnen daar wel tegen, maar Bartimeüs raakt erop onverklaarbare wijze vermoeid door. Als de golf is gepasseerd is de omgeving veranderd. Het complex is overwoekerd met planten en sommige gebouwen en deuren zijn kapotgemaakt en vervormd. Als ze bij de tweede poort aankomen lijkt het hout van de deur levend te zijn geworden en vervormd. Voor de poort liggen allerlei takken die onheilspellend bewegen. Cathal springt op de muur en ziet aan de andere kant overwoekerde gebouwen.
Voorzichtig gaat de hele groep door de poort. Een korte inspectie van de gebouwen onthult een aantal dode en rottende collega's van Donogb. Aan de overkant van het overwoekerde plein is een volgende poort met daarachter de toren met daarin, waarschijnlijk de resten van de commandant, en het voorwerp waarnaar ze op zoek zijn. Ook deze poort staat open en op verschillende plaatsen liggen de resten van collega's van Donogb.Opnieuw rolt een groene golf over het terrein. Ditmaal is het resultaat dat de lijken van de wachters zich oprichten en zich naar de groep toebewegen.
Donogb en Cathal houden de grootste groep tegen bij de poort, daarbij ondersteund door Ruarc. Deze laatste probeert de wezens te vertragen, maar ze reageren niet op zijn verhaal. Bartimeüs bestrijdt intussen met de Vanyana vijf zombies die uit de ingestorte huizen en van de muur komen en doodt er één.Kritoias wacht tot er zich voldoende zombies voor de poort verzameld hebben en gooit er dan een vuurbal in. Acht van de wezens (en de poort zelf) raken in brand.
Dan verschijnt plotseling een vliegende gestalte boven de poort. Hij roept "Stop!" en de zombies stoppen met aanvallen. Hij vraagt wat de groep hier komt doen. Het blijft in eerste instantie stil omdat Kritoias zijn toverspreuk aan het voorbereiden is, maar na enig aandringen gaat hij in gesprek met de man. Al snel blijkt dat het een aartsdruïde is en wel Kalkaris. Hij zit ergens in een andere plaats, maar werd hier naar toe getrokken door het voorwerp in de toren. Kalkaris is verbaasd dat ze hem kennen. Kritoias zegt hem dat de aartsdruïden berucht zijn in het keizerrijk en dat de keizer nog leeft. Kalkaris vraagt wat ze hier zoeken en Kritoias zegt dat ze het zwaard willen hebben. Kalkaris staat daar niet direct afwijzend tegenover en is vooral geïnteresseerd wie er met het zwaard "geprikt" zou moeten worden. Als Kritoias vraagt wat er nu zo bijzonder is aan het zwaard (en de speer) antwoordt Kalkaris dat deze wapens in staat zijn door grenzen heen te steken. De realiteit waar ze nu zijn bevindt zich op het snijvlak van twee anderen, Ogdom en Fjordom.In de tussentijd slaat Donogb een van de zombies kapot en sluipt en springt Cathal op de toren. Als hij bij het luik komt wordt hij echter zo door angst overvallen dat hij van de toren afspringt en zich razendsnel uit de voeten maakt.
Dan raast een nieuwe groene golf over het terrein. Kalkaris verdwijnt en overal liggen de verbrande en doodgeslagen lijken van de collega's van Donogb. Het lijkt erop dat ze nu deze mannen gedood hebben. De overgebleven wachters sluiten de poort en eisen van Donogb een verklaring waarom hij hen heeft aangevallen. Donogb weet eigenlijk niet wat hij moet zeggen en hij roept dat hij Lord Brannok wil spreken. De wachters roepen terug dat Lord Brannok in de toren zit en er niet uitkomt en dat zij zeker de poort niet open gaan maken.In de tussentijd loopt Cathal weer terug, nadat hij helemaal terug was gerend naar de grote heg. Kritoias vindt het wel eens op mag schieten. Als hij van Donogb hoort dat de muur niet dikker is dan 90 centimeter, stelt hij voor om een opening in de muur te maken zodat ze naar binnen kunnen. Dat lijkt de meest veilige optie en zo gezegd zo gedaan.De overgebleven wachters maken zich uit de voeten en Donogb loopt de trap op naar de deur van de toren, maar die zit stevig dicht en is niet zomaar in te beuken. Lord Brannok weigert open te doen.
Cathal gebruikt opnieuw een spreuk om op de bovenste verdieping van de toren te springen en hij beukt het luik in met zijn staf, nadat hij even goed heeft bekeken hoe dat moet. Hij springt naar beneden en loopt naar het luik waaronder een trap is die naar de volgende verdieping voert waar de deur naar buiten is. Lord Brannok komt Cathal tegemoet en gaat onderaan de trap staan. Cathal springt naar beneden en verzwikt daarbij bijna zijn enkel. Dan rent hij naar de deur en haalt de grendel er af zodat Donogb naar binnen kan komen, maar Lord Brannok, die er trouwens slecht uitziet, is naar boven gelopen en heeft het luik dichtgemaakt.Kritoias is inmiddels van de buitenkant naar de bovenkant van de toren opgestegen en maakt daar een touw vast zodat Donogb naar boven kan klimmen. Op die manier slaagt Donogb er toch in om in de bovenste kamer te komen. Doordat Cathal het luik had ingeslagen kon Lord Brannok het niet meer op slot doen. Donogb confronteert Lord Brannok, maar die wil de scherf die in het kistje zit dat hij bij zich draagt niet afgeven. Er krinkelen vreemde groenige slierten rond de scherf. Donogb staat op het punt het kistje met geweld uit de handen van Lord Brannok te trekken als er plotseling een groene golf van de scherf afkomt.Alles is weer begroeid met planten en Donogb haalt het kistje uit de dode handen van Lord Brannok
Wanneer ze met zijn allen teruglopen naar de takkenhaag bedenkt Donogb dat het beter is om de lijken niet in het rond te laten slingeren en ze een nette crematie te geven. Terwijl Bartimeüs, Cathal, Donogb en Ruarc de zware lijken verslepen houdt Kritoias zich bezig met het verzamelen van takken voor de brandstapel. Ruarc vertelt een prachtig verhaal dat Donogb ontroert, maar toch niet helemaal geschikt lijkt voor deze gelegenheid.Daarna gaan ze op weg naar het kamp van de Vanyana. Kritoias vertrouwt het niet helemaal omdat de Adanni ook achter het stuk van het tablet aan zitten. Hij maakt Bartimeüs onzichtbaar zodat die het kamp van de Adanni kan verkennen. Om zeker te zijn maakt hij ook het kistje (met daarin het stuk van het tablet) onzichtbaar. Donogb verstopt het onzichtbare kistje goed in zijn rugzak.Als ze bij de takkenhaag aankomen zien ze dat er drie wezens doodstil in de opening staan. Bartimeüs gaat ervoorzichtig heen en ziet dat het ondoden of zeer zieke mannen zijn. Hij brengt verslag uit en de consensus is dat het verstandig is om even te kijken wat er aan de andere kant van de takkenhaag is voordat ze proberen er doorheen te gaan.
Bartimeüs loopt naar de takkenhaag, een stuk links van de opening met de wezens en klimt met een toverspreuk omhoog. Aan de andere kant van de takkenhaag ziet hij niets bijzonders dus hij klimt naar beneden en gaat op weg naar het kamp. Na een korte wandeling, het kamp ligt op ongeveer een halve kilometer, merkt hij op dat er rond het kamp een aantal groepjes van vijf wezens staan die de Vanyana kennelijk beletten om weg te gaan. De Vanyana hebben barricades opgeworpen en hebben daarachter dekking gezocht. Bartimeüs loopt onzichtbaar langs de wezens en hij krijgt toch het gevoel dat ze hem bespeuren, maar ze nemen geen actie.In het kamp zijn er duidelijk tekenen van strijd te zien. Er zijn een aantal gewonde Vanyana, misschien ook wel doden en het hele kamp is in opperste staat van paraatheid. Bartimeüs gaat op zoek naar Sezana en vindt haar in de tent die ze hadden opgezet. Hij maakt fluisterend contact en Sezana is in eerste instantie heel verbaasd. Het blijkt dat de wezens plotseling bij het kamp zijn verschenen. De Adanni hebben ze aangevallen, maar hun wapens hadden geen effect. De wezens kwamen steeds weer overeind. Daarop hebben ze zich teruggetrokken in het kamp. Verder verwachten de Adanni hoog bezoek. Bartimeüs neemt afscheid van Sezana en spoedt zich terug naar het fort. Hij klimt weer over de takkenhaag en brengt verslag uit aan de ongeruste Donogb die zich al afvroeg waar hij bleef.
De groep besluit om te kijken of ze langs de wezens kunnen lopen. Bartimeüs zal ze afleiden en dan probeert de rest door het toch wel ruime gat in de takkenhaag te lopen. Kritoias maakt de wapens van Bartimeüs, Cathal, Donogb en Ruarc magisch naar aanleiding van het verhaal van Sezana en dan gaan ze op weg. Bartimeüs loopt langs de linkerkant en één van de wezens lijkt hem toch op te merken. Het wezen loopt richting Bartimeüs, maar die sluipt langs hem heen en slaat hem in de rug, terwijl de rest langzaam naar de opening liep. Als Bartimeüs zijn klap uitdeelt springen de twee andere wezens in actie en rennen naar de groep toe. Cathal en Donogb helpen Bartimeüs, terwijl Kritoias met weinig effect een shock bolt in één van de wezens schiet. In eerste instantie lijken de wezens niet erg sterk. Niet alleen de magische wapens doen ze schade, maar ook de gewone wapens van de Vanyana. Dat verandert als ze worden neergeslagen. Dan verschijnt er een geestachtige verschijning die de Vanyana met hun wapens niet kunnen raken. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal hebben daar geen last van en binnen korte tijd zijn de wezens verslagen.Althans dat lijkt zo. Als Donogb goed kijkt ziet hij dat de stukken van het lichaam van de wezens weer naar elkaar toe kruipen. Waarschijnlijk is alleen vuur genoeg om ze permanent tot rust te brengen. Met zijn allen verzamelen ze de stukken van de wezens en gooien het in de takkenhaag. Kritoias zet de haag in brand om ze te vernietigen. Nu verder gaan terwijl Kritoias en Cathal nog maar weinig magische energie hebben is onverstandig, dus ze besluiten om uit te rusten in de wachttoren van de eerste muur van het fort. Donogb neemt de eerste wacht.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Cathal worden gewekt door een montere Kalkaris. Ze bevinden zich in de toren en het is licht, maar Donogb is nergens te bekennen. Kalkaris heeft lekkere pap gemaakt. Als hij vraagt welke pap ze lekker vinden zegt Bartimeüs snel "Warme mannenpap". Kritoias schudt het hoofd, terwijl het Kalkaris zegt "Dat is het dan". Onder het genot van een lekker bakje pap vertelt Kalkaris dat ze nu weliswaar één stuk van het tablet hebben, maar dat er nog twee nodig zijn om bij hem te kunnen komen. Die zijn door de Vanyana verstopt. Kalkaris is opgesloten in een andere wereld en kan er nu niet uit. Hij vraagt waar ze het zwaard nu voor nodig hebben en Bartimeüs zegt dat het is om te voorkomen dat iedereen, maar met name de collega's van Kalkaris de wereld verkloten. Bartimeüs ziet het niet als een heel groot probleem als Kalkaris ontsnapt er zijn immers voldoende werelden om in te verblijven. Dan zegt Kalkaris dat het tijd is om wakker te worden. Op dat moment worden ze door Donogb gewekt.Gezien de duisternis lijkt het onhandig om nu al op pad te gaan naar het kamp van de Adanni. Daarom besluiten ze om te wachten tot het ochtendgloren.
Dat lijkt iemand anders ook te hebben gedaan. Als Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal en de Vanyana bij het kamp van de Adanni aankomen is iemand bezig om vuurballen naar de ondode wezens te gooien. Een groep Adanni met een Fire Caller is gearriveerd als voorhoede van het hoge bezoek. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal proberen het kamp in te gaan om de paarden, de meester van Cathal en Sezana op te halen, maar dat stuit op verzet. Sezana moet wachten tot haar baas, Kazandar, leider van de riftwalkers is gearriveerd. Dat zet nu weer een streep door de rekening. De groep besluit om op de uitnodiging van de fire caller in te gaan en een hapje te eten in afwachting van Kazandar. Als ze nu Sezana gaan bevrijden en proberen te ontsnappen weten ze vrijwel zeker dat de hele groep achter ze aankomt. Bovendien is de rift waar ze door weg kunnen ook de rift waardoor het hoge bezoek aankomt, dus lopen ze die zo in de armen.Bartimeüs overlegt met Ilyandor over de situatie en het idee is dat ze moeten zorgen weg te komen om naar de clan van Ilyandor te gaan om daarna met diplomatie te proberen de situatie op te lossen. Het feit dat ze het stuk van het tablet hebben gevonden houden ze intussen geheim. Sezana zal ook de ware toedracht van de reis geheim houden.
Tegen het middaguur verschijnt Kazandar met zijn gevolg. Hij treedt eerst in overleg met de aanwezige Adanni en ontbiedt dan Sezana. Kritoias zorgt ervoor dat Ilyandor beter kan horen en Ilyandor luistert het gesprek af. Sezana vertelt inderdaad niets bijzonders, dus dat gaat goed. Dan wil Kazandar de mensen spreken. Hij vraagt hen wat ze komen doen en Donogb vertelt dat ze naar het fort gingen om te kijken of de aartsdruïde was ontsnapt, wat helaas het geval was. Hij vertelt niets over het stuk van het tablet. Als Kazandar er naar vraagt zegt Donogb dat dat hij daar niets van weet en dat dat wel iets van de commandant zal zijn geweest, die nu dood is.Bartimeüs vraagt Kazandar nu hoe het zit met die andere druïde die de Vanyana hebben opgesloten, of die wel veilig is. Kazandar vertelt dat hij de naam van Kalkaris nooit meer moet uitspreken omdat die verantwoordelijk is voor de dood van een hele clan, de clan Karani. De Vanyana waren gedwongen om de rift waarin zij zich bevinden af te sluiten om Kalkaris gevangen te houden.Dan doet Kazandar hen het voorstel om hen terug naar huis te brengen. Donogb wil graag dat Sezana hen brengt, maar dat is volgens Kazandar niet nodig, er zijn ook andere goede riftwalkers. Bartimeüs dringt erop aan dat ze met de hele groep teruggaan en Kazandar zegt dat hij er dan voor zorgt dat er een escorte en een andere riftwalker is om hen terug te brengen naar hun eigen wereld.
Een groep Vanyana gaat op weg naar het fort, waarschijnlijk om het voorwerp te zoeken. Bartimeüs gaat erop zijn paard achteraan. Ondertussen benadert Kazandar de anderen en vraagt indringend naar een kistje, maar Kritoias ontkent dat ze zoiets hebben gezien. Zijn verhaal is dat ze daar waren om te bevestigen dat de aartsdruïde inderdaad weg was.Bartimeüs en de Vanyana ondervinden weinig weerstand en komen bij de grote toren aan. De Vanyana onderzoeken de verschillende verdiepingen en gaan ten slotte naar de trap die naar beneden voert. Bartimeüs loopt met hen mee en na een tijdje stuiten ze op grote hoeveelheden planten die ondoordringbaar zijn.Sezana komt bij de anderen vragen wat nu het plan is en die geven aan dat ze nog steeds op zoek willen naar de andere stukken en dus eigenlijk niet terug naar hun eigen wereld, maar dat ze voorlopig meegaan als dat beter uitkomt.
Als Bartimeüs terug is komt Kazandar nog een keer langs. Hij vertelt dat de groep weg moet uit deze wereld en dat dat voor hen waarschijnlijk ook beter is. Wat hebben ze hier tenslotte nog te zoeken? De mensen stemmen enigszins schoorvoetend in, maar staan erop dat Sezana mee gaat. Kazandar gaat hier mee akkoord, maar stuurt ook een begeleidende groep Vanyana en een riftwalker mee.
Cathal houdt wacht, maar valt helaas in slaap. Als de groep weer wakker wordt zijn de Vanyana verdwenen. Echt verdwenen? Kritoias vertrouwt het niet en laat Bartimeüs zoeken naar sporen. Al snel wordt duidelijk dat hier nooit Vanyana gekampeerd hebben. En ja hoor, in deze droomwereld komt al snel een man over de heuvels de richting van de groep oplopen. Het is Kalkaris! Hij wil hen graag helpen om bij het tweede stuk van het tablet te komen. Het enige dat hij daarvoor nodig heeft is een dood lichaam. Iemand moet een toverspreuk op een vers lijk uitspreken en dan kan Kalkaris bezit van het lichaam nemen. Het liefst is het een riftwalker, maar iets anders mag ook. Kalkaris heeft de spreuk op een stuk papier geschreven, maar helaas kunnen ze dat natuurlijk niet uit de droomwereld meenemen. Allemaal bestuderen ze het perkament om straks in de echte wereld de spreuk te kunnen reconstrueren. Dan neemt Kalkaris plotseling afscheid en verdwijnt.
Het wordt al snel duidelijk waarom dat is. De grond begint te trillen en er komen een aantal grote vogels aan. Een van de vogels transformeert in een vrouw, het hoofd van de aartsdruïden, Gweolyn. Zij was op zoek naar Kalkaris en is bijzonder verbaasd dat Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal hier zijn. Ze wil niet veel informatie geven, maar laat zich toch ontvallen dat de aartsdruïden samenwerken met uitzondering van de onbetrouwbare Kalkaris. Ze vertelt ook dat het plan voor loopt op schema en beëindigt dan de droom.
Als de groep echt wakker wordt is het ochtend en druk in het kamp van de Vanyana. Ze proberen zich de spreuk te herinneren en Ruarc weet met zijn fantastische geheugen (en een toverspreuk) de complete tekst letterlijk te reproducerenEven overleggen Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal of het verstandig is om met Kalkaris in zee te gaan maar dat lijkt de enige optie te zijn om snel aan het zwaard te komen. Het is echter geen goed plan om in het midden van het kamp een Vanyana te doden, dus dat moet nog even wachten.Kazandar stuurt een groep van zo'n tien strijders en een riftwalker met hen mee. Ze laten het fort achter zich en gaan in een rustig tempo naar de rift die op een halve dagreis ligt.Als ze daar aankomen gebruikt Sezana een spreuk om de rift te openen en dat veroorzaakt een groene straal naar het kistje. De groep doet net of ze het niet hebben gezien. Na nog een halve dag gereden en gelopen te hebben slaat de groep haar kamp op.
Als Kritoias een beetje wil uitsloven door het vuur met een toverspreuk aan te steken ontstaat er een stukje verderop een groot groen licht. Er opent zich een rift en een tiental aapdemonen, een honddemon en een vuurdemon verschijnen. De Vanyana springen op en vormen een linie terwijl Cathal een omtrekkende beweging maakt. De anderen blijven op de achtergrond als de aapdemonen een charge uitvoeren. Kritoias vuurt vervolgens een koudebal af, maar die doet vrijwel geen schade op de aapdemonen en de Vanyana.Hij stunt wel de vuurdemon die vervolgens door Cathal in elkaar wordt geslagen. De vuurhond gaat opzij en vuurt een vuurstraal af, waarop een aantal Vanyana die bij Sezana horen de vuurhond neerslaan. Donogb helpt intussen de andere Vanyana die in hun pantser over het algemeen goed bestand zijn tegen de aanvallen van de aapdemonen. Eentje loopt echter een grote bloedende wond op die zijn einde betekent.
Sezana en de andere gewonde Vanyana worden verzorgd, terwijl Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal overleggen wat ze nu gaan doen. Ilyandor dringt erop aan dat naast de demonen ook het lichaam van de Vanyana wordt verbrand, maar dat wil Kritoias natuurlijk niet en die vertelt een smoes om dat te voorkomen. Terwijl de anderen de Vanyana afleiden en helpen met het verbranden van de apen gaat Kritoias met het stuk van het tablet in het onzichtbare kistje naar Sezana en vraagt haar de riftspreuk te doen bij het lichaam van de Vanyana. Sezana vindt dit uiterst vreemd, maar gaat er in mee. Kritoias verwacht iets spectaculairs, maar de enige reactie is dat de meester van Cathal gaat hoesten en bijkomt. Daardoor lijkt het dat het niet gelukt is om Kalkaris hierheen te halen, maar heel af en toe bespeurt Kritoias gegiechel en een oogopslag die hem doen vermoeden dat het alleen maar Hobart is die in het lichaam huist.
Voordat ze gaan slapen maakt Kritoias de handbijl van Bartimeüs voor 24 dagen magisch. Wanneer Kritoias wacht houdt wordt Donogb wakker. De aartsdruïde Gweolyn staat achter hem en vraagt hem of hij wel eens droomt. Donogb antwoord bevestigend. "Maar wiens droom is dit dan?" vraagt Gweolyn hem. Het blijkt al snel dat het niet Donogb's droom is maar die van Gweolyn en in dromen kun je dingen laten gebeuren. Zij laat een nachtegaal zingen. Gweolyn vertelt verder dat de groep te veel weet, ze hint er naar dat de druïdes zich op een bepaald vlak specialiseren en dat de Vanyana al eerder zijn opgeofferd. Ze zegt ook dat Donogb zelf ook kan dromen. Dat gaat hij dan ook doen, maar het is een normale droom. Hij droomt van thuis en zijn vrouw. (roze skippybal)Als Cathal wacht heeft roept Hobart hem bij zich. Hij wil weten wat hier nu precies aan de hand is, want hij weet niet meer precies wat er is gebeurt. Cathal legt hem zachtjes uit wat er aan de hand is om de anderen niet wakker te maken.
De reis naar de toren verloopt zonder verstoringen door het van dierenleven verstoken land. Als ze bij de toren aankomen blijkt er echter een steiger tegenaan te staan. Iemand is de toren weer aan het opbouwen! Maar het vreemde is dat er niemand is te zien, ook als Bartimeüs en Donogb naar boven sluipen om de ruïne van dichtbij te bekijken. Als Sezana haar riftspreuk doet ontstaan er opnieuw groene stralen, dit keer naar het kistje en naar de meester van Cathal. Bovendien komen er plotseling mensen in beeld. Mensen? Ja, een aantal werklieden uit de omgeving van Nymarc worden door het leger van Vandalus gedwongen om de toren weer op te bouwen.Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal komen in gesprek met de groep van zo'n twintig werklieden en tien soldaten. De soldaten vertellen dat zij opdracht hebben gekregen om naar deze toren te gaan en hem weer op te bouwen. De mannen komen uit Avendorp en worden naar het lijkt goed behandeld. Bartimeüs probeert uit te leggen dat dit niet op het gebied van Vandalus ligt, maar dat dit gebied van de Vanyana is die zeker niet blij zullen zijn als de mensen hier een toren gaan herbouwen. Ilyandor bevestigt dat, maar de soldaten lijken niet erg onder de indruk. Zij volgen gewoon orders op.Dan verschijnt in de verte een stofwolk uit het noorden. Het zijn vier ruiters in de kenmerkende kledij van de druïdenjagers. Drie blijven er onderaan de heuvel staan en de vierde stijgt af en loopt de heuvel op. Er ontstaat een gespannen sfeer als de man, Al Pedro genaamd, de groep vertelt dat hijerop uit is gestuurd om de jongelingen te zoeken en naar generaal Kalkar te brengen die zo'n dagreis hier naar het noorden is. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc speculeren direct dat een van de aartsdruïden de rift heeft geopend waardoor de troepen van Vandalus naar binnen zijn gekomen. Maar waarom hebben ze dat gedaan? Wat hebben ze hier te zoeken?
De situatie loopt uit de hand als de druïdenjager hen vertelt dat Vandalus de oorlog heeft verklaard aan het keizerrijk. Omdat deze druïdejager hen op komt halen voor generaal Kalkar trekken Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal de conclusie dat zij dus voor Vandalus werken en zij feitelijk in oorlog met deze mensen zijn. Donogb had zijn boog al getrokken en richt hem nu op de druïdejager. Al Pedro kiest eieren voor zijn geld en draait zich om met de intentie om naar zijn collega's te rijden."Waar wacht je nog op?" zegt Bartimeüs tegen Donogb, die aarzelt niet en schiet de druïdejager neer met een pijl.Dat is het begin van een dollemansrit over de weg en door de velden naar het noorden. Bartimeüs en Donogb komen direct goed uit de startblokken en vliegen de heuvel af achter de druïdejagers aan die hun paarden de sporen hebben gegeven en over de weg teruggalopperen. Kritoias blijft zwaar achter. Langzaam lopen Bartimeüs en Donogb in en Donogb slaat in op de eerste druïdejager die het tempo niet kan volgen, die is even verdoofd en Donogb rijdt verder achter Bartimeüs aan. Het paard van Ruarc heeft er niet veel zin in en Kritoias haalt hem in.
De druïdejager die door Donogb was geslagen stuurt zijn paard van de weg af en rijdt door de velden, waar hij wordt achtervolgt door Cathal die snel inloopt. Hij springt van zijn paard en grijpt de druïdejager, die maar nauwelijks in het zadel blijft. Hij kan echter niet verder rijden, want zijn paard begint te bokken en hij moet alles doen om het in bedwang te houden. Kritoias helpt hem daarbij door het paard in slaap te toveren, maar tot Kritoias' verbazing blijft het paard staan. Door het gebrek aan beweging van het paard verliest de druïdejager wel zijn evenwicht en hij valt op de grond waar hij door Kritoias en Cathal tot moes wordt geslagen.
Bartimeüs en Donogb zetten hun inhaalrace voort. Opnieuw slaat Donogb een achterblijver, die raakt verdoofd en valt van zijn paard. Donogb rijdt opnieuw verder en Ruarc slaat de druïdejager neer met zijn warhammer.De paarden kunnen het tempo intussen bijna niet meer volhouden. Bartimeüs probeert er een laatste sprint uit te persen, maar zijn paard weigert, waardoor Donogb hem inhaalt. Ook het paard van de druïdejager is uitgeput en de vechters zijn gedwongen af te stijgen waar het tot een beslissend handgemeen komt. Ook deze druïdejager wordt gedood.
Bartimeüs gebruikt zijn Path Lore spreuk om te kijken waar de weg naar toe gaat. Hij ziet dat de weg begint bij de ruïne van de toren en eindigt in een tentenkamp, maar hoe ver dat is blijft onbekend. De groep besluit te gaan slapen en morgenoverdag een hinderlaag te leggen voor generaal Kalkar. Het lijkt erop dat het hier veilig is en dus gaan ze allemaal slapen en laten het wachthouden over aan de Vanyana.
De volgende ochtend worden Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal verkwikt wakker. Kritoias kan bijna niet geloven dat er niet gedroomd is deze nacht. Dat blijkt ook niet helemaal het geval, want Hobart heeft wel gedroomd.Voor het donker is gaan ze met de Vanyana op pad om een goede plaats voor een hinderlaag langs de weg te vinden. De duisternis verhindert hopelijk dat de vogels van de aartsdruïden hen kunnen volgen. Na een paar uur reizen komen ze bij een plaats waar de weg tussen twee heuvels doorkronkelt. Volgens Bartimeüs een goede plaats om een hinderlaag te leggen. Bovendien kan Bartimeüs hier een mooie val construeren. Dat leek echter eenvoudiger dan gedacht, want hij is er bijna vier uur mee bezig.Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal maken een plan om de generaal neer te schieten. Hij zal vast en zeker beschermd worden door voldoende soldaten, dus het verrassingselement is belangrijk. Als duidelijk is dat de generaal aanwezig is zullen Bartimeüs en Donogb van bovenop de heuvel, van ongeveer 10 meter afstand de generaal onder vuur nemen, terwijl Cathal de val van Bartimeüs in werking stelt waardoor een aantal boomstammen naar beneden komen rollen. Intussen is Kritoias dan onzichtbaar tot boven de generaal gevolgen en zal hem met een vuurbal of vuurpijl neerschieten. De Vanyana komen vervolgens achter de heuvels vandaan aan het einde van het pad, begeleid door hoorngeschal dat Ruarc tevoorschijn zal toveren.
Als Bartimeüs net klaar is met het klaarzetten van de val waarschuwt Ilyandor dat er vier ruiters aankomen. Iedereen verstopt zich snel op de aangewezen plek en Kritoias maakt zichzelf onzichtbaar. Donogb, die al eerder de val heeft gecamoufleerd, ziet dat Cathal niet goed verstopt zit en drapeert snel wat takken om hem heen. Hij heeft nog net genoeg tijd om terug te kruipen in zijn verstopplek als de ruiters de pas bereiken. De vier lichtbewapende soldaten letten echter niet erg op en babbelen er lustig in het Vandalus op los. Zonder iets op te merken rijden ze tussen de heuvels door en volgen de weg verder richting de toren. Dan breekt het grote wachten aan.Tegen een uur of drie in de middag arriveert een groep van zo'n twintig eveneens lichtbewapende soldaten. Zij rijden echter niet door de pas heen, maar stijgen ongeveer 500 meter voor de heuvels af en nemen een rustpauze. Bartimeüs en Donogb vinden dat wel wat vreemd en vragen Kritoias om te gaan kijken. Die sluipt voorzichtig de heuvel af en nadert de soldaten tot ongeveer 100 meter. Ze rusten inderdaad uit en het lijkt er niet op of er een belangrijke legeraanvoerder bij is. Kritoias loopt terug naar de heuvel en brengt verslag uit.
Plotseling is er geschreeuw bij de Vanyana. Donogb springt op en ziet dat er twee beren uit de dertig meter verderop liggende bosrand zijn gekomen en recht op Sezana en de andere riftwalker aanstormen. Hij legt snel aan en schiet op de eerste beer. Zijn schot komt net te laat, want de grote klauwen van het beest rijten de schedel van Sezana uiteen voordat de pijl doel treft en zijn nieren doorboort. Het grote dier zakt ineen en valt boven op Sezana. De andere beer wordt tegengehouden door de Adanni, die uit allemaal hun riftwalker beschermen. Een tweede pijl van Donogb raakt het beest in zijn been en terwijl het bloed er uit spuit zakt ook deze beer in elkaar.Ilyandor rent geschokt naar Sezana toe, maar alle hulp komt te laat. Als de beer van haar is afgeduwd raakt Ilyandor in schok al hij ziet dat het gezicht volledig verwoest is door de scherpe klauwen van de beer.
Kritoias ziet weinig beweging bij de soldaten en daardoor kan Bartimeüs ook poolshoogte komen nemen. Het is vreemd dat twee beren zomaar de twee riftwalkers bestormen, terwijl ze het lekker hapje paardenvlees dat er in de buurt staat geen aandacht schenken. Dit lijkt op een actie van de druïden. Kritoias sluipt onzichtbaar naar het bos en ziet dat erop ongeveer tien meter hoogte een grote roofvogel naar de heuvel zit te kijken. Hij gebruikt een levitatiespreuk om achter de vogel omhoog te komen en slaat de vogel in één klap dood met zijn quarterstaff. Vlak daarop voelt hij een rust en vrede over zich neerdalen en als hij zich omdraait ziet hij dat er een man uit de bosjes stapt."Is het nu echt nodig om die mooie vogel dood te slaan?" vraagt hij."Dat kan ik ook zeggen van de riftwalkers die je hebt aangevallen." antwoord KritoiasDat heeft de aartsdruïde, want dat is het inderdaad, expres gedaan omdat Silvoa de riftwalker Bartimeüs, Kritoias en Ruarc heeft laten helpen en dat kan niet."Wat willen jullie nu?" vraagt hij."Hoe bedoel je?" antwoordt Kritoias, die geen enkele neiging heeft om deze, zeer waarschijnlijke druïde, aan te vallen."Wat denk je dat we willen? En wie ben jij eigenlijk?""Ik ben degene die ze 200 jaar in een toren hebben laten wegrotten. En alleen nu ze me nodig hebben om de laatste poort te openen komen ze me helpen. Bah, toen ik gevangengenomen werd door de Vanyana en in die toren gesmeten waren ze nergens te bekennen, maar nu mocht ik weer komen opdraven. Gelukkig kan ik nu ook de zaakjes weer op orde maken en jij en je halfbroer stoppen."
"Halfbroer?", reageert Kritoias, "Maar wat is er dan zo bijzonder aan clan Karanach en wat heeft dat met ons te maken.?"De druïde reageert duidelijk geamuseerd: "Ha, je weet het dus helemaal niet hè? Waarom denk je dat het bloed van Karanach door jullie aderen stroomt? Omdat Beolin zich weer niet in kon houden en bij jullie moeders, die druïdehoertjes, kinderen aan het verwekken was.""Dat verklaart waarom ze ons de erfgenamen noemden, maar dan is nog steeds de vraag wat nu zo belangrijk is aan clan Karanach""Clan Karanach was de eerste clan en het zijn de hoeders van de godin. Gelukkig zijn alleen jullie twee nog over en daar zal ik snel korte metten mee maken. Wil je nog een laatste woord?"
Bartimeüs, Donogb en Cathal hebben intussen niet lijdzaam afgewacht. Cathal hield van afstand het bos in de gaten en toen hij zag dat de druïde verscheen waarschuwde hij Bartimeüs en Donogb. Die tijgeren over de grond voorzichtig de dertig meter naar het bos en spannen hun bogen als de druïde zijn vraag stelt vuren ze hun pijlen af. Twee pijlen raken de druïde in zijn borst en arm en door de plotseling aanval is hij de kluts even kwijt. Het enige dat hij nog kan doen is hard om hulp roepen naar de soldaten. Bartimeüs en Donogb springen naar voren en ook Cathal springt vanaf de heuvel in drie sprongen naar de druïde toe. Bartimeüs haalt uit met het mes dat hij gekregen had om Beolin te doden, maar dat heeft niet veel effect. Donogb roept, "Daar ben je dan, je zult niet ontkomen!" en hij hakt met zijn zwaard het been van de druïde af. Die stort bewusteloos ter aarde.
Terwijl Bartimeüs en Donogb op de druïde afrennen legt Kritoias een deken van mist voor de bosrand zodat de soldaten niets kunnen zien. Bartimeüs snijdt met het mes het hart uit de stervende druïde, terwijl Donogb zijn hoofd afhakt. Gezamenlijk lopen ze naar de bosrand en doemen uit de mist op voor de 20 soldaten die in alle haast naar de bosrand zijn gelopen. "Hier" zegt Donogb, terwijl hij het hoofd van Arvan laat zien."Wie is dat?" vraagt één van de soldaten, "en waar is de generaal?""Argh, hij had zich natuurlijk vermomd" zegt Donogb, "nou ja, Kritoias gooi er maar een vuurbal in"De soldaten staan een beetje vreemd te kijken, maar zien dan iets over hen heen suizen en vlak achter hen ontploft met een enorme knal een vuurbal die 12 van hen raakt, de wapenrusting van hun rug brandt en ze ter aarde doet storten midden tussen het brandende gras. De overige acht rennen weg, springen op hun paarden en rijden er in gallop vandoor.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal lopen terug naar het lichaam van Arvan en onderzoeken de druïde. Hij blijkt een gouden medaillon om zijn nek te dragen met een soort doorzichtige capsule waar een dikke rode vloeistof, misschien wel bloed, in zit. Bartimeüs doet de ketting om, maar er gebeurt niets bijzonders. Hij slaagt er ook niet in om het kapot te maken met het mes. Kritoias probeert te voelen of je er iets magisch mee kan doen, maar dat is niet het geval. Het heeft wel een bepaalde kracht, maar dat kun je niet zomaar gebruiken.Als Hobart met het amulet wordt geconfronteerd kan Kalkaris, die ook in hem huist, zich niet inhouden en hij grijpt bijna naar het amulet. Hij vindt het slordig dat Arvan zijn amulet heeft laten afpakken. Ook lijkt zijn plan te mislukken."Ze halen de stukken weg!" zegt hij "ik weet niet meer waar ze zijn!"Dan treedt Kalkaris weer op de achtergrond en komt Hobart tevoorschijn. Hij wil zo snel mogelijk naar de hoofdstad om verslag uit te brengen en te onderzoeken hoe hij van Kalkaris af kan komen.Ilyandor is intussen ontdaan. Hij heeft nu allebei zijn riftwalkers verloren en moet met de Adanni mee om weer thuis te komen. Het lichaam van Sezana wordt hier tijdelijk begraven.
Nu blijkt dat het mogelijk is om de aartsdruïden in ieder geval tijdelijk uit te schakelen, geeft dat meer opties om hen te bestrijden. Het is tijd om terug te gaan. Ze kunnen vandaag de rift echter niet meer bereiken en overnachten onderweg
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Cathal houden wacht, maar het blijft zeer rustig
De volgende dag gaat de groep weer vroeg op pad en ze bereiken na een aantal uur het kamp, dat inderdaad op de plaats van de rift ligt. Een aantal soldaten houden hen tegen, maar Bartimeüs sommeert hen te vertrekken omdat dit gebied van de keizer is. Daar waren ze toch al mee bezig en als een aantal soldaten zien dat dit dezelfde mensen zijn die hen gisteren hebben aangevallen gaan ze verder met inpakken en vertrekken naar het noorden.Kritoias had geen rift gezien dus deze mensen trekken naar het noorden in een andere wereld. Ze nemen afscheid van Ilyandor en de riftwalker doet zijn riftspreuk, die opnieuw groene stralen naar het tablet en Hobart geeft. Dan staan ze weer in hun eigen wereld.
Kritoias is blij dat hij weer in hun eigen wereld terug is. De tijd in de rifts heeft hem ook inzicht gegeven in de spreuken die hij heeft overgeschreven van de demonenjager in Herenhal. Het lijkt erop dat er een spreukenlijst in staat en dat de eerste spreuk te maken heeft met het combineren van zeven zaken tot iets groters. Zou het toeval zijn dat er ook zeven werelden zijn en zeven aartsdruïden?Tijdens zijn mijmeringen hoort Kritoias in de verte wat rumoer. Het lijken wel wapens die op schilden slaan. Het is lastig om de oorsprong van het geluid te bepalen, maar het lijkt uit een vallei een stuk verderop te komen.
Ze rijden met zijn allen richting de vallei en Bartimeüs sluipt naar de bosrand. Daar ziet hij twee legertjes tegenover elkaar staan. Aan de ene kant staan ongeveer tweehonderd soldaten van Vandalus op een heuvel met hun bogen gereed. Aan de andere kant, ongeveer zeshonderd meter verder staan een aantal groepen Olcar, in totaal ongeveer driehonderd man, die het lawaai maken. Tussen hun linies staan een aantal van de grote stierekoppen en achter de linies een kleine groep, waarschijnlijk de leiders.Als Bartimeüs terugkeert hoort Ruarc geluid in de bosjes en zien ze een katachtig wezen wegspringen. De groep houdt overleg over de situatie en het plan is om de twee partijen tegen elkaar uit te spelen. Kritoias zal onzichtbaar boven de linie van de Olcar vliegen en een koudebal op ze loslaten. Daarna vliegt hij snel naar de soldaten van Vandalus om een reactie uit te lokken.
Kritoias stijgt onzichtbaar op en als hij boven de bomen uitkomt ziet hij richting de bergen in het noorden een groene gloed. Hij vliegt snel naar de Olcar toe en vuurt een koudebal af. Een groep van tachtig Olcar wordt getroffen en vallen collectief op de grond. Helaas heeft de bal meer een windeffect en ontbreekt de echte koude, want de Olcar staan na een halve minuut weer op, zonder echt aangedaan te zijn. Kritoias blijft niet wachten en vliegt richting de linies van Vandalus.Bij de andere groep verschijnt een kleine Olcar die de taal van Bartimeüs en Ruarc spreekt. Hij is op zoek naar een kat die hem iets zou vertellen. Bartimeüs raakt met hem in gesprek en ontdekt dat ze op zoek zijn naar een wijze man, de Oelam, die allen zal verenigen en de wereld weer een zal maken. Bartimeüs is wel enigszins intimiderend wat de Olcar doet uitroepen "Waarom zeg je altijd doodmaken?"Bartimeüs zegt dat hij de Oelam is en de Olcar gaat op verzoek van Bartimeüs de sjamaan halen, de Gargon, waarvan Bartimeüs de Olcar wijsmaakt dat het een charlatan is.
Kritoias vliegt over de linies van de Vandalussoldaten heen en maakt zich net onzichtbaar als een grote roofvogel hem opmerkt. Kritoias vliegt opzij, maar de vogel blijft hem volgen. Kritoias denkt dat het een druïde is en besluit geen tweede aanval op de Olcar te doen zoals het plan was. Hij duikt onder de boomlijn en slalomt tussen de bomen terug naar de groep.Na een uur is er weer rumoer in het bos te horen. De Gargon arriveert met een klein gezelschap van zo'n tien Olcar en de kleine Olcar die als tolk optreedt. Zij vertellen dat zij op zoek zijn naar de Oelam. Ruarc graaft in zijn geheugen en herinnert zich een verhaal van kwajongens die een geit stelen en dat de geit daar dankbaar voor is. Als hij dat verhaal gaat vertellen aan de Olcar verwordt het verhaal tot helden die door een poort gaan en werelden bijeenbrengen en aan het einde verstrengelen de helden ineen. Tegelijkertijd ontstaat een groenige mist aan Ruarc's voeten. De Olcar reageren verheugend, roepen "Oelam, Oelam, Oelam!" en buigen voor Ruarc.
De Gargon vertelt aan Ruarc het verhaal van de Olcar. Vroeger was er één wereld waar ze leefden met de Vanyana. De Olcar waren de eerste en vochten tegen het kwaad. Toen verschenen de Vanyana die ook tegen het kwaad waren. Op dat moment wat er drie volkeren met elk drie goden. De Olcar met de God, de Vanyana met de Godin en de demonen met de vreemdeling. De Olcar werken altijd hard, maar de Vanyana hadden daar geen zin in en maakten de mensen die als slaven voor de Vanyana werkten. De Olcar bemoeiden zich daar niet mee en brachten de slaven terug naar de Vanyana als ze ontsnapt waren. De goden vochten met elkaar en door die strijd ontstonden barsten in de werelden, daardoor ontstonden de levende doden. De goden wilden strijden, want ze werden machtig door de strijd. Toen scheidden de werelden zich en de mensen waren bijzonder, want zij hadden alledrie de goden en niet één. De goden hadden ook elk een hemellichaam, de zon, de maan en de tweede maan.
De Olcar denken dat het nu de tijd van de vereniging is en dat vannacht, op de midzomernacht de tweede maan verschijnt en dat de werelden dan samen zullen smelten door de Oelam. Kritoias realiseert zich dat ze een twee dagen zijn kwijtgeraakt in de riften. De groep besluit mee te gaan naar het kamp van de Oelam waar ze in ieder geval beschermd zijn door aanvallen van Vandalus of de druïden.
Rond middernacht wordt het plotseling stil rond het kamp van de Olcar. De natuur lijkt de adem in te houden als plotseling een tweede maan met groene stralen boven de horizon verschijnt. Ze horen allemaal gegil en voelen trillingen zoals ze al eerder hebben gevoeld. Dan komen er een aantal groene lichtflitsen over de hemel aanwaaien uit het noorden. Vrijwel iedereen, mens en Olcar is aangedaan door het groene licht. Bartimeüs en Kritoias voelen of er iets uit hen wordt weggerukt. Ruarc wordt uit zijn lichaam getrokken en ziet zichzelf van een afstand en Bartimeüs, Cathal en Donogb en Hobart lijken voor de anderen te verdwijnen, terwijl Cathal neervalt.Met de paarden en de Olcar is het nog erger gesteld. Sommigen vallen elkaar aan, en anderen vervallen razendsnel en staan als levende doden op om de levenden aan te vallen.
De Olcar levende doden beginnen naar Ruarc toe te lopen. Bartimeüs en Donogb proberen hem te beschermen, terwijl Kritoias aan de andere kant een paard aan het zadelen is om Ruarc weg te krijgen, maar met een Olcar in gevecht raakt die plotseling opduikt. Hij weet met een spreuk de eerste klap te ontwijken, maar zijn shock bolt heeft geen effect waarna de Olcar hem een flinke klap geeft. Kritoias springt met een spreuk weg achter het paard en schiet een waterpijl op de levende dode af, maar die wordt alleen omgedraaid. Kritoias springt opnieuw opzij.Bartimeüs is intussen met een drietal levende doden in gevecht. Hij weet er twee buiten gevecht te stellen, maar het gevecht gaat moeizaam. Ruarc komt er achter dat hij nog wel toverspreuken kan doen in deze toestand en zorgt voor een grote rode pijl die naar zijn in de lucht zwevende gestalte wijst. Een andere illusie van een soort scherm heeft geen effect op de Olcar.
Kritoias is weer weggesprongen, en draait zich naar de levende dode, maar dan komt er plotseling een leeuwin uit het donker op hem afgesprongen. Kritoias probeert de aanval af te weren, maar de leeuwin duwt hem omver, likt over zijn gezicht en zegt "Nu nog niet".Ruarc ziet in plaats van een leeuwin een witte gestalte die als een witte baan uit het noorden komt en een hand op Kritoias legt. Ze loopt daarna door en trekt Ruarc uit de lucht weer in zijn lichaam. Daarna loopt ze door naar Bartimeüs die dezelfde behandeling krijgt als Kritoias. Bartimeüs had Donogb zien vallen, maar nu ziet hij hem niet meer.
De situatie is nog steeds uitermate precair als plotseling planten uit de grond omhoog komen en de levende doden vastpakken. Uit het donker komt Silvoa aanlopen die roept "Snel, wegwezen". Kritoias kijkt om zich heen, maar er is nog maar één paard, waar gelukkig de belangrijkste spullen al op liggen. Snel maken Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zich uit de voeten. Kritoias vraagt of Silvoa net als de leeuwin over het slagveld liep, maar die ontkent.Silvoa bevestigt het verhaal van de Olcar over de werelden die bij elkaar komen en zegt dat zij Bartimeüs, Kritoias en Ruarc nog steeds helpt zodat ze Beolin kunnen aanpakken, niet omdat ze hen zo aardig vindt. Bartimeüs vraagt waarom dat is, omdat ze toch allemaal de Godin en Balbar terug willen halen. Silvoa vertelt dat het Beolin alleen om Balbar gaat en niet om de Godin.
Wanneer Silvoa vertrokken is besluiten Bartimeüs, Kritoias en Ruarc om maar even rustig af te wachten en te proberen wat te slapen. Wanneer het weer licht is zal wel duidelijk worden wat er nu aan de hand is. Bartimeüs neemt de eerste wacht en gaat er weer eens lekker voor zitten. Hij hoort wel iets naast het kampje door de bosjes lopen, maar besteedt er verder geen aandacht aan. Kritoias hoort in zijn wachtbeurt ook iets. Als hij met een toverspreuk de bosjes verlicht ziet hij een levend lijk op hem afkomen. Hij roept de anderen die al snel wakker worden, maar dat lijkt voorbarig. Het wezen, een lopende dode Olcar, loopt zonder om te kijken recht vooruit. Hij knalt zelfs tegen een boom aan, loopt er omheen en vervolgt zijn weg naar het zuiden. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc besluiten de lopende dode te volgen, maar staken na een tijd lopen de achtervolging als de lopende dode vijf meter naar beneden valt een overhellende rotspunt af. Het wezen krabbelt overeind en strompelt, met waarschijnlijk gebroken botten, verder naar het zuiden. Het kost te veel tijd om met het paard om te lopen en dus gaan ze terug naar het kamp. Bartimeüs gebruikt een toverspreuk om de sporen terug te volgen en na een behoorlijke tijd lopen komen ze weer bij hun kamp aan.
De volgende ochtend maakt Ruarc de anderen wakker, want hij had direct na terugkomst bij het kamp de laatste wacht genomen. Na wat gegeten te hebben lopen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc terug naar het slagveld, althans waar ze dachten dat het slagveld was, maar waar het nu niet ligt. Kennelijk zijn ze vannacht toch verkeerd gelopen. Bartimeüs vraagt Kritoias om even omhoog te vliegen en te kijken waar het ligt. Kritoias geeft aan het verzoek gevolg en stijgt al snel tussen de bomen omhoog. Ze blijken te veel naar het noorden te zijn gelopen en zijn nu bijna bij de heuvel waar de soldaten van Vandalus stonden. Kritoias wijst de richting aan en vliegt tussen de boomtoppen door naar de rand van het slagveld om een kijkje te nemen. Hij ziet een kleine heuvel waar een paar dode soldaten op liggen. Kritoias daalt voorzichtig op de heuveltop neer en gluurt over de rand terwijl Bartimeüs en Ruarc bij de bosrand aankomen. Kritoias ziet een aantal mannen die een andere man de heuvel op aan het slepen zijn. Daar staat een man in lange gewaden bij een stapel van zeven lijken. Kritoias gebaart dat Bartimeüs en Ruarc voorzichtig moeten naderen. Als die boven zijn zien ze dat de man met de gewaden zijn armen ten hemel spreidt. Kritoias ziet de groene goddelijke energie neerdalen en in de man gaan die nu op de stapel lijken ligt. De man lijkt dan te veranderen, wordt groter, strekt zich uit en laten een enorme kreet horen. Dan springt hij op en rent weg.
Dit lijkt zeker niet pluis te zijn. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc besluiten deze slechte mannen te stoppen. Kritoias maakt een grote onzichtbaarheidsbubbel waar ze allemaal inpassen en ze sluipen naar de onderkant van de heuvel waar de man op staat. Ruarc zorgt er dan voor dat buiten de bubbel niemand hen kan horen en ze lopen naar de plaats waar de man staat. De andere mannen, die bezig waren de op de grond liggende soldaten te onderzoeken zijn even uit het zicht verdwenen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc horen nog wel de kreet "Hier ligt er nog een" als ze vlak bij de man in de gewaden aankomen. Bartimeüs sprint uit de onzichtbaarheidsbubbel en slaat een enorm gat in het been van de man zodat het bloed er uit gutst. De man schreeuwt van de pijn. Hij probeert zich nog te verweren, maar wordt binnen korte tijd door Bartimeüs neergeslagen. Kritoias en Ruarc zien intussen dat de andere mannen op de vlucht zijn geslagen.
Een kort onderzoek van de man laat zien dat hij een teken van Balbar bij zich heeft, het is waarschijnlijk een priester van Balbar die nu meer kracht heeft gekregen door de komst van de groene maan. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan op zoek naar andere bijzondere zaken en ze vinden ongeveer 55 zilverstukken aan geld en wat kaarten van de commandant.Bartimeüs gaat te paard om te kijken of er bij de Olcar overlevenden zijn. Hier liggen zeker niet alle soldaten van Vandalus, maar er lijkt niet heel erg gevochten te zijn. Terwijl Bartimeüs naar de overkant rijdt bedenken Kritoias en Ruarc dat er misschien nog een overlevende was, die hadden de mannen gevonden. Ze gaan op zoek en vinden inderdaad een soldaat die bewusteloos lijkt, maar helaas kunnen ze er niet veel aan doen. Als Bartimeüs terugkomt van de Olcar zegt hij dat daar verder niemand meer in leven is. Hij onderzoekt de soldaat en constateert dat hij geen ernstige verwondingen heeft. Ruarc legt hem over het paard, terwijl Bartimeüs zoekt naar sporen van vertrekkende soldaten. Die vindt hij inderdaad en na voldoende voorraden van de soldaten te hebben verzameld gaan ze aan het begin van de middag op weg naar het noorden, achter de overlevende soldaten aan.
Na een tijdje zien Bartimeüs, Kritoias en Ruarc in de verte een groep soldaten van Vandalus. Zo te zien bestaat de groep uit een man of 25 met een aantal paarden. Kritoias is nog steeds onzichtbaar en besluit om dat even te blijven. Bartimeüs en Ruarc lopen naar de soldaten toe en raken in gesprek. De mannen zijn die nacht gevlucht toen er gruwelijke dingen met hun vrienden gebeurden. Ze zitten hier nu zonder leider, want hun commandant, Gravier de Kappa is omgekomen. Het blijken echte groentjes te zijn die hier alleen maar kwamen om iets te bewaken. Ze zouden alleen wat machtsvertoon bij Nymarc moeten laten zien om de onderhandelingen te ondersteunen, maar nu gaat het allemaal fout. De mannen willen zonder uitzondering graag naar huis terug, want ze zijn bang wat daar is gebeurd. Bartimeüs en Ruarc vertellen dat zij ook naar Nymarc reizen en graag met ze meegaan.Na een tijdje gelopen te hebben horen ze plotseling weer een nieuwe kreet en er verschijnt weer zo'n vreemd wezen over de heuvel. Bartimeüs neemt de leiding en stelt de manschappen in linie op. Het wezen neemt daarop de benen richting het noorden.
Tegen de avond slaat de groep kamp op. Bartimeüs organiseert de werkzaamheden en zet een wachtschema in drie groepen uit. Kritoias gaat even buiten het kampje liggen slapen in de bosjes. Die nacht blijft het rustig en als de eerste groep bang is om te gaan slapen vertelt Ruarc hen een geruststellend verhaal.Dan worden Bartimeüs, Kritoias en Ruarc wakker geschopt door hun sergeant. "Argh nee" denkt Kritoias weer een droom. Bartimeüs heeft in eerste instantie even niet door wat er aan de hand is tot hij door de sergeant hardhandig tot de orde wordt geroepen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zijn onderdeel van een groep soldaten van clan Karanach die de druïde Zeolin moeten ophalen om aanwezig te zijn bij de wijding van een aartsdruïde van de clan. Hij heeft ergens in de wildernis een huis en daar zijn ze naar op weg. Als Kritoias rondkijkt ziet hij dat ze ongeveer op dezelfde plek zijn als in de echte wereld, maar dat het nog een maand is voor de zonnewende. Ze lopen ongeveer een uur naar het noordoosten terwijl Kritoias probeert de godin te voelen en dat lukt wonderwel. Dan komen ze bij een dalletje met open plek met een hutje. Ze roepen Zeolin, maar er komt geen antwoord. Kritoias gaat naar het hutje toe en klopt op de deur, maar er komt geen antwoord. Hij doet na aansporen van de sergeant de deur open en hoort dan wat gekreun. Als hij de deur verder openduwt ziet hij een man in een plas bloed op de grond liggen met een zwarte dolk in zijn lichaam. Kritoias schreeuwt om hulp en snel volgen de anderen hem het hutje in. Bartimeüs trekt de dolk uit het lichaam van de man in een poging hem te redden. Hij voelt even een vreemde kracht, maar die ebt weer weg. De man heeft een gapende wond en is niet meer te redden.
Dan hoort Kritoias iets achter een gordijn. "Kom tevoorschijn" roept hij en na nog een paar maal roepen en dreigen met zijn zwaard komt er achter het gordijn een vrouw vandaan die vertelt dat zij de slechte druïde heeft gedood. Zij heeft dat gedaan omdat de godin haar daar de opdracht voor heeft gegeven. De dolk is ook van de godin afkomstig. Terwijl Kritoias probeert te achterhalen waar de dolk van is gemaakt executeren de andere soldaten de vrouw.Buiten probeert Bartimeüs te achterhalen waar de vrouw vandaan is gekomen. Hij vindt voetsporen en als ze die volgen blijken die te eindigen bij een paar voeten... Die voeten zijn van Kalkaris die opeens in de droom staat. Als ze achter zich kijken blijkt het hutje te zijn verdwenen. Kalkaris vertelt hen dat hij hen plotseling kwijt was, waar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc natuurlijk volhouden dat hij was verdwenen. Hij komt terug op de deal om de stukken van het tablet te verzamelen, maar kan hen helaas niet helpen ze te vinden. Hij weet alleen dat nog een ander stuk van het tablet ook in deze wereld is. Kalkaris geeft ook nog wat meer inzicht over de aartsdruïden en hun plan. De meeste willen gezamenlijk het plan uitvoeren, maar sommigen willen voor eigen gewin gaan, zoals Beolin. Als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc aanvoeren dat ze dan toch gewoon een nieuwe aartsdruïde kunnen wijden zegt Kalkaris dat druïdedom overgaat van vader op zoon en van moeder op dochter. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc beseffen dat dit wel eens de reden kan zijn dat de druïdes hen niet willen doden, misschien dat zij een rol als aartsdruïde in het grote plan kunnen vervullen. Dan zegt Kalkaris dat het tijd is om wakker te worden.
Ze worden wakker gemaakt door de soldaten van Vandalus, behalve Kritoias die uit zichzelf wakker wordt. Hij probeert zich open te stellen voor de godin en de natuur en dat lijkt zowaar een beetje te lukken. Na gegeten te hebben trekt de groep over de weg naar het noorden. Na korte tijd lopen horen ze plotseling een explosie verder in het bos. Het lijkt op een explosie van een vuurbal. Bartimeüs spoort de soldaten aan om te gaan kijken wat het is omdat dit een risico kan zijn. Ze volgen een pad door de bossen, terwijl Kritoias zich opnieuw onzichtbaar maakt. Na een tijd lopen vinden ze een naakte man die gedood is door een pijlen en daarna gestript en daarnaast een stel verkoolde menselijke lijken. Bartimeüs ontdekt dat er nog meer mensen zijn geweest die vervolgens het pad verder zijn afgelopen. De groep volgt de sporen en komt uit bij een dalletje waar een ravijn doorheen loopt. In het dal staan een aantal huizen in een kring en een van de huizen is kapot gegaan door het ravijn dat daar waarschijnlijk plotseling is ontstaan. In het dorp lopen een aantal mannen en honden rond. De mannen lopen op een niet geheel natuurlijk manier.
Kritoias loopt onzichtbaar om de groep heen en wil aan de overkant komen waar de bodem is verzakt. Hij struikelt bijna over een vrouw die in de bosjes is verstopt. Als de groep verder loopt roept ze hen aan en vraagt om niet te gaan vechten omdat de mannen de kinderen gevangen houden. Er was een priester van Balbar en nu gebeuren er rare dingen in het dorp. Bartimeüs zegt dat het dan waarschijnlijk al te laat is voor de kinderen en trekt met de groep soldaten het dorp in. Kritoias is intussen doorgelopen naar de andere kant van het dorpje.De mannen en honden in het dorp reageren niet op de soldaten die nu een halve cirkel om een huis maken en Bartimeüs maakt zich klaar om naar binnen te gaan. Dan heeft één van de mannen zijn handen ten hemel en er is een plotselinge flits van duisternis. Bartimeüs wordt vol geraakt door de flits en is een paar minuten verdwaasd. De soldaten zijn in verwarring en die wordt nog groter als een andere boer ook de handen opheft en een zwarte pijl langs Ruarc schiet. Die gebruikt een toverspreuk en weet een van de boeren te kalmeren.
Kritoias was bijna dichtbij genoeg om een ijsbal te gooien als plotseling de deur van een ander huis opengaat en er een man in een gewaad uitstapt. Het lijkt een priester van Balbar te zijn die Ruarc vraagt wat ze komen doen. Ruarc doet voor alsof hij geïnteresseerd is in wat Balbar is en wat hij kan om tijd te rekken. De priester laat zich meeslepen en vertelt dat hier beneden een wezen van Balbar gemaakt gaat worden. Kritoias sluipt ondertussen onzichtbaar dichterbij, de boeren en honden hebben hem toch niet in de gaten en Bartimeüs komt weer bij zinnen. Dan schiet Kritoias van een meter afstand een ijspijl in de priester. De man schreeuwt het uit, maar weet even niet wat er gebeurt. Een andere boer schiet opnieuw een zwarte pijl af. Dit maal op Bartimeüs die geraakt wordt en opnieuw even bij moet komen. Ruarc schreeuwt "Ten aanval", terwijl Kritoias met zijn staf op de priester inslaat die dood neervalt. Meer aansporing hebben de ontketende soldaten van Vandalus niet nodig. Met dodelijke precisie slaan ze toe en vernietigen vrijwel direct alle boeren.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc besluiten om het gat in de grond te onderzoeken waar de kinderen in verdwenen zouden zijn. Ze zien dat er een touwladder naar beneden hangt. Bartimeüs gebruikt een spreuk om te kijken wie er de afgelopen 8 uur langs de touwladder zijn gelopen, maar dat is alleen de priesterachtige man. Intussen komen de vrouwen voorzichtig naar de rand van het bovengelegen deel en roepen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc op om alsjeblieft hun kinderen te redden. Dan ziet Bartimeüs dat de touwladder even beweegt en dan strak blijft staan, kort daarop is een groen licht te zien.Op dat moment ziet Kritoias uit zijn ooghoek dat de priester weer overeind komt. Hij schreeuwt "Kijk" en rent met Ruarc op het opkrabbelende lichaam van de priester af en samen slaan ze het tot moes.
Bartimeüs gaat voorzichtig op de touwladder staan, maar omdat die eerst een stukje schuin naar beneden gaat kan hij niet zien wat er onder aan de touwladder staat. Kritoias zorgt ervoor dat een steentje licht geeft en gooit het naar beneden, zodat Bartimeüs kan zien wat er onderaan de touwladder te vinden is. Die ziet dat er een persoon aan de touwladder hangt, ongeveer 3 meter onder de buiging. Hij klimt naar boven en maakt een touw aan zijn middel vast dat een aantal soldaten van Vandalus vasthouden. Dan neemt hij een grote steen, klimt voorzichtig langs de touwladder naar beneden en dumpt de steen over de rand. Helaas had Bartimeüs een uitstekende rotspunt niet gezien en de steen stuitert langs de wanden naar beneden zonder de persoon te raken. Ruarc geeft hem een nieuwe steen aan, maar ook die valt zonder schade aan te richten op de bodem. Dan is Bartimeüs het zat. Hij klimt naar beneden en stampt een paar keer met zijn voet op het hoofd van de man die zich niet verweert, loslaat en op de grond te pletter slaat.
Bartimeüs klimt langs de touwladder naar beneden en komt dan in een gang die naar links en naar rechts loopt. Kritoias en Ruarc volgen hem en ook een tiental soldaten komt naar beneden. Vier bewaken de touwladder, terwijl Bartimeüs, Kritoias en Ruarc met zes soldaten de rechtergang verkennen. Ruarc loopt voorop met zijn schild en strijdhamer in de aanslag, Bartimeüs volgt met zijn boog en Kritoias licht bij met het lichtsteentje. De gang loopt tientallen meters door als ze een dode boer zien liggen die van achteren is neergestoken. Even verderop loopt de gang dood. Op dat moment horen ze gegil van achteren komen, de soldaten bij de touwladder worden aangevallen!Bartimeüs, Kritoias en Ruarc rennen terug en komen onderweg een bloedende soldaat tegen die om hulp roept. Alles werd opeens zwart en iets heeft een aantal mannen gedood. Gezamenlijk met de soldaten rennen ze naar de touwladder. Ze zien inderdaad een donkere vlek waar de touwladder is, maar als het magische licht in de buurt komt verdwijnt dat en zien ze twee in stukken gereten soldaten liggen, en één soldaat die wanhopig tegen een demon vecht. Het is hetzelfde type dat ze de vorige ochtend gemaakt zagen worden door de priester een snel wezen met een gladde huid en twee grote klauwen
Bartimeüs en Ruarc dringen naar voren om de soldaat te ontzetten, maar worden bedekt met zijn bloed als de demon de keel van de man openrijt. Bartimeüs gaat vol in het defensief terwijl Ruarc probeert een opening te vinden om zijn schild heen. Kritoias ziet dat er een paar meter achter de demon een boer in de gang staat. Hij is bang dat die straks een spreuk door zich heen krijgt en gebruikt een spreuk om achter hem te komen. Terwijl de demon zich vol op Ruarc richt en hem steeds weer op dezelfde plek op zijn borst slaat mept Kritoias de boer met één klap in zijn nek neer. Bartimeüs probeert de demon af te leiden en te verleiden op hem te slaan, maar die richt zich alleen op Ruarc en gaat voor de kill. Dan wordt de demon door Kritoias van achteren geraakt, hij raakt even afgeleid, maar blijft zich op Ruarc richten. Bartimeüs laat nu zijn voorzichtigheid varen en gaat vol in de aanval, maar ziet tot zijn geluk dat de demon van achteren door Kritoias vol in de nek wordt geraakt en sterft.
Ruarc is een paar keer goed geraakt en bloedt uit meerdere wonden. Met zijn talenten weet hij het bloeden te stelpen, maar hij moet wel een uur rusten om even bij te komen. Kritoias stelpt intussen het bloeden bij de soldaat, die zich wel afvraagt wat dit nu voor vreemde praktijken zijn.Na een uur gerust te hebben gaan ze op dezelfde manier de linkergang in als ze de rechtergang in zijn gegaan. Dit keer maakt Bartimeüs licht op een steentje. Als ze de gang een twintigtal meters hebben gevolgd zien ze een boer staan met het lichaam van een kind voor zijn voeten. Met een uitdrukkingsloos gezicht zegt hij "Ga terug, anders sterven er meer". Na enige discussie slaat Bartimeüs de boer dood met zijn bijl en de groep vervolgt zijn weg.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en de soldaten komen aan in een grot met een uitgang naar links en naar rechts. Bartimeüs zoekt naar sporen en ziet dat er rotsen verschoven zijn bij de linker gang. Met een spreuk ziet hij dat veel boeren, kinderen en een priester de sporen hebben achtergelaten. De linkergang is de goede gang. Ze volgen de gang, waarvan de muren trouwens anders zijn dan in de grot waar ze de Olcar hadden gezien, en komen in een grote grot waar een soort put in het midden is. Voorzichtig benadert Bartimeüs de put en dan ziet hij dat er een heel oude houten stellage is gebouwd met loopplanken en trapjes waarmee je naar beneden kan komen. Voorzichtig klimmen ze allemaal naar beneden en komen in een ruime grot die opnieuw twee uitgangen heeft, naar links en naar rechts.
Omdat links het meeste heeft opgeleverd kiezen ze opnieuw voor de linkergang, dat is een smalle gang, maar wat opvalt is dat deze begaanbaarder is gemaakt door op sommige plaatsen treden uit te hakken of lastige rotspunten weg te halen. De gang eindigt in een grot en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zijn uitermate verbaasd om daar een houten hutje aan te treffen. Ook dit hutje ziet er heel oud uit, maar het metalen slot op de deur is onlangs kapot gemaakt. Kritoias kan niet begrijpen waarom iemand hier onder de grond een slot op een deur van een hutje maakt als je ook zo door de muur van het hutje kan komen. Bartimeüs stelt dat het hutje eerst boven stond en Ruarc zegt dat de rots er omheen is gegroeid.In het hutje staan een tafel en een aantal kasten, maar het meest opvallend zijn de skeletten van twee, naar het laat aanzien, mensen. In een van de hoeken zien ze een paar pikhouwelen staan. Een nader onderzoek van de wanden van de grot onthult een gangetje dat uitgehakt is, maar dat nergens naar leidt. Hier is niets meer te ontdekken, op naar het rechtergangetje.
Het andere gangetje vertoont ook sporen van bewerking en er staat een tekst in de oude taal in gebeiteld: "Wie hier verder gaat wacht niets dan dood". Na een tijdje horen ze een stem zeggen "Zo, nu ben jij aan de beurt".Ze snellen vooruit en komen bij een grotere grot die verlicht is. Een aantal uitgehakte treden voeren naar de bodem en in het licht verderop in de grot zien Bartimeüs, Kritoias en Ruarc twee bedden, stoelen en kussen en een soort kooi met een stuk of zes kinderen er in, en vier boeren die op de grond liggen en een soort man in lange gewaden die bij de kooi met kinderen staat. Kritoias gebruikt snel een shield-spreuk, terwijl Bartimeüs naar zijn boog grijpt. Het is maar vijftien meter naar de kooi en op die afstand moet Bartimeüs hem makkelijk kunnen raken. Hij legt aan, wacht even tot Kritoias zijn volgende spreuk gereed heeft en schiet de man vervolgens in zijn arm. Kritoias vuurt een vuurpijl op de man af die hem ook vol raakt. Door deze twee aanvallen is de man een weerloze prooi voor Ruarc die om hem afrent en zijn buik openrijt. Zonder een kik te geven zakt de man ineen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc bevrijden de kinderen die helemaal blij zijn. Bij de priester vinden ze een aantal perkamenten in de oude taal die Ruarc ook enigszins kan vertalen: Twee brieven gericht aan Zeolin om te stoppen met wat hij doet, een kladbrief aan zijn zoon in Stilholm waarin hij schrijft dat hij ontdekkingen wil delen, maar ze niet in een brief wil opschrijven en een document met een Balbar-teken wat lijkt op spell research.De kinderen vertellen dat ze ombeurten door een nauwe gang, waarvan er een aantal uitgehakt zijn in de achterwand, moesten kruipen en naar beneden moesten klimmen waar een soort huis is. Daar moesten ze op zoek naar perkamenten en een boek. Kritoias kruipt met één van de jongetjes het gangetje in, maar kan hem niet de hele weg volgen. Het jongetje kruipt verder en Kritoias ziet dat hij wel met een Long Door spreuk verder kan komen.
Plotseling staat één van de vier mannen op en er vormt zich een groen licht om hem heen, terwijl de andere mannen ook opstaan. Voordat Bartimeüs kan reageren schiet een donkere pijl op hem af en raakt hem flink, waardoor hij een bloedende wond oploopt. Kritoias, Ruarc en de soldaten rennen op de vier mannen af en slaan er drie dood en één bewusteloos., waarbij Ruarc bijna uitglijdt over de darmen van de priester.Bartimeüs is dermate gewond geraakt dat ze zeker zes uur moeten rusten voor hij verder kan gaan. Twee soldaten en één van de jongetjes, die zelf ook lichtgevende steentjes wil maken, blijven bij hen achter. De anderen gaan naar boven.
Bartimeüs wordt wakker in zijn huis. Hij is een jongen van een jaar of zes en zijn vader Zeolin heeft hem iets belangrijks te vertellen. "Beo", zegt hij, "Ik ga iets belangrijks doen, maar daarvoor moet ik wel een paar jaar weg. Wees dapper en ga met je moeder naar Stilholm". Dan wordt Bartimeüs echt wakker en realiseert hij zich dat Zeolin de vader van Beolin is en dat Beolin in Stilholm heeft gewoond en dat dat misschien de reden is dat de toekomstig keizer daarheen is gegaan.
Na de rustpauze gaan ze op weg naar het hutje. Het jongetje klimt weer vooruit met een lichtgevend steentje van Bartimeüs en Kritoias laat iedereen leviteren en verplaatst iedereen achter elkaar tien meter vooruit. Aan de andere kant van het gangetje is een soort steenlawine die naar beneden leidt waar een onheilspellende groene gloed is te zien. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc voelen allemaal een soort kracht die hun hoofd in wil komen, maar ze weten het af te schudden. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc volgen de gang en komen bij een vervallen hutje uit dat verdacht veel lijkt op het hutje van Zeolin, dat inderdaad in de bodem is verdwenen!In het hutje vinden ze het lichaam van Pjotr die gevallen is en daardoor is gestorven en nog wat andere correspondentie. Ook ligt er het skelet van Zeolin met nog steeds een zwarte dolk er in. Bartimeüs reikt naar de dolk en voelt een soort psychische weerstand. Hij concentreert zich, pakt de dolk en trekt het uit het lichaam van Zeolin. Op dat moment voelen Bartimeüs en Kritoias heel sterk dat dit een afschuwelijk wapen is dat gemaakt is om hun opa te doden! Ook Ruarc voelt het, maar dan minder sterk. Op hetzelfde moment verdwijnt de groene gloed. Wat hebben ze nu weer gedaan?
Kritoias theoretiseert dat Zeolin onderzoek deed naar andere werelden en in staat was om daarheen te gaan en dat de aartsdruïden of de godin hem wilden stoppen. De dolk moet dan ook in staat zijn om door de werelden heen te steken. Zou het dan ook werken op het amulet van Arvan? Bartimeüs wil dat wel gaan proberen. Kritoias en Ruarc zijn in eerste instantie wat huiverig, maar het is wel de test om te doen, want andere wapens konden het amulet geen schade toebrengen. Bartimeüs pakt het amulet, klemt zijn hand om het lemmet van de dolk en laat het lemmet krachtig op het glas van het amulet neerkomen. Het glas versplintert en het bloed van Arvan stroomt eruit over de grond.Verder is er niets te vinden en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan terug naar boven en met een nieuwe Long Door komen ze in de grot uit. Samen met het jongetje en de soldaten nemen ze de weg terug en komen rond middernacht weer boven uit.
's Nachts gebeurt er niets bijzonders
De volgende dag helpen Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en de soldaten van Vandalus de inwoners van het dorpje dat Bosrand blijkt te heten. De vrouwen halen de lichamen van hun gedode mannen naar boven en nog één of twee die alleen maar bewusteloos bleken te zijn. Kritoias regelt dat de soldaten aan de slag gaan om een palissade om het dorp te bouwen zodat het dorpje beter beschermt is tegen aanvallen van monsters.In het dorp loopt ook nog een bloedmooi meisje van 16 jaar rond met de naam Mathilda. Bartimeüs probeert haar het hof te maken en in eerste instantie lijkt ze daar op in te gaan, maar dan merken Kritoias en Ruarc dat Bartimeüs kennelijk iets verkeerds heeft gezegd, want Mathilda laat Bartimeüs daarna links liggen. Ze gaat wel in op de avances van één van de soldaten van Vandalus. Bartimeüs neemt wraak door de vader van Mathilda te wijzen op de belangstelling die de "vijand" voor haar heeft en daarna hebben Bartimeüs, Kritoias en Ruarc Mathilda niet meer buiten gezien.
Tijdens de wachtbeurt van Kritoias ziet die dat er een soldaat van Vandalus naar het einde van de nog niet voltooide palissade loopt. Hij loopt de soldaat voorzichtig achterna, misschien is het één van de mannen die wacht heeft en iets bijzonders heeft gezien. Als Kritoias een schim achter de muur vandaan ziet komen gebruikt hij zijn nachtzicht. Hij ziet een tenger wezen dat niet helemaal hier lijkt te zijn. Duidelijk een type demon dat ze nog niet hebben gezien. Kritoias geeft een schreeuw als de demon zijn hand naar de soldaat uitstrekt en rent op het wezen af. Dat gaat er snel vandoor en begint steeds sneller vaag te worden en duidelijker te worden tot hij is verdwenen. Kritoias loopt terug naar de soldaat en ziet dat er een Essence-toverspreuk op hem is gebruikt. Twee wachters van Vandalus komen poolshoogte nemen, maar dan ziet Kritoias dat de magie verdwenen is. De soldaat gaat weer slapen en Kritoias keert terug naar zijn wachtpositie. Als hij de wacht overdraagt aan Ruarc licht hij hem wel helemaal in.
Bartimeüs vindt het verhaal van Kritoias verontrustend. Hij gaat kijken op de plaats waar Kritoias het wezen heeft gezien en krijgt met een toverspreuk een beeld van het wezen te zien. Hij is het met Kritoias eens dat het een demon is.Na het ontbijt gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc met de soldaten van Vandalus weer op weg naar Nymarc. Ze volgens het bospad weer terug naar de hoofdweg. Als ze daar aankomen zien ze een groep levende doden op de kruising staan. Ze staan stil en maken geen aanstalten om hen aan te vallen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen voorzichtig vooruit, waarbij Kritoias alvast energie verzamelt voor een toverspreuk. Dan hoort hij plotseling een geluid achter zicht en weet nog net een beschermende toverspreuk te werpen als de soldaat die vannacht is betoverd hem onverhoeds probeert te doorboren met zijn zwaard. De soldaat slaagt er niet in door de kracht van de magie heen te slaan. Ruarc reageert razendsnel door de soldaat te vertragen waardoor Kritoias hem een klap met zijn staf kan geven. Een andere soldaat van Vandalus komt de schrik snel te boven, hij trekt ook zijn zwaard en klieft het hoofd van de aanvaller doormidden waardoor Kritoias ondergespetterd wordt met bloed.
De soldaten van Vandalus zijn behoorlijk aangeslagen omdat één van hen zomaar iemand aanviel. Degenen die achteraan stonden kunnen het nauwelijks geloven. Bartimeüs is intussen om de groep levende doden heen gelopen en ziet dat ze aan zijn komen lopen. Aan hun kleding te zien zijn ze onlangs begraven. Hij probeert er één met een lange boomtak om te duwen, maar die duwt een beetje terug en zet een stap opzij als Bartimeüs harder duwt. Dan pakt Bartimeüs zijn bijl en hakt zijn arm er af. Bartimeüs verwacht een reactie, maar de levende dode doet helemaal niets. Dan gaat Bartimeüs aan het werk om de levende doden in mootjes te hakken zodat ze daarna verbrand kunnen worden. Na enige aansporing helpen de soldaten van Vandalus mee. Ze verbranden de overblijfselen van de levende doden en maken een aparte brandstapel voor de gesneuvelde soldaat.
De groep trekt verder naar het noorden en ruiken aan het einde van de dag de geur van klaargemaakt voedsel. Ze zijn vlakbij herberg de Zotte Haas, dus daar zal het wel vandaan komen. Helaas blijkt de Zotte Haas een ruïne te zijn, alleen de wastobbe lijkt nog in orde te zijn. Op het veld tussen de Zotte Haas en de weg hebben zich bijna zestig mensen verzameld. Als de groep naderbij komt pakken die hun wapens en roepen dat ze moeten stoppen. Ruarc gebruikt een spreuk om zijn stem te versterken en loopt een stukje naar de menigte toe. Hij vertelt dat ze geen kwaad in de zin hebben en dat ze alleen op doortocht zijn. De vluchtelingen zijn niet overtuigd en zijn bang voor de soldaten van Vandalus. Bartimeüs en Ruarc praten op de vluchtelingen in en slagen erin hen te overtuigen dat er geen gevaar van de soldaten te duchten valt.
Als de soldaten en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc hun kamp hebben opgeslagen praten Bartimeüs, Kritoias en Ruarc met de vluchtelingen. Het zijn mensen uit Lodepoort die gevlucht zijn omdat Lodepoort is overvallen door demonen en vuurhonden. Het was een ware slachting en ze konden maar ternauwernood ontkomen. Als Kritoias vraagt naar het lot van de timmerman zeggen de overlevenden dat die gedood is en dat ze hem begraven hebben. Dan weet Bartimeüs opeens waar één van de levende doden hem aan deed denken. Het was het lichaam van de timmerman! De vluchtelingen vertellen ook dat Vandalus ongeveer twee weken geleden Nymarc is binnengevallen en nu de macht in de stad heeft overgenomen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc hebben zich al weken niet meer gewassen en maken met behulp van de emmer, de waterput, de tobbe en wat toverspreuken van Kritoias een warm bad waarin ze zichzelf en hun kleding weer een beetje toonbaar proberen te maken. De kleding blijkt echter dusdanig aangetast dat ze die beter kunnen weggooien en wat van de nieuwe kleding aan kunnen doen die ze in Herrenhal hebben gekocht.Daarna gaan ze in gesprek met de vluchtelingen en weten hen te overtuigen dat ze naar Nymarc moeten gaan omdat daar enige vorm van bescherming is.
Tijdens de laatste wachtbeurt merkt Ruarc op dat het paard onrustig is. Hij ziet een man weglopen en maakt snel Bartimeüs en Kritoias wakker. Bartimeüs gebruikt zijn nachtzicht om de potentiële paardendief op te sporen en schiet een pijl door zijn been waardoor hij hevig bloedend ter aarde stort. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan bij de man kijken en zien dan de man tekenen van Vandalus draagt. Het is niet één van de soldaten, want hij heeft kokers voor perkamentrollen aan zijn riem hangen. Bartimeüs sleept de man in de bosjes en haalt voor zes zilverstukken aan geld uit zijn buidel. In de kokers zitten een brief met zegels waarop in het Vandalus waarschijnlijk staat dat deze man een belangrijke boodschapper is. De andere perkamentrol is opgerold en gesloten met een zegel van, volgens Ruarc, de koningin.
Ruarc verbreekt het zegel en ziet enigszins tot zijn verbazing dat de perkamentrol is beschreven in de keizerlijke taal. Het is een brief van de koningin aan de keizer waarin zij om zijn hulp vraagt. Het is duidelijk dat ze dit op eigen titel doet en dat haar man niet op de hoogte is. Ook vertelt zij over een koude koningin die met levende doden naar het zuiden toekomt wat haar vrienden niet vertrouwen.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc overleggen wat ze nu moeten gaan doen: Beolin tijdelijk stoppen is de eerste prioriteit omdat zijn demonen het land overspoelen, maar het is onduidelijk waar Beolin nu is en het land aan de andere kant van de rivier lijkt heel gevaarlijk. De echte druïdejagers kunnen niet heel veel doen en het is onbekend waar ze nu zijn. De echte druïden willen wel dat ze Beolin doden, maar verder zijn ze geen echte vrienden. De enige optie lijkt nu te zijn naar Nymarc te gaan om te kijken of de koningin van Vandalus hen kan helpen.
Na het ontbijt gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc, de soldaten van Vandalus en de vluchtelingen op weg naar Avendorp, de eerste stop op weg naar Nymarc. Ze zijn nauwelijks onderweg als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc plotseling aan de linkervoorkant ongeveer 20 aapdemonen op 200 meter op hen af komen stormen. Bartimeüs zegent zichzelf in naam van de godin en pakt volgens een pijl en schiet een aapdemon neer. Kritoias loopt naar het midden van de groep omdat de aapdemonen over een breed front aan komen rennen. Hij weet 14 van hen met een slaapspreuk buiten gevecht te stellen. Ruarc gebruikt een slaapverwekkend verhaal om nog twee van de aapdemonen uit te schakelen. Helaas was dat slechts deel één van de aanval. Van de andere kant komen drie vuurhonden met vier van de tengere demonen. Bartimeüs roept dat iedereen zich moet verspreiden omdat de honden vuurspuwen, terwijl hij en Ruarc samen met een groep soldaten in gevecht komen met de aapdemonen.
Kritoias gebruikt een vliegspreuk om op te stijgen en is hen op tijd weg als de vuurhonden meer dan 15 vluchtelingen flamberen. De soldaten blijven wonder boven wonder gespaard en rennen op de vuurhonden af om ze te bevechten. Ruarc wordt flink geraakt door een aapdemon, maar staat zijn mannetje en slaat de aapdemon van zich af. Bartimeüs ondersteunt de soldaten en slaat een tweetal aapdemonen dood.
Aan de andere kant weten de soldaten de vuurhonden in het nauw te drijven en er één te doden, zijn plaats wordt ingenomen door een tengere demon, maar die maakt ook geen kans tegen de ontketende soldaten. Kritoias verplaatst zichzelf achter de overgebleven drie tengere demonen en gooit een koudebal op ze . De demonen worden verzwolgen door de koude, maar het uiteindelijk effect is beperkt. Het geeft de soldaten wel de gelegenheid om, na het verslaan van de tweede vuurhond de strijd met de drie demonen aan te gaan. Bartimeüs heeft intussen de laatste vuurhond gedood en gaat aan de slag om de slapende en bewusteloze demonen te vernietigen. Ruarc komt de soldaten te hulp en slaat de ene tengere demon die niet van opgeven weet, terwijl Kritoias hem in de rug slaat. Na nog een paar slagen stort ook deze demon, samen met de andere twee tengere demonen ter aarde. Ongeveer twintig vluchtelingen en twee soldaten hebben de aanval van de demonen niet overleefd.
Ze verzamelen de doden en verbranden ze op een brandstapel. Daarna trekt de stoet met Bartimeüs, Kritoias en Ruarc, twintig soldaten van Vandalus en ongeveer veertig ex-inwoners van Lodepoort zich in beweging, op weg naar Avendorp. De lucht is bewolkt en af en toe valt er regen wat de tocht naar het noorden niet plezierig maakt. De vluchtelingen lopen veel te langzaam naar de zin van Bartimeüs, Kritoias en Ruarc, die zich zorgen maken over de hoeveelheid voedsel die er nog is. Aan het einde van de dag naderen ze Avendorp. Voordat ze het dorpje zelf zien liggen gaat Bartimeüs erop uit om het dorpje te verkennen. Hij sluipt ongezien naderbij en bespeurt beweging tussen de boerderijen en bij de voormalige herberg. Vanuit het hoge gras ziet hij dat het om mannen met geitenhoofden gaat. Het dorpje is bezet door Olcar! Het ziet er niet naar uit dat het om een gevechtseenheid gaat, maar dat de Olcar in het dorpje zijn gaan wonen.
Na spoedberaad besluiten Bartimeüs, Kritoias en Ruarc om met de hele groep de Olcar te benaderen en te vragen of ze over de weg verder mogen reizen naar het noorden. Als de Olcar de grote groep vluchtelingen ziet naderen komen ze direct uit hun huizen en staan met hun wapens klaar om hun dorp te verdedigen. Praten met de Olcar blijkt moeilijk omdat er bij deze groep geen Olcar is die de taal van Bartimeüs, Kritoias en Ruarc kan verstaan. Ruarc spreekt ze rustig aan, legt zijn wapen opzij en laat zijn lege handen zien om aan te geven dat ze geen kwaad in de zin hebben en gebaart dat ze door willen reizen. De Olcar gebaren dat iedereen zijn wapens in een kar moet leggen en dat ze dan door mogen lopen. Bartimeüs en de soldaten van Vandalus voelen zich daar niet prettig bij, maar om het dorp heen reizen kost te veel tijd. De Olcar blijken betrouwbaar te zijn en ze laten de vluchtelingen in kleine groepjes door het dorpje heenreizen.
Het is inmiddels bijna avond geworden en het is tijd om een overnachtingsplaats te vinden. Bartimeüs wijst op een zijpad en de vluchtelingen gaan van de hoofdweg af om te overnachten in een leegstaande boerderij. Het schuurgedeelte blijkt groot genoeg om alle vluchtelingen te herbergen en bevat bovendien nog wat voedsel. Kennelijk is de boerderij in grote haast verlaten, of had de boerenfamilie te veel spullen om mee te nemen. Bartimeüs probeert nog wat voedsel te vinden in de omgeving, maar hij is moe van de reis en hij kan niets vinden. Kritoias probeert te ontdekken of hier een poort is, maar ook hij heeft geen resultaat.
Het is een heldere nacht als Bartimeüs de eerste wacht neemt. De soldaten van Vandalus houden ook wacht en lopen patrouille rondom de boerderij. Bartimeüs vertrouwt het niet helemaal en verstopt zich in wat struiken naast de boerderij. Zijn wacht verloopt geruisloos. Dat kun je niet zeggen van de wacht van Kritoias. Als hij zijn zoveelste rondje rondom de boerderij loopt voelt hij plotseling iets in zijn nek prikken. Hij denkt dat het een mug is en slaat het weg, maar voelt dan iets hards en ontdekt een soort pijltje. Vrijwel direct wordt hij draaierig en misselijk en strompelt terug naar de schuurdeur. Hij weet Bartimeüs en Ruarc te bereiken en maakt hen wakker voor hij moet kotsen. Dat veroorzaakt enige onrust bij alle vluchtelingen die willen weten wat er is gebeurd. Bartimeüs neutraliseert het gif dat zeer waarschijnlijk aan het pijltje heeft gezeten. Kritoias maakt Bartimeüs onzichtbaar zodat die buiten kan gaan kijken. Bartimeüs zorgt er zelf voor dat hij iets kan zien in het donker en gaat op onderzoek uit. Maar helaas kan Bartimeüs geen sporen vinden van iemand die het pijltje moet hebben geschoten. Hij vermoedt dat er iemand in de boom is geklommen, maar een toverspreuk geeft geen beeld van iemand, terwijl er wel iets geweest moet zijn.
Ruarc neemt wat eerder dan gebruikelijk zijn wachtbeurt. Kritoias geeft hem nachtzicht zodat hij eventuele belagers beter kan opsporen. Bartimeüs, die nog steeds onzichtbaar is, gaat buiten onder een struik slapen, want hij komt niet ongemerkt de drukke stal in. Ook Ruarc's wacht gaat niet zonder incident voorbij. Als hij net even staat te kijken zoeft er een pijl langs zijn oor en slaat trillend in het hout van de zijkant van de boerderij. Ruarc ziet direct dat er een zwarte veer aan de pijl is vastgemaakt. Hij probeert zijn belager te zien, maar ontdekt, ondanks zijn nachtzicht nog steeds niets. Ruarc snelt naar binnen en maakt Kritoias wakker. Ze gaan samen naar buiten en Kritoias bepaalt op basis van de manier waarop de pijl in de schuur zit dat er toch iemand in de boom moet hebben gezeten. Hij probeert een actieve spreuk in de boom te vinden, maar ook nu is er niets te bekennen.
Ruarc maakt Bartimeüs wakker en een nieuw onderzoek laat ook nu geen sporen zien. Gezien de zwarte veer denken Bartimeüs en Kritoias dat het hier om een nieuwe waarschuwing gaat, zoals ze die een aantal maanden geleden al eerder hebben gekregen. Ruarc vraagt zich af of dit nu zijn eerste of tweede waarschuwing is, maar komt al snel tot de conclusie dat het niet veel zin heeft om te protesteren als iemand je na de derde waarschuwing aan zijn zwaard wil rijgen.
De volgende ochtend staan de vluchtelingen vroeg op. Het is nog twee dagen naar Nymarc, dus nog twee dagen naar de veiligheid. Bartimeüs blijft achter om te kijken of iemand hen achtervolgt, maar dat blijkt niet het geval te zijn. Na anderhalf uur gaat hij ook op pad en met zijn straffe tempo bereikt hij de groep weer tijdens de lunchpauze. Ook nu blijft hij even achter als de groep verder gaat. Na een aantal uur reizen horen Kritoias en Ruarc in de verte gevechtsgeluiden. Ze nemen een aantal soldaten van Vandalus mee en gaan op onderzoek uit. Al snel zien dat ze dat een drietal bewapende huurlingen in gevecht zijn met wat lopende doden. Ze haasten zich naar het strijdgewoel, maar de twee mannen en een vrouw blijken geoefende vechters die korte metten maken met de walgelijke wezens.
De vrouw heet Ketlijn, en de mannen heten Philomon en Olearvriend. Het zijn inderdaad huurlingen die meegevochten hebben met de soldaten van Vandalus en nu weer teruggaan naar Nymarc. De stad is nu ingenomen door de koning van Vandalus en het is er een puinhoop. De rechteroever is gedeeltelijk afgebrand en vergeven van de lopende doden en de linkeroever is bijna een militair kamp. De bevolking is de stad uitgestuurd om op het land te gaan werken en de zeven magistraten zijn opgehangen op het marktplein.
Dan valt Ruarc een wel heel bekend voorwerp op. Een van de mannen heeft een helm waar een staart aanhangt en die staart lijkt heel erg op de beruchte staart. Ruarc wijst Kritoias op de staart en ze vragen de mannen waar ze de staart vandaan hebben. De mannen vertellen dat ze een groepje rare mannen zijn tegengekomen en dat ze een kistje met de staart vonden toen ze ze hadden verslagen. Het kistje heeft de man verkocht voor vier zilver en vervolgens heeft hij de staart op zijn helm laten zetten. Als Kritoias hoort dat de groep regelmatig last heeft van lopende doden probeert hij ze bang te maken om ze de staart te laten overhandigen, maar daar trappen ze niet in. Ook Ruarc's beschuldigingen dat ze de staart gestolen hebben nadat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc hem bij iemand in bewaring hadden gegeven laat ze koud. Alleen vijftien zilverstukken laat de mannen afstand doen van de staart. Bartimeüs is intussen gearriveerd en luistert ongezien mee. De huurlingen gaan nu naar Nymarc, omdat de koning van Vandalus vechters kan gebruiken. Er is iets met een grote poort die niet open mag gaan. Kritoias probeert vervolgens het concept van de poorten uit te leggen, maar ziet alleen maar grote verbazing en onbegrip op de gezichten van de huurlingen.
Tegen de avond zien ze een tweetal soldaten te paard op de weg. Bartimeüs sluipt vooruit en ontdekt dat er nog iemand in de bosjes zit. De soldaten rijden naar de vluchtelingen toe en bevelen hen om weg te gaan. Nymarc is gesloten en er is voor hen geen plaats meer. Alleen als ze kunnen vechten mogen ze doorgaan. Ruarc praat op de soldaten in en zegt dat dit goede arbeiders uit Lodepoort zijn die prima op het land kunnen werken. De soldaten gaan er mee akkoord dat de groep naar Suydemarc komt, een dorpje op een dagreis van Nymarc. Daar kunnen ze dan op het land gaan werken. De vluchtelingen vinden dat in eerste instantie niet zo'n goed plan, maar Ruarc weet hen er van te overtuigen dat hun overlevingskansen groter zijn als landarbeiders dan als vluchtelingen.
Aan het einde van de dag bereiken ze Suydemarc. Het dorp is afgesloten met een versperring waar ze zich melden. De soldaten van Vandalus moeten zich direct melden bij een officier. Ze gaan helaas niet naar huis, maar moeten opnieuw gaan vechten. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc nemen uitgebreid afscheid van de soldaten in het zicht van de wachters. De huurlingen zeggen dat ze komen vechten en mogen doorlopen. Kritoias en Ruarc volgen hun voorbeeld en mogen zich ook melden bij de sergeant die beoordeelt of je goed genoeg bent. Kritoias en Ruarc laten de huurlingen eerst hun zegje doen. Elk van hen heeft een aantal goede referenties en ze krijgen een brief waarmee ze zich moeten melden in Nymarc. De sergeant vraagt vervolgens aan Kritoias waar hij heeft gevochten. Kritoias vertelt over de inmiddels uitgeroeide huurlingengroep die ze in het noorden hebben gezien en de samenwerking met de druïdejagers. De man zegt dat dat inderdaad wel een slachting was. De sergeant kijkt wel vreemd op als Kritoias geen zwaard heeft, maar een staf, maar geeft hem toch een brief. Ruarc zegt dat hij daar ook bij was en ook hij wordt geschikt bevonden. Dan slaat Bartimeüs Kritoias op zijn rug en zegt, "Moet ik me hier melden voor vechten in Nymarc?". De huurlingen kijken even vreemd op, maar de sergeant interesseert het allemaal niet zoveel. Ook Bartimeüs krijgt een brief en vraagt waar ze kunnen slapen. "Buiten het kamp, nu wegwezen hier en zorg ervoor dat je morgenavond in Nymarc bent!"
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zetten hun tentje net buiten het kamp van de soldaten van Vandalus op en vervallen in hun gebruikelijke nachtritme. Iets te gebruikelijk, want nadat hij zijn wachtbeurt heeft gehad gaat Kritoias weer dromen. Hij komt een jong uitziende Kalkaris in een tent tegen in zijn droom die zegt dat ze nu misschien wel iets gevaarlijks aan het doen zijn omdat ze Arvan hebben afgesneden. Kritoias hoort buiten wat geritsel, maar in de tent lijkt het veilig. Ruarc, die wacht houdt, hoort intussen buiten ook geluiden en hij vertrouwt het niet. Hij schopt Bartimeüs en Kritoias om ze wakker te maken, maar Kritoias blijft slapen. Als Bartimeüs op hem afloopt om hem wakker te maken ziet hij in zijn droom iemand op hem af komen en probeert hem af te weren. Kritoias grijpt daarop Bartimeüs bij zijn benen en probeert hem te laten vallen. Ruarc gebruikt een spreuk om Kritoias te kalmeren, maar ziet dat tot zijn schrik dat er groen licht van de staart komt die Bartimeüs bij zich draagt. Kritoias wordt wel rustig, maar nog niet wakker. Dan is er buiten gekraak is te horen. Ruarc schopt Kritoias nu wakker en spoedt zich naar buiten waar een tiental aapdemonen uit de bosjes het kamp binnenstormen. De huurlingen en Bartimeüs en Ruarc houden stand, terwijl Kritoias wakker wordt. Een van de huurlingen wordt bijna overlopen door de aapdemonen als Kritoias een, opnieuw door de staart versterkte, slaapspreuk gebruikt om de helft van de aapdemonen uit te schakelen. Bartimeüs en Ruarc hebben er intussen al één uitgeschakeld en ook de twee andere huurlingen krijgen de overhand. Met een tweede slaapspreuk is het gevecht voorbij. Bartimeüs gaat nog even bij alle demonen langs om ze de genadeslag te geven.
Na het gevecht neemt Ruarc zijn wachtbeurt weer op en gaan Bartimeüs en Kritoias nog even slapen.
De volgende ochtend maakt Ruarc alweer vroeg ontbijt. Hij kijkt naar de lucht en ziet dat het een mooie dag gaat worden. De huurlingen zijn behoorlijk op zichzelf en hebben geen lastige vragen gesteld na het gevecht. Bij het ontbijt proberen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc een plan te maken om bij de koningin te komen. Een van de ideeën is om zich voor te doen als boodschapper van de keizer. Het is alleen jammer dat ze maar twee documenten hebben waarin staat dat ze namens de keizer werken en dat de boodschapper nog lang niet in de hoofdstad zou zijn aangekomen.Overdag komen Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en de huurlingen een aantal mannen tegen met een kudde runderen. Het blijken koeiendieven te zijn die hun gestolen waar in Nymarc aan de troepen van Vandalus gaan verkopen. De mannen hebben verder geen informatie over Nymarc en gezien hun tempo besluiten Bartimeüs, Kritoias en Ruarc om niet met deze dieven op te trekken.
Tegen het middaguur houden ze een korte pauze om te lunchen. De hoeveelheid water wordt schaars, maar daar heeft Kritoias wel een oplossing voor. Hij tovert 27 liter water uit de lucht. Nadat ze verder zijn gelopen komen ze een kleine groep soldaten tegen die over de weg lopen. De soldaten spreken hen aan en vinden het prima dat ze naar Nymarc komen om mee te vechten. Zij zijn aan het zoeken naar lichamen om te verbranden zodat er niet nog meer lopende lijken ontstaan.Aan het einde van de middag komen Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en de huurlingen bij de zuidkant van Nymarc aan. Nymarc heeft geen stadsmuur, maar daar proberen de soldaten van Vandalus nu snel iets aan te doen. Over de weg is een barricade opgeworpen en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zien dat er van alle kanten bouwmateriaal wordt aangesleept om deze muur te versterken. Bij de muur moeten ze vertellen wat ze komen doen. Als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc hun papieren laten zien worden ze naar de herberg de "Loden Vrijster" gestuurd, bij de verbrande molen naar links. De andere huurlingen moeten naar een andere herberg toe.
Als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc de afslag hebben genomen zien ze in de verte al het metalen uithangbord van de Vrijster hangen. Bij de poort staan een tweetal soldaten die hen doorsturen naar Juanes de kwartiermeester. Kritoias vraagt naar de stal en zet hun enig overgebleven paard in de stal. Voordat hij naar de kwartiermeester loopt maakt hij nog snel even zijn bijzondere ring onzichtbaar.Bij de tafel van de kwartiermeester staan nog twee man te wachten, het zijn de boeren Peter en Jan die dit waarschijnlijk als enige manier zagen om aan eten te komen. Na een paar minuten komt Juanes aanlopen. Een dikke man van middelbare leeftijd. Hij confisqueert het paard van Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en vraagt of ze nog andere waardevolle spullen bij zich hebben. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc ontkennen dat in alle toonaarden. Dan vertelt Juanes dat ze alle vijf zijn ingedeeld in het legeronderdeel van Baron Con de Flandos en dat ze de volgende ochtend opgehaald worden door Stinkende Hans. Ze mogen de oevers van de rivier gaan beveiligen. Een belangrijke, maar helaas ook gevaarlijke klus.
Die avond mogen ze op de open plaats van de "Loden Vrijster" slapen. Ruarc probeert nog wat informatie uit de andere soldaten te verzamelen en vertelt een mooi verhaal over dappere vechters. Kritoias kijkt intussen of er een poort in de buurt is, maar dat blijkt niet het geval te zijn. Ruarc raakt in gesprek met de soldaten en hoort dat het hier nog rustig is. De oevers is geen pretje, maar nog beter dan op het kerkhof waar het echt een hel zou zijn. Naast het legeronderdeel van Baron Con de Flandos met 1000 troepen heeft Demortalis ook een deel onder zich, zo'n 300 man. Ten slotte is er ook nog de Barones de Albello met ook zo'n 1000 soldaten onder haar. Als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc informeren naar de tegenstanders dan blijkt dat er aan de andere kant van de rivier demonen en lopende lijken rondlopen. Dat is vooral 's nachts en dan proberen ze naar deze kant van de rivier te komen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc houden die nacht ook zelf de wacht. Dat is maar goed ook, want Kritoias hoort bij zijn wachtbeurt in de verte geluiden van gevechten aan deze kant van de rivier. Hij maakt Bartimeüs en Ruarc wakker die snel hun pantser aantrekken. Als Kritoias kijkt blijken de wachters bij de poort van de herberg verdwenen te zijn. Hij gebruikt snel een schildspreuk, terwijl Bartimeüs een zegen doet en dan gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc op zoek naar het lawaai.Een straat verder zien ze een aantal soldaten van Vandalus in gevecht met een achttal lopende lijken. Ongeveer 15 meter achter de lopende lijken zweeft een half demon-half lopend lijk. Het wezen is een beetje doorzichtig en lijkt de lopende lijken extra kracht te geven. Ruarc ziet dat deze lopende lijken herstellen van de klappen die ze van de soldaten krijgen. Als ze dit monster niet uitschakelen gaan de soldaten van Vandalus nooit winnen. Kritoias maakt zich op om een vuurpijl richting het monster te schieten, maar dan bedenkt Bartimeüs dat het een goed idee is om hem in de rug aan te vallen. Kritoias verplaatst hem daarop tot vlak achter de demon. Wat een goed idee leek te zijn blijkt de volledig verkeerde keuze. Bartimeüs heeft de staart immers nog bij zich! Hij heft zijn bijl om de demon in de rug te slaan, maar die draait zich razendsnel om en valt Bartimeüs aan. Bartimeüs slaat eerst, maar het voordeel wat hij dacht te hebben is vervlogen en zijn klap doet vrijwel geen schade. De demon mist, maar dan zien Kritoias en Ruarc dat vier van de lopende lijken zich omdraaien en op Bartimeüs aflopen. Ondertussen verplaatst Kritoias Ruarc tot achter de lopende lijken. Bartimeüs besluit om er vandoor te gaan, achtervolgd door vier van de lopende lijken. Ruarc loopt naar de demon toe en slaat op hem in, maar weet geen grote schade toe te brengen.
Kritoias ziet intussen hoe de soldaten aan het verliezen zijn. Een van hen was gesneuveld, maar staat nu als lopend lijk weer op. Dit gaan de soldaten nooit winnen! Kritoias neemt een besluit en probeert dan maar de hele boel met een vuurbal op te blazen, maar zijn onderbewustzijn is het niet met hem eens en de toverspreuk mislukt. Dan slaat de demon op Ruarc in die daar vreselijk bang van wordt en wegrent, midden in het pad van het lopende lijk. Kritoias ziet dat de demon nu weer alleen staat en schiet hem uiteindelijk overhoop met een pijl van vuur. Daardoor stoppen plotseling ook de lopende lijken. Als het gevecht is afgelopen komt Bartimeüs van de achterkant aanrennen. Hij heeft een blokje omgerend en heeft de lopende lijken afgeschud.
Na deze enerverende gebeurtenis gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc weer terug naar de herberg en Ruarc neemt de laatste wacht weer op zich. Omdat de staart in de buurt is gaat Kritoias weer dromen. Dit keer lijkt hij in het koude zuiden te zijn waar een groot leger lopende lijken naar het noorden optrekt. Het zijn dit keer dode barbaren. Als hij staat te kijken komt Gweolyn bij hem staan. Hij probeert nog enige informatie uit haar te peuteren, maar Gweolyn laat zich niet verleiden iets te zeggen.
Na het reveille is er weer van die heerlijke Nymarcse mannenpap. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Jan en Peter worden opgehaald door Stinkende Hans en lopen mee naar een soort barak in een verlaten woonhuis. Daar zoeken Bartimeüs, Kritoias en Ruarc een plekje en verstoppen wat van hun spulletjes. Als ze buitenkomen staat Sergeant Du Volain al klaar om echte soldaten van ze te maken. Bartimeüs en Kritoias vinden het allemaal wat onzin en moeten na een paar snuggere opmerkingen wat smerige klusjes doen. Als ze gaan zwaardvechten blijken Bartimeüs en Ruarc dit een beetje te kunnen. Ee andere rekruten en Kritoias kunnen er vrijwel niets van. Kritoias meent dat het aan de zwaarden ligt, die zijn namelijk van lage kwaliteit. Hij betovert alle drie de zwaarden van Bartimeüs, Kritoias en Ruarc.Aan het einde van de dag overleggen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc wat ze moeten doen. Hoe komen ze nu bij de koningin van Vandalus, die in het oude magistratenpaleis zit. Kritoias is vooral bang dat de staart weer voor problemen gaan zorgen nu het kistje weg is. Dan bedenkt hij zich dat het uithangbord van de Loden Vrijster natuurlijk van lood is. Dat zal misschien kunnen helpen!
Die avond lopen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc naar de Loden Vrijster om te kijken of ze het loden bord kunnen gebruiken om de staart af te schermen. Ze vertellen de wachtpost dat ze op patrouille moeten. Op weg daar naar toe merkt Kritoias iemand op die hen volgt. Ze duiken een steeg in en terwijl Bartimeüs daar achterblijft maakt Ruarc een illusie van een man met een mantel. Kritoias en Ruarc lopen de steeg weer uit en verder de straat door, terwijl Bartimeüs blijft wachten tot de achtervolger is gepasseerd. Nu wordt de achtervolger de achtervolgde. Bartimeüs sluipt naderbij en ontdekt dat het Ketlijn is, een van de huurlingen die ze ten zuiden van Nymarc tegenkwamen. Als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc haar confronteren zegt dat ze dat hen helemaal niet achtervolgde en gewoon de buurt verkende. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertrouwen het niet, maar willen ook geen magie gebruiken om de waarheid uit haar te trekken omdat ze zich dan direct zouden verraden. Ze nemen afscheid van Ketlijn en gaan verder naar de Loden Vrijster.
Kritoias gebruik een slaapspreuk om een wachter in slaap te toveren. Dan gebruikt Ruarc zijn magie om ervoor te zorgen dat ze geen geluid maken. Als ze het bord er af hebben getakeld, met een beetje klimwerk, maakt Kritoias het bord onzichtbaar. Na een korte wandeling komen ze terug in de barak aan waar de wachters roepen dat die patrouille volgens hen helemaal niet klopte. Ruarc gebruikt zijn smeedkunst om op een achteraf plekje in de barak, met gebruik van magie om het stil te houden een mooie koker voor de staart te maken. Alleen bij een wachtronde moet hij zijn werk even onderbreken.
Waarschijnlijk door de aanwezigheid van de staart gaat Kritoias weer dromen. Hij wordt wakker in het veld en is lid van clan Karanach. Ze moeten langs de rivier marcheren tot ze van Beolin moeten zoeken naar een groepje bomen. Dat zijn krachtpunten, punten van macht die vaak samenvallen met een of meer eikenbomen. Dan gaat alles in slow motion en beweegt de horizon. Plotseling worden ze allemaal wakker door een alarmerende toeter. De wachtpost roept iedereen te wapen, want er is een aanval bij de rivier. Met het hele peloton gaan ze erop af, maar ze worden uiteindelijk niet ingezet. Daarna kunnen ze weer gaan slapen.
De volgende dag begint met de ochtendbel en ontbijt. Daarna gaat de groep van nu zo'n twintig man weer oefenen met de houten zwaarden. Kritoias doet weer slim en mag gaan vegen. Na de middagmaaltijd gaat het echt beginnen. Ze varen met een aantal boten naar de andere kant van de rivier waar ze moeten zoeken naar lichamen om te verbranden. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc kammen een aantal gebouwen uit, maar vinden niets bijzonders. Plotseling horen ze een gil een paar straten verderop waar een paar andere soldaten aan het zoeken zijn. De sergeant vraagt om vrijwilligers om het huis in te gaan waar één van de soldaten naar binnen is gegaan en niet meer uit is gekomen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc wachten even af, maar stellen zich dan beschikbaar. Ze doorzoeken voorzichtig het huis en vinden de bewusteloze man boven aan de trap naar de eerste verdieping. Ze nemen hem mee naar buiten en na nog een uur zoeken gaat het peloton weer met de boten terug naar de barak. Ze hebben rusttijd tot het eten.
Na het eten moeten ze nog even oefenen met het zwaard en worden de wachten ingedeeld. Ruarc heeft eerste wacht. Dat vinden Bartimeüs en Kritoias niet heel prettig, want ze wilden met zijn drieën naar het magistratengebouw om te kijken of de koningin daar is. Ruarc zegt dat ze vooral met zijn tweeën moeten gaan. Hij zal de wacht afleiden met wat buikspreken en hypnose. Zo gezegd zo gedaan en Bartimeüs en Kritoias komen ongezien weg uit de barak.
Bartimeüs en Kritoias lopen voorzichtig door de straten en proberen bij het marktplein in de oude stad te komen, maar alle doorgaande wegen zijn afgezet met barricades en wachtposten. Ook de tussenliggende huizen zijn dichtgetimmerd en versterkt. Uiteindelijk besluiten Bartimeüs en Kritoias om dan maar over een huis heen te gaan. Bartimeüs klimt behendig omhoog, terwijl Kritoias een toverspreuk gebruikt om op het dak te springen. Op dat moment komt er een patrouille langs, maar die ziet gelukkig niets. Aan de andere kant van het huis is het aardedonker. Met enige moeite weet Bartimeüs de weg naar het magistratenpaleis te vinden, maar daar staan ze voor een grote muur. Als Bartimeüs over de muur heen kijkt ziet hij overal in de tuin wachters staan. Dan valt hen op dat er ook een deel van het gebouw is dat direct aan de weg grenst. Daar zit een blinde muur, maar dat is voor Kritoias geen probleem. Ze klimmen omhoog op de muur en dan maakt Kritoias een deuropening in de muur. Bartimeüs en Kritoias glippen snel naar binnen en lopen voorzicht door de verlichte gangen van het magistratenpaleis.
Ruarc wordt opgeschrikt door een brute aanval van achteren op zijn collega wachter. De man die bewusteloos was staat achter hen en valt hen met blote handen aan. Ruarc haalt een paar keer uit en de man stort dood ter aarde. Kennelijk was hij bezeten door één of andere duistere macht die hem zijn vrienden deed aanvallen.
Bartimeüs en Kritoias hebben zich intussen in een lastig pakket gewerkt, want op de bovenverdieping lopen allemaal wachters ronde. Kritoias maakt hen beide onzichtbaar, maar dat helpt maar ten dele. De wachters zijn bijzonder bij de les en horen vrijwel alles wat niet in de haak is. Bartimeüs en Kritoias ontdekken een deur die apart bewaakt wordt en aan de heraldiek te zien waarschijnlijk bewoond door de koningin, maar ze kunnen er niet bij komen. Als Kritoias een verkeerde beweging maakt komen de wachters achter hen aan. Kritoias laat hen beide opstijgen zodat ze nu tegen het plafond vooruit kunnen bewegen. Met enige moeite weten ze beneden te komen en vinden uiteindelijk een verlaten gang waar ze door het raam naar buiten de tuin in kunnen. Ze vliegen over de muur en verdwijnen in het duister. Bartimeüs vindt zelf zijn weg terug door het doolhof van straatjes en klimt weer over een huis, terwijl Kritoias een spreuk gebruikt om terug te vliegen naar de barak.
Teruggekomen vertellen Bartimeüs en Kritoias hun verhaal aan Ruarc, daarna slapen ze alle drie als een zonnetje tot ze door het ochtendreveille worden gewekt.
Na een minimaal ontbijt moeten ze opnieuw oefenen met het houten zwaard. Kritoias doet zijn best, maar weet opnieuw sergeant Duvolin te irriteren en hij mag opnieuw gaan vegen. In de ochtend blijkt dat de sergeant niet kan lezen, want als een boodschapper te paard nieuwe orders brengt moet hij een andere soldaat vragen om de boodschap voor te lezen. Kritoias vraagt de andere soldaat wat ervoor bijzonders in stond en die vertelt dat ze binnenkort naar de overkant moeten voor iets dat "Inferno" heet.
De lunch brengt wat waterig brood. De rantsoenering van het eten leidt tot onrust en gebrek aan motivatie van de manschappen waardoor er ruzie ontstaat vanwege iemands "lelijke kop". Na het eten moet er een-tegen-een gevochten gaan worden. De sergeant vraagt om een vrijwilliger en Bartimeüs biedt zich aan. Naast het houten zwaard moet Bartimeüs ook een schild gebruiken. De sergeant heeft ook een zwaard en schild, valt Bartimeüs aan en die weet het merendeel van de slag te pareren. Dan zegt de sergeant: "Probeer mij nu maar eens te raken". Dat laat Bartimeüs zich geen tweede keer zeggen. Hij maakt een paar schijnbewegingen die de sergeant niet had verwacht en steekt dan langs het schild en raakt de sergeant in de zij. Bartimeüs ziet het tuniek rood worden en de sergeant ijlt weg om zich te laten verbinden. Daarna wil niemand meer met Bartimeüs oefenen.
Het rantsoen van het avondeten is maar marginaal beter. Er zit in ieder geval wat vet bij. Na het eten trekken Bartimeüs en Kritoias zich terug om de brief aan de koningin te schrijven. Daarin zetten ze dat ze weten van de brief die zij aan de keizer heeft geschreven, de jacht die ze zelf maken op de aartsdruïden en dat ze denken dat die er achter zitten. Vervolgens zet Kritoias in de brief dat ze graag met haar willen spreken om elkaar te kunnen helpen, waar ze gelegerd zijn en dat ze een goede verhalenverteller bij zich hebben waarmee ze misschien binnen kunnen komen. Helaas heeft Kritoias zich niet gerealiseerd wie de ontvanger van de brief is waardoor het een veel te ingewikkeld verhaal met belachelijk moeilijke worden is geworden. Een van de soldaten komt kijken wat ze aan het doen zijn en Bartimeüs en Kritoias poeieren hem af. Kritoias is het wel een beetje zat en tovert de man in slaap. Omdat hij midden in het gangpad ligt ziet de sergeant dat bijna meteen. Hij schopt hem wakker en geeft hem een bezem om te vegen.
Terwijl Ruarc al op wacht staat zorgt Bartimeüs voor wat afleiding zodat Kritoias ongezien weg kan komen. Hij gaat naar het bed van één van de soldaten die net daarvoor een snuggere opmerking maakte en nu net doet of hij ligt te slapen. Bartimeüs spreekt hem aan en geeft hem een kleine klap in een gevoelige plek. De soldaat staat op en geeft Bartimeüs een enorme dreun in zijn gezicht. Nadat Bartimeüs daarvan is bijgekomen haalt hij een paar keer uit naar de soldaat die neergaat. Vervolgens loopt het bijna uit de hand als een andere soldaat hem wil slaan. De andere soldaten komen tussenbeide en grijpen de ruziemakers vast. Ook Ruarc komt aanlopen en vertelt een kalmerend verhaal.
Kritoias loopt intussen naar een minder opvallende plek en maakt zichzelf onzichtbaar. Dan gebruikt hij een toverspreuk om te kunnen vliegen, stijgt op en vliegt rechtstreeks het paleis van de magistraten. Bij het paleis aangekomen stijgt hij eerst op om van bovenaf de kamer van de koningin te benaderen. Kritoias maakt een gat in het dak, maar hij komt bedrogen uit, of liever gezegd op de zolder. Nu heeft hij nog een portalspreuk nodig om een gat te maken in het volgende plafond. De kamer eronder is gelukkig een beetje verlicht en hij kijkt bovenop een hemelbed. Voorzichtig daalt hij langs het hemelbed af en ziet dat daar een vrouw in ligt te slapen. Kritoias pakt de perkamentrol en legt hem zachtjes op het bed. Hij begint op te stijgen en is bijna door het gat in het plafond als hij plotseling een stem hoort."Wie is daar?" fluistert een vrouwenstem uit een hoek van de kamer.
Kritoias wil snel het gebouw uit, want de gaten in dak en plafond blijven maar anderhalve minuut open, maar iets houdt hem tegen. Hij herkent de stem, het zou toch niet? Kritoias besluit om toch naar beneden te gaan, hij heeft nog wel een andere manier om weg te komen. Vlakbij de grond aangekomen ziet hij een vrouw in de kleding van een kamenierster maar met de bekend gelaatstrekken van Metla."Metla?" zegt KritoiasDe vrouw waarvan Kritoias denkt dat het Metla is steekt een paar keer in zijn richting met een dolk die ze plotseling tevoorschijn heeft gehaald en fluistert. "Metla is dood! Metla is dood! Wie ben je?"Kritoias is nog steeds niet zeker of dit echt Metla is en vertelt dat zij elkaar ontmoet hebben in het noorden."K, K, ehm, Kritoias? Wat doe jij hier?"Kritoias is er nu van overtuigd dat het Metla is en vertelt waarom Bartimeüs, Kritoias en Ruarc in contact willen komen met de koningin. De vrouw die zich hiervoor Metla noemde spreekt met Kritoias af dat ze naar hen toe zal komen om te overleggen. Kritoias gebruikt een spreuk om te vliegen en verplaatst zichzelf daarna met een spreuk naar het dak. Even later komt hij aan bij Bartimeüs en Ruarc en vertelt over de ontmoeting met Metla
Bartimeüs en Kritoias lopen gezamenlijk naar de wachtpost om te kijken of ze de poort uit kunnen komen. De wachtpost vraagt aan hen waarom ze naar buiten willen. "Ik moet poepen en hier stinkt het veel te erg" zegt Bartimeüs"En waarom gaat hij dan mee?" vraagt de wachtpost terwijl hij naar Kritoias wijst, "zeker om je reet af te vegen!""Ja, dat klopt" zegt Bartimeüs en Bartimeüs en Kritoias weten zo de barak uit te komen.In het steegje vlak om de hoek verschijnt Metla plotseling achter hen. Zij vertelt dat ze nu Sylvia heet en dat ze de kamenierster van de koningin van Vandalus is. Een gesprek met haar zal moeilijk zijn, want ze is eigenlijk een gevangene in het paleis van de magistraten. Ze is meegekomen uit Vandalus omdat de koning nog steeds geen troonopvolger heeft. Sylvia verdenkt de raadgever van de koning, want hij is de oom van de koningin. Als er een mannelijke troonopvolger komt en zowel de koning als de troonopvolger sterven, dan wordt de raadgever de koning. Bartimeüs en Kritoias spreken met Sylvia af dat zij een plan verzinnen om het paleis opnieuw binnen te dringen en met de koningin in gesprek te gaan. De volgende nacht zullen ze elkaar hier opnieuw ontmoeten. Bartimeüs en Kritoias gaan terug naar de barak en gaan slapen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc worden weer verkwikt wakker en komen in hun standaard routine terecht van ontbijt en oefenen, waarbij Kritoias na een snuggere opmerking weer mag vegen. In de ochtend komt een nieuwe boodschapper aan en sergeant Duvolin vertelt hen dat ze na de lunch moeten helpen een barricade te herstellen.Als ze bij de barricade aankomen blijkt dat daar stevig is gevochten en dat de barricade ernstig beschadigd is. Van de sergeant moeten ze materiaal voor de barricade gaan verzamelen uit de buurt. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc kijken een beetje rond en zien een huis in de buurt, maar ze hebben geen gereedschap om het huis te ontmantelen. Gelukkig komt er al snel een kar waar pikhouwelen, bijlen en andere gereedschappen op liggen.Bartimeüs en Kritoias zorgen voor een imagoverbetering van Bartimeüs. Kritoias gebruikt een toverspreuk om de muur van één van de huizen te verzwakken. Bartimeüs gebruikt vervolgens een pikhouweel om met een enorme klap een stuk van de muur er af te slaan, waarna een groot deel van het huis instort.Na een paar uur werk is de barricade weer provisorisch hersteld.
In de avond denkt Kritoias slim te zijn door snugger te doen tegen de sergeant en hem te overtuigen dat ze naar de overkant moeten. Samen met Bartimeüs gaat hij op weg naar de boot met het idee om halverwege om te draaien zodat ze vannacht Sylvia kunnen ontmoeten. Helaas is het nog niet helemaal donker waardoor Bartimeüs en Kritoias genoodzaakt zijn om helemaal naar de overkant te varen. Daar lijkt het eerst heel rustig, maar dan zien ze uit hun ooghoeken een menselijke gestalte bij een herberg. Als ze naar die plek heen lopen ontdekt Bartimeüs met een toverspreuk dat het waarschijnlijk een soort demon is. Hun plan om even in de herberg naar eten te zoeken laten ze varen en ze spoeden zich terug naar de boot. Maar halverwege worden ze plotseling verrast door een groep van vier demonen die uit een zijstraat aan komen rennen.
Kritoias weet één er van in slaap te toveren voordat de overige drie demonen bij hen zijn. Ook deze nare wezens vallen elk met twee klauwen aan en Bartimeüs en Kritoias komen al snel in de problemen. Bartimeüs weet één van de demonen kapot te slaan, maar Kritoias wordt een paar keer goed geraakt waardoor hij een tweetal bloedende wonden oploopt. Hij probeert de demon neer te slaan, maar heeft daar geen kans toe en kan niet anders dan een toverspreuk gebruiken om weg te komen. Daardoor staat Bartimeüs opnieuw tegenover twee demonen. Kritoias probeert een slaapspreuk en een shock bolt om één van de demonen uit te schakelen, maar de klappen die hij heeft gehad en het bloedverlies doen zijn concentratie geen goed. Ten slotte rent hij terug naar de boot om daar zijn bloedende wonden te genezen.
Voor Bartimeüs ziet de situatie er slecht uit als plotseling Ruarc opduikt. Hij kwam er pas later achter dat zijn neven naar de overkant waren gegaan en voorzag al dat dat tot problemen zou leiden. Met een andere boot is hij naar de overkant gevaren en arriveert net op tijd om met zijn strijdhamer de demonen van achter aan te vallen. Bartimeüs en Ruarc slagen er in om beide wezens te doden. Bartimeüs gebruikt zijn niet magisch gemaakte bijl om het hoofd van de slapende demon af te hakken en mee te nemen naar de overkant.
De sergeant weet eigenlijk niet wat hij nu met Bartimeüs, Kritoias en Ruarc aan moet. Onder het bloed komen Bartimeüs en Kritoias begeleid door Ruarc terug van de overkant. Bartimeüs laat de kop van de demon aan de sergeant zien en spietst hem daarna op een staak bij de ingang van de barak.
's Nachts laten Bartimeüs en Ruarc Kritoias slapen en overtuigen de wachtpost dat ze even naar buiten moeten. In het steegje komen ze Sylvia opnieuw tegen en ze spreken af dat ze de volgende nacht met twee man zullen verschijnen in de kamer, Kritoias en Ruarc. Ruarc zal ervoor zorgen dat buiten de kamer niemand kan horen wat er wordt gezegd.
Maar voor Kritoias wordt het toch niet zo'n rustige nacht. Hij wordt wakker gemaakt door een goed uitziende jonge man tussen de ruïnes van de stad. De stank van de afgebrande barakken komt hem tegemoet. De jongeman wil graag van Kritoias weten wat hij in de stad komt doen, maar de echte reden wil Kritoias hem niet vertellen. Hij is namelijk bang dat het om een aartsdruïde gaat die hun plannen om met de koningin te praten wil verijdelen. Kritoias zegt daarom dat ze iets met de poort willen doen die in de stad is. De jongeman vindt dit wat merkwaardig en probeert Kritoias verder uit te horen, maar die weet het gesprek om te draaien en de man te bevragen waarom hij toch zo graag de boel wil vernietigen, daar is toch niets moois of knaps aan. De jongeman heeft het over macht en bouwen en vergelijkt mensen met graankorrels in je brood. De filosofische discussie met de man voert uiteindelijk nergens toe en de man neemt afscheid, waarna trompetgeschal volgt.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc worden alle drie wakker door rumoer bij de demonenkop. Een van de wachtlopers zegt dat hij een bijna 2,5 meter grote wolf bij de kop heeft zien rondlopen. Bartimeüs vindt dit een sterk verhaal, maar gaat toch op onderzoek uit. Met zijn nachtzicht zoekt hij naar sporen bij de demonenkop, maar die kan hij op de harde ondergrond niet vinden. Dan gebruikt hij zijn spreuk om te kijken wie hier de afgelopen negen uur langs is gelopen. Het eerste wat opvalt is dat een gestalte in een mantel met een kap bij de demonenkop kijkt en ook de barak in de gaten schijnt te houden. Dat zou best wel eens Ketlijn kunnen zijn, een van de huurlingen. Vervolgens ziet hij helemaal op het einde inderdaad een enorme wolf die op twee poten staat. "Het zou een weerwolf kunnen zijn", denkt Bartimeüs, "maar in ieder geval niet degene die op de boot was." Maar dan spreidt de wolf zijn voorpoten, lijkt vleugels te ontwikkelen en vliegt weg."Ja, je had gelijk" zegt Bartimeüs, "Het was inderdaad een hele grote wolf""Brrr", zegt de soldaat, "maar waar is hij dan gebleven" en terwijl hij dat zegt kijkt hij angstig rond."O, hij is weggevlogen, dus je hoeft je nu niet ongerust te maken" antwoordt Bartimeüs, de soldaat in complete verwarring achterlatend.
Na nog een paar uur geslapen te hebben is het weer tijd voor de dagelijkse routine: lekkere mannenpap en oefenen met het zwaard en schild. Bartimeüs en Kritoias voelen zich nog niet heel erg lekker, maar ook Ruarc klaagt overtuigend dat hij pijn in zijn pols heeft van het vechten. In de loop van de ochtend komt er opnieuw een boodschapper voor sergeant du Volain. Nadat hij de boodschap voor heeft laten lezen staat zijn gezicht op onweer."Dat hebben jullie weer lekker gedaan gisteren", zegt hij terwijl hij naar Bartimeüs en Kritoias kijkt. "Met dat laten instorten van het huis hebben jullie fijn de aandacht op ons gevestigd, stelletje supersoldaten. Nu moet ik een heel verslag schrijven". Hij wenkt de soldaat die altijd zijn brieven leest en samen lopen ze naar de stamtafel van de sergeant.'s Ochtends had Bartimeüs al geprobeerd om een grote vogel van de demonenkop te schieten om zo aan wat vlees te komen, maar die vogels zijn een stuk beweeglijker dan je zou verwachten. Voor het middagmaal gebruikt Kritoias een slaapspreuk om de vogel in slaap te toveren. Bartimeüs loopt naar de demonenkop, pakt de vogel, die natuurlijk niet wegvliegt en draait zijn nek om."Hè? waarom vloog die vogel nou niet weg" vraagt een verbaasde soldaat.Bartimeüs levert de vogel af bij de kok die hem voor het avondeten gaat gebruiken
In de middag gaat het oefenen gewoon door. Bartimeüs is een beetje verveeld, want eigenlijk wil niemand met hem oefenen. Als hij wat rondkijkt staart hij plotseling rechtstreeks in de ogen van een roodharige vrouw die op de straat zijn kant op kijkt. Ze schrikt en duikt direct weg. Bartimeüs heeft het vreemde gevoel haar te kennen, maar kan zich niet herinneren haar eerder te hebben gezien. Hij weet nog wel dat een roodharige vrouw naar hem en Kritoias op zoek was in Nymarc. Zij heeft volgens de kok van oom ooit een magistraat betoverd en ze heeft oom ondervraagd toen hij gevangen werd gehouden door de magistraten.Tijdens het avondeten heeft de kok inderdaad soep met vogelsmaak met wat draadjesvlees er in. Na het eten gaat Kritoias snel slapen om voldoende energie te verzamelen voor de nacht.
Ongeveer een half uur voor middernacht maken Kritoias en Ruarc zich klaar om naar het magistratenpaleis te gaan. Het plan is om eerst naar buiten te sluipen en dan bij de gebarricadeerde huizen omhoog te vliegen naar het dak van het gebouw waar de koningin zit en dan door het dak en plafond naar beneden te gaan. Het eerste probleem is om ongezien weg te komen. Ruarc denkt even na en maakt een kleine beweging en dan ontstaat er een stukje buiten de poort van de barakken een metaalachtig geluid alsof er iemand met zijn zwaard over de muur aan het schrapen is. De wachters raken afgeleid door het geluid en kijken van een afstandje wat er aan de hand is. Als Kritoias achterlangs wil sluipen gaat het nog bijna mis als hij tegen de muur aanloopt, maar de ene wachter neemt de ander mee naar het rare geluid.
Kritoias en Ruarc sluipen door de donkere straten van Nymarc, ontwijken een patrouille met toortsen en komen zonder nare gebeurtenissen aan bij de gebarricadeerde huizen. Kritoias laat hen met twee spreuken allebei vliegen. Dat is voor Ruarc nog wat onwennig, want het is de eerste keer dat hij vliegt. Gelukkig heeft hij er weinig problemen mee en vanuit de lucht zien ze de oude markt waar de tent van de koning nog steeds verlicht is. Ze komen zonder opgemerkt te worden aan op het dak van het magistratenpaleis. Ruarc maakt zijn geluidsbubbel waar geen geluid uit kan komen en Kritoias tovert hen allebei direct naar beneden in de kamer van de koningin.
Kritoias legt zijn wapen weg en samen met Ruarc buigt hij voor de koningin. De koningin weet van hun komst en vraagt hen waarom ze hen zou vertrouwen, maar daar hebben Kritoias en Ruarc niet echt een goed antwoord op, anders dan dat zij ook het land willen redden. Op de vraag van de koningin hoe ze aan de brief voor de keizer komen vertellen ze dat de boodschapper dood gevonden hebben, waarschijnlijk gedood door de beestmannen. Ruarc vraagt waarom zij denkt dat de keizer haar zou helpen, maar dan komt de aap uit de mouw. De koningin is familie van de keizer en is uitgehuwelijkt aan de koning van Vandalus. Toen ze nog een meisje was in het paleis was ze bevriend geraakt met een wijze man, Fhazhul, die haar vertelde over de aartsdruïden. Later kwam ze er achter dat dat geen reguliere kennis is. Toen ze op een dag de koning en een onbekende hoorde praten dat Fhazhul gevaarlijk is en hem uit de weg wilden ruimen heeft ze Fhazhul gewaarschuwd. Die besloot daarop te vertrekken, maar niet voordat hij tegen de koningin zei dat er een dag zou komen dat ze hem nodig zou hebben en dat hij haar dan aan het teken zou herkennen dat hij als een tatoeage op haar lichaam aanbracht. Die tatoeage zou haar ook direct beschermen tegen de magie van de aartsdruïden.
De koning en Demortalis besloten daarop de koningin gevangen te houden en dat duurt nu al jaren. Volgens de koningin is nu het moment aangebroken om Fhazhul te gaan zoeken en daarom probeert ze om met brieven de keizer te waarschuwen. Kritoias en Ruarc denken dat er geen tijd meer is om daar op te wachten en dat ze zo snel mogelijk weg moet. Ze willen haar daar wel bij helpen, maar dan moeten ze de volgende dag vertrekken. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zullen voor andere kleding zorgen. Sylvia die ook aanwezig is in de kamer wil ook mee, dat is geen probleem, maar ze zal zelf naar het oosten van de stad moeten gaan waar Bartimeüs en Ruarc ook naar toe gaan. Kritoias komt de volgende avond naar het magistratenpaleis om de koningin te helpen ontsnappen.
Kritoias zorgt dat hij en Ruarc kunnen vliegen en verplaatst ze allebei naar het dak. Ze vliegen terug naar de gebarricadeerde huizen en lopen terug naar de barak, waar nog steeds rumoer is over het schrapende geluid. Kritoias en Ruarc sluipen naar binnen en vertellen Bartimeüs wat er is gebeurd. Kritoias heeft het vermoeden dat Demortalis hen wel eens zou willen laten ontsnappen om zo bij de schuilplaats van Fhazhul te komen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan slapen om op krachten te komen voor de volgende dag en de ontsnapping van de koningin.
Ditmaal droomt Bartimeüs over de jongeman. Na enig doorvragen lijkt het erop dat dit Balbar is. Die probeert Bartimeüs te paaien door hem slimmer te noemen dan Kritoias, maar Bartimeüs laat zich niet uit zijn tent lokken. Balbar noemt de godin zijn beste vriendin en biedt dan aan om Bartimeüs te genezen. Bartimeüs twijfelt daarover, maar Balbar niet.Plotseling klinkt trompetgeschal en alle soldaten worden wakker gemaakt. Bartimeüs voelt zich prima, hij is klaar voor wat er ook mag komen.
Van buiten horen ze gevechtsgeluiden en een blik uit de deur laat zien dat een tiental mannen uit één van de andere barakken naar buiten zijn gekomen. Ze zijn gekleed in hun slaapkleren, maar ze hebben vreemde rode gloeiende ogen en hun handen lijken wel klauwen. Er ligt al één wachter dood op de grond en ook de ander wordt door de veranderde soldaten vermoord. Bartimeüs en Ruarc spoeden zich met hun pantser aan naar de deur, terwijl Kritoias energie verzamelt.
Ze hebben Sjonnie gedood! zegt één van de soldaten die in de barak van Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gelegerd zijn. De soldaten in de derde barak doen snel de deur op slot, maar dat lijkt overbodig, want de veranderde soldaten komen op Bartimeüs af zodra ze hem zien. Eentje rent naar de deur toe en valt Bartimeüs aan, terwijl Kritoias een ijsbal naar de anderen gooit waardoor zeven van de tien verdwaasd blijven staan. Het eerste monster probeert Bartimeüs met zijn klauwen te verwonden, maar slaagt daar niet in. Met een paar klappen slaan Bartimeüs en Ruarc het monster dood. Dan volgt een explosie, het monster is uit elkaar geklapt en de hitte van de klap verwondt Bartimeüs en Ruarc. Terwijl Kritoias nog meer energie verzamelt komen de volgende twee aanrennen. Bartimeüs en Ruarc gaan in gevecht en slaan beide wezens neer, maar ze ontploffen niet. Intussen komen de monsters die even gestopt werden door de ijsbal weer aanrennen en dringen om de deur binnen te komen. Kritoias heeft voldoende energie verzameld en gooit een vuurbal door de deur waardoor alle monsters neervallen, maar waardoor ook de twee monsters die neergevallen waren ontploffen. Bartimeüs heeft er niet veel last van, maar Ruarc loopt een nare brandwond op zijn rug op als hij weg probeert te duiken.
Het gevecht is over en Bartimeüs gebruikt zijn boog om de overige monsters te laten ontploffen. Als hij daarmee klaar is valt hij plotseling flauw. Kritoias en Ruarc hebben geen idee wat er aan de hand is en leggen Bartimeüs op zijn brits. Na korte komt hij gelukkig bij. Zijn goede gevoel is verdwenen. Enigszins teleurgesteld vertelt hij Kritoias en Ruarc over de droom met Balbar. Kritoias is verheugd dat het Balbar zou zijn geweest en niet één van de aartsdruïden. Nu is de kans kleiner dat iemand weet van hun plan met de koningin te ontsnappen.
De enorme knallen van de ijsbal, vuurbal en ontploffende monsters hebben de sergeant en zijn soldaten gewaarschuwd die ergens anders slapen. De sergeant bekijkt het schouwspel en kan niet geloven wat er is gebeurt. Hij geeft bevel om te vertrekken naar een ander gebouw."Goed idee sergeant, die demonenkop heeft dit gebouw vervloekt!" zegt één van de soldaten."Moeten we dat niet testen en de demonenkop meenemen?" vraagt Bartimeüs."Nee, dat gaan we niet doen! Pak je spullen en je brits en kom mee" zegt de sergeant boos.De overgebleven negentien soldaten gaan met de sergeant naar een woonhuis waar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc een slaapzak zoeken op de bovenverdieping.
De volgende ochtend geeft de sergeant het bevel om barricades te gaan bouwen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc sputteren een beetje tegen, maar gaan dan toch aan de slag. Niet veel later komt er een boodschapper te paard die opnieuw een boodschap voor de sergeant heeft. Helaas is de soldaat die kon lezen in de strijd gesneuveld, maar Ruarc is de reddende engel. Hij doet net of hij de Vandalusische tekst kan lezen en zegt tegen de sergeant dat operatie inferno over drie dagen start, waarbij inferno ongeveer het enige woord is dat hij herkent.Bartimeüs en Kritoias onttrekken zich intussen aan de werkzaamheden en verstoppen zich ergens in een leegstaand gebouw om te slapen of uit te rusten. De sergeant heeft dat na enige tijd wel door en vraagt Ruarc waar ze zijn. Als die zegt dat niet te weten moet hij ze gaan zoeken. Tijdens zijn zoektocht voelt hij opeens een klopje op zijn schouder."Hé, ben je doof of zo?" fluistert een stem bij zijn oor. Het is Sylvia a.k.a. Metla die een urgente boodschap van de koningin heeft. Operatie Inferno gaat vandaag van start en ze gaan de koning verplaatsen.
Bartimeüs wordt wakker van een roodharige vrouw in het huis. Die zegt dat ze om een boodschap komt."Ha, wat ga je mij vertellen?" vraagt Bartimeüs, maar de vrouw komt geen boodschap brengen maar halen. Ze wil nu wel graag weten aan wiens kant Bartimeüs staat, want vanavond gaat het gebeuren."Wij zijn soldaten van Balbar" zegt Bartimeüs, waarop de vrouw wat schamper lacht. "In ieder geval geen soldaten van Beolin, de Godin, Vandalus, de prinsdommen of de keizer. Ik heb wel een boodschap voor papa, als je die door wil geven, namelijk: Hoe kwam die staart bij oom?"De roodharige vrouw gaat daar niet op in, maar zegt tegen Bartimeüs dat hij maar moet accepteren wie hij is en zich moet aansluiten bij Beolin.""Laat ons nu maar met rust of sterf!" reageert Bartimeüs, waarna hij wakker wordt.
Dat komt door de sergeant die ze heeft gevonden en roept dat Kritoias moet gaan vegen."Ik ga wel een bezem zoeken" zegt Bartimeüs die weer naar een ander huis gaat om te gaan slapen. Kritoias gaat ondertussen bij het eten kijken, maar kokkie blijkt ook dood te zijn. Dan hoort hij in de verte soldaten komen en hij verschuilt zich samen met Ruarc bij Bartimeüs. De soldaten nemen alle andere manschappen mee. Dan sluipt Kritoias naar beneden en haalt wat er nog aan bruikbaar voedsel is op en gaat daarna slapen, terwijl Ruarc de wacht houdt.
Kritoias hoort in zijn droom een meisje huilen, hij is wakker geworden in een wereld waarin huizen zijn afgebrand."Dit is niet mijn huis" zegt het meisje. Dan verschijnt er ook een man, een bakker, die een middagdutje aan het doen is.Bartimeüs zit in zijn eigen droomwereld, maar ziet ook de verwoeste stad. Hij ontmoet een oude vrouw die zegt "Weer die droom!"Ze heeft deze droom 20 jaar geleden ook al gehad. Bartimeüs vraagt hoe het met haar gaat in Nymarc, maar dan zegt ze dat ze niet in Nymarc woont, maar in Olcadaïr. Ze heeft gehoord dat Nymarc belegerd wordt en dat de Prinsdommen zijn afgeslacht. Dan verdwijnt ze.De bakker vertelt dat hij uit het zuiden komt. Hij heeft een bakkerij in een klein dorpje bij Branduïn.
Dan worden Bartimeüs en Kritoias wakker gemaakt door Ruarc die een vrouw ziet rondsluipen. Ze heeft de kap van haar mantel over haar hoofd geslagen, maar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zien toch dat het Ketlijn is. Nadat ze het kamp van de soldaten heeft onderzocht loopt ze verder. Kritoias maakt iedereen onzichtbaar en Bartimeüs gebruikt een sluipspreuk en gaat haar achterna. Als hij haar even uit het oog verliest gebruikt hij zijn spoorzoekgave om haar opnieuw te vinden. Dan ziet hij haar in een steeg en sluipt achter haar aan. Als ze even niet oplet komt Bartimeüs uit de schaduwen en zegt "Boe", waarna hij haar dolk afpakt. Hij neemt haar mee naar het huis waar Kritoias en Ruarc verblijven.
Ketlijn vertelt dat ze Bartimeüs, Kritoias en Ruarc in de gaten moet houden van een vrouw met blond haar. De ontmoeting op de weg van Avendorp naar Nymarc was geen toeval. De vrouw had hen vertelt om daar op Bartimeüs, Kritoias en Ruarc te wachten. Op de vraag hoe ze aan de staart zijn gekomen zegt Ketlijn dat die vrouw de staart aan hen heeft gegeven."Argh, het is allemaal gepland door die aartsdruïden" zegt Kritoias verbolgen."Ja, dan is die blonde vrouw vast Silvoa geweest" beaamt RuarcDe huurlingen komen uit Olcadaïr en hebben Silvoa ontmoet in Avendorp. Bartimeüs stuurt Ketlijn weg met de opmerking dat het slecht met haar zal aflopen omdat de aartsdruïden lichtzinnig met hun medewerkers omgaan.
Bartimeüs en Ruarc gaan slapen terwijl Kritoias de wacht houdt. In de loop van de middag ziet hij op verschillende plekken in de stad troepenbewegingen. Tegen de avond gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc onzichtbaar op weg naar de oostpoort waar ze troepen zich zien verzamelen. Het zijn vooral troepen van Al Bella, waaronder een aantal compagnieën Noorderlingen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc verlaten de stad en stellen zich een stuk verder langs de kant van de weg op. Eerst komt er een groep soldaten te paard, een man of twintig, die de weg verkennen. Vervolgens trekt een stoet soldaten langs, 200 Noorderlingen, 200 soldaten van Vandalus, dan vier gesloten wagens en tenslotte nog 200 soldaten van Vandalus. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen mee om de wagens in de gaten te houden omdat daar waarschijnlijk de koningin in zit.
Rond drie uur 's nachts stopt de stoet, ze hebben dan al minimaal zes uur voortgetrokken. Uit een van de koetsen stapt een man, duidelijk een pennenlikker, die om zich heen kijkt en dan in gesprek raakt met een man op een paard die rechts van de weg wijst. Een groep soldaten trekt die kant op en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc volgen ze. De soldaten komen uit bij een gehucht dat vlakbij de weg ligt. Ze verkennen het dorpje terwijl Bartimeüs, Kritoias en Ruarc ze van een afstand in de gaten houden. Als de soldaten tevreden zijn sturen ze een tweetal mannen op pad en korte tijd later arriveren de vier wagens. Tien hofdames en vier mannen komen naar buiten om een luchtje te scheppen.
Bartimeüs gaat op weg naar het gehucht om te kijken waar de koningin zou kunnen zijn. Hij herkent op de wagens een koninklijk symbool, maar kan niet naar binnen kijken. Hij ziet wel dat de soldaten bezig zijn om één van de gebouwen te verstevigen. Ze hebben planken meegenomen en timmeren alle ramen dicht, zowel beneden als boven.Kritoias en Ruarc houden de omgeving in de gaten en zien in de verte in de richting van Nymarc een rode gloed boven de stad.Tijdens de timmerwerkzaamheden komen er een aantal ruiters die naar de wagens wijzen. Aan hun kleding te zien zijn het soldaten van de koning. Ze gebaren wat en praten met de pennenlikker, maar krijgen kennelijk nul op het rekest want ze rijden terug naar de weg.
Als de verstevigingen aan het huis zijn voltooid komt iedereen uit de wagens, inclusief Metla en de koningin en ze gaan het huis binnen. Intussen is het al bijna licht geworden en Ruarc probeert Kritoias aan te wijzen waar hij in de lucht een vogel ziet, maar dat gaat wat lastig als je onzichtbaar bent.Bartimeüs gaat op verkenning uit om te ontdekken waar in het gebouw de koningin zich schuil houdt. Hij klimt met enige moeite via een schuurtje op het dak en kruipt daar zachtjes overheen. Door goed te luisteren heeft hij een aardig idee waar de koningin zou moeten zitten. Hij kruipt terug over de houten planken van het dak en laat zich via het schuurtje weer op de grond zakken.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc bespreken wat ze moeten doen. Dit lijkt een uitgelezen kans om de koningin te bevrijden en er dan ongezien vandoor te gaan. Het is nog licht, dus dan kunnen ze goed opschieten. Ze sluipen via een omweg naar het huis waar de koningin verblijft. Bij de voordeur staan twee wachters, bij het schuurtje nog één en er lopen continu twee wachters rondom het gebouw. Kritoias loopt naar de achterkant waar de statische wachters hem niet kunnen zien en wacht tot de patrouille langs komt. Met een slaapspreuk schakelt hij ze uit, maar daardoor wordt hij wel zichtbaar. Kritoias maakt met een spreuk een opening in de achterwand en ziet tot zijn geluk dat daar geen soldaten zitten. Er zijn alleen een aantal deuren. Terwijl Bartimeüs en Ruarc aan komen lopen opent Kritoias de deur naar een trapje dat naar boven leidt. Ruarc gebruikt zijn magie om ervoor te zorgen dat hun geluid niet al te ver draagt en Bartimeüs sluipt naar boven. Daar ziet hij een soldaat op een stoel op de overloop zitten die de trap in de gaten houdt. Links en rechts naast hem zijn twee deuren. Ruarc sluipt naar boven, verandert het bereik van zijn geluidszone en probeert de man van dichtbij een slaapopwekkend verhaal te vertellen. De soldaat is echter niet onder de indruk van het verhaal en schrikt op als Ruarc opeens naast hem verschijnt. Bartimeüs stond gelukkig al klaar met zijn boog en schiet de man een pijl in zijn arm, maar daarmee is hij nog niet uitgeschakeld. Snel ingrijpen van Kritoias zorgt ervoor dat ook deze man in slaap valt, maar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zijn nu wel allemaal zichtbaar.
Bartimeüs open voorzichtig de rechterdeur en daar ziet hij een aantal hofdames slapen, inclusief Metla. Hij maakt haar voorzichtig wakker. Metla gebaart hem te blijven waar hij is en draait zich om om snel iets anders aan te doen dan naar nachtjapon, waardoor Bartimeüs en Ruarc zien dat zij een tatoeage van een draak op haar bil heeft. Metla verdwijnt eerst in de kamer van de koningin en sluipt dan stilletjes tussen de hofdames door en komt naar de trap waar ze vraagt wat het plan is. Kritoias legt zo goed en zo kwaad als het gaat uit wat ze willen gaan doen, maar Metla is niet heel erg onder de indruk, zeker niet als Kritoias de koningin eerst onzichtbaar door de muur heen naar buiten wil toveren.
Kritoias gebruikt een vliegspreuk om over de hofdames heen te vliegen en opent voorzicht de deur naar de kamer van de koningin. Die is inmiddels aangekleed en Kritoias laat ook haar vliegen en maakt haar onzichtbaar. Hij gaat haar voor naar de trap en keert daarna terug om de deuren zachtjes dicht te doen. Beneden aangekomen maakt Kritoias Metla ook apart onzichtbaar zodat zij een pakje uit de wagen kan pakken waarna hij een zone van onzichtbaarheid op zichzelf zet. Als Bartimeüs en Ruarc in de buurt lopen blijven ze ook onzichtbaar. Dan maakt Kritoias een gat in de muur. Metla gaat er eerst uit om het pakje op te halen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en de koningin volgen daar kort op en lopen naar een boom een stuk verderop. Na een tijdje zien een pakje over de grond slepen, dat was natuurlijk niet onzichtbaar geworden toen Metla het oppakte."Wat een waardeloze toverspreuk" moppert ze als ze bij de boom aankomt.
Bartimeüs vraagt aan de koningin waar ze nu naar toe moeten, want als ze de verkeerde kant oplopen kan het wel eens heel lang gaan duren. De koningin vertelt dat Fahzuhl haar gezegd heeft naar de toren in Montevest te gaan. Dat betekent dat de groep eerst een stuk de hoofdweg kan volgen en dan naar het noorden moet afslaan.De rest van de dag lopen ze onzichtbaar via de weg naar het oosten. Elke keer drie uur lopen en een uur rust. Op een gegeven moment zien ze een boodschapper met de heraldiek van de koningin langsrijden. Dat is het moment om de weg te verlaten en naar het noorden te gaan. Als het donker begint te worden zoekt Bartimeüs nog wat voedsel bij elkaar voor ze gaan slapen.
Ditmaal heeft Bartimeüs weer een droom. Het is Theolin die graag wil weten waar ze nu zijn zodat hij ze, naar eigen zeggen, beter kan beschermen. Hij had Bartimeüs, Kritoias en Ruarc natuurlijk al veel vaker kunnen vermoorden, maar dat heeft hij niet gedaan. Bartimeüs is echter niet zo vriendelijk voor hem en poeiert hem af, dan vindt Theolin het genoeg geweest. Zijn bescherming stopt hier, want met deze instelling heeft hij Bartimeüs, Kritoias en Ruarc niet meer nodig.
Als Sylvia Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en de koningin wakker maakt is de zon verscholen achter dikke bewolking. Gelukkig regent het niet als ze weer op weg gaan. Kritoias oppert dat ze de koningin Sandra noemen als ze boeren of soldaten tegenkomen en dat ze haar zegelring omdraait zodat niet direct duidelijk is dat zij de koningin is. Dat is een noodzakelijke voorzorgsmaatregel omdat er waarschijnlijk soldaten naar haar op zoek zijn.Ze vorderen te voet maar langzaam door de rollende heuvels tussen de hoofdweg naar Montevest en de noordelijke weg die Bartimeüs en Kritoias al eerder hebben genomen. De vermoeiende tocht wordt opgeluisterd door Ruarc die een mooi verhaal vertelt van de prinses en de houthakker. Tegelijkertijd oefent hij zijn Vandalus.
Als ze ongeveer drie uur gelopen hebben zien ze in de verte een boerderij liggen. Dat is fijn, want waarschijnlijk is er vanaf de boerderij een pad naar de noordelijke weg. Bartimeüs sluipt naar de boerderij toe om te verkennen. Hij ziet al snel dat de boerderij verlaten is en dat er inderdaad een pad vandaan loopt. Bartimeüs is helemaal blij als hij ziet dat er nog een paar kippen lopen. Hij gebruikt zijn vaardigheden met dieren om twee van de kippen te vangen. Sylvia is achter Bartimeüs aangelopen, maar kan geen kippen meer vangen omdat Bartimeüs de rest heeft weggejaagd. Na een goed ontbijt met kippenbouten beginnen ze, onder enig protest van de koningin, het pad te volgen.
Bartimeüs loopt een stukje voorop en houdt de omgeving goed in de gaten, de anderen volgen een paar meter er achteraan, eerst Kritoias en Sylvia, gevolgd door Ruarc en de koningin. Plotseling hoort Bartimeüs gekraak in de bosjes. Hij hoort wat gegrom en wil de anderen waarschuwen als erop nog geen tien meter afstand een grote hongerige beer uit de bosjes verschijnt. Bartimeüs slaagt er nog net in om zijn schild en bijl te pakken om de klauwen van de beer af te weren. De magie die Kritoias en Ruarc gebruikten om de beer te kalmeren had geen effect. Terwijl Bartimeüs zijn best doet om uit de klauwen van de beer te blijven mislukt Kritoias' tweede slaapspreuk ook en hij komt naar voren om met zijn staf op de beer in te slaan. Ruarc slaagt er wel in om de beer met zijn stem te betoveren waardoor Bartimeüs een opening ziet en de beer een aantal keer goed weet te raken. Bloed gutst uit verschillende wonden en de beer is verdoofd door de slagen, maar staat nog steeds overeind. Kritoias raakt de beer uiteindelijk met een harde klap op zijn ribben waarna de beer ineenzijgt.
De beer is een goede bron van vlees en Kritoias en Ruarc beginnen wat goede bouten van de beer af te snijden. Bartimeüs valt intussen een geluid in de bosjes op. Hij gaat er achteraan en het blijken twee geitenmannen te zijn die het gevecht vanuit de struiken hebben bekeken. Bartimeüs achtervolgt de twee geitenmannen tot ze een heuvel overgegaan zijn en keert dan snel terug om verslag uit te brengen. Kritoias, Ruarc, Sylvia en de koningin lopen verder over de weg, terwijl Bartimeüs zich in de bosjes verstopt om te kijken wat er gebeurt. Na ongeveer een kwartier gewacht te hebben ziet Bartimeüs dat er een vijftal Olcar aankomen die heel blij zijn met de dode beer. Ze beginnen het dier op hun gemak te villen en kijken niet echt om zich heen. Na in totaal een uur gewacht te hebben maakt Bartimeüs zich uit de voeten en snelt over het pad naar het noorden. Na ongeveer drie uur, het is dan na het middaguur, vindt hij de anderen terug die onder een boom aan het uitrusten zijn.
Na een korte pauze van een half uur, waarin Bartimeüs even zijn voeten kan ontspannen volgen ze het pad verder. Kritoias kijkt regelmatig rond of hij al iets herkent, maar geen van de kenmerkende punten uit de omgeving roept een herinnering op. Tegen het einde van de middag komen ze dan eindelijk bij de weg aan en volgen die naar herberg de Beer.Vanuit de verte zien ze dat er volk is, maar de bovenkant van de herberg is zwartgeblakerd. Ze moeten dus oppassen. Terwijl Kritoias, Ruarc en de koningin zich in de bosjes verstoppen sluipen Bartimeüs en Sylvia door het struikgewas tot dicht bij de boerderij waar ze goed zich hebben op twee mannen die buiten op een bankje zitten. Ze horen nu van binnen uit ook mannenstemmen. De herberg lijkt bevolkt, maar nodigt niet echt uit tot een bezoek. Ze gaan met zijn tweeën terug naar de anderen en gezamenlijk besluiten ze om naar de boerderij te gaan die in de buurt van de herberg ligt en waar Bartimeüs een paar maanden geleden de soldaten van Vandalus naar binnen zag gaan.
Als ze bij de boerderij aankomen horen ze twee mannen vanaf de kant van de herberg lopen en verschuilen zich in de bosjes."Ga jij het vertellen dat we net vijf soldaten hebben gezien?" vraagt de ene aan de andere."Ja, hoor dat is prima" zegt de andere.Het lijkt erop dat ze de soldaten op de weg net zijn misgelopen. De weg is ook hier niet veilig en ze zullen dus door de velden naar Montevest moeten lopen.Als de man de boerderij is binnengegaan bedenken Bartimeüs, Kritoias en Ruarc dat het handig is om daar aan te kloppen en te vragen of ze in de schuur kunnen overnachten. Ze moeten toch vuur maken en de mannen lijken niet al te gevaarlijk.
De bewoners van de boerderij zijn enigszins verbaasd als ze de deur openmaken en heel achterdochtig. Kritoias vertelt dat ze uit Waterdrecht in het noorden komen en op weg zijn naar Montevest omdat het gevaarlijk zou zijn in Nymarc. De mannen blijken inwoners uit Nymarc te zijn die gevlucht zijn toen de soldaten van Vandalus de stad binnenkwamen. Ze willen de wapens oppakken en tegen Vandalus gaan vechten. Als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen dat het in Nymarc gevaarlijk is willen ze dat niet geloven. Als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vragen naar de herberg vertellen ze dat ze die zo hebben aangetroffen. De man wil eigenlijk niet vertellen wie er in de herberg zit, maar doet dat op suggestie van Kritoias toch. Het zijn vooral mannen, maar er zijn ook vrouwen en kinderen bij. De mannen hebben er geen problemen mee als Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Sylvia en de koningin in de schuur gaan slapen.
Ze maken een vuur en gaan de beer braden terwijl Bartimeüs opnieuw naar de herberg sluipt om het verhaal van de man te verifiëren. Hij benadert ongezien het raam waar de luiken voor zitten en hoort van binnen dat ze overleggen wat ze moeten doen. Uiteindelijk besluiten ze dat ze weg gaan en dat ze alleen Kevin nog ophalen uit de boerderij om weg te gaan.
's Nachts is het Kritoias' beurt om te dromen. Hij wordt wakker in een lege schuur en ziet Theolin buiten bij het vuur zitten. Die kijkt geïnteresseerd om zich heen, terwijl Kritoias vraagt wat hij nu komt doen, want hij zou ze toch niet meer beschermen. Theolin vindt dat toch wel jammer en begint een verhaal dat het toch wel belangrijk is om ze te beschermen. Hun belangen lopen immers grotendeels gelijk. Niemand wil dat Beolin Balbar terugbrengt. Daarom had Theolin hen ook het mes gegeven om hem dood te maken, maar helaas hebben Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zijn goede advies niet opgevolgd. Kritoias oppert dat de bescherming van Theolin ook niet heel veel voorstelde en daagt hem uit om met een voorbeeld te komen, maar dat kan Theolin niet geven. Na een korte discussie over de godin, waarbij Theolin Kritoias beschuldigt van blasfemie staat hij op om naar de weg te lopen. Kritoias loopt achter hem aan, waarna Theolin naar links gaat. Kritoias probeert de droom te veranderen zodat er links het dorpje Avendorp ligt, maar dat lukt hem niet. Dan komt hij tot het besef dat Theolin via deze droomt probeert informatie over de landstreek te verzamelen zodat hij weet waar Kritoias is, maar waar dan ook de koningin in moet zijn. Kritoias gooit het plan van Theolin in de war door het bos in te lopen en heel geïnteresseerd te gaan graven. Theolin beseft dat hij is gedwarsboomd en verdwijnt boos, terwijl Kritoias lachend wakker wordt.
Het loopt al tegen de ochtend en ze maken zich klaar om weer op pad te gaan. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc besluiten dat snelheid belangrijk is en dat ze daarom maar niet onzichtbaar door de velden moeten gaan lopen. De kans dat iemand valt is groter dan dat ze ontdekt worden, zeker met de bewolking die er nu hangt. Die maakt het voor de vogels van Theolin moeilijk om hen snel te ontdekken. Terwijl ze ten noorden van de weg, uit het zicht van eventuele ruiters, door de natte struiken lopen maken Bartimeüs, Kritoias en Ruarc ongepaste grappen over de tong van de keizer.De streek lijkt verlaten te zijn. Tijdens de urenlange tocht komen ze geen mensen of dieren tegen. Tijdens de middagpauze probeert Bartimeüs een ree te verschalken, maar zijn pijl mist maar net zijn doel en het opgeschrikte diertje verdwijnt met snelle sprongen in de bosjes. Na de lunch met de laatste restanten van het eten van gisteren zetten ze hun tocht voort. In de middag gaat het een beetje motregenen, waardoor ze behoorlijk nat worden, maar aan het einde van de dag begint de bewolking te breken. Bartimeüs leidt de groep naar een klein dal waar weinig uitzicht is, waardoor Theolin 's nachts niet veel zal kunnen zien.
Bartimeüs gaat op zoek naar wild om de geslonken voedselvoorraad aan te vullen. Hij is meer dan een uur rond aan het sluipen voor hij een wild varkentje ziet. Hij sluipt voorzichtig dichterbij en kan rustig met zijn boog aanleggen. Het schot is raak, maar ketst af op de harde haren van het zwijntje. Het zwijntje schrikt en gaat er vandoor. Bartimeüs volgt het spoor van het zwijntje en komt na een paar honderd meter bij de rest van het gezin, waaronder het grote papa-zwijn."Die moet ik hebben" denkt Bartimeüs. Hij kruipt door de struiken dichterbij, maar is niet stil genoeg, de zwijnen spitsen hun oren en kijken om zich heen. Bartimeüs legt snel aan en schiet op het grote zwijn, maar zijn pijl gaat huizenhoog over. Een tweede pijl vliegt vlak over de rug van het zwijn heen, die nu doorheeft wat er gebeurt en in volle vaart op Bartimeüs af komt stormen. Die pakt snel zijn bijl en schild, terwijl de andere zwijnen een veilig heenkomen zoeken.
Bartimeüs weet het zwijn in het voorbijgaan te raken. Het zwijn is even op zoek naar waar Bartimeüs is, maar die weet hem in de tussentijd niet te raken. Opnieuw haalt Bartimeüs uit en hij danst werkelijk om het zwijn heen, dat niet weet waar hij het moet zoeken, maar toch weet Bartimeüs het zwijn niet echt goed te raken. Enigszins gefrustreerd laat hij zijn dekking even vallen waarop het zwijn hem in zijn bovenbeen raakt met zijn slagtand. Bartimeüs is nu echt boos en begint als een bezetene op het zwijn in te hakken, waarmee hij een van de voorpoten breekt. Het zwijn kan nu niet meer goed bewegen en wordt door Bartimeüs gedood. Bartimeüs snijdt de poten van het zwijn af en neemt tientallen kilo's vlees mee naar het kamp.
Tijdens de wachtbeurt van Kritoias droomt Bartimeüs opnieuw van Theolin. Bartimeüs ligt alleen in het kampje en ziet Theolin op een van de heuveltjes rondom het kamp staan. Theolin gebaart dat Bartimeüs naar hem toe moet komen, maar die wenkt juist dat Theolin maar naar beneden komt en blijft lekker liggen. Kort daarop schrikt Bartimeüs wakker.
Met voldoende voedsel op zak lopen Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en de koningin nog steeds aan de noordkant van de weg door de wildernis. Het is af en toe wat ploeteren, maar ze komen goed vooruit. Na weer een dag lopen met af en toe een rustpauze slaan ze aan het einde van de middag opnieuw hun kamp op. Ze kiezen een plaats die uit het zicht ligt.
Deze nacht is Kritoias weer aan de beurt. Hij droomt dat het midden op de dag is en dat de koningin naar hem toe komt lopen. Natuurlijk is dat de koningin niet, maar Theolin die probeert te achterhalen of de koningin bij Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zit. Kritoias houdt zich weer van de dommen en na verloop van tijd haakt Theolin af. Ruarc ziet intussen beweging, het lijkt wel lichtschijnsel als Kritoias wakker schrikt. Bartimeüs zoekt naar sporen in de struiken waar volgens Ruarc iets aan de hand was, maar hij kan niets vinden.
Het is nog een dag lopen naar Montevest. Het weer is goed en de groep komt goed vooruit. In de loop van de ochtend hoort Kritoias plotseling gezang in de verte. Hij maant de anderen tot stilte en als die goed luisteren horen ze het ook. Het lijkt veel op een soldatenlied. Bartimeüs zorgt ervoor dat hij heel stilletjes kan lopen en sluipt door het hoge gras de heuvel over waar het gezang vandaan komt. Aan de andere kant van de top ziet hij een achttal soldaten die zo te zien aan het pauzeren zijn. Op een paard dat ze bij zich hebben ligt een dood hert en de soldaten zijn aan het zingen. Het lijkt erop dat ze snel met het foerageren klaar waren en het er even van nemen voor ze teruggaan naar hun peloton. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc stellen voor om de soldaten rechts te laten liggen en met een ruime boog om ze heen te trekken. Metla en de koningin vinden dat een prima plan.
Als de zon onder begint te gaan zien ze de toren van het kasteel van Montevest afsteken tegen het rode avondlicht. Ze komen precies op tijd aan, want ze kunnen niet in de buurt van Montevest overnachten. De kans dat Theolin er dan achter komt waar ze zitten is veel te groot. De groep reist door de bossen naar de rand van Montevest en ziet dat er veel soldaten aanwezig zijn op het marktplein voor de herberg. Ze wachten tot het donker wordt en maken een plan om naar de toren te lopen die midden in het dorpje licht. Bartimeüs gebruikt een spreuk om niet op te vallen in de schaduwen, zorgt er ook voor dat hij in het donker kan zien en gaat voorop. Dan volgen Ruarc en de koningin, als de rondreizende bard en zijn vriendin. Daarachter volgen Kritoias en Metla die door Kritoias allebei onzichtbaar zijn gemaakt. Kritoias gebruikt nog twee spreuken om zichzelf in het donker en bijna helemaal om zich heen te laten kijken.
Zo gezegd, zo gedaan. Het is gelukkig niet druk op straat en zonder iemand te zijn tegenkomen arriveren ze bij de toren. Aan de toren is een huis van twee verdiepingen gebouwd waardoor je de toren moet betreden. Het huis heeft maar één deur, die helaas op slot is. Bartimeüs zoekt de sleutel in de buurt van de deur, maar kan helaas niets vinden. Bij gebrek aan een achterdeur maakt Kritoias een opening in de muur waardoor ze snel naar binnen glippen.De kamer beneden is leeg en donker. Kritoias gebruikt een spreuk om licht uit zijn hand te laten schijnen en schijnt de anderen bij als ze de trap naar de tweede verdieping oplopen. Bovenaan de trap, voor een gesloten deur ligt een lichaam op de grond. Metla is geschokt als ze aan de kleding Korin herkent. Dat was de echte druïdejager die na het verhaal van lichtschijnsel in de toren van Bartimeüs en Kritoias naar Montevest ging om te kijken of er een aartsdruïde in de toren zat. Kennelijk is er iets met de deur waardoor hij om het leven is gekomen. Kritoias bestudeert de deur goed en constateert dat er essence-magie op is gebruikt. Bartimeüs denkt dat de koningin de deur zonder problemen kan openen, maar ze besluiten het er toch niet op te wagen en Kritoias maakt opnieuw een gat waardoor ze langs de deur naar de toren kunnen.
In de toren is er maar één route, een wenteltrap omhoog. Bartimeüs gaat voorop en sluipt voorzichtig naar boven, bijgelicht door Kritoias. In de torenkamer, bijna 20 meter boven de grond, ziet Bartimeüs een standaard op drie poten staan waar zeer waarschijnlijk een waarschuwingsbol in heeft gezeten en een standaard waar een dik opengeslagen boek op ligt. Omdat de ruimte leeg is komen de anderen ook naar boven. Ruarc bestudeert het boek en ziet dat het geschreven is in de taal van de noorderlingen, daar weet hij te weinig van af om te weten wie het boek zou hebben geschreven. Bartimeüs vraagt aan de koningin of ze het teken mogen zien dat Fhazhul heeft aangebracht om het te vergelijken met het boek. De koningin vindt het goed en laat een aantal tekens zien die verdacht veel lijken op het geschrift in het boek. Helaas staat de exacte tekst er niet bij. Kritoias verwacht dat er misschien op een andere pagina nog iets staat en raakt het boek aan om te kijken of er een andere aanwijzing is waar de koningin Fhazhul kan ontmoeten.
Dat had hij beter niet kunnen doen. Nauwelijks heeft hij met zijn onzichtbare vinger het boek aangeraakt, of er vormt zich een groenige rift in de kamer. Een demon met grote klauwen stapt uit de rift en kijkt om zich heen. Bartimeüs en Ruarc trekken intussen hun wapens en schilden, terwijl Metla de koningin opzij trekt. De demon haalt met zijn rechterklauw uit naar Ruarc, maar de slag ketst af op de Bladeturnspreuk van Kritoias. Door deze onzichtbare weerstand van zijn stuk gebracht mist de demon met zijn linkerklauw. Bartimeüs haalt uit met zijn bijl en slaat de demon hard op zijn rechterklauw waardoor hij die niet meer kan gebruiken en aangeslagen is. Ruarc maakt daar direct gebruik van door met zijn strijdhamer de heup van de demon kapot te slaan. De demon valt neer met zijn been in een onnatuurlijke hoek. Bartimeüs maakt het karwei af door met zijn bijl op het hoofd van de demon in te slaan. De demon verdwijnt daarop in zwartige rook.
Kritoias kijkt nog eens goed naar het boek en ziet dan dat er behoorlijk wat spreuken op het boek zitten, klaarblijkelijk om het te beveiligen. Volgens Bartimeüs moet de koningin het boek toch echt aanraken. Die is het daarmee eens, loopt rustig naar het boek en legt haar hand erop. Op dat moment verschijnt Fhazhul, althans een doorzichtige versie van hem. Hij zegt dat hij niet zeker weet of de koningin wordt gedwongen, maar dat hij dat risico moet nemen. Zelf is hij hier niet, maar ze kan hem vinden door op zoek te gaan naar de legende van de witte dief. Dit komt Ruarc wel bekend voor. Het is een verhaal dat op meerdere plaatsen in het land vertelt wordt en gaat over een dief die van de rijken steelt en aan de armen geeft. Meestal wordt die legende toegeschreven aan een plaatselijke roversbende.Kritoias kijkt nog eens goed naar het boek en ziet nu dat de magie verdwenen is.
Ze kunnen niet blijven slapen in de toren, dat zou het voor Theolin veel te makkelijk maken, dus gaan ze snel terug naar de velden rondom Montevest waar Bartimeüs en Kritoias een aantal schuurtjes weten waar je je schuil kunt houden. Op de terugweg maakt Kritoias opnieuw gaten in de muren en stoppen ze even bij het lichaam van Korin waar ze een aantal lock picks vinden. De soldaten zijn niet erg waakzaam en het gezelschap bereikt zonder problemen een schuurtje waar ze kunnen overnachten.
Terwijl Ruarc op wacht zit hoort Bartimeüs in zijn droom geklop aan de deur."Doe open, ik ben het" zegt een stem"Mooi niet Theolin"Opnieuw probeert Theolin iemand te verleiden informatie te geven over zijn verblijfplaats."Ik zie een dichte deur!" zegt hij"Ik ook!" zegt Bartimeüs en gaat weer slapen. Ruarc die wacht houdt ziet intussen lichtschijnsel buiten het schuurtje, als Bartimeüs weer wakker schrikt.
's Ochtends klinkt er hoorngeschal uit het dorp. De soldaten blazen reveille. De groep trekt zich terug uit het schuurtje naar de bosrand en ontbijt met wat stukken van het zwijn. Ruarc gaat naar het dorp om te kijken of hij iets uit kan vinden over de legende van de witte dief. Zijn eerste stop is de herberg waar een vrouw met een paar emmers aan het slepen is. Die is wel wat verbaasd dat Ruarc de hele nacht heeft doorgelopen, maar verwijst hem toch naar de herbergier. Die vindt het ook wat vreemd, maar wil Ruarc best van een kamer voorzien, voor driemaal de normale prijs, en een ontbijt. Ruarc blijft met de herbergier in gesprek en stuurt het zo dat het over lokale verhalen gaat. Eerst gaat het over de tovenaarstoren, waarvan de herbergier zegt dat er ooit een tovenaar in woonde die met de druïdes heulde, maar dat de toren nu vervloekt is. Iedereen die er naar toe gaat sterft. Van de tovenaar is niets meer vernomen. Het verhaal gaat dat hij meer dan 30 jaar geleden geheim adviseur van de koning is geworden.
Dan brengt Ruarc het gesprek op lokale roversbendes. De herbergier kent het verhaal van de witte dief van zijn opa. Hij stal van de rijken en gaf aan de armen, maar het liep slecht met hem af. De Markgraaf heeft hem opgepakt en op het marktplein opgehangen. De roversbende was hier in de buurt actief en het rovershol zou bij Bonagu moeten zijn waar een oude ruïne ligt. Ruarc krijgt intussen zijn ontbijt geserveerd dat bestaat uit brood, waterige pap en worst. Om de schijn op te houden reserveert hij een kamer in de herberg.Dan komt er een officier op Ruarc af. Die probeert hem het leger in te krijgen, maar Ruarc geeft zulke antwoorden dat de officier bij zichzelf denkt dat je daar toch niets mee kan.
Ruarc wandelt onopvallend terug naar de bosrand waar Bartimeüs, Kritoias, Metla en de koning verstopt zitten. Kritoias heeft daar de toverspreuk op zijn staf vernieuwd, zodat hij daar weer 27 dagen beter mee kan slaan. Ruarc vertelt dat ze naar Bonagu toe moeten gaan omdat zich daar de legende van de witte dief zou hebben afgespeeld. Via de velden lopen ze om het kasteel van Montevest heen en gaan op weg naar het oosten, dieper Vandalus in. Bonagu ligt volgens Ruarc een halve dagreis naar het oosten ten noorden van de weg.
Het is vandaag zonnig met hier en daar een wolkje en ze wandelen op hun gemak door de velden omdat ze in de lucht ook geen vreemde roofvogels zien. Na een paar uur zien ze in de verte een zijweg naar het noorden. Bartimeüs neemt poolshoogte op de splitsing en ziet een bord met daarop de naam van het gezochte dorpje Bonagu. Bartimeüs wenkt de anderen en ze besluiten om nu over de weg naar Bonagu te lopen. De kans dat er nu soldaten komen om ze te zoeken is niet zo groot.Na een tijdje verschijnen er druivenvelden aan weerskanten van de weg. De lokale boeren zijn druk aan het werk en wuiven vriendelijk naar de reizigers. Ruarc die de taal een beetje machtig is, raakt in gesprek met één van de boeren. Hij vraagt naar de legende van de witte dief. De boer kent die legende wel, maar komt niet veel verder dan dat het een man was die van de rijken stal en aan de armen gaf en dat hij iets had met een dame in Montevest. Voor meer informatie moeten ze bij Juan zijn in de boerderij van Arblus, of bij Pablo de smid.
Ruarc bedankt de boer en vraagt nog even hoe ze het beste naar de boerderij van Juan kunnen lopen. Met de aanwijzingen op zak lopen ze door de twee straten die het dorpje rijk is en komen bij een boerderij met een stevig hek er om heen. Binnen het hek slaat een hond aan als ze naderbij komen waarna een vrouw van middelbare leeftijd naar het hek toe komt. Ruarc legt uit dat ze graag Juan willen spreken over de legende van de witte dief, maar dat blijkt moeilijk want de oude Juan is aan het slapen. Intussen komt er ook een man het huis uit die hen uitnodigt wat te drinken totdat Juan wakker is geworden.
Na genoten te hebben van de wijn uit de beroemde wijnstreek van Monteveste komt Juan uiteindelijk uit zijn slaapkamer. Hij kent de achtergrond van de legende van de witte dief, want toen hij een kleine jongen was werd die vermoord door de Markgraaf. Het ging om Pascal van het Oostland, een kleine heer uit de omgeving die hier in het noorden een klein kasteeltje had. Hij liet zijn onderdanen belasting betalen en gaf dat af aan de belastinginner, maar die werd door de witte dief overvallen en het geld gaf Pascal terug aan de arme boeren. Hij was ook verliefd op de dochter van de Markgraaf. Wat nu precies de reden is geweest is onbekend, maar de Markgraaf heeft Pascal laten terechtstellen. Pablo, de smid, de kleinzoon van Juan, kan hen wel naar de ruïnes van het kasteeltje brengen. De zoon van Juan, die zelf ook smid is geweest, is helaas omgekomen in de strijd.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en Judith, nemen afscheid van Juan en gaan naar de smidse waar Pablo druk aan het werk is. Het is nu al ver in de middag en Pablo heeft nog wat klusjes te doen, dus hij heeft vandaag geen tijd om ze naar de ruïnes te brengen, maar hij wil morgenochtend vroeg wel met ze op pad gaan. Als Bartimeüs vraagt naar onderdak biedt Pablo hen aan om in het hooi te slapen van de smidse, maar ze kunnen ook overnachten bij Maria, de bakker, die een aantal kamers voor gasten heeft.Door de spanningen rondom Nymarc is het niet druk in de herberg en nemen ze twee kamers om in te overnachten. Na een eenvoudige maaltijd vernieuwt Kritoias ook de toverspreuk op het wapen van Ruarc, waarna ze naar hun kamers gaan om te gaan slapen.
Tijdens zijn wachtbeurt hoort Bartimeüs buiten een geluid. Het is alsof er iemand struikelt. Hij zorgt ervoor dat hij in het donker kan zien en glipt door de voordeur naar buiten. Onderaan het raam ziet hij een wortel waar iemand over is gevallen. Met een toverspreuk krijgt hij een beeld van de man die de sporen heeft gemaakt. Het lijkt een lokale boer te zijn die bewapend is met een dolk. Bartimeüs gaat terug naar binnen en maakt Kritoias en Ruarc wakker. Ze besluiten dat ze moeten zien te achterhalen wie de man is en wat hij wil. Ruarc gaat met Bartimeüs mee en Kritoias blijft achter om de vrouwen te beschermen. Kritoias zorgt ervoor dat Ruarc ook in het donker kan kijken voor hij met Bartimeüs meegaat.Bartimeüs volgt het spoor van de man langs de boerderij waar Juan woont, via de weg naar het bos. Ook daar kan hij het spoor goed volgen en de voetsporen leiden naar een beboste heuvel waar ze uitkomen bij een houten deur in de wand.
Bartimeüs onderzoekt of de houten deur van een val is voorzien, maar hij ziet geen bijzonderheden. Dan trekt hij aan het touw om de deur open te doen, maar die zit van binnen op slot. Bartimeüs luistert nog eens goed aan de deur en hoort dan van binnen geschuifel. Ruarc zorgt voor een cirkel van stilte zodat geluid dat ze maken niet ver draagt. Dat komt goed uit, want het geluid van de brekende deur als ze hun schouders er tegenaan zetten is best wel hard. Bartimeüs gaat voorop het kleine gangetje in dat is uitgegraven in de heuvel. Na een tijdje komt het bij een paar treden uit die met hout zijn bekleed. Onderaan de trap ziet Bartimeüs lichtschijnsel. Hij bukt voorzichtig om te kijken, maar wordt direct begroet door twee pijlen die afgeschoten worden door twee van de zes mannen die in een kleine uitgegraven kamer staan en de trap in de gaten houden. De ene pijl slaat trillend in naast zijn rechtervoet, maar de ander raakt zijn linkervoet waarop Bartimeüs zich snel terugtrekt naar boven.
Bartimeüs pakt zijn boog en mikt op de opening van de kamer, terwijl Ruarc zich klaar maakt om naar voren te stormen als dat nodig mocht zijn. Als een van de mannen zijn hoofd laat zien vuurt Bartimeüs zijn pijl af, maar hij mist de man. Die duikt direct weg en schuift met de anderen allerlei meubilair voor de ingang van de kamer om zich te verdedigen. Bartimeüs opent het gesprek door te zeggen dat er ze er niet meer uit kunnen, dus dat ze maar beter kunnen vertellen wat ze hier doen. Het blijkt dat deze mannen de legende van de witte dief in leven willen houden door te stelen van de Markgraaf. Ze gingen kijken wat de vreemdelingen kwamen doen en of ze eventueel door de Markgraaf waren gestuurd. Bartimeüs stelt hen gerust dat zij geen vrienden van de Markgraaf zijn. Wat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc precies komen vertelt hij echter niet. De twee groepen besluiten om elkaar in het vervolg met rust te laten en Bartimeüs en Ruarc gaan terug naar de herberg.
Kritoias mag direct de volgende wachtbeurt nemen, maar het blijft verder rustig. Als hij weer gaat slapen wordt hij wakker in een lege kamer. Kritoias verwacht dat dit weer een truc van Theolin is en hij pak een boek tevoorschijn om te gaan lezen. Na niet al te lange tijd wordt hij opnieuw wakker, maar nu in de kamer met zijn neven.
Na een ontbijt met vers brood gaan Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en Judith naar Pablo de smid. Die staat al op ze te wachten en ze gaan op weg naar de ruïne van het fort. Volgens Pablo is het fort heel klein, maar tien meter in het vierkant en is het met de grond gelijk gemaakt nadat de laatste kasteelheer een veldslag had verloren. Die ging over de controle over de weg waar veel handelskaravanen overheen gingen. Het is vandaag minder mooi dan gisteren, maar toch schieten ze lekker op.Opeens ziet Bartimeüs figuren in het bos lopen. Hij gaat voorzichtig een kijkje nemen, terwijl de rest zich verschuilt in de bosjes. Bartimeüs is zeer verbaasd als hij op een open plek in het bos meer dan 30 skeletten ziet rondlopen. Het lijken net soldaten die aan het wachten zijn tot er nieuwe order worden uitgedeeld. Bartimeüs gaat snel terug naar de groep en vertelt wat hij heeft gezien. De rest wil ook wel zien wat hier aan de hand is en ze sluipen met zijn alleen naar de rand van de open plek. De restanten van de kleding van de skeletten verraadt dat het geen recente soldaten zijn geweest, maar van langer geleden, waarschijnlijk van de veldslag waar Pablo het over had. Dit verschijnsel is waarschijnlijk ook veroorzaakt door de groene lichtflits toen de maan verscheen, of het is een truc van Beolin. In ieder geval zijn het teveel lopende lijken om tegen te vechten dus ze trekken zich terug en gaan met een boog om de monsters heen verder naar de ruïne.
Na een half uur lopen komen ze bij een heuvel waar het fort ooit op heeft gestaan. Een vijftal skeletten proberen de heuvel via een steil pad op te komen, maar ze glijden steeds terug. Deze vijf zullen ze moeten vernietigen, anders kunnen ze niet veilig bij de heuvel komen. Kritoias loopt voorzichtig naar voren en gooit een vernietigende vuurbal op de groep. Kleding verbrand, botjes vallen op de grond en de skeletten waggelen alleen nog maar wat in het rond. Bartimeüs en Kritoias rennen naar voren om de skeletten uit te schakelen. Bartimeüs slaat direct één van de monsters op zijn voorarm en die zakt in elkaar. De andere probeert hem te slaan, maar mist volledig. Intussen komt Ruarc ook aan, maar zijn warhammer werkt toch minder goed tegen de skeletten, want de punt gaat er af en toe doorheen. Bartimeüs gaat intussen verder met het in elkaar slaan van de skeletten, terwijl Metla via de heuvel omloopt en de skeletten in de rug aanvalt. Ruarc vernietigt ook één van de skeletten, maar raakt dan verward. Gelukkig grijpt Bartimeüs in en samen met Metla vernietigt hij de overgebleven skeletten.
Bovenop de heuvel is er van het fort niet veel meer over dan een aantal lage muurtjes. Na wat speurwerk ontdekt Ruarc een gat in de grond waar vroeger een luik in heeft gezeten. Het voert naar een drie meter lager gelegen donkere kelder. Bartimeüs gaat eerst naar beneden via het touw dat hij aan een boomwortel heeft vastgemaakt. Beneden steekt hij een toorts aan om de kelder beter te kunnen onderzoeken. Ruarc heeft even wat bedenkingen, maar daalt dan ook af in de kelder. Bartimeüs vindt achterin de kelder een uitgegraven gat dat toegang geeft tot een wentelgang naar beneden toe. Bartimeüs gaat weer voorop en na zo'n twintig meter de klamme koude gang te zijn doorgelopen komt hij in een kamertje dat leeg lijkt te zijn. Bartimeüs ziet echter direct dat één van de muren geen echte muur is, maar een doek met een steenstructuur erop. Als hij het wegtrekt ziet hij een klein gangetje dat na vijf meter uitkomt in een klein kamertje met een bed en een tafeltje. Op het bed liggen de restanten van een mens. Zou dit het lijk van Fhazhul zijn?
Aan het dagboek te zien dat op het tafeltje ligt in eerste instantie wel. Het beschrijft hoe hij hier bijna tien jaar geleden kwam en op de vlucht was, maar na een paar weken werd hij ziek. Zijn situatie verslechterde en in de laatste zin schrijft hij dat hij naar de geneesheren in Olcadaïr toe moet gaan. Aan het lijk te zien is dat echter niet gelukt. Kritoias bestudeert intussen het lichaam, maar kan daar geen bijzonderheden aan ontdekken, daarvoor is er te weinig van over. Dan merkt Ruarc op dat hij denkt dat het dagboek nep is, de tekst is veel te gelijkmatig en hoogstwaarschijnlijk achter elkaar geschreven. Kritoias zegt dat hij het ook al vreemd vond dat deze tekst in het Vandalus is geschreven en niet in het Noorderlings. Als de koningin naderbij komt om het lichaam eens goed te bekijken verschijnt er een nieuwe beeltenis van Fhazhul in de lucht. Hij verontschuldigt zich voor het doden van de man en zegt dat de koningin hem kan vinden in de plaats die genoemd wordt in het dagboek.Pablo weet intussen niet meer wat er allemaal gebeurt en is aardig in de war.
Nadat ze allemaal uit de ruïne gekomen zijn heeft Ruarc een goed gesprek met Pablo, waardoor die vergeet dat er een illusie van Fahzuhl is gekomen. Hij weet alleen nog dat er een lichaam lag. Ze wandelen voorzichtig terug naar Bonagu en ontwijken de wandelende skeletten die ze eerder zagen. Tegen de avond bereiken ze de herberg waar Maria het avondeten al klaar heeft staan. Bartimeüs kijkt nog even goed naar de lucht en is er van overtuigd dat het morgenmiddag gaat regenen.
Tijdens de wachtbeurt van Bartimeüs blijkt dat het toch wel een inspannende dag is geweest, want de anders zo waakzame ranger valt in slaap. Maar dat heeft hij zelf eerst helemaal niet door, want er komt iemand naast hem zitten. Dat is natuurlijk wel wat vreemd en de vreemdeling probeert Bartimeüs te ontfutselen waar ze zijn, maar die geeft alleen ontwijkende antwoorden. Dan wordt Kritoias ook "wakker" en ziet de vreemdeling zitten. Hij vraagt wie het is aan Bartimeüs, maar die heeft daar geen antwoord op. Als Kritoias vraagt waar de vreemdeling heen gaat dan weet hij het niet, evenmin kent hij Willem, de uitbater van de herberg, die hem natuurlijk binnen heeft moeten laten. Inmiddels is wel duidelijk dat dit de volgende poging van Theolin is om te achterhalen waar ze zich bevinden. Bartimeüs gaat verder met het misleidingspel en vertelt dat ze in Lodepoort zijn. Theolin gelooft daar niets van en loopt naar het luik om dat open te maken, maar Kritoias houdt hem tegen, omdat het geluid van het raam Ruarc wakker zou kunnen maken.
Dan vraagt Theolin of zij ook niet het geluid van tikkende botten horen. Bartimeüs en Kritoias horen echter niets en Kritoias springt voor de deur als Theolin die open wil gaan maken om buiten de kamer te gaan kijken. Theolin staat nu met zijn rug naar Bartimeüs toe, die wil zijn handbijl pakken, maar bedenkt zich en trekt de speciale dolk die ze in het huis van Zeolin hebben gevonden. Theolin probeert nog steeds de deur open te maken en Kritoias leidt hem verder af zodat Bartimeüs met grote kracht de speciale dolk in de rug van Theolin kan planten. Die stort kermend ter aarde en klauwt om zich heen. Kritoias wordt daarop wakker, maar Bartimeüs ziet de hele scène in de verte verdwijnen en hij wordt omhuld door duisternis. In de verte hoort hij vaag gelach.
Kritoias hoort gebonk aan de kamerdeur. Het is Metla die zegt dat er skeletten door het dorp heen lopen en dat er mensen aan het gillen zijn. Kritoias probeert Bartimeüs wakker te maken, maar die reageert niet. Ruarc wordt wel wakker als Kritoias hem door elkaar schudt en Kritoias helpt hem in zijn maliënkolder. Kritoias, Ruarc en Metla lopen naar buiten en zien een groep van 20 lopende skeletten op hen af komen. Ze lopen om een boerderij heen recht op de herberg af. Kritoias schiet een vuurbal af, maar dat resulteert alleen in wat geblakerde botten op een zevental skeletten. Om te voorkomen omsingeld te worden trekken ze zich terug in de herberg waar Maria hen al staat op te wachten met een grote steelpan. De koningin heeft inmiddels Bartimeüs wakker gemaakt en Ruarc zorgt ervoor dat hij minder goed zichtbaar is voor de tegenstanders. Kritoias verandert Metla's dolk in een knuppel, want prikken naar skeletten heeft niet heel veel zin.
Ruarc laat de voordeur open en begint met Metla op de skeletten in te slaan die daar doorheen naar binnen willen komen. Andere skeletten beginnen op de luiken te bonken. Bartimeüs gaat door de achterdeur naar buiten en valt een drietal skeletten aan die de hoek omkomen. Hij verkijkt zich echter op de snelheid van de skeletten. Ze lopen wel langzaam, maar één van hen haalt opeens fel uit en geeft Bartimeüs een nare bloedende wond. Bartimeüs is wat verdwaasd, maar weet zich desondanks naar binnen te slepen. Kritoias heeft de kreten aan de achterdeur gehoord en zet een aarden muur voor de achterdeur.
Ruarc gaat tekeer met zijn warhammer en slaat skelet na skelet aan mootjes. Metla heeft wat meer problemen met haar knuppel, daar kan ze toch niet zo goed mee vechten als met haar dolk. Kritoias bekommert zich intussen om de bloedende wond van Bartimeüs en dicht die met een toverspreuk, dan geeft hij zich een schild en kijkt in één van de zijkamers waar skeletten op de luiken aan het beuken zijn, maar daar komen ze nog niet doorheen. Dat is wel het geval in de voorkamer, waar Ruarc naar toegaat als er geen skeletten meer door de voordeur komen. Daar gaat hij verder met het verbrijzelen van de botten van de skeletten, maar hij voelt wel dat hij steeds meer moe wordt. Metla gaat intussen Maria helpen als de skeletten de luiken hebben doorbroken. Kritoias staat haar bij en gezamenlijk slaan ze de skeletten stuk.
Dan horen ze ook lawaai bij de middelste kamer en ziet Kritoias graafwerkzaamheden in de aarden muur bij de achterdeur. De val die Bartimeüs nog had weten te toveren heeft helaas weinig effect, maar de staf van Kritoias brengt redding en hij slaat de twee skeletten die door de muur heen komen kapot. Ruarc heeft intussen de laatste twee skeletten kapot gemaakt nadat hij eerst de deur van de kamer kapot heeft gebeukt.
Maria is hevig ontzet over de schade die de skeletten hebben aangericht, maar gaat toch snel op zoek naar een dokter die Bartimeüs kan helpen. Na korte tijd komt er iemand die met wat zalfjes aan de slag gaat en Bartimeüs goed verzorgt. Als beloning geeft Bartimeüs hem een goudstuk. Kritoias geeft Maria vier zilverstukken om de schade aan de herberg te repareren. Bartimeüs mag in het bed van Maria slapen, terwijl Kritoias en later Ruarc de wacht houdt.
De volgende ochtend kopen ze voor een week eten van Maria omdat dat de tijd is die ze over hun reis naar Vandalusia, de hoofdstad van Vandalus zullen doen. Als ze zich opmaken om weg te gaan vraagt één van de boeren, Pedro of ze in Vandalusia de groeten willen doen aan Pedro met de bochel. Als ze de weg naar het zuiden willen nemen wijst Pedro hen op de snellere route zodat ze geen omweg hoeven te maken. Ze bedanken Pedro voor de tip en gaan knarsetandend op weg, omdat ze die kan nu juist niet op willen. Na een uur lopen slaan ze af naar het zuiden en na korte tijd passeren ze de weg die van Montevest naar Vandalusia loopt. Als ze nu naar het zuiden lopen komen ze bij het grote bos waar de Vanyana wonen en als ze dan de bosrand naar het zuidwesten volgen komen ze weer bij de weg tussen Nymarc en Olcadaïr uit.Bartimeüs, die nog veel last heeft van zijn wond, heeft gelijk gehad met het weer en rond het middaguur gaat het regenen.
De reis verloopt rustig door de glooiende heuvels en Bartimeüs gebruikt een spreuk om een comfortabele grot te vinden. Bartimeüs en Metla zetten allebei een val
Tijdens de nacht gebeuren er geen bijzondere dingen en Metla maakt iedereen wakker met konijn
Ze lopen weer een hele dag door het heuvelachtige terrein ten zuiden van Montevest. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen over hun avonturen, maar laten wat details weg. De koningin vertelt over het hofleven en Metla vertelt dat zij een niet-legitieme dochter van één van de magistraten van Nymarc is. Aan het einde van de dag gebruikt Bartimeüs zijn krachten en vindt een verlaten hutje waar ze in kunnen overnachten. Met het zetten van vallen heeft hij nog steeds last van zijn wond, maar Metla maakt wel een mooie val. Kritoias maakt aan het einde van de dag de gewone handbijl van Bartimeüs weer magisch.
Tijdens de nacht gebeurt er niets bijzonders. De bezoekjes van Theolin zijn naar het lijkt gestopt. Metla maakt iedereen 's ochtends weer wakker, maar dit keer zonder konijn, want een katachtig roofdier had vannacht een lekker maaltje
Het is vandaag een regenachtige dag en dat maakt het lopen er niet leuker op. Zagen ze eerst nog wel eens een rookpluim of een hutje in de verte, dat is nu voorbij, ze lopen echt door de wildernis. Die avond vindt Bartimeüs een soort grot met een boom en zetten Bartimeüs en Metla weer vallen om wild te vangen.
Bartimeüs ziet tijdens zijn wachtbeurt hoe een uil een konijntje vlak voor zijn val wegkaapt en Kritoias heeft moeite om zijn ogen open te houden, maar dat lukt gelukkig wel. In beide vallen zit dit keer een konijn.
Deze dag is bewolkt, maar gelukkig niet regenachtig. Tegen het einde van de dag zien ze over de heuvels een groot bos. Dat moet het bos zijn waar de Vanyana wonen en waar ze dus niet heen willen. Nu is het een kwestie van het bos aan de linkerhand houden. Bartimeüs vindt een kom met een overhangende boom waar ze droog kunnen overnachten. Bartimeüs en Metla zetten weer vallen.
De nacht verloopt opnieuw rustig en Bartimeüs heeft een klein beest in zijn val zitten, die van Metla is leeg.
Het is opnieuw een bewolkte dag en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc houden het grote bos goed in de gaten, maar zien niets verdachts. Tegen de avond vindt Bartimeüs een grot aan de rand van het bos. Het lukt hem niet om een val te maken, daarom maakt hij er maar een met een spreuk.
Het is bijzonder rustig bij de bosrand. Bartimeüs' val is afgegaan, maar er zit geen wild in. De val van Metla is leeg.
Het wolkendek wil maar niet breken en vandaag valt er ook nog af en toe wat regen uit. Verder blijft het rustig aan de bosrand en Bartimeüs vindt aan het einde van de dag een mooie grot om te overnachten. Opnieuw gebruikt hij een spreuk om een val te zetten.
Ook deze nacht is er geen spoor van Theolin te bekennen en trouwens ook van niets anders. De vallen blijven leeg en Bartimeüs maakt zijn val de volgende ochtend maar onschadelijk.
Het is opnieuw bewolkt en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc blijven het grote woud goed in de gaten houden. Ruarc ziet op een gegeven moment beweging in de bosrand. Als ze een heuvel overgelopen zijn maakt Kritoias Bartimeüs onzichtbaar. Bartimeüs blijft achter bij de heuveltop terwijl de anderen doorlopen naar de volgende heuvel. Als Bartimeüs even gewacht heeft ziet hij drie Olcar de bosrand uitkomen. Een van hen heeft een grote hoorn aan zijn zijde, dus waarschijnlijk zijn het verkenners. Ze snuiven af en toe om zich heen en Bartimeüs zorgt ervoor uit de wind te blijven. Bartimeüs loopt snel terug naar de anderen en ze spreken af om de Olcar aan te pakken als ze de volgende heuvel overkomen. Bartimeüs gaat weer terug, maar de Olcar pakken het voorzichtig aan. Een van heen gaat kijken en blijft bijna 20 minuten observeren voordat hij terugkeert. Bartimeüs loopt weer terug naar de anderen en ze denken dat de Olcar niet vijandig gezind zijn. Kritoias, Ruarc, Metla en de koningin lopen verder naar de volgende heuvelrug en Bartimeüs blijft opnieuw achter. De Olcar volgen nu echter niet en keren na verloop van tijd op hun schreden terug waarna Bartimeüs zich weer bij de anderen voegt.
Bartimeüs let 's nachts bijzonder goed op, maar merkt niets raars. Kritoias wordt na zijn wachtbeurt wakker, heeft het idee dat het een droom is, maar er gebeurt niets bijzonders, dan wordt hij opnieuw wakker. Als hij over de droom vertelt zegt de koning dat zij nooit droomt.
De vallen van Bartimeüs en Metla zorgen voor een mooie grote haas, wat helpt met de voedselsituatie. Het is een mooie dag als ze verder trekken, want de bewolking is weggetrokken. Aan het einde van de dag vindt Bartimeüs een kleine grot waar ze kunnen overnachten en hij en Metla zetten opnieuw vallen uit.
's Nachts begint het lichtjes te regenen, maar verder gebeuren er geen bijzondere dingen.
Bartimeüs heeft opnieuw een haas gevangen waardoor ze ook vandaag lekker eten. Het is wel de vraag hoe lang de reis naar de rivier nog gaat duren, want heel erg veel eten hebben ze nu ook weer niet. Kritoias gebruikt een vliegspreuk om poolshoogte te nemen en hij ziet in de verte het dal van de rivier die vanuit Nymarc naar Olcadaïr loopt liggen. De regen is gelukkig opgehouden, maar er drijven wel van die grote wolken over waar een bui uit zou kunnen vallen. Tegen de avond vindt Bartimeüs een overhangende boom waar ze goed kunnen overnachten. Volgens de normale routine zetten hij en Metla een valstrik om wild te vangen.
Ook deze nacht verloopt zonder noemenswaardigheden.
Helaas hebben zowel Bartimeüs als Metla geen wild gevangen, waardoor het eten aan het einde van de dag wel op zal zijn. Opnieuw zijn er wat kleine wolkjes te zien als ze door de rollende heuvels langs het bos lopen. Gedurende de dag zien ze dat het bos een stuk minder dik aan het worden is. Tegen het einde van de dag zien ze niet al te ver een heuvel met bebouwing erop. Als ze naderbij komen zien ze dat het een kleine grensfortje is. De tien meter lange muren zien er verweerd en vervallen uit, maar staan nog fier zo'n 20 meter overeind. Door een opening in de muur gaan ze de donkere toren binnen die helemaal verlaten blijkt te zijn. Er is een gammele houten trap naar boven, maar die durven ze niet te nemen, omdat het plafond er niet solide uit ziet.
Bartimeüs zoekt naar voedsel in de buurt en verzamelt allerlei bessen en knollen. Hij komt ook een overwoekert pad tegen dat naar de grote weg leidt. Voordat ze van hun karige maal gaan genieten zetten Bartimeüs en Metla opnieuw een paar vallen.
Bartimeüs kan zijn ogen maar met moeite openhouden in de donkere ruimte, daarbij wel geholpen door de regendruppels die door het lekke dak naar binnen sijpelen. Als Kritoias zijn wachtbeurt heeft gehad gaat hij weer slapen, maar wordt gewekt door een ijselijke gil. Het is inmiddels licht en hij wordt wakker in de onderste verdieping van het fort, maar de anderen lijken verdwenen te zijn. Kritoias loopt naar buiten en ziet daar een vrouw die verloren rondloopt tussen de lichamen van haar familie. De vrouw is danig overstuur en is een vluchteling uit de prinsdommen. Kritoias kijkt of hij iemand herkent, maar dat is niet het geval. Heel veel informatie krijgt Kritoias niet uit de vrouw voordat hij wakker wordt.
In de vallen zit dit keer een lekker konijn waardoor er toch iets te eten is voor het ontbijt. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en de koningin volgen het overwoekerde pad op zoek naar de grote weg. Dit grensfort staat zeer waarschijnlijk aan de noordgrens van Olcadaïr, op het punt waar de gebieden van de prinsdommen, Tyais en Desdedair bij elkaar komen.Na ongeveer een uur lopen ontdekken ze een overwoekerd dorpje, maar aan de begroeiing te zien is dat al tientallen jaren verlaten.Aan het eind van de dag zien ze langs de kant van de weg vijf naakte lichamen liggen. Een nader onderzoek laat zien dat het om vijf jonge vrouwen gaat waarvan de keel is doorgesneden. Waarschijnlijk zijn zij door soldaten of rovers meegenomen, verkracht en vermoord. Bartimeüs zoekt naar sporen en gebruikt een spreuk om een beeld te krijgen van degene die dit heeft gedaan. Het is een soldaat met een groen-witte hes voorzien van een ramskop en gewapend met een zwaard en een dolk. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc kennen deze heraldiek niet, maar de koningin vertelt dat dit een soldaat van Olcadaïr is. Kritoias schat in dat de vrouwen al een paar dagen geleden zijn vermoord en omdat ze niet als levend lijk zijn gaan wandelen is het ook niet nodig om ze te verbranden.
Dat had trouwens niet veel geholpen, want even verderop ligt een grotere groep gedode mensen. Mannen, oudere vrouwen en kinderen, allemaal de keel doorgesneden of het hoofd ingeslagen. Kritoias kijkt of hij iemand uit Avendorp of Lodepoort herkent, maar dat is niet het geval. Aan de kleding te zien lijken het eerder vluchtelingen uit de prinsdommen te zijn. Bartimeüs zoekt naar sporen en ontdekt al snel dat de soldaten te paard zijn geweest en terug zijn gereden naar de weg. De vluchtelingen hebben geen kostbaarheden meer bij zich, maar nog wel voldoende voedsel voor de rest van de reis naar Olcadaïr. Voorzichtig gaan ze met zijn allen verder.
Na een tijdje zien ze in de verte een soort hutje langs de kant van de weg. Kritoias maakt Bartimeüs onzichtbaar en Bartimeüs sluipt omzichtig naar het hutje toe. Het is een gebouw dat eerst als boswachtershutje diende, maar waar nu een viertal soldaten van Olcadaïr hun intrek hebben genomen. Er staan wel vijf paarden bij het hutje en als Bartimeüs staat te kijken komt er vlak achter hem een vijfde soldaat uit de bosjes, die net heeft staan pissen. Bartimeüs gaat terug naar de groep en ze overleggen over een plan van aanpak. De soldaat die bij de dode jonge vrouwen was is er namelijk niet bij.
Kritoias vindt dat ze moeten proberen om er langs te komen, ze komen immers niet uit de standaard route en misschien kunnen ze iets horen. Voor de zekerheid zorgt hij ervoor dat hij supersnel een slaapspreuk op de vijf mannen kan uitvoeren. Bartimeüs blijft onzichtbaar en loopt met een getrokken pijl mee. De soldaten zijn wat verbaasd als Kritoias, Ruarc, Metla en de koningin over het overwoekerde pad aan komen lopen en reageren achterdochtig. Dan valt één van hen de twee vrouwen in het gezelschap op en sommeert Metla en de koningin om hun rug te ontbloten. Kritoias vraagt waar dat nu voor nodig is, maar daar geeft de soldaat geen antwoord op. Hij blijft wel volhouden dat ze hun kleding uit moeten trekken en grijpt naar zijn zwaard. Op dat moment effectueert Kritoias zijn slaapspreuk en de vijf mannen zakken slapend op de grond.
Ze kunnen ze hier echter niet zo maar achterlaten, dus ze moeten gedood worden. Bartimeüs wil dat echter niet doen omdat hij dan zijn onzichtbaarheid kwijt is, dus Kritoias snijdt met een geleende dolk van Bartimeüs hun kelen door. Dan dragen ze de mannen een eind het bos in en probeert Bartimeüs het bloed dat op de grond ligt te camoufleren. Daarna zoekt hij een schuilplaats in de buurt waar ze kunnen overnachten zonder al te veel in de gaten te lopen.
Tijdens de wachtbeurt van Metla hoort zij een ruiter richting het zuiden rijden.
De volgende ochtend is het prachtig weer. Bartimeüs, Kritoias. Ruarc, Metla en de koningin gaan te paard op weg naar het zuiden. Omdat de soldaten van Olcadaïr naar de koningin op zoek zijn blijven ze in het bos op een paar honderd meter van de weg.Na het middaguur horen ze in de verte wat rumoer. Ze stijgen af en Bartimeüs gaat richting de weg. Daar ziet hij dat ze bij een dorpje zijn aangekomen waar een twintigtal soldaten een grote groep vluchtelingen tegenhouden. Ook hier worden een aantal jonge vrouwen gedwongen hun rug te laten zien. Bartimeüs ziet dat de vluchtelingen in een lastig parket zitten, omdat ze hier niet welkom zijn, maar eigenlijk ook niet terug kunnen naar het noorden.
Ondertussen hoort Kritoias een patrouille door het bos lopen. Kritoias, Ruarc, Metla en de koningin houden zich heel stil en hopen dat de paarden dat ook doen. Gelukkig ziet de patrouille hen niet en lopen de soldaten verder het bos door. Als Bartimeüs is teruggekeerd besluiten ze om de paarden achter te laten en met een wijde boog om het dorp heen te trekken. Als ze de paarden zo laten staan vallen ze natuurlijk op, dus Kritoias maakt alle vijf de paarden voor twee dagen onzichtbaar. Als het helemaal donker is geworden trekken ze met nachtzicht om het dorp heen. Eenmaal aan de andere kant gaan ze weer slapen.
De nacht verloopt rustig
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en de koningin besluiten de weg te mijden en lopen door de velden aan de oostkant van de weg. Ze zijn weer helemaal terug in de bewoonde wereld, want er staan regelmatig boerderijen en ze lopen langs of door velden met graan. Het is prachtig zomerweer. Aan het einde van de middag komen ze bij een gehucht waar een aantal boerderijen in een kring rondom een open plaats staan met een waterput in het midden. Ze vragen of ze onderdak kunnen krijgen en één van de boerinnen laat hen in de schuur slapen. Ze kunnen voor een kleine vergoeding mee-eten en vertellen wat algemene dingen over Nymarc en hun reis. De boerin vraagt of ze de bescherming van de keizer hebben gevraagd door te offeren. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc kijken enigszins verbaasd en de koningin legt uit dat er hier een klein altaar in het gehucht is. Ze gaan er heen en offeren iets aan de keizer. De boerin vertelt verder dat er een groot aantal vluchtelingen uit de prinsdommen is gekomen en dat die nu rond Olcadaïr neergestreken zijn.Aan het einde van de avond gaan Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en de koningin naar de schuur om te slapen.
Het begin van de nacht verloopt rustig, maar als het ochtend begint te worden maakt Metla de anderen wakker. Er zijn een aantal ruiters aangekomen in het dorp. Bartimeüs tuurt door de planken van de schuur en herkent de man van de voetsporen bij de dode vrouwen. Hij praat met de boerin, wat zijn vrouw of vriendin blijkt te zijn. De boerin zegt hem dat er een aantal vluchtelingen uit Nymarc in de schuur verblijven. Dat noopt Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en de koningin tot actie. Bartimeüs wil de mannen de moordpartij betaald zetten. Hij sluipt uit de schuur en positioneert zich zodat hij de man neer kan schieten. Kritoias maakt zich onzichtbaar en loopt het plein op om een vuurbal op de soldaten te gooien. Ruarc gaat met Metla en de koningin de schuur uit en zij sluipen richting het veld.
Bartimeüs schiet zijn pijl af op de man van de boerin en raakt hem op zijn maliënkolder. De mannen schikken op en kijken waar het vandaan komt. Kritoias staat klaar om een vuurbal te gooien, maar omdat de boerin er nog bij staat aarzelt hij. Hij wil geen onschuldigen flamberen. Bartimeüs schiet een tweede pijl die de man in zijn nek raakt waarop hij bloedend ineenzakt. De boerin duikt weg, twee soldaten rennen naar links om achterlangs de schuur bij Bartimeüs te komen. De andere drie maken een omtrekkende beweging langs de rand van het plein. Kritoias probeert een vuurbal te gooien, maar kan de energie net onder controle krijgen. Hij duikt achter de waterput omdat hij nu zichtbaar is. Bartimeüs ziet nu dat er drie man op hem af komen en begint te rennen. Ondertussen vraagt hij zich af waar de vuurbal blijft. Hij rent om de boerderij van de vrouw heen en keert terug op het plein. Als hij vanaf de linkerkant de andere twee soldaten aan ziet komen rennen duikt hij rechts langs een andere boerderij richting de velden. Voor Kritoias een uitgelezen kans om alle vijf de soldaten te vangen in een vuurbal, maar het is zijn dag niet. De druk is te groot en de vuurbal raakt de boerderij waar Bartimeüs net langs rende. Kritoias blijft in vertwijfeling achter.
Bartimeüs rent door de velden met drie van de soldaten achter zich aan. Hij probeert ze af te schudden, maar blijft achter een tak haken, waarna één van de mannen hem in zijn rug slaat. Bartimeüs is verdoofd door de klap en probeert zich te verweren tegen de drie mannen die hem nu omsingelen, maar hij ziet al snel dat hij ze niet gaat verslaan en hij geeft zich over.De twee andere soldaten zijn na de vuurbal die vlak naast ze ontplofte gestopt met de achtervolging van Bartimeüs en lopen terug naar hun gewonde kameraad om hem te helpen. Terwijl ze daarmee bezig zijn sluipt Kritoias vanuit zijn verstopplaats achter de waterput naar de mannen toe en schiet van dichtbij een vuurbal op ze af. Het resultaat is beter dan de vorige keer, maar nog steeds niet optimaal. De kleding op hun rug brandt weg en de mannen zijn even uit het veld geslagen. Kritoias gebruikt zijn staf om op de mannen in te slaan, maar slaagt er niet in ze allebei op tijd uit te schakelen. Een van de mannen weet nog net uit te halen met zijn zwaard en zorgt voor een bloedende wond op zijn voorarm tot de pijn van de brandwonden hem te veel wordt. Kritoias gebruikt een spreuk om het bloeden te stoppen. Ondertussen hoort hij de boerin gillen en roepen dat de andere bewoners van het dorp binnen moeten blijven omdat het anders slecht met ze afloopt. Kritoias weet dat hij hier geen uur kan blijven en teleporteert zichzelf naar het veld.
Daar is Ruarc naar de gevangen Bartimeüs toegeslopen die door de drie soldaten meegevoerd wordt naar het dorp. Ruarc slaagt erin twee van de soldaten in slaap te toveren, waarna Bartimeüs zich losrukt en de overgebleven soldaat aanvalt. Maar met zijn blote handen is het lastig om de bewapende soldaat te doden. Even lijkt het erop dat het slecht voor hem afloopt, maar dan duikt Metla achter de soldaat op en doodt hem met een dolksteek in zijn nek. Bartimeüs rekent af met de twee andere soldaten en gebruikt dan een paar spreuken om zijn blauwe plekken te genezen.
Bartimeüs is met Ruarc en Metla voorzichtig teruggelopen naar het bosje waar de koningin zich heeft verscholen. Kritoias is in geen velden of wegen te bekennen. Ruarc maakt een illusie van een roofvogel op 30 meter hoogte om subtiel te laten weten waar ze zitten. Zijn idee werkt, want Kritoias, die rustig door de velden aan het lopen is op zoek naar de anderen ziet de vogel en komt die kant uit. Bartimeüs en Kritoias zijn allebei enigszins gewond geraakt, maar het ziet er naar uit dat ze er maar een dag last van zullen hebben.De grote zwarte rookwolken van het brandende huis in het dorp laten wel aan iedereen in de wijde omgeving zien dat er hier iets aan de hand is. Ze besluiten om met een wijde boog om het dorp heen te trekken en de reis naar Olcadaïr voor te zetten. Het is een prachtige dag en ze komen maar weinig boerderijen tegen voordat ze aan het einde van de dag in de verte een ommuurde stad op een heuvel zien liggen. Van deze afstand, ongeveer drie kilometer, lijkt het er niet op of er aan deze kant een vluchtelingenkamp is ontstaan.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en de koningin denken dat het verstandiger is om vanuit het zuiden te naderen, dan lijkt het er minder op dat ze vluchtelingen uit het noorden zijn en dan gaan de soldaten hopelijk ook niet zoeken naar tatoeages. Na korte tijd zien ze in de verte een aantal tenten en wagens staan. Bartimeüs sluipt er naar toe en luistert de mannen, vrouwen en kinderen af. Het zijn vluchtelingen uit Nymarc die hier al een tijdje verblijven en behoorlijk schichtig reageren als er in de verte soldaten langsrijden. Ze hebben het er over dat ze niet weten of ze hier nu kunnen blijven, maar ook bang zijn om dat te vragen. Gelukkig hebben ze de laatste tijd geen aanvallen van monsters meer gehad. Bartimeüs sluipt terug en overlegt met de anderen. Het lijkt er dus op dat de ellende uit het noorden hier nog niet is waargenomen. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en de koningin willen niet ontdekt worden en sluipen om het kamp heen. Om geen aandacht te trekken maken ze geen vuur en overnachten in een beschut bosje. Ze hebben wel een warme maaltijd, want Kritoias verwarmt water met magie.
De nacht verloopt rustig. Vanuit de verte zien degenen die wachthouden af en toe mannen met fakkels over de stadsmuren van Olcadaïr lopen.
Na een stevig ontbijt lopen Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en de koningin door naar de zuidelijke poort. Ondertussen zien ze dat de muren wel zes meter hoog zijn en ook nog zijn gebouwd op een bijna onklimbare rotswand. Tegen het einde van de ochtend komen ze bij de zuidelijke poort aan. Kritoias maakt Bartimeüs onzichtbaar die vervolgens poolshoogte gaat nemen. Bij de poort is het niet erg druk. Er staan een paar soldaten in het groen-witte tenue van Olcadaïr de binnenkomende reizigers te controleren. Dat zijn bijna allemaal boeren uit de buurt die door de wachters herkend worden en zonder zware controle mogen passeren. Als Bartimeüs door de open poort naar binnenkijkt ziet hij een plein waar nog wat marktkramen op staan. Daar lopen ook mannen in een geel-zwart tenue met de ramskop van Olcadaïr erop. Bartimeüs trekt al snel de conclusie dat dit de stadswachters zijn, de groen-witten zijn soldaten. Bij de poort ziet Bartimeüs ook nog een klein nisje waar een keizerfiguurtje in staat.
Bartimeüs loopt terug naar de anderen en brengt verslag uit. Ze zijn nog wat huiverig om zich bij de poort te melden en allemaal onzichtbaar naar binnen gaat ook niet, daar is het toch te druk voor. Het plan is dat Kritoias, Ruarc en Metla zich als handelaren melden bij de poort en dat Bartimeüs en de koningin onzichtbaar naar binnen gaan. Dan moeten ze alleen wel ergens in de stad afspreken. Bartimeüs stelt voor om nog een verkenning te doen en een herberg in de stad te vinden waar ze kunnen afspreken. Dat vinden de anderen een goed plan en Bartimeüs zal binnen twee uur terugkomen.
Het is voor de onzichtbare Bartimeüs niet al te moeilijk om de stad binnen te sluipen. Het is het begin van de middag en niet al te druk meer. Op het plein voor de poort staan nog de laatste restanten van een markt, terwijl bedelaars aan de kant van de weg andere mensen om een aalmoes vragen. Bartimeüs loopt de bredere weg verder af naar het centrum van de stad. Het valt hem op dat het hier behoorlijk stinkt en dat de weg erg smerig is, wat aardig past bij zijn outfit. De huizen zijn smal en klein en links en rechts ziet hij donkere steegjes waar de bovenverdiepingen van de huizen elkaar bijna raken. Op veel plaatsen hoort hij het geluid van de vele smeden die hier hun ambacht bedrijven. Het is hier duidelijk een ambachtsgebied. Na ongeveer honderd meter ziet hij aan de linkerkant de herberg De Blauwe Dolk."Dat lijkt me een goede plaats" denkt hij bij zichzelf. Bartimeüs vraagt zich nog even af of hij verder de stad in zal lopen, maar bedenkt zich en sluipt ongezien de stad uit en terug naar de anderen.
Rond half twee zetten ze hun plan in werking. Kritoias maakt de koningin onzichtbaar en ze gaan op weg naar de zuidelijke poort. Na een half uurtje komen ze aan en het is nu nog rustiger dan eerst. Als Kritoias, Ruarc en Metla zichtbaar aan komen lopen vraagt de soldaat die bij de poort staat wat ze komen doen. Kritoias vertelt dat hij een handelaar is en wijn komt inkopen om naar Branduïn te vervoeren. De soldaat vraagt Kritoias naar zijn papieren. Kritoias reageert verbaast en vraagt waar het precies over gaat. Dan blijkt dat er een tolbrug in het zuiden is waar ze tol hadden moeten betalen. Kritoias verzint op stel en sprong een nogal rammelend verhaal dat Ruarc langs een grot wilde, omdat hij daar verhalen over kent en dat ze ruzie met een schipper hadden. Het lijkt de verkeerde kant op te gaan, want achter de soldaat horen ze een andere soldaat vragen of er problemen zijn. Ruarc vraagt snel of ze hier geen tol kunnen betalen, maar dat is volgens de soldaat toch wel weer lastig en gaat tijd kosten. Die opening grijpt Ruarc aan om de soldaat om te kopen met een zilver waarna ze de stad kunnen betreden.
Tijdens dit oponthoud zijn Bartimeüs en de koningin onzichtbaar naar binnen gelopen. Ze ontmoeten elkaar weer voor de Blauwe Dolk waar Bartimeüs zich zichtbaar maakt door tegen iets aan te slaan. De koningin geeft Bartimeüs een klap om weer zichtbaar te worden. Na een tijdje komen Kritoias, Ruarc en Metla ook aanlopen en ze gaan gezamenlijk naar binnen. De herberg is best groot en bestaat uit een hofje waar allerlei kamers aanliggen met aan de achterkant de gelagkamer. Ze worden al snel benaderd door de herbergier, die helaas moet melden dat hij helemaal vol zit vanwege alle vluchtelingen uit het noorden. Kritoias vraagt of hij voor hen geen plaats kan vinden als ze een zilver per nacht betalen, wat ongeveer tien keer zo veel is als normaal. Dan blijkt dat de herbergier binnen een uur iets voor ze kan regelen.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en de koningin gaan naar de gelagkamer waar ze een goede maaltijd gebruiken. Ze horen van de vrouw van de herbergier dat de stad vol zit met vluchtelingen. Een groot aantal van hen zitten buiten de havenpoort omdat ze niet meer worden binnengelaten en het gerucht gaat dat de vluchtelingen nu verder naar het noorden worden tegengehouden.De vraag is alleen nog waar Fhazhul uithangt. De enige hint die ze hebben is dat hij in het boek verwees naar de geneesheren van Olcadaïr. Als Kritoias daar naar vraagt zegt de herbergierster dat ze die term niet kent, maar dat er wel een doktersgilde is. Hier in de buurt zit Belfort de barbaar. Het gildehuis van de dokters is verderop in de stad bij de havenpoort.
Tijdens het eten horen ze dat een aantal mensen met zachte drang gevraagd wordt om hun kamer op te geven en na het eten is er een kamer voor vijf beschikbaar. De herbergierster brengt een tobbe met water naar de kamer, waar Kritoias het water snel verwarmt. Op die manier kunnen Metla en de koningin zich zonder pottenkijkers verfrissen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan op weg naar het badhuis en zullen onderweg wat nieuwe kleding te kopen. Ze nemen alleen de hoogst noodzakelijk spullen mee om geen dingen kwijt te raken.
Na een bezoek aan het badhuis, waar ze samen met wat ambachtslieden weken aan vuil van zich af wassen laten ze twee sets nieuwe kleding maken. Ruarc bestelt bij een pantsersmid extra delen voor zijn maliënkolder en Bartimeüs koopt bij een leerhandelaar een leren helm.Dan gaan ze de stad verkennen om te kijken waar het doktersgilde is. Ze komen eerst door een deel van de stad waar veel mensen in een tenue met een ramskop lopen. Dit keer niet groen-wit of geel-zwart, maar wit-geel, rood-wit en helemaal groen. Die mensen zien er niet zwaar bewapend uit en waarschijnlijk zijn het schrijvers en andere dienaren van de stad.
Bij de havenpoort aangekomen zien ze door de poort aan de andere kant een tentenkamp liggen. Hier zijn de meeste vluchtelingen neergestreken. Ze kijken om zich heen en zien een niet al te groot gebouw met een uithangbord met een mes en een masker. Daar moet het doktersgilde zijn. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan naar de deur en kloppen twee keer aan. Een bediende doet open en vraagt of ze een afspraak hebben. Dat is niet het geval, maar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc willen toch graag de dokter spreken. Gelukkig kan deze wat oudere man met de naam van den Dor tijd voor hen maken en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc bestellen bij hem een potje met een zalfje om bloedende wonden te stelpen. Hij vindt het wel vreemd dat ze naar geneesheren vragen, maar gaat er verder niet op door. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vinden het nu geen goed plan om te veel aandacht op zich te vestigen en spreken af over twee dagen terug te komen om het zalfje op te halen.
Als ze weer naar buiten komen valt Bartimeüs op dat hij een bepaald gezicht nu al een paar keer heeft gezien als hij ergens naar buiten komt. Hij vertelt dat aan Kritoias en Ruarc en ze halen dezelfde truc uit als in Nymarc. Ruarc maakt een illusie van Bartimeüs en Kritoias maakt Bartimeüs onzichtbaar als ze langs een steegje lopen. De man die hen achtervolgt heeft dit niet in de gaten en volgt Kritoias en Ruarc naar de herberg waar hij in de gelagkamer plaatsneemt. Bartimeüs volgt de man en ziet dat hij eten en drinken besteld. Hij is hen duidelijk aan het observeren.Bartimeüs sluipt voorzichtig om niemand te raken tussen de mensen door naar de kamer waar hij verslag uitbrengt. Ze besluiten dat ze deze man nader aan de tand moeten voelen. Kritoias heeft daar wel middelen voor en hij gaat met Bartimeüs op weg naar de gelagkamer, maar niet nadat hij een spreuk om de man anderhalf uur bijna alles te laten doen wat hij wil heeft voorbereid.
De man is behoorlijk verbaasd als Bartimeüs en Kritoias op hem aflopen en naast hem gaan zitten. Kritoias slaat hem op zijn schouder en betovert hem. Hij zegt de man om met hem mee te gaan naar hun kamer en de man gehoorzaamt. Daar binnengekomen ondervraagt Kritoias de man ingefluisterd door de anderen. De man heeft Sjonnie en is zeer geïnteresseerd in zwaar bewapende reizigers die de stad binnenkomen, zeker als ze de poortwachters omkopen. Hij geeft die informatie door aan Schele Karel die elke ochtend bij de zuidpoort aanwezig is. Hij krijgt daar een leuk zakcentje voor, want er is verder weinig werk in de haven. Sjonnie woont aan de overkant van het meer in de Buitenstad. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en de koningin overleggen wat ze moeten doen. Ze besluiten om de man een zilverstuk te geven op voorwaarde dat hij niets tegen Schele Karel zegt. De man vindt dat prima, eet zijn bord leeg en vertrekt naar huis. Daarna gaan ze zelf eten in de gelagkamer.
Ze houden wacht op de kamer, maar het blijft rustig, afgezien van de normale stadsgeluiden.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc voelen wel de druk van de gebeurtenissen in het noorden. Ze stellen voor om vanmorgen naar de dokter te gaan zodat de koningin kan vragen of ze Fhazhul kennen. De vorige keren moest de koningin ook steeds iets doen voordat er een illusie van Fhazhul verscheen. Metla en de koningin kunnen zich hier wel in vinden en na het ontbijt gaan ze op weg naar het doktersgilde.Hoewel het niet heel vroeg meer is bleek de dokter nog niet opgestaan te zijn. Hij komt gehaast naar Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en de koningin in de wachtkamer toe en is verbaasd als ze er zijn, want het zalfje is zeker nog niet klaar. Als de koningin vertelt dat ze op zoek is naar een oude vriend met de naam Fhazhul die heeft verwezen naar de geneesheren gaat er bij de dokter een lichtje op. Een paar jaar geleden hebben de bestuurders van de stad een einde gemaakt aan een groepering geneesheren. Die zijn allemaal opgepakt en geëxecuteerd omdat het opstandelingen zouden zijn die moorden zouden plegen op keizerlijke afgezanten. De koningin is geschokt door deze uitspraak en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc verzekeren dat dit niet past bij het beeld dat zij van Fhazhul hebben. Dit heeft zich volgens de dokter ongeveer vijf of zes jaar geleden afgespeeld. Wat wel bijzonder was is dat vlak daarna een geheimzinnige persoon met de naam de Onzichtbare is opgedoken. Het zou kunnen dat hij weet waar Fhazhul is gebleven. In de Buitenstad zouden ze meer over de Onzichtbare weten.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en de koningin lopen door de drukke stad terug naar de Blauwe Dolk. De straten zijn smal en meerdere keren moeten ze opzij duiken om niet door een kar aangereden te worden. Een van de bestuurders is wel erg onbeschoft en noemt Kritoias een mongool, wat dat ook mag zijn. Die pikt dit niet en verwart de man waardoor hij minuten lang verdwaasd op zijn kar blijft zitten. Dit zorgt voor een opstopping en veroorzaakt de aandacht van de stadswacht. Snel lopen ze door naar de herberg waar ze bedenken wat ze gaan doen. Ruarc gaat in taveernes verhalen vertellen en proberen uit te horen waar de Onzichtbare zit. Bartimeüs gaat de stad verkennen en Metla gaat ook op onderzoek uit. Kritoias blijft met de koningin achter in de herberg. Voordat ze weggaan maakt Kritoias het zwaard van Bartimeüs en een van de dolken van Metla magisch met één van zijn toverspreuken.
Bartimeüs gaat als eerste op pad en verkent de stad. Hij ontdekt dat er een noordpoort is, de havenpoort waar ze vanmorgen bij stonden en de zuidpoort waardoor ze de stad zijn binnengekomen. Achter de havenpoort is het havengebied, een ommuurd gedeelte dat aan het "meer" grenst. Het meer is een verbreding van de rivier tot ongeveer 150 meter. Aan de overkant van het meer ligt de Buitenstad, een verzameling pakhuizen en hutten die niet ommuurd is. Er varen continu pontjes tussen de stad zelf en de 250 meter verderop gelegen Buitenstad. In het noordoosten van de stad is een gedeelte door een muur afgescheiden. Daar bevindt zich het kasteel van de graaf en wonen edelen en rijke kooplieden. De enige toegang is door een poort, maar die is op dit moment gesloten en wordt goed bewaakt door wachters in geel-groene tenues.
Bartimeüs blijft de poort een tijd observeren en ziet dat de mensen die naar binnen en buiten lopen welgesteld zijn en persoonlijk bekend bij de wachters. Als er een kar met spullen komt wordt die ook, zij het vluchtig, doorzocht. Bartimeüs hoort af en toe flarden van gesprekken als de handelaren langs hem lopen naar of van de poort. Hij hoort dat de handel met het noorden stil is komen te liggen waardoor er nu veel schepen in de Buitenstad aangemeerd zijn en dat de hoeveelheden goederen zich opstapelen. Dit zal impact hebben op de prijs, want de handelaren zullen hun spullen goedkoop willen dumpen.
Ruarc gaat op zoek naar een taveerne om wat geld te verdienen en informatie te verzamelen. Hij komt terecht in de taveerne de Grote Ram. De herbergier vindt het prima als Ruarc wat verhalen komt vertellen als het maar geen deprimerende verhalen over vluchtelingen zijn. Ruarc zoekt een plek in de gelagkamer waar nog aardig wat mensen zitten en begint eerst met een heel mooi algemeen verhaal. Dan merkt hij dat er behoefte bestaat aan wat vermaak en vertelt hij een uitgebreid verhaal over een kwajongen in een havenstad. De aanwezigen zijn bijzonder enthousiast over zijn verhalen en Ruarc raakt in gesprek met een paar mannen. Hij vraagt of ze ook nieuwe verhalen kennen en verzamelt zo aardig wat informatie over de stad.
Olcadaïr leeft van de handel en de wijnbouw, graan en schapen. De tolheffing is een vorm van georganiseerd stelen en dat heeft ervoor gezorgd dat er een behoorlijk aantal dieven, rovers, zwendelaars en kwakzalvers is neergestreken in de stad. Dat leidde tot een tweestrijd tussen de tollenaars en het dievengilde. De tollenaars moesten in naam van de stad tol heffen voor de keizer, maar hielden zich vooral bezig met zelfverrijking. Het verschil tussen de tollenaars en het dievengilde was dus niet zo groot.Omdat de tollenaars zich niet konden beheersen zijn ook de Ogen en Oren van de keizer hier neergestreken. Zij hadden een eigen netwerk onder leiding van Grote Peer. Dit speelde zich allemaal ongeveer 80 jaar geleden af.
Ongeveer tien jaar geleden is het netwerk van de dieven overgenomen door de Noorderling. De Keizerlijken gingen daar tegen in en dat heeft geleid tot een openlijke strijd en meerdere doden aan beide kanten. Dat is gestopt toen de Noorderling is opgepakt en op het stadplein opgehangen. De tollenaars zijn natuurlijk nog steeds corrupt, maar ook het netwerk van de dieven is er nog steeds, nu geleid door iemand die zich de Onzichtbare noemt. Daarnaast zijn de keizerlijke agenten ook nog in de stad.
De stad is nog niet zo heel erg oud. Het gerucht gaat dat de druïdes hier zijn geweest nadat ze verdreven waren. Op de heuvel waar het kasteel nu staat was iets van belang. Daar stond een nederzetting die door een gevecht met de druïdes is verwoest.De mannen hebben ook nog een echt spookverhaal voor Ruarc. Op het meer vaart een spookschip voorzien van toortsen met aan boord de dolende ziel van een prins. Hij kwam uit het noorden en was op weg naar Branduïn toen zijn schip hier ten onder ging. Een van de mannen heeft het zelf gezien. Hij hoorde een stem die "Jo Ho!" zei en er ontstondt een koude mist op het meer. Toen zag hij onderwater een schip varen met op de voorplecht het spook met rode ogen die diep in zijn ziel keken.
In het midden van de stad staat ook een gebouw waar de keizer wordt geëerd. Dat noemen ze hier en in het zuiden een tempel. De stad staat onder de controle van Sefalin, de heer van Olcadaïr, hij heeft wachters met geel-groene tenues. De stadswacht met haar geel-zwarte tenues wordt geleverd door Baron Perdenaar. Er zijn twee edelen die zich met de tolheffing bezighoude: Stavendal wiens mensen wit-gele tenues hebben en Guldenmond met rood-witte kleding. De man heeft het niet zo op met Guldenmond omdat het ouderwetse types zijn. Dan zijn er ook nog baron Caldoran waarvan de dienaren groene tenues dragen en barones Vonnendal die de groen-witte soldaten levert die voor orde en bewaking zorgen. Ze vallen uiteindelijk allemaal onder graaf Ordanan Verdenhal met mannen met blauw-rode tenues.
Als de mannen vragen naar de situatie in de prinsdommen vertelt Ruarc dat die schromelijk wordt overdreven. Dan voelt hij plotseling een vreemde tinteling en ziet hij nog net een man de deur uitglippen met een rode jas aan. Ruarc heeft het idee dat die net naast hem stond. Als Ruarc snel afscheid wil nemen van de mannen vragen ze waar hij vanavond optreedt. Ruarc vraagt welke taveerne een goed publiek trekt en zij vertellen dat hij dan in de Twee Minnaars moet zijn. Ruarc bedankt de mannen en spoedt zich naar buiten maar van de geheimzinnige figuur met de rode jas ontbreekt ieder spoor.
Als Bartimeüs en Ruarc terug zijn in de herberg komt ook Metla weer opdagen. Zij is overgestoken naar de Buitenstad en zegt dat dat wel vergelijkbaar is met de Dievenhaven in Nymarc. Op dit moment wordt de Buitenstad overspoeld met vluchtelingen uit de Prinsdommen. Zij vertellen over een leger van lopende doden dat de Prinsdommen in het noorden is binnengevallen.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc besluiten om die avond na het eten gezamenlijk naar de Twee Minnaars te gaan om te kijken of ze iets te weten kunnen komen over de Onzichtbare.
Rond acht uur 's avonds komen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc aan bij de Twee Minnaars. Omdat ze ongewapend zijn kunnen ze zo doorlopen naar de bovenste verdieping waar de betere gasten zitten. Een andere artiest maakt wat achtergrondmuziek, maar dat is geen concurrentie voor Ruarc die een aantal briljante verhalen vertelt. Hij krijgt veel bijval uit het publiek en haalt bijna twee zilver op. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc raken in gesprek met twee handelaren die vragen waar ze vandaan komen en wat ze doen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen wat onzin over hun reis uit het zuiden, maar wel dat ze op zoek zijn naar werk. Een van de mannen zegt dat hij wel een bewakingsklusje voor hen heeft. Ze moeten zich morgenochtend melden bij het pakhuis van Aldepoort in de Buitenstad.
Als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc rond elf uur terug lopen naar de herberg is het behoorlijk donker, maar toch nog aardig druk op straat. Het valt dan ook direct op als ze door een nauwe straat lopen waar het bijzonder rustig is. Bartimeüs vertrouwt het niet en Kritoias gebruikt magie om zijn mes om te toveren in een hakbijl. Als ze verder lopen duiken aan het einde van de straat drie mannen op. Die houden Bartimeüs, Kritoias en Ruarc tegen en willen hen graag ontdoen van de inkomsten van Ruarc van de afgelopen avond. Als Bartimeüs ziet dat er vanachteren nog drie mannen naderen zegt Kritoias dat Bartimeüs en Ruarc hun ogen dicht moeten houden. Kort daarop creëert hij een lichtflits die de drie mannen voor hem allemaal verblindt. Bartimeüs draait zich om en rent op de middelste van de drie mannen af die vanachteren kwamen en raakt hem op zijn linkerarm waardoor de man hevig begint te bloeden en zijn arm krachteloos langs zijn lichaam hangt. Ruarc gebruikt intussen ook een toverspreuk om de twee overgebleven mannen te verwarren.
Bartimeüs gaat door met het neerslaan van de verwarde mannen aan de achterkant, terwijl Kritoias tegen de mannen aan de voorkant roept dat ze moeten gaan liggen. Een van hen probeert weg te komen, maar Kritoias raakt hem met een waterpijl waarna hij gaat liggen. De middelste man van de achterste groep zakt in elkaar als Kritoias ook hen waarschuwt om te gaan liggen. Bartimeüs probeert nog steeds éen van de mannen met zijn blote vuist bewusteloos te slaan en de overgebleven man probeert weg te hobbelen, maar ook hij wordt geraakt door een waterpijl en valt neer. Ten slotte weet Bartimeüs de laatste man ook neer te slaan. Dan horen ze in de verte het gestamp van laarzen en maken ze zich uit de voeten.
Als ze terugkomen in de herberg is de koningin alleen. Ze gaan wat drinken in de gelagkamer en dan komt ook Metla aanlopen. Zij heeft de herberg vanaf de buitenkant geobserveerd en geen bijzondere dingen gezien. Voor ze gaan slapen maakt Kritoias een schriftrol waarop een spreuk staat die een kleine bloedende wond automatisch stopt als je de schriftrol leest. Alleen de koningin mag die schriftrol niet gebruiken. Je moet deze schriftrol ook niet verwisselen met die met het anders gekleurde lintje, want als je die leest krijg je een shock bolt in je gezicht.
De nacht verloopt rustig.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc staan vroeg op en gaan na het ontbijt op weg naar de havenpoort waar ze het pontje naar de overkant nemen. Kritoias vraagt aan een jongentje waar het pakhuis van Aldepoort is en dat blijkt vlakbij de aanlegsteiger van de pont te zijn. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc melden zich bij het door een palissade omgeven pakhuis en de deur wordt opengedaan door een bewaker. Hij vindt het prima dat ze komen helpen en waarschuwt alleen dat ze nergens aan mogen komen. Dan zegt hij dat hij wat dingen moet regelen en vertrekt. Het pakhuis is gevuld met allerlei soorten goederen waaronder hout en graan. Bartimeüs klimt op het dak om de boel te bewaken, terwijl Kritoias en Ruarc beneden blijven.Na ongeveer een uur klopt er een man aan. Kritoias doet open en het is een handelaar die volgens hem een afspraak met Aldepoort heeft. Hij werkt voor de familie Zwavel en die hebben vier pallets hout gekocht. Kritoias gaat met hem op zoek naar het hout en dat vinden ze. Als Aldepoort niet snel komt raken ze in gesprek. De man is erg geïnteresseerd in de namen van Kritoias en Ruarc en stelt vragen over de situatie in Branduïn. Daar weten ze natuurlijk niets van dus verzint Kritoias maar wat. na een paar uur wachten neemt de man afscheid en zegt dat hij later terug komt. Kritoias en Ruarc vertrouwen het niet en vragen Bartimeüs om de man te volgen.
Bartimeüs gebruik een spreuk om beter op te gaan in de schaduw en achtervolgt de man tot bij de pont. Daar praat de man met een aantal wachtende mannen en geeft hen een buidel. Dan stapt hij aan boord van de pont en vaart naar de overkant. De mannen keren terug naar het pakhuis van Aldepoort en gaan buiten naast de palissade zitten. Bartimeüs luistert hen af, maar ze praten alleen maar over heel gewone dingen. Het kan best dat dit stuwadoors zijn die wachten tot de deal is gesloten. Dan komt er een man aanlopen die zegt dat de drie mannen weg moeten. Als de mannen daar moeilijk over doen zegt de man dat ze waarschijnlijk geen problemen willen met de Onzichtbare.
Die uitspraak trekt de aandacht van Bartimeüs, dit zou wel eens de schakel kunnen zijn die ze naar Fhazhul brengt! Even overweegt Bartimeüs om de man in het oor te fluisteren dat hij zeker geen problemen met de Onzichtbare wil, maar hij kan zich bedwingen. Vol verwachting sluipt Bartimeüs onzichtbaar achter de man aan naar de haven. Bartimeüs verwacht dat hij daar verslag gaat uitbrengen maar komt bedrogen uit. De man loopt terug naar de kade en sluit zich aan bij een groep mannen die bezig is een wagen vol te laden met balen graan en vaatjes van een aangemeerd schip."Was dit wel echt een agent van de Onzichtbare?" denkt Bartimeüs, "die mannen die bij de poort van het pakhuis wachtten gingen ook niet direct weg."
Het volgende uur gebeurt er helemaal niets bijzonders. De man is druk aan het werk, net als zijn collega's, geen spoor van de Onzichtbare te zien. Dan hoort Bartimeüs een gerucht door de menigte gaan: "De spreker komt!".Mensen verzamelen zich en kijken richting het noorden. Daar komt een groepje mannen aanlopen dat halt houdt bij de haven. Ze stapelen een paar kratten op en een van de mannen gaat op het geïmproviseerde spreekgestoelte staan.Met donderende stemt trekt hij de aandacht van de omstanders: "Mensen van Olcadaïr, de dag van de vlammen is nabij!". Hij begint een donderpreek over het einde der tijden en het leger des doems waarin hij ze oproept om in opstand te komen tegen de heersers. De omstanders lijken niet heel erg onder de indruk. Ze pakken in ieder geval niet direct hun gereedschappen op om het grafelijk kasteel te bestormen.
Bartimeüs heeft meer oog voor de gestalte op de kratten. Deze man kan wel de drielingbroer van Grote Pier zijn."Dat onkruid lijkt ook maar niet te verdelgen" denkt Bartimeüs bij zichzelf, "Misschien dat onze dolk daar mee kan helpen. Dat verhaaltje lijkt wel heel erg op een Balbar-preek".Na ongeveer een kwartier verschijnen er een aantal potige mannen die Grote Pier en zijn kameraden verjagen. Bartimeüs kijkt even rond, maar kan de man die het over de Onzichtbare had zo snel niet vinden en loopt terug naar het pakhuis, waar de mannen die eerst zaten te wachten op de terugkeer van de handelaar de waarschuwing van de man toch ter harte hebben genomen en weg zijn gegaan.
Bartimeüs vertelt het verhaal over de handelaar en de man die het over de Onzichtbare had aan Kritoias en Ruarc. Hij komt niet verder dan "Beetje rommelig haar, ongeschoren kop" als hij hem aan Kritoias en Ruarc wil beschrijven. Ruarc vindt het wel mooi en gaat naar de markthal om wat eten in te slaan. Het ziet er naar uit dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc hier de nacht ook nog wel door zullen brengen.Aan het eind van de middag komt de voorman van Aldepoort weer terug. Hij spreekt met Bartimeüs, Kritoias en Ruarc af dat ze ook de komende nacht het pakhuis zullen bewaken, omdat de kans dan veel groter is dat er vluchtelingen of criminelen komen om goederen te stelen. Als hij weer is vertrokken gaat Bartimeüs, die nog steeds onzichtbaar is, naar de herberg om Metla en de koningin te informeren dat ze vannacht weg zullen blijven. Hij gebruikt een toverspreuk om over het water naar de stad te lopen en weet door de drukke stad te glippen zonder dat iemand tegen hem aanbotst. Helaas stoot hij wel zijn teen tegen de drempel van de herberg, waardoor de onzichtbaarheidsspreuk toch verstoord raakt."Ha, net op tijd voor het eten!" zegt de herbergier, "Ik had je niet zien binnenkomen.""Dat komt goed uit!" zegt Bartimeüs en schuift aan voor een goede maaltijd, terwijl Kritoias en Ruarc het moeten doen met de restanten van de markt.
Bartimeüs vertelt aan Metla en de koningin wat er is gebeurt. Metla zegt dat zij in de stad heeft rondgekeken, maar dat ze geen sporen heeft gezien van duidelijke dieventekens in de stad. Bartimeüs neemt om half tien het laatste pontje naar de Buitenstad en komt als het donker wordt terug bij het pakhuis. Ruarc ligt al te slapen en ook Bartimeüs gaat even rusten. Kritoias zal hem rond elf uur wakker maken. Kritoias heeft nog wat beter de omgeving bestudeert en heeft gezien dat er in de buurt een pakhuis is afgebrand en dat de palissade alleen aan de voorkant op de weg uitkomt. Aan de andere drie zijden zijn er smalle, door een poort afgesloten doorgangen waar aan de andere kant weer een palissade van een ander pakhuis staat.
In de loopt van de nacht begint het te onweren, maar gelukkig niet heel dicht in de buurt van de stad. Tijdens de wachtbeurt van Ruarc is er plotseling wel een harde donderklap uit de richting van de stad te horen. Kritoias schrikt er wakker van, maar Bartimeüs blijft gewoon doorslapen. Kritoias vermoedt dat die wel eens een aanslag zou kunnen zijn met een toverspreuk. Hopelijk is er niets met Metla en de koningin aan de hand. Kritoias overlegt even met Ruarc en neemt dat het zekere voor het onzekere. Hij gebruikt een toverspreuk om zich in de kamer in de herberg te teleporteren. Daar is gelukkig niets aan de hand. Kritoias kijkt even om zich heen en teleporteert zichzelf dan weer terug naar het pakhuis.
Het is al licht als erop de poort wordt gebonkt. Kritoias die ook de laatste wacht heeft genomen loopt naar de toegang en vraagt wat er aan de hand is."We willen effe met jullie praten" hoort hij een stem met een plat Olcadaïrs accent zeggen."Ogenblikje" zegt Kritoias die vervolgens Bartimeüs en Ruarc wakker maakt."Zo, waar gaat het over?" vraagt Kritoias"Ja, so gaat dat nie hè? Ik wil je wel recht in de oge kijken, so doen we dat hier!" antwoordt de man.Kritoias kijkt even achterom en doet dan voorzichtig de deur een klein beetje open: "Zo, nu kunnen we elkaar zien, wat is er aan de hand?""Nee, we motte wel gewoon effe binnen staan" zegt de man, terwijl hij naar binnen dringt en Kritoias een klap probeert te geven, maar een snelle afweertoverspreuk zorgt ervoor dat de man alleen maar lucht raakt.Zodra de man binnen de omheining staat schiet Bartimeüs, die al klaar stond met zijn boog, een pijl op de man af. De onverlaat wordt net door de punt gemist, maar krijgt een behoorlijke klap op zijn linkerarm."He, wat is dat?" roept hij.Kritoias duwt ondertussen de deur achter hem dicht en als hij nog meer stennis wil gaan schoppen tovert hij hem in slaap.
Kritoias bindt de man vast en Bartimeüs trekt hem mee het pakhuis in. De inmiddels wakker geworden man kijkt enigszins bang om zich heen."Linkerhand of rechterhand?" vraagt Bartimeüs"Wat?" vraagt de man."Dat is bij ons de straf voor dieven, dus zeg het maar, linkerhand of rechterhand?" vraagt Bartimeüs opnieuw, terwijl hij met zijn bijl aan het spelen is."We kwame hier helemaal niet om te stelen!" zegt de man, "Jullie pikke onze baantjes in, dat wille we niet."De man blijkt dus alleen maar bang voor zijn werk, waar hij uiteindelijk ook gelijk in heeft. Na enig aandringen krijgt Bartimeüs hem zover dat hij vertelt dat ze bij Herken moeten zijn als ze iets over de Onzichtbare willen weten. Die heeft een kantoor bij de markthal. Kritoias geeft de man een bronsstuk en gooit hem dan van het terrein af.
Vroeg in de morgen verschijnt de voorman weer. Hij blijkt Berry te heten en heeft een nogal opmerkelijk verhaal. Afgelopen nacht is Charles Vonnendal, de man van de Barones, in de stad door de bliksem getroffen en overleden. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc hebben de informatie die ze nodig hebben en nemen afscheid van Berry. Als ze betaald willen worden moeten ze trouwens bij de handelaar zijn. Berry zorgt daar niet voor. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vinden het best en verlaten het pakhuis. Verderop staat een groepje mannen om zich heen te kijken."Jullie kunnen weer bewaken hoor!" roept Bartimeüs ze toe.
Als ze bij de markthal aankomen zien ze vlak ernaast een groep mannen staan. In het midden staat een wat oudere man. Hij is de plaatselijke koppelbaas en is het werk van die dag onder de dagloners aan het verdelen. Er zijn duidelijk meer arbeiders dan dat er werk is, want een grote groep mannen druipt teleurgesteld af, maar blijft toch in de buurt hangen in de hoop vandaag toch nog iets te verdienen. Ruarc meldt zich bij het kantoortje en weet zich via de bewaker naar binnen te praten onder de naam Karl. Herken is wat achterdochtig, zeker omdat Ruarc niet wil zeggen hoe hij weet dat hij Herken moest benaderen, maar Ruarc heeft wel de aandacht met zijn verhaal over de goudschat van de witte dief uit het noorden. Zoals afgesproken vraagt Ruarc hem om aan de Onzichtbare door te geven dat hij aan het einde van de middag in de tempel is. Herken wil eerst meer tijd, maar als Ruarcerop aandringt dat er geen tijd te verliezen valt in verband met de situatie in het noorden zegt Herken dat hij zal zien wat hij kan doen.
De volgende uren besteden Bartimeüs, Kritoias en Ruarc om de bestelde spullen op te halen: drie zalfjes tegen bloedingen, kleding en extra pantserdelen voor Ruarc. Nadat ze terug zijn gekomen in de herberg bedenkt Bartimeüs dat er vast wel iemand de herberg in de gaten aan het houden is, net als het huis van oom en tante in Nymarc. Hij sluipt naar buiten en gebruikt een toverspreuk om zich ongezien aan de overkant van de straat te verstoppen. Bartimeüs kijkt goed om zich heen en na een half uur valt een man op die op een krukje zit met een pijp in zijn mond. Elke keer als de deur van de herberg open gaat kijkt hij met grote belangstelling die kant uit."Dat is hem, of in ieder geval één van hen" denkt Bartimeüs, terwijl hij rustig achterover leunt.
Een half uur laten komen Kritoias en Ruarc de herberg uit. Ze gaan een rondje door de stad lopen om het Bartimeüs makkelijk te maken eventuele observanten te ontmaskeren. Dat lukt prima, want de man op het krukje klopt zijn pijp uit, staat op en begint achter Kritoias en Ruarc aan te lopen. Die hebben besloten om naar de tempel te gaan. Dat is een logische bestemming en dan kunnen ze een beetje verkennen voor de ontmoeting aan het eind van de middag.De tempel bestaat uit twee gebouwen en is niet al te groot. In het midden is een tuin omgeven door een zuilengalerij waar een beeld van de keizer staat. Aan de voeten van de keizer hebben de bezoekers hun gaven neergelegd in de vorm van voedsel en munten. Om het beeld staan banken waar verschillende mensen eerbied bewijzen aan de keizer.
Als Kritoias en Ruarc in de buurt van het beeld komen ziet Ruarc het beeld plotseling zijn hand uitsteken."He, zie jij dat ook?" vraagt hij aan Kritoias, maar die heeft niets bijzonders gezien. Ruarc strekt zijn hand uit naar de uitgestoken hand en op het moment dat hij die aanraakt verandert de wereld om hem heen.Ruarc staat op het slagveld met zijn clangenoten van clan Branduïn. Vlak voor hem loopt de keizer die samen met de clan de aanval inzet op clan Karanach en de druïdes. Ruarc rent met zijn zwaard en schild achter de keizer aan en geeft de eerste vijand een houw met zijn zwaard, hij duikt onder de aanval van de tweede heen en steekt die ook neer, maar blijft bijna met zijn voet achter een boomwortel haken. Ruarc rent achter de keizer aan en confronteert de volgende vijand. Een afleidingsmanoeuvre gevolgd door een welgemikte steek laat de man ineen zakken, maar dan voelt Ruarc takken en bladeren om zijn benen. In snel tempo groeien planten om hem heen, houden hem vast en verstikken hem. Dan wordt het zwart.
Kritoias ziet dat Ruarc vaag om zich heen kijkt en wankelt, hij doet nog een pas vooruit en valt dan bijna de tussen de offergaven. Kritoias weet hem nog net op te vangen en naar de dichtstbijzijnde zitbank te sturen voor hij bijkomt."Pas op voor de offergaven!" maant een priester die dichterbij is gekomen."Hij deed het niet expres" zegt Kritoias, "volgens mij kwam hij in vervoering.""Ja, dat gebeurt hier wel vaker" antwoordt de priester."Deze tempel is toch gebouwd vlak bij de overblijfselen van Stilholm?" vraagt Kritoias"Ja, dit is al een heel oude tempel" antwoordt de priester.Ruarc is intussen bijgekomen en vertelt Kritoias zachtjes wat er is gebeurd. Kritoias zegt dat hem dit sterk doet denken aan de droom die hij en Bartimeüs hebben gehad bij de steen. Voordat ze weer teruggaan offert Kritoias een zilver aan de keizer. Ruarc ziet het zilverstuk oplichten, maar ook dat heeft Kritoias niet gezien.
De man met de pijp is de tempel niet binnengegaan en wacht buiten tot Kritoias en Ruarc de tempel verlaten en volgt ze terug naar de herberg. Bartimeüs vindt het wel mooi, controleert of hij nu ook weer niet wordt gevolgd en gaat daarna ook de herberg in.Om half vijf gaan ze met zijn drieën naar de tempel toe, opnieuw gevolgd door de man met de pijp. Ze nemen plaats in één van de banken nadat Bartimeüs ook een zilver heeft geofferd. Na korte tijd komt een man naast Ruarc zitten. De man is gekleed als een goede burger, niet als iemand uit de Buitenstad."U bent Carl?" vraagt de man, waarop Ruarc knikt, "Er is interesse, maar men wil u graag op een minder openbare plek ontmoeten. Kom na middernacht naar de Buitenstad. Achter de markthallen is een verlaten pakhuis, Kom daarnaar toe. Lang leve de keizer!"De man loopt naar het standbeeld, offert iets en loopt dan de tempel uit.
In de herberg overleggen Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en de koningin over de situatie. "H'm" zegt Kritoias, "Ik heb niets gehoord waterop wijst de Fhazhul hier iets mee te maken heeft. Ik had verwacht dat we wel een hint over het pad zouden krijgen dat we hebben gevolgd, maar nee. We moeten maar goed opletten vanavond.""Ja, we zullen het toch uit moeten zoeken" zegt Bartimeüs"Ik blijf hier bij haar" zegt Metla die naar de koningin knikt.
Om half tien nemen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc het laatste pontje naar de Buitenstad en lopen achter de markthal langs naar het verlaten pakhuis. Er zit een grote ketting op de poort, maar verder ziet het er leeg uit. Ze verstoppen zich even verderop in een smalle steeg en wachten tot het middernacht is. Een uur voor middernacht gebruiken Bartimeüs en Kritoias een nachtzichtspreuk zodat ze allemaal meer dan anderhalf uur in het donker kunnen kijken.
Even na middernacht komen ze uit hun schuilplaats en keren terug naar de met een grote ketting afgesloten poort. Kritoias rammelt even aan de ketting, waarna aan de andere kant van de poort voetstappen klinken."Aan de zijkant is een deur" zegt een stem."Ok" zegt Kritoias en ze lopen met zijn drieën de zijstraat in. Na enkele meters bereiken ze een deur die wordt open gedaan door een man van in de dertig. Hij heeft lantaarn in zijn hand, draagt een leren wapenrusting en heeft een zwaard aan zijn gordel hangen. Hij kijkt hen even onderzoekend aan en vraagt dan "Hebben jullie de spullen niet bij jullie?"Kritoias denkt dat hij de koningin bedoelt en zegt "Nee, dat hebben we niet""Eh, ok" zegt de man en leidt hen naar de grote deuren van een tien meter breed pakhuis. Als hij een kleiner deurtje in die deuren heeft opengedaan zien ze een dat het om een groot gebouw gaat van zo'n twintig meter lang. Op ongeveer acht meter van de deur staat een tafel met twee kaarsen erop die de hele ruimte spaarzaam verlichten. In het flakkerende licht zien ze achter de tafel twee mensen staan. Een vrouw van midden twintig die net zo is gekleed als de man die hen binnenliet en een man van rond de dertig die normale stadskleren aan heeft.
Ook deze twee vragen naar de spullen die Bartimeüs, Kritoias en Ruarc bij zich zouden hebben. Als ze opnieuw ontkennen spullen te hebben worden de man en de vrouw wat zenuwachtig en vragen wie Bartimeüs, Kritoias en Ruarc eigenlijk zijn. Die hebben geen zin om dat te vertellen en vragen op hun beurt wie zij zijn en wat zij willen. Als blijkt dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc een kist bij zich zouden moeten hebben lijkt het of hier iets helemaal mis gaat. Ruarc probeert de situatie te kalmeren door te zeggen dat het hier om een misverstand gaat en dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc nu rustig zonder bloedvergieten weg kunnen gaan, maar daar hebben de man en de vrouw geen trek is."Jullie komen hier niet levend meer vandaan" zegt de vrouw, terwijl ze haar zwaard trekt, "Harmen!"Op dat moment gooit Kritoias een vuurbal achter de tafel waarvoor hij al een tijdje energie aan het verzamelen was. Met een enorme knal wordt de vrouw tegen de grond geslagen, de achterkant van het pantser helemaal door het vuur verteerd. De man staat nog, maar is danig aangedaan. Achter Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaat de deur open en stormt Harmen met nog drie andere mannen naar binnen, allemaal gekleed in een leren pantser en bewapend met een zwaard.
Bartimeüs stormt direct naar voren maar slaagt er niet in Harmen een beslissende slag toe te brengen. Al snel wordt hij in het nauw gedreven door twee van de mannen. Ruarc zorgt er eerst voor dat hij niet zo goed te zien is en neemt het dan eerst tegen één en dan tegen twee van de mannen op. Kritoias loopt snel om de tafel heen en slaat eerst de vrouw en dan de man dood. Bartimeüs loopt een bloedende wond in zijn been op, maar slaagt er dan in één van de mannen neer te slaan, terwijl Kritoias de andere in slaap tovert. Ruarc krijgt in eerste instantie een paar klappen die niet door zijn pantser heen komen, maar hij weet geen van de mannen echt goed te raken. Dan ziet één van de mannen een opening en haalt met zijn zwaard de zijde van Ruarc open waardoor het bloed eruit gutst. De mannen kunnen het karwei niet afmaken, want op dat moment valt Bartimeüs een van de mannen in de rug aan en wordt de ander door Kritoias in slaap getoverd. De overgebleven man draait zich om, maar krijgt geen kans tegen de ontketende Bartimeüs die het bloed langs het lichaam van Ruarc ziet druipen. Terwijl de man op de grond zakt haalt Kritoias ook nog met zijn staf uit.
Bartimeüs begint snel met het verbinden van zijn bloedende been wond, terwijl Kritoias en Ruarc allebei magie gebruiken om de hevig bloedende wond van Ruarc te dichten. Als ze tussen de dode en slapende mannen op de grond zitten treden plotseling een tweetal in maliënkolder gehulde mannen het pakhuis binnen gevolgd door een oudere vrouw. "Zo, we weten in ieder geval dat zij niet bij jullie horen!"
De vrouw kijkt de jongens eens goed aan. Bartimeüs beantwoordt de blik en zegt: "Zo en wie ben jij dan?""Ik ben een vertrouweling van hem. Hij vindt dat hij niet voorzichtig genoeg kan zijn." antwoordt de vrouw."Hieruit", en ze wijst naar de mannen die op de grond liggen, " blijkt wel dat jullie iets kunnen. Waarom zijn jullie op zoek naar hem?""Als hij de boodschap heeft gekregen en hij is de persoon die we zoeken, dan weten we zeker dat hij geïnteresseerd is om ons te ontmoeten. Wat hier in de stad allemaal speelt maakt ons niet zo veel uit." zegt Kritoias"Nee", gaat Bartimeüs verder, "met die legers van lopende lijken die uit het noorden komen verdwijnen al je lokale problemen hier als sneeuw voor de zon.""H'm en als die boodschap niet helemaal goed is overgekomen, zouden jullie hem dan nog eens kunnen herhalen?" vraagt de vrouw.Bartimeüs en Kritoias kijken allebei naar Ruarc die het verhaal tegen Herken heeft vertelt."Het gaat om de schat van de witte dief uit het noorden" zegt Ruarc tegen de vrouw, "als hij begrijpt wat we daarmee bedoelen wil hij contact met ons en anders willen we verder niets met hem te maken hebben.""Ok, ik geeft het aan hem door." zegt de vrouw."Je hebt nog steeds niet gezegd hoe je heet" dringt Bartimeüs aan."Ik ben bekend als de meesteres" zegt de vrouw, "kom we gaan" vervolgt ze tegen de twee bewapende mannen en ze verlaten de loods.
"Nou, dat ging lekker" zegt Bartimeüs, "laten we deze gasten nog even ondervragen en dan uit de weg ruimen.""Waarom nu weer gelijk de keel doorsnijden?" zegt Kritoias "is dat nu echt nodig?""Ik kan ze wel wat tijd laten vergeten nadat we ze ondervraagd hebben" zegt Ruarc, "en daar heb ik ook nog wel iets voor."Ruarc staat voorzichtig op zodat zijn wond niet opnieuw openspringt en raakt een van de slapende mannen aan terwijl hij een charm-betovering op hem doet. Als hij hem wakker maakt is de man eerst verward, maar dan behoorlijk bang als hij Bartimeüs en Kritoias ziet. Ruarc kalmeert hem en probeert hem uit te horen. De man heet Arnold en blijkt ingehuurd te zijn door de vrouw en de man die nu smeulend achter de brandende tafel liggen om de boel te bewaken. Hij weet verder niet waar het over gaat en wat er in een of ander kistje zou moeten zitten. Hij weet wel dat de vrouw uit de hoge stad komt en hofdame is aan het hof van de heer. Er zou een groepje uit het zuiden komen met spullen, maar dat is kennelijk niet goed gegaan. Ruarc knikt even naar Kritoias die de man prompt weer in slaap tovert. Vervolgens gebruikt Ruarc zijn vergeetgave om de twee slapende mannen alles te laten vergeten sinds Bartimeüs, Kritoias en Ruarc bij de schutting aankwamen.
Kritoias doet voorzichtig de deur van het pakhuis open en kijkt over het erf. Zijn nachtzicht is uitgewerkt, maar het is gelukkig een heldere nacht en op het erf zijn geen mensen te zien. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen zachtjes naar de poort in de schutting en doen hem voorzichtig open als Kritoias niets aan de andere kant heeft gehoord. Ze lopen via de smalle straatjes naar de kade en gaan het water op en over. Bartimeüs gebruikt een spreuk om over het water te kunnen lopen en Kritoias laat hemzelf en Ruarc vliegen. Als ze bij de overkant komen blijkt de haven goed verlicht te zijn door tientallen toortsen en lopen er nogal wat wachters rond. Het is niet mogelijk om daar aan land te gaan en om nu aan land te gaan buiten de muren die naar de stadspoort lopen is ook niet handig, want dan moeten ze weer via de poort naar binnen en tol betalen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc besluiten om dan maar naar het zuiden te gaan en op de oever waar de Buitenstad ligt een overnachtingsplaats te zoeken.
Bartimeüs vindt met zijn toverspreuk al snel een verlaten boothuis dat niet in het zicht van de Buitenstad ligt. Het is al midden in de nacht en Kritoias en Ruarc gaan snel slapen, terwijl Bartimeüs de eerste wacht neemt. Het duurt echter niet lang voordat hij iets van geneurie hoort. Dat is zo ongeveer wel het laatste wat hij verwacht en Bartimeüs maakt snel Kritoias en Ruarc wakker en gaat dan op onderzoek uit. Hij ziet even verder in het maanlicht een soort naakte gestalte op het pad zitten dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc hebben gebruikt. De man snuffelt over de grond en praat in zichzelf."Dag, zoekt u iets?" roept Bartimeüs van een afstand.De man kijkt op en dan ziet Bartimeüs vreemde groene lichtgevende ogen. Zonder te aarzelen schiet hij een pijl op het wezen af, maar dat ketst af op zijn stevig huid. Het wezen begint richting Bartimeüs te rennen die zich daarop ook uit de voeten maakt en zo snel als hij kan sprint hij naar het boothuis. Eenmaal binnen gooit hij de deur achter zich dicht en gaat er tegen aanstaan."Wat is er aan de hand?" vragen Kritoias en RuarcBartimeüs vertelt snel wat er is gebeurt en doet dan voorzichtig de deur op een kier met zijn bijl in de hand om te kijken waar het wezen is gebleven, maar in het door maanlicht verlichte landschap is geen spoor van de man te bekennen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc pakken hun spullen op en gaan op onderzoek uit. Ze lopen terug naar de plaats waar Bartimeüs de naakte man voor het eerst heeft gezien, maar hij kan niets anders dan zijn eigen sporen vinden. Omdat er verder ook niets te vinden is gaan ze terug naar het boothuis, maar voordat ze daar aankomen zien ze van een afstandje hoe een deel van het boothuis krakend in het water verdwijnt."Dat is zeker niet goed" zegt Bartimeüs"Laten we maar een stukje van de rivier af gaan" zegt Kritoias, "misschien heeft dit iets te maken met dat vreemde spookschip in de rivier."Bartimeüs herinnert zich dat er ongeveer honderd meter van de rivier in een klein dalletje nog een hutje staat waar ze wel in kunnen overnachten. Het hutje is niet groot, maar het is beschut. Bartimeüs vervolgt zijn wachtbeurt, maar krijgt dan een onbedwingbare neiging om naar de rivier te rennen. Luid zingend doet hij de deur open en zet het op een rennen. Kritoias wordt er wakker van en maakt Ruarc wakker voor hij achter Bartimeüs aangaat. Na ongeveer honderd meter, als hij weer bij de rivier is, weet Bartimeüs de vreemde drang om te rennen van zich af te schudden. Hij loopt snel terug naar het hutje waar Kritoias en Ruarc al buiten staan te wachten."Wat is er gebeurd?" vraagt Ruarc"Geen idee, ik stond plotseling weer bij de rivier" antwoordt Bartimeüs. "Er is echt iets niet pluis, laten we maar een plaats zoeken verder van de rivier."Zo gezegd zo gedaan. Ze vinden op ongeveer 500 meter van de rivier een schuilplaats waar ze uit de wind liggen. Ditmaal houden ze twee-aan-twee wacht, Kritoias en Ruarc gaan eerst. De afstand tot de rivier lijkt geholpen te hebben want er gebeuren de rest van de nacht geen rare dingen meer.
De volgende ochtend lopen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc terug naar de plaats waar ze vanuit de rivier de oever op zijn gekomen. Daar in de buurt ligt het lichaam van een naakte man. De man heeft geen verwondingen en aan de ontbindingssporen te zien is hij al een paar dagen dood. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc hebben het vermoeden dat Grote Pier hier wel eens achter zou kunnen zitten. Vol goede moed gaan ze op weg naar de Buitenstad in de hoop snel terug te kunnen naar de herberg. De Buitenstad blijkt ook ommuurd te zijn en wel door een drie meter hoge houten palissade. Die ziet er nieuw uit en is waarschijnlijk aangelegd om de vluchtelingen uit de prinsdommen uit de stad te weren. Een aanval door een vijandelijke legermacht gaan de houten palen zeker niet stoppen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen langs de muur tot ze in de verte een groep mensen zien staan bij wat een poort lijkt te zijn. De mensen zijn vluchtelingen uit de prinsdommen, maar ze zijn vertrokken voordat de ellende echt is begonnen en hebben dus weinig informatie. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc melden zich bij de poort en mogen doorlopen als ze zeggen dat ze bij het pakhuis van Aldepoort moeten zijn. Ze slenteren door de straten naar de rivier en gaan staan wachten op het pontje dat nog aan de overkant ligt. Als het pontje bijna is teruggekeerd voelt Bartimeüs plotseling een aanraking op zijn schouder en een vrouwenstem fluistert in zijn oor "Ren, ren". Als Bartimeüs zich omdraait maakt de vrouw zich al uit de voeten. Bartimeüs gaat er snel achteraan, maar kan haar niet inhalen door de nauwe gangetjes van het verlaten pakhuisgebied waar ze doorheen rent. Als Bartimeüs haar eindelijk achterhaalt, is ze in het afval dat in de straten ligt op zoek naar eten. Bartimeüs spreekt haar aan, maar de vrouw ontkent ooit iets tegen hem te hebben gezegd. En als ze terugkomen bij het pontje is dat natuurlijk net vertrokken.
Eenmaal aangekomen in het ommuurde deel van de stad glipt Bartimeüs weg om te controleren of ze worden achtervolgd. Hij denkt even iemand te herkennen, maar is er dan zeker van dat ze niet worden gevolgd. Kritoias en Ruarc lopen een uitgebreid rondje zodat Bartimeüs kan zien of er iemand twee keer langskomt. Dat is niet het geval, maar Bartimeüs hoort plotseling een stem naast zich, terwijl hij naar eigen idee toch goed is verstopt."Het is wel makkelijk als we weten hoe we met jullie in contact kunnen komen."Bartimeüs kijkt om en ziet een vrouw die wel iets weg heeft van de meesteres, maar ze ziet er heel anders uit dan vannacht."Ik heb de Onzichtbare gesproken en hij wil jullie ontmoeten. Vanavond gaan jullie geblinddoekt een tochtje maken.""Ok, zegt Bartimeüs, we logeren in de Blauwe Dolk""Dan laat ik jullie daar rond middernacht ophalen" zegt de Meesteres en ze verdwijnt in de menigte.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen nu direct terug naar de herberg waar Metla en de koningin al ongeduldig zitten te wachten. Onder het genot van een goed bord pap, want het ontbijt is eigenlijk al geweest, vertellen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc hun belevenissen. De rest van de dag besteden ze aan uitrusten, want vannacht belooft weer een drukke nacht te worden. Om vier uur gaan ze nog wel even naar de tempel van de keizer om een paar zilverstukken te offeren. Ze overleggen nog even hoe ze aan Fhazhul kunnen laten weten dat ze echt door de koningin zijn gestuurd. De koningin geeft Bartimeüs het koosnaampje dat Fhazhul altijd voor haar gebruikte, maar wat niemand anders weet.
Om middernacht gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc in de zwoele nacht voor de herberg zitten. Hun wapens en wapenrusting hebben ze achtergelaten in de kamer. Al snel komt een man hun kant op lopen."Kom naar de noordpoort, zonder wapens" fluistert hij in het voorbijgaan.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc wachten even en lopen dan door de donkere straten van Olcadaïr naar de noordelijke poort, waar ze nog niet eerder zijn geweest. Het plein voor de noordelijke poort is verlaten en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc wachten op wat er komen gaat, dan gaat er een deur van één van de huizen open en de Meesteres wuift hen naar binnen waar een drietal mannen op hen staat te wachten."Jullie krijgen een zak over je hoofd en deze heren zullen jullie begeleiden naar de ontmoetingsplaats" zegt ze. Geblinddoekt en aan de hand genomen door een van de mannen volgen ze eerst een trap en later een ladder naar beneden naar een vochtige gang. Eerst is de vloer gemaakt door vlakke steen, maar als ze een gang volgen die naar beneden loopt verandert dat in ruwe steen. Na een tijd lopen komen ze bij een trap omhoog en worden ze een deur doorgeleid."Achter de deur mogen jullie de zak afdoen" zegt een van de mannen.
Ze knipperen even als hun ogen moeten wennen aan het licht van kaarsen die een goed ingerichte kamer verlichten. Er staat een grote tafel met een karaf wijn en bekers en er staan een aantal stoelen."Ga toch zitten" zegt een stem die van de grote stoel aan het hoofdeinde komt, "En vertel eens waarom willen jullie mij spreken."Bartimeüs zegt dat ze hier zijn met degene waarvoor hij altijd het koosnaampje gebruikte en direct is een reactie te horen. Ze hebben Fhazhul gevonden! Hoewel hij zelf zegt dat de koningin hem alleen kende onder de naam Fhazhul.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen eerst hoe ze de koningin hebben bevrijd uit het magistraal paleis in Nymarc en via allerlei omwegen hier hebben gebracht. Ze vertellen ook dat zij met Fhazhul willen spreken omdat de koningin liet doorschemeren dat hij informatie heeft en hen wellicht kan helpen bij het bestrijden van de druïden. Dan gaat plotseling de deur open en herkennen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc de gelaatstrekken van Fhazhul."Dit verhaal gaat wel even duren", zegt Fhazhul, "maar we hebben de tijd, dus schenk eens wat wijn in."Fhazhul vertelt dat het allemaal gaat om zeven verschillende energieën. Iedereen heeft verschillende bakjes die meer of minder met de verschillende vormen van energie zijn gevuld. Door dingen samen te voegen kan je ze beter maken. De goden hebben zo ook ieder hun eigen vaatje met energie. De druïden willen gezamenlijk transformeren, waarschijnlijk om zo machtiger te worden. Ze waren druk met dat plan bezig, maar werden gestoord door de opstandeling die hen wegjoeg bij de heilige eik in Branduïn waar het ritueel van de transformatie plaats moest vinden. Nu hebben ze echter een probleem, want ze zijn met de verdwijning van Kalkaris niet meer met zeven en moet er dus een vervanger worden gezocht. Daarom zijn ze waarschijnlijk geïnteresseerd in Bartimeüs, Kritoias en Ruarc die potentie hebben. Ieder van de druïden probeert kennelijk om zeven mensen bij elkaar te krijgen voor een transformatie om zo meer macht te krijgen en daarom werken ze elkaar klaarblijkelijk tegen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lijken op het lijstje van Beolin te staan en Fhazhul staat op het lijstje van Gweolyn. Theolin zat achter hem aan om hem te doden, of om hem in zijn eigen groepje van zeven op te nemen.
De druïden hebben lang moeten wachten om verder te gaan met hun plan, want alleen als de groene maan aan de hemel staat kunnen zij de transformatie uitvoeren. Zij hebben die groene maan niet opgeroepen, die verschijnt op bepaalde tijden en blijft dan tijdelijk aan de hemel staan, maar hoe lang weet Fhazhul niet. Fhazhul begrijpt de wens van Bartimeüs, Kritoias en Ruarc om de druïden te doden en dan vooral Beolin. Hij lijkt zich namelijk niet helemaal aan het plan van de druïden te houden en zet lopende lijken en misschien ook demonen in om de macht te krijgen. Om een druïde te doden moet je de energie uit elke wereld waarin de druïde aanwezig is vernietigen en dat kan alleen met een wapen dat door de werelden heen prikt. De speer en het zwaard kunnen dat en misschien kan de dolk uit de hut van Zeolin dat ook. Waarschijnlijk heeft Theolin Bartimeüs een mes gegeven dat specifiek de energieën van Beolin kan vernietigen, maar dat is wel een gok.Het is nu aan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc om te bepalen wat ze willen gaan doen, de keizer om hulp vragen, de druïden vragen om te helpen Beolin te doden, de Vanyana of de Olcar te hulp te vragen, opties genoeg, maar welke is de juiste?
Na een kort moment van introspectie besluiten Bartimeüs, Kritoias en Ruarc dat zij nog wel wat vragen voor Fhazhul hebben. Waarom is hij zo geïnteresseerd in de koningin? Wat doet hij hier precies in de stad? Bartimeüs vraagt hem eerst wat nu precies zijn probleem met de agenten van de keizer is. Fhazhul antwoordt dat zij vooral denken dat hij een druïde of agent van de druïdes is, wat gezien zijn eerdere relatie met Theolin niet geheel vreemd is. Fhazhul heeft ontdekt dat de agenten van de keizer in Olcadaïr al meer dan tien jaar op zoek naar iets zijn. Wat dat is dat heeft Fhazhul niet ontdekt. Bartimeüs en Kritoias opperen dat dat misschien wel de draak kan zijn die zij gezien hebben in hun droom. Het lijkt er namelijk op dat Olcadaïr gebouwd is op de plaats waar Stilholm lag en het is aannemelijk dat hier een connectie met de draak zou kunnen zijn. Kritoias beredeneert dat de draak misschien in een grot onder de stad zit waar je alleen via een gang die onder de rivier uitkomt binnen kan komen.
Fhazhul vraagt eerst wat een draak dan precies is, want dit wezen is in de mythologie van het land niet algemeen bekend. Gezien zijn ervaringen met de keizerlijke agenten is het niet onwaarschijnlijk dat wat ze zoeken via het water te bereiken is, dat is wel het onderzoeken waard.Fhazhul vertelt ook dat Theolin in het noorden bezig was om het aanbidden van de keizer actief tegen te houden en dat hij de koningin wilde helpen omdat zij in een lastig parket zat en hij haar niet aan haar lot wilde overlaten. De beschermingsspreuk die hij op haar heeft gelegd is minder sterk dan de druïden denken.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc leggen vervolgens hun plan aan Fhazhul uit. Ze stellen voor om de koningin naar de hoofdstad te laten reizen, het liefst met Fhazhul en Metla. Dat vindt Fhazhul een goed idee, het is maar de vraag hoe lang het hier in Olcadaïr veilig blijft. Hij kan een boot regelen en voldoende bewakers. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zullen vervolgens naar het noorden reizen om Beolin te gaan doden. Ze gaan proberen om de anderen aartsdruïden te vinden om eventueel nog meer informatie te krijgen waarmee ze Beolin kunnen opsporen.Fhazhul denkt dat het een zelfmoordmissie is, maar misschien wel de enige kans om het leger lopende lijken nu te stoppen. Hij zegt dat hij een paar dagen nodig heeft om een boot te regelen en dat hij hen informeert wanneer de koningin kan vertrekken. Dan verlaat hij de kamer en komen zijn bedienden binnen om Bartimeüs, Kritoias en Ruarc weer een zak over het hoofd te trekken en mee terug te nemen door de muffe onderaardse gangen.
De stad is 's nachts verlaten en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc komen zonder nare onderbrekingen aan bij de herberg. Daar zitten de koningin en Metla vol spanning te wachten. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen het hele verhaal en Metla wil graag mee naar het zuiden. Dan proberen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc nog even te slapen. Bartimeüs probeert direct om te gaan dromen en dat lukt inderdaad. Hij staat in een lege herbergkamer, dezelfde als waar ze in slapen, maar hij kan er niet uit. Ook Kritoias probeert te dromen en ook hij komt in de herbergkamer, maar hij hoort na vijf minuten een onheilspellende zware ademhaling achter zich. Op het moment dat ze het willen vallen ze direct weer terug in hun normale slaap.
Na een snel ontbijt gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc op pad om de theorie van een onderaardse gang van de rivier naar een grot onder de stad te gaan testen. Ze wandelen door de drukke stad naar het havengebied en huren daar een bootje om te gaan vissen. De visser, Sjonnie de visser, is eigenlijk al net teruggekeerd en was bezig zijn netten te boeten, maar voor een zilver gaat hij graag opnieuw het water op. Het is aardig weer, wel wat bewolkt met een licht briesje. Bartimeüs vraagt of er nog gevaarlijke vissen in de rivier zitten, maar dat blijkt mee te vallen. Er zijn alleen de zeemeerminnen, dat zijn de slimste vissen. Bartimeüs heeft daar zijn vraagtekens bij. De visser vindt het wat vreemd als Bartimeüs zich uitkleedt om in het water te gaan vissen, maar stelt geen vragen. Als hij in het water ligt zorgt Kritoias ervoor dat Bartimeüs om zich heen kan kijken, in het water kan kijken en water kan ademen. Dat duurt meer dan anderhalf uur, maar dan moet hij wel in het water blijven, want hij kan geen lucht ademen. Om de visser niet al te veel te verwarren tovert Kritoias Sjonnie in slaap.
Bartimeüs neemt de tijd om de tien meter dieper gelegen bodem van de rivier te verkennen. Hij vindt een paar skeletten en gezonken boten, met in totaal tien zilverstukken, maar hij kan geen grotingang vinden. Hij gebruikt een gave om met een vis te praten, maar ook die kent geen grote inhammen waar je goed kan schuilen. Onverrichter zake keert Bartimeüs na anderhalf uur weer terug naar de boot.
Als ze door de stad teruglopen naar de herberg horen ze trompetgeschal bij de noordelijke poort. Met hun ervaring in het leger horen ze dat iemand zich hier aankondigt. Ze lopen snel naar de noordelijke poort en daarmee zijn ze niet de enige want al snel is het daar heel druk. Door de poort komen een aantal ruiters de stad binnen gereden. Ze dragen vaandels van de prinsdommen en wel van de stam Berra, die naast die van de Portoni is gelegen. De mannen hebben geen rustige reis gehad, want een van de sergeants is verbonden. De mannen worden begroet door een gezant van de graaf die hen namens de graaf toegang verleent tot de stad. De mannen vertellen dat de reis verschrikkelijk was en dat het een verloren strijd lijkt.Bartimeüs wurmt zich door de mensenmassa heen naar de soldaten toe en klampt een van hen aan met het verzoek een van de diplomaten die ze begeleiden te kunnen spreken. De soldaat herkent een mede Prinsdommer en vraagt even aan zijn sergeant of dat mogelijk is. Na enig overleg vertellen ze aan Bartimeüs dat hij zich later moet melden bij de poort naar de hoge stad.
Omdat ze voorlopig toch niets te doen hebben wandelen ze naar de tempel voor de keizer waar Ruarc gaat mediteren. Hij probeert de nabijheid van de keizer te voelen, maar bespeurt niets ongewoons. Kritoias zoekt intussen overal in de tempel naar aanwijzingen voor een geheime toegang of draken, maar ook hij vindt geen bijzonderheden. Na het bezoek aan de tempel keren ze terug naar de herberg om wat te eten waar Ruarc een tragisch lied ten gehore brengt over een soldaat die geen schild had wat hem uiteindelijk zijn leven kostte.
Rond vijf uur gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc naar de poort naar de hoge stad om te kijken of ze één van de diplomaten van Berra kunnen spreken. Als ze bij de poort aankomen vertelt Bartimeüs tegen de wacht dat hij zich hier moest melden en dat hij verwacht wordt. De soldaat vraagt even na bij de sergeant en laat hen dan toe in de hoge stad. Ze moeten even wachten tot een mooie jonge dienstmeid hen komt halen en hen door de kleine steegjes in dit stadsdeel naar het kasteel leidt. De dienstmeid herkent Ruarc als de innemende verteller wiens naam de stad rond gaat. In een hal van het kasteel moeten ze even wachten en worden dan meegenomen naar een ruimte waar twee van de diplomaten zitten te wachten. Ze stellen zich voor als Beriander en Malarc. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen dat ze ook uit de Prinsdommen komen en dat ze wat informatie hebben die belangrijk is voor de leiders van de Prinsdommen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc doen uitgebreid hun verhaal en leggen de nadruk op de aartsdruïden en Beolin die achter de huidige aanval zit en die waarschijnlijk als adviseur optreedt van Cael van de Korbati.
De diplomaten vertellen dat de situatie in de Prinsdommen wanhopig is. Van de noordelijke prinsdommen Korbati en Oldomani is niets meer vernomen. In het gebied van de Chardomani wordt nog gevochten en waarschijnlijk ook in het zuiden in het gebied van de Jortal. Als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen dat ze naar het noorden willen gaan om Beolin te doden zeggen de diplomaten dat ze hen wel kunnen helpen door een aantal brieven af te geven die hen kunnen introduceren bij Finbar, de prins van Berra. Hij heeft Berrastad verlaten en bevindt zich nu in het zuiden van Berra. De brieven zullen morgenmiddag gereed zijn, dan kunnen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc ze ophalen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc bedanken de diplomaten voor hun tijd en keren terug naar de herberg. Daar eten ze een hapje en wordt Ruarc natuurlijk weer herkend als de beroemde verhalenverteller. Hij kan zijn fans niet teleurstellen en trakteert ze op een prachtig verhaal over een stad die zich verweert tegen gruwelijke aanvallers.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc overleggen later die avond op welke manier ze nu naar het noorden gaan reizen. Ze komen er tot hun verbazing achter dat Olcadaïr eigenlijk dichter bij het gebied van de Portoni ligt dan Nymarc. Hun clangebied ligt in het noorden tegen het gebied van de Berra aan, precies waar ze moeten zijn. Als ze een dag of vier naar het noorden reizen via de "veilige" kant van de rivier kan Kritoias ze allemaal de laatste honderd mijl magisch transporteren naar huis.
Tijdens de nacht gaan Bartimeüs en Kritoias weer proberen in dromen van anderen te komen. Na een rustige wachtbeurt bijt Bartimeüs het spits af. Hij droomt dat hij rondloopt in de herberg. Er is niemand te zien, maar hij hoort even verderop in een kamer wat vreemd gesnurk. Hij gaat op onderzoek uit en opent de deur naar de kamer van de gast. In de kamer liggen goede spullen, kennelijk is het een rijke man uit het noorden die ook is gevlucht. Bartimeüs maakt hem wakker en de man zegt een aantal dingen tegen Bartimeüs die die laatste niet echt kan plaatsen: "Er is iets mis met de maan", "de maan doet pijn", "vlucht voor het te laat is." en "we moeten hier weg". Dan valt Bartimeüs weer in een normale slaap.
In de tussentijd is het flink gaan waaien en er lijkt een heuse storm op te zetten als Kritoias Ruarc wakker maakt en ook gaat dromen. Hij komt niet in de herberg terecht, maar in een zaal, waar hij Bartimeüs aantreft. Maar hij is niet de enige in de zaal. Even verderop zit een oudere man met rood haar op de grond omringd door zeven brandende brazieren. Kritoias heeft sterk de indruk dat het hier om een magisch ritueel gaat. Ze kijken de man op de rug en lopen voorzichtig om de braziers heen waarna ze het echte gezicht van Beolin ontwaren. Ze proberen hem aan te spreken, maar hij reageert niet. Wel horen ze uit het duister verderop een zware stem. Kritoias probeert licht te maken in de donkere ruimte waar Beolin naar toegekeerd is, maar zijn spreuk heeft geen effect.
Dan komen er plotseling tentakels van duister uit het donker en omringen Beolin, terwijl de braziers harder beginnen te branden. Ruarc merkt intussen dat het wel heel hard begint te stormen en dan ziet hij ook bliksemflitsen en hoort hij het rollen van de donder. De flitsen zijn niet alleen maar wit, maar ook groen. Dit voelt niet goed aan en Ruarc wordt er zelfs een beetje misselijk van. Bij Bartimeüs en Kritoias verschijnt een angstaanjagende figuur uit het duister. Het is Beolin, maar ook weer niet. Bartimeüs roept dat heterop lijkt dat Beolin zich getransformeerd heeft naar een soort demon. Bartimeüs en Kritoias worden beide door angst bevat en vallen op hun knieën voor het langzaam naderende monster. Dan worden ze door Ruarc wakker geschud.
Een paar kamers verder is een zwaar gegrom te horen. Terwijl Ruarc Bartimeüs helpt om zijn leren pantser aan te doen verzamelt Kritoias magische energie en doet de deur naar de binnenplaats open. Bij het licht van een bliksemflits ziet hij aan de overkant een grote harige wolf op twee poten in de deuropening van een gastenkamer staan. Kritoias aarzelt niet en vuurt zijn eigen bliksemstraal op het weermonster af. De lichtstraal raakt hem vol in de buikstreek en terwijl een enorme donderklap iedereen in de buurt verdooft zakt het monster kreunend in elkaar. Kritoias rent op het wezen af en ziet in de kamer een man en een meisje zicht angstig verschuilen achter één van de bedden. Terwijl hij het monster bekijkt verandert het terug in een man."He, dat is de man die ik in mijn droom heb gezien!" zegt Bartimeüs die aan is komen lopen. Laten we even in zijn kamer kijken of we iets van een aanwijzing kunnen vinden.
In de kamer zijn aardig wat waardevolle spullen te vinden, maar geen echte aanwijzingen waar de man vandaan komt. De spullen zijn ongeveer twee goudstukken waard, maar de aandacht van de andere gasten doet Bartimeüs, Kritoias en Ruarc afzien van het zich wederrechtelijk toe-eigenen van de spullen. Als ze weer op de binnenplaats komen valt het Kritoias op dat de groene maan vol is. Dan klinkt plotseling hoorngeschal uit de richting van de binnenstad. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc herkennen dit als een trompet van de soldaten, niet de hoorn van de Olcar. Als de hoorn voor de tweede maal gaat besluiten ze om, na kort overleg met Metla en de koningin, op onderzoek uit te gaan. Ze spreken af om elkaar buiten de stad te ontmoeten bij de laatste grot waar ze hebben geslapen mochten ze elkaar kwijtraken.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc rennen door de stad op weg naar het hoornsignaal. Onderweg komen ze een aantal soldaten tegen waarvan er één gewond is. Die vertellen dat ze een groot harig monster de tempel in hebben gejaagd, maar dat ze het geen pijn hebben gedaan. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen hen dat er nog één in de herberg zat, maar dat die is uitgeschakeld en ze spoeden zich naar de tempel. Buiten staan een aantal wachters met getrokken wapens. Ze manen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc om niet naar binnen te gaan, omdat er een monster binnen zit, maar die trekken zich daar niets van aan. Ze openen voorzichtig de buitendeur en lopen door de brede gang die naar de gebedsruimte leidt. In de verte horen ze gegrom en gekraak. Na een aantal meter zien Bartimeüs en Kritoias bij het standbeeld van de keizer twee mensachtige ratten staan. Ze lijken precies op Everhard in zijn rat vorm. Ruarc heeft geen oog voor de weerratten en staart naar het beeld van de keizer. Hij heeft het gevoel of er iets anders mee is en probeert het brein van het standbeeld te scannen, maar dat lijkt er geen een te hebben.
Het gekraak in de verte neemt toe, terwijl de weerratten de kat uit de boom kijken. Ruarc breekt weg uit zijn rêverie en kalmeert de twee weerratten met een onderhoudend verhaal. Bartimeüs en Kritoias ontwijken de weerratten en lopen naar de achterkant van de zaal waar het andere monster een deur heeft ingebeukt. Bartimeüs zegent zichzelf en maakt licht op zijn schild, ondertussen horen ze nog meer gekraak en gegrom uit de achterliggende gang. Bartimeüs loopt met zijn schild voorop, terwijl Kritoias hem langzaam volgt en alle energie gereed heeft om een spreuk te gooien. In het gangetje zijn verschillende deuren aan de linkerkant en een deur aan de rechterkant die is ingeslagen. Als Bartimeüs en Kritoias daar voorzichtig om de hoek kijken zien ze een kleinere gebedsruimte, voorzien van mooie tapijten en een soort tafel waar wat spullen op staan. Achter de tafel staat een weerwolf!
Bartimeüs en Kritoias lopen voorzichtig de kamer in en proberen de tafel tussen hen en de weerwolf te houden. Bartimeüs spreekt de weerwolf aan, die gromt in eerste instantie, maar zegt dan dat hij de doem van Bartimeüs en Kritoias is en springt over de tafel heen. Op dat moment wordt hij geraakt door een bliksem van Kritoias gevolgd door een hak met de magisch gemaakte bijl van Bartimeüs. De weerwolf is verrast en verdwaasd door deze magische aanvallen en wordt in het defensief gedrongen. De snelheid van de weerwolf zorgen er echter voor dat Bartimeüs en Kritoias hem niet snel kunnen neerslaan.
"Pas op, achter je" hoort Ruarc terwijl hij de weerratten bezig houdt met een volgend prachtig verhaal. Hij kijkt kort achter zich en ziet een derde weerrat door de deur de tempel binnenkomen. Hij gaat snel aan de zijkant staan en praat verder, terwijl hij de derde weerrat in de gaten houdt en zijn strijdhamer steviger in zijn hand beetpakt. De weerrat valt Ruarc niet direct aan en loopt verder de tempel binnen. Als hij de donderslag en het gegrom van achteren hoort komen rent hij die kant op. Ruarc weeft prachtig een waarschuwing voor Bartimeüs en Kritoias in zijn verhaal en hij hoopt dat zij die hebben gehoord.
Bartimeüs en Kritoias hebben net op tijd door dat zich een tweede tegenstander achter hen aandient. Bartimeüs confronteert de weerrat en Kritoias concentreert zich op de weerwolf. Bartimeüs weet de weerrat lichtjes te raken, maar het snelle monster weet de meeste van zijn aanvallen te ontwijken. Gelukkig slaagt de weerrat er niet in Bartimeüs goed te raken. Kritoias schakelt terug naar zijn magie, want slaan met zijn staf heeft geen effect. Hij probeert eerst een waterpijl, maar dat dringt de weerwolf maar een beetje terug. Dan neemt hij de gok door een extra ronde te concentreren op een vuurpijl. Nu komt het er wel op aan en het lijkt er in eerste instantie op dat het een misser zal zijn, maar de vuurpijl slaat toch goed in en een snel geplaatste waterpijl laat de weerwolf ter aarde storten. Als de weerrat dat ziet gaat hij er razendsnel vandoor. Bartimeüs rent er achteraan, maar de weerrat is veel te snel. In zijn haast blijft Bartimeüs bovendien aan één van de gebedsbanken haken. Kritoias kijkt even naar de bewusteloze bloedende weerwolf en gaat dan achter Bartimeüs aan. De derde weerrat bedenkt zich geen moment en sprint de tempel uit. Bartimeüs erkent dat hij hem of haar niet in kan halen en concentreert zich nu op de twee andere weerratten. Met een paar flinke uithalen slaat hij beide weerratten dood.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen terug naar de gebedsruimte achter in de tempel en treffen daar de stervende weerwolf aan. Bartimeüs onderzoekt de tapijten aan de muur en ontdekt achter één van de tapijten een deur naar een soort opslagruimte. Het lijkt veelbelovend, maar er liggen alleen maar een paar gewaden en een soort beeld dat je mee kan dragen. Kritoias onderzoekt of er draken te vinden zijn tussen alle afbeeldingen, maar dat is niet het geval. Ruarc probeert nader te komen tot de keizer en offert een zilver op de tafel, maar er gebeurt verder niets. Dan verandert de dode weerwolf terug in een mens en het blijkt de priester van de tempel te zijn! Hebben de volgelingen of agenten van de keizer iets met weercreaturen te maken?
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen terug naar de ruimte met het standbeeld van de keizer. Ruarc kijkt er nog eens goed naar en in de laatste groene bliksemflits van de avond lijkt het of het beeld bestiale gelaatstrekken heeft. Bartimeüs en Kritoias hebben daar echter helemaal niets van gezien. Bartimeüs loopt nog even terug naar de gebedsruimte achterin en kijkt wie er de afgelopen tien uur in die ruimte is geweest, maar behalve de weerwolf en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc waren er geen bezoekers.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen terug naar de ingang van de tempel en gaan naar buiten waar ongeveer 30 wachters met getrokken wapens de ingang van de tempel in de gaten houden."Hé, het is Ruarc" roept één van de wachters.Ruarc legt uit dat er gruwelijke wezens binnen zijn, maar dat die als ze dood zijn terugveranderen in mensen en vraagt waar de weerrat heen is gerend. De wachters zeggen dat die naar het havengebied is gegaan. Bartimeüs zoekt naar sporen en slaagt er in de klauwen van de weerrat te vinden. In het donker weet hij het spoor te volgen naar een smal steegje waar het spoor bij één van de deuren ophoudt."Open doen!:" roept hij, maar het blijft binnen heel stil.Hij probeert de deur in te beuken, maar slaagt dat niet direct in. Ruarc neemt het over en de deur bezwijkt onder zijn schouder. Binnen lijkt de kamer leegt te zijn, maar Bartimeüs ziet een gordijn aan de achterkant van het kleine kamertje. Hij loopt er naar toe en trekt het weg, maar krijgt dan direct een nare klap van de weerrat die zijn linkerarm open haalt. Ruarc trekt Bartimeüs weg uit de buurt van de weerrat, terwijl Kritoias eerst een vuurpijl en dan een waterpijl op het wezen afschiet, waarna het bewusteloos ter aarde stort.
Bartimeüs heeft een nare bloedende wond die Kritoias snel met een spreuk weet te stelpen, maar daarmee is de pijn nog niet weg. Hij zal een uur rust moeten houden voor hij weer kan lopen. Ondertussen komen de buren poolshoogte nemen. Ze zijn op zoek naar Harmen die hier woont. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vragen of ze de wachters kunnen roepen, waarna Kritoias en Ruarc de bewusteloze weerrat vastbinden. Na een tijdje verschijnen er een aantal wachters. Als één van hen de weerrat ziet pakt hij zijn zwaard en probeert het dood te steken, maar zijn zwaard kan de weerrat niet verwonden. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc suggereren dat hij een kar laat komen om de weerrat in de gevangenis te gooien, zodat ze kunnen zien dat het eigenlijk Harmen is.
De wachter volgt hun idee op en als de kar is gearriveerd gaat Bartimeüs met de kar mee en stapt af bij de tempel, terwijl Kritoias en Ruarc achter de wagen aanlopen. Als ze bij de tempel aankomen stopt het eindelijk met regenen. Een van de sergeants spreekt hen aan en geeft hen opdracht zich te melden bij Baron Perdenaar in de hoge stad. Kritoias vraagt of ze een kar hebben zodat Bartimeüs mee kan, maar dat blijkt niet mogelijk. Dan betovert Kritoias Bartimeüs zodat hij kan vliegen en lopen ze de korte afstand naar de hoge stad. Ze melden zich bij de poort en worden naar een hal gebracht waar korte tijd later de Baron arriveert.
Hij biedt hen iets te drinken aan en vraagt dan hoe zij die soort wezens kennen en hoe ze er iets tegen konden doen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen over de weerrat in Izendaal en de weerwolf langs de rivier en de manier waarop Kritoias hun wapens magisch kan maken zodat de weerbeesten verwond en gedood kunnen worden. De Baron vraagt om een demonstratie en Kritoias maakt het zwaard van de baron voor tien minuten magisch. De Baron vertelt dat er de afgelopen maanden een aantal onopgeloste moorden zijn geweest waarbij de slachtoffers door dieren zijn verscheurd. De gebeurtenissen van vannacht lijken daar goed bij aan te sluiten. Hij bedankt Bartimeüs, Kritoias en Ruarc voor hun inzet en geeft hen een zilverstuk.
De bloedende wond van Bartimeüs is inmiddels voldoende hersteld dat hij weer kan lopen. Ze gaan op weg naar de dokter om te kijken wat hij aan de wond van Bartimeüs kan doen. Als ze bij de havenpoort komen horen ze verhalen dat de vluchtelingen in de buitenstad in opstand zijn gekomen. Er zijn ook behoorlijk wat wachters aanwezig bij de havenpoort.De dokter herkent Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en heeft wel een zalfje waardoor het herstel van Bartimeüs' arm geen tien dagen, maar slechts vijf dagen in beslag zal nemen. Kritoias betaalt de dokter een zilverstuk en ze lopen terug naar de herberg om te gaan ontbijten.
Nadat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc Metla en de koningin hebben bijgepraat over de gebeurtenissen in de tempel genieten ze van een verlaat ontbijt. Ruarc graaft diep in zijn geheugen en herinnert zich een verhaal uit het keizerrijk waarin de keizer als boeman optreedt en komt om je te straffen. Ze zijn nog aan het eten als er een man binnenkomt die de herbergier aanspreekt en zich nogal over iets opwindt. Kritoias vangt op dat er een profeet in de Buitenstad aan het preken is tegen alle vluchtelingen uit het noorden. Ruarc nodigt de man uit voor een drankje en krijgt het hele verhaal te horen. Het gaat om een man die op een kar de vluchtelingen toespreekt. Hij preekt over een nieuwe god, blabla of zo en dat leidt tot opstootjes. De sfeer in de Buitenstad is grimmig. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc kijken elkaar even aan en denken allemaal hetzelfde: Dat is vast Grote Pier die de god Balbar aan het promoten is.
Even later komt er nog iemand binnen die de herbergier aanspreekt. Ook hier legt Kritoias zijn oor te luisteren en ditmaal hoort hij dat de herbergier zijn voorraadkamer moet aanvullen. De edelen zijn bezig om voedsel op te kopen om het op te slaan in de hoge stad. Ze hebben iets gehoord van de noorderlingen waardoor ze dit nu aan het doen zijn. Er is zelfs sprake van dat de hoge stad wordt afgesloten.
In de loop van de ochtend, nadat de eerste man in slaap is gevallen door alle drank die hij heeft verorberd, komt er weer iemand de herberg binnen. Hij kijkt even schichtig om zich heen, gaat in de buurt van Ruarc zitten en spreekt hem fluisterend aan. De man slist een beetje en zegt "Er zijn mensen die met u willen spreken, over vannacht!".Ruarc vindt dit wel bijzonder, maar zegt dat dat wel mogelijk is. De man fluistert dat hij bij het vallen van het duister naar de tempel moet komen en verdwijnt dan snel uit de herberg."Het is vast een val", zegt Ruarc, "maar op die manier komen we wel meer te weten over wat er aan de hand is."
Bartimeüs voelt zich al iets beter dan vanmorgen, ook omdat hij de meeste blauwe plekken en schrammen met een toverspreuk heeft genezen, maar hij heeft nog wel veel last van zijn linkerarm. Toch gaat hij met Kritoias en Ruarc mee naar de hoge stad om te kijken of ze daar in een bibliotheek kunnen zoeken naar informatie over deze weerbeesten. Ruarc heeft van dit soort boekenverzamelingen gehoord en heeft voorgesteld om te kijken of ze via baron Perdenaar toegang kunnen krijgen. Bij de poort naar de hoge stad doen de wachters wat moeilijk. Als Ruarc zegt dat zij voor de baron zaken aan het uitzoeken zijn wil hij graag een zegel zien. Met wat magische hulp doet Ruarc hem inzien dat dat helemaal niet nodig is en ze mogen doorlopen.
Eenmaal binnen komen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc er achter dat ze helemaal niet weten waar de bibliotheek is. Ruarc spreekt een bediende aan die weet dat er boeken in het kasteel zijn, maar dat graaf Verdenhal, van de tollenaars, een persoonlijke boekencollectie heeft. Om daar te komen moeten ze eerst het fort door waar ze vanmorgen met baron Perdenaar hebben gesproken. Als ze daar arriveren vragen ze naar de baron, want ze denken dat die hen wel kan helpen om toegang tot de boeken te krijgen. Een van de wachters, doet wat moeilijk, maar dan zegt één van hen "Maar, ik ken ze, het is Ruarc, ze waren hier vanmorgen ook!".Daarop stuurt de sergeant iemand naar de baron en na een tijdje wachten komt er iemand terug. Na een kort misverstand over het inwinnen van informatie neemt hij hen mee naar de baron. Na een korte uitleg over wat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc van plan zijn en wat extra informatie over Grote Pier die volgens hen in de Buitenstad is stuurt de baron hen naar graaf Verdenhal met een briefje waar op staat "Beste Ordahan, kunnen we even in je boeken neuzen?"
Even later meldt een 16 jarige dienstmeid zich bij het fort om Bartimeüs, Kritoias en Ruarc te begeleiden naar het vrijstaande huis van de graaf. De dienstmeid is niet al te aantrekkelijk, waardoor Bartimeüs, Kritoias en Ruarc genoeg tijd hebben om het prachtige parkje te bewonderen waar de zes huizen van de edelen van de stad staan. Alleen de Sefalin woont in het kasteel dat aan de andere kant van het parkje ligt. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc verwachten een heel formele ontvangst bij de graaf en proberen zich zo netjes mogelijk voor te stellen. Maar de graaf let niet heel erg op de formaliteiten, hij is namelijk heel blij dat iemand zijn prachtige collectie van zo'n honderd boeken en schriftrollen komt bewonderen. Het blijkt dat maar weinig mensen deze op waarde kunnen schatten. Bartimeüs gaat in de collectie op zoek naar geschiedenisverhalen, Kritoias ploegt door de reisverhalen heen en Ruarc gebruikt zijn speciale vaardigheden om razendsnel door de mystieke verhalen te speuren.
Bartimeüs komt eigenlijk alleen wat leuke kookboeken tegen en Ruarc kan niet heel veel bijzonders vinden, maar Kritoias komt een aparte passage tegen in een oud dagboek van een handelaar die uit het zuiden naar het noorden gereisd is. De graaf heeft het boek gekocht van een schipper wiens opa het van een handelaar heeft verkregen. Het boek is dus minimaal honderd jaar oud. De passage die opvalt is dat er vertelt wordt dat in de straten van Branduïn 's nachts de keizer rond gaat om de schuldigen te straffen. Deze slachtoffers zijn consequent verscheurd als door een wild dier. Als ze hierover met elkaar en de graaf discussiëren komen ze er achter dat de keizer eigenlijk nooit gezien wordt en altijd via de mond van de keizer spreekt.
Verdere verwijzingen naar weerbeesten zijn er niet te vinden in de boeken die de graaf heeft. Kritoias kan het niet laten om ook nog even te zoeken naar verwijzingen naar magische zaken en hij ontdekt dat de keizer een manier heeft om troepen snel te verplaatsen en herkent in de beschrijving al snel het gebruik van de rifts. De keizerlijke tovenaars hebben dus ook de beschikking over riftmagie!Bartimeüs vraagt de graaf ook nog naar de lokale geschiedenis in een poging een verbinding met Stilholm te leggen. Daar zegt de graaf niets over, maar hij vertelt wel dat het kasteel al voor de druïdenoorlogen is opgericht als bewaking van de noordgrens. Daarna is er een nederzetting ontstaan toen de handel naar het noorden opgang kwam. Tussen Olacadaïr en Branduïn is het gebied van de Orthearstammen, die zich als eerste aansloten bij de keizer.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc hebben de hele middag doorgebracht tussen de boeken van Verdenhal en zijn toch aardig wat wijzer geworden. Ze complimenteren de graaf nogmaals met zijn prachtige verzameling en bedanken hem voor de gastvrijheid. Ze wandelen door de stad terug naar de herberg om wat te gaan eten. Ruim voordat het gaat schemeren gaan Kritoias en Ruarc naar de tempel om de man die Ruarc die ochtend aansprak te ontmoeten. Bartimeüs blijft achter in de herberg om zijn gewonde arm rust te geven. In de tempel is het veel drukker dan de vorige dagen. Zeker dertig mensen zijn aan het bidden tot de keizer. Ruarc brengt opnieuw een offer, maar voelt geen bijzondere dingen. Als het gaat schemeren hebben de meeste bezoekers de tempel verlaten. Een van de tempelbedienden komt op hen af en vraagt of ze nog lang blijven, want de tempelbedienden trekken zich terug. Daarop besluiten Kritoias en Ruarc om naar buiten te gaan en een eindje verder de ingang van de tempel in de gaten te houden. Kritoias geeft hen allebei nachtzicht waardoor ze goed kunnen zien wie er zich bij de tempel ophoudt.
Even na half tien verschijnt er iemand bij de ingang van de tempel. Kritoias en Ruarc lopen naar de man toe en spreken hem aan. De man is blij dat hij Ruarc ziet, maar kijkt een beetje achterdochtig naar Kritoias."Jij was hier vanmorgen ook, je sprak rustig als een vriend", zegt hij tegen Ruarc, "ik wil dat je de moordenaars opspoort als onze vriend""Hoe weet je dat?" vraagt Ruarc"Ik was hier ook!" zegt de man. Hij neemt ze vervolgens mee naar de tempel en zegt tegen Ruarc dat de keizer hen beschermt en dat Ruarc weet wie hij is. Volgens de man is Ruarc namelijk ook een kind van de keizer, een van hen. Hij neemt hem mee naar de gang waar de weerwolf die ochtend de deur van ingebeukt heeft, terwijl Kritoias achterblijft in de grote zaal. Als ze uit het zicht zijn maakt Kritoias zich onzichtbaar en loopt zachtjes achter ze aan.
De man opent één van de deurtjes in de gang en gaat Ruarc voor in een kleine spaars ingerichte kamer waar niet veel meer dan een bed staat."Je neef is slecht!" zegt de man."O", zegt Ruarc, "maar wie ben je eigenlijk?""Ik ben een van de tempelbedienden hier" zegt de man."Ik kan me niet voorstellen dat mijn neef zo slecht is." zegt Ruarc, "Hoe weet je dat ik een kind van de keizer ben?""Dat kan ik aan je aura zien!" zegt de man, terwijl hij Ruarc bestudeert, "Normaal beschermt de keizer ons, maar vannacht ging het niet goed. Hij liet ons in de steek."
Dan ziet Kritoias dat er twee mannen uit een ander kamertje komen en naar de deur gaan waar Ruarc achter is verdwenen. Ze praten even met de man en gaan dan, met iets metaals in hun hand naar de grote zaal, kennelijk op zoek naar Kritoias. Die zorgt dat hij uit hun buurt blijft, maar onderneemt nog geen actie. Ondertussen gaat het gesprek tussen de man en Ruarc verder.Ruarc vertelt dat het beeld er eventjes anders uit zag en vraagt of zij dat ook gezien hebben? Dat is niet het geval, maar volgens de man is dat een teken van de keizer. Vervolgens hoort Ruarc hem vakkundig uit over hun bijzondere status. De man zegt dat hij een kind van de keizer is geworden door het geschenk van de keizer. Dat heeft hij gekregen toen hij een andere dienaar van de keizer is tegengekomen die ook de gave heeft. Zij komen niet om te vermoorden, maar om ze te redden. Dat doen ze door de ander aan te raken met hun klauw. Als Ruarc dat hoort denkt hij even aan Bartimeüs die vanochtend door de weerrat is verwond. De man vertelt verder dat de bijzondere gedaante hun nachtgedaante is. Ze veranderen niet vaak, alleen als het nodig is, bijvoorbeeld als ze worden aangevallen. Normaal beschermt de keizer hen, maar dat was vanmorgen niet het geval. Nu moeten volgens de man hun moordenaars terechtgesteld worden. De priester die vanmorgen is gedood was een belangrijk man met connecties. Ruarc probeert de man onze zijn invloed te krijgen, maar dat mislukt en de man zegt "Jij moet gered worden, blijf hier" en gaat op zoek naar zijn collega's.
Aangekomen in de grote hal vraagt hij of ze Kritoias hebben gevonden, maar ze zeggen dat hij verdwenen is. Als de man dan vertelt over een verandering aan het beeld lopen ze alle drie eerbiedig naar het keizerbeeld, terwijl Kritoias onzichtbaar achter hen aansluipt en energie verzamelt."Ik heb de verteller gesproken, maar ik voel dat hij weerstand biedt tegen een inwijding." zegt de man."Dan moet hij dood!" zegt één van de anderen.Dat is het teken voor Kritoias, terwijl één van de anderen nog iets wil zeggen veroorzaakt hij een felle lichtflits waardoor één van hen even verblind is. Alle drie de bedienden zijn dermate geschrokken dat ze beginnen te veranderen in weerwezens. Kritoias verzamelt opnieuw energie en maakt een tweede lichtflits voordat ze kunnen reageren. Nu staan alle drie de wezens men hun klauwen voor hun ogen. Even overweegt Kritoias even om zijn staf te gebruiken, maar besluit dan tot een magische aanval. Als Ruarc de grote zaal binnen komt lopen valt de laatste juist in slaap.
Snel binden ze de drie weerratten vast en terwijl ze daarmee bezig zijn komen er een aantal wachters kijken."Hé, het is Ruarc!" zegt een van hen, "kom je nog verhalen vertellen in De Twee Minnaars?""Misschien wel" zegt Ruarc, "maar eerst moeten deze monsters op een kar en naar Baron Perdenaar, kunnen jullie daarvoor zorgen?""Moeten we dat wel doen? Hoe zit dat?" zegt een andere wachter."Vanmorgen waren ze hier ook, dus dat zit wel goed." zegt de eerste.Terwijl de wachters zich over de gevangen weerratten ontfermen gaan Kritoias en Ruarc eens aan de andere kant te kijken waar nog meer van dit soort cellen blijken te zijn. Ze kloppen aan bij één van de deuren en na wat gestommel doet een man open. Hij blijkt echter geen dienaar te zijn en reageert niet als ze verwijzen naar kinderen van de keizer en weerbeesten. Dan gaan ze terug naar de cellen waar de wezens verbleven. In een van de cellen vinden ze een soort tuig dat aan het bed is vastgemaakt en krabsporen op de muur. Waarschijnlijk werd één van de weerratten hier vastgemaakt om te voorkomen dat hij ging moorden in de stad.
Het is inmiddels elf uur 's avonds en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan terug naar de herberg waar ze Bartimeüs, Metla en de koningin inlichten over deze nieuwe lading weerratten. Waarschijnlijk zijn er nog meer in de tempel, maar het is lastig om ze te herkennen als ze in mensvorm zijn. Vannacht moeten ze in ieder geval goed opletten
Tijdens de wacht van Bartimeüs en de wacht van Kritoias blijft het rustig. Bartimeüs droomt opnieuw van Beolin als Ruarc voetstappen op de gang hoort en vervolgens geklop op een andere deur. Hij opent voorzicht de deur en ziet verderop iemand in de schaduwen. Hij sluit de deur en wacht af. Dan ziet hij heel voorzichtig van buitenaf met een soort haakje de grendel van de deur opgetild worden en iemand zet de deur een klein beetje open. Nu weet Ruarc dat het mis is. Hij maakt Bartimeüs en Kritoias wakker en die maken zich gereed voor een aanval door de weerratten, want die zullen het wel zijn. Ze worden volledig verrast door een flesje brandende olie dat wat onhandig door de deur wordt gegooid en tegen de muur uiteenspat. Snel vormt zich een kleine plas brandende olie. Kritoias heeft helaas geen spreuken beschikbaar die het vuur kunnen doven, zodat Ruarc vooruit stapt en het vuur uit begint te stampen. Dat lukt aardig tot hij plotseling door een weerrat aangevallen wordt die hem behoorlijk verwond.Hij deinst achteruit waarop Kritoias een bliksem op de weerrat afvuurt. Het enorme gedonder maakt de hele buurt wakker. Bartimeüs springt van zijn bed af en slaat de weerrat. Die trekt zich terug waarop Bartimeüs hem de kamer uit volgt, maar dan blijken er nog meer te zijn. Een van hen duwt de gewonde weerrat opzij en geeft Bartimeüs nog een paar klap waardoor die verdoofd is. Door de glibberige olie mist de volgende aanval van de weerrat. Bartimeüs wankelt terug de kamer in en laat zich op zijn bed vallen.
Kritoias en Ruarc wachten af wat er gaat gebeuren, maar het blijft verdacht rustig. Daarop maakt Kritoias een lichtflits, maar die heeft niet het gewenste resultaat. De weerrat voor de deur blijft grommend staan. Dan gebruikt Kritoias zijn succesvolle spreuk uit de tempel, een slaapspreuk, waarop de weerrat rustig gaat liggen. Ruarc stormt de kamer uit en mept de slapende weerrat met zijn strijdhamer, die daarop wakker wordt en weg probeert te kruipen. Ruarc blijft op hem inhakken, terwijl Kritoias achter hem aan komt om de andere weerratten uit te schakelen. Maar hij had niet op de olie gelet en valt hard op de grond. Ruarc kan het prima alleen af, want terwijl Kritoias overeind begint te krabbelen slaat hij de andere weerratten neer.
Nadat de stilte weer is neergedaald op de binnenplaats doen hier en daar de gasten voorzichtig de deur van hun kamer open en kijken naar de drie dode naakte mannen op de binnenplaats. Al snel komt de herbergier aanlopen die deze nieuwe vechtpartij in zijn herberg niet kan waarderen. Samen met Kritoias probeert hij te achterhalen hoe de mannen binnen zijn gekomen, want de poort naar de straat is altijd goed afgesloten. Dan merkt hij op dat het zijpoortje, dat bijna nooit wordt gebruikt, open staat. Een van de gasten merkt op dat er gisterenavond iemand hier rondliep die ook bij het zijpoortje heeft gestaan. Ruarc is intussen druk bezig om zijn enigszins beschadigde kuit te genezen.
Als het weer licht is geworden komen de soldaten om de dode mannen op te halen. Kritoias vertelt hen dat het bedienden van de tempel zijn en dat ze kennelijk boos op Bartimeüs, Kritoias en Ruarc waren omdat die gisteren een aantal van hun collega's hebben opgepakt en overgedragen aan de stadswacht. Die zitten nu in de kerker van Baron Perdenaar. De soldaten zien er niet al te fris uit, in het bijzonder de sergeant die Ruarc herkent en hem vraagt om een verhaal te vertellen. Ruarc doet zijn best en vertelt het verhaal van de koning van Stavoeren en zijn lekkere dochters. Terwijl Ruarc de soldaten amuseert hoort Bartimeüs een stem in zijn oor fluisteren dat iemand een boodschap van Fhazhul heeft. Hij moet achter de herberg komen waar een boodschapper wacht. Bartimeüs gaat met Metla naar buiten en loopt naar de achterkant van de herberg. Daar ontmoet hij de vrouw die hij eerder had gezien in het pakhuis waar ze ruzie hebben gemaakt met een aantal agenten van de keizer. Zij vertelt dat Fhazhul andere plannen heeft en dat het ook niet gaat lukken om een boot te huren om naar het zuiden te varen. Hij heeft er wel voor gezorgd dat Metla en de koningin 's avonds over land naar het zuiden kunnen vertrekken met een gewapend escorte. Ze moeten klaar staan bij het vallen van het duistere. Metla vraagt als zij met Bartimeüs terugloopt of de vrouw te vertrouwen is en Bartimeüs zegt dat hij haar gelooft.
Bartimeüs voelt zich nog steeds niet helemaal lekker, maar vindt toch dat ze iets aan het probleem van Grote Pier moeten doen als Kritoias opmerkt dat ze Grote Pier dit keer waarschijnlijk voorgoed uit kunnen schakelen als ze de dolk gebruiken. Rond een uur of negen wandelen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc door de stad naar de havenpoort. Daar is het een drukte van belang, want conform het bevel van de autoriteiten, worden alle goederen vervoerd naar de hoge stad. Bij de havenpoort controleren soldaten de beladen wagens die van de haven naar de stad rijden. Voor gewone passanten hebben zij weinig aandacht. Als ze naar één van de pontjes lopen zien ze dat schepen af en aanvaren. De meeste liggen diep in het water van alle lading dieerop ligt. Ze gaan aan boord bij één van de veerbootjes en raken in gesprek met de schipper.
Hij ziet het niet meer zitten om in Olcadaïr te blijven. Nu is het nog lekker druk en verdient hij wat, maar als alle goederen overgezet zijn valt er weinig meer te varen en valt zijn inkomen weg. Hij is van plan naar het zuiden te varen, naar Branduïn. Als Kritoias vraagt of hij ook naar het noorden wil varen, natuurlijk tegen betaling, dan heeft hij daar wel oren naar. Maar als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc horen dat ze dan met een trekpaard naar het noorden gaan laten ze hun vaarplannen varen. Het idee was om veilig naar het noorden te gaan, maar met een paard en mannen op de oever biedt een schip geen echte oplossing.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen door de straten van de Buitenstad tot ze bij een door soldaten bemande barricade komen. Bartimeüs vraagt waarom hier een barricade staat en de soldaten vertellen dat dat tegen de vluchtelingen is die verderop in het kamp zitten. Er is wel een palissade neergezet, maar daar zitten geen echte poorten in. De soldaat antwoordt bevestigend als Bartimeüs vraagt of Grote Pier daar ook bij zit. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen een stukje langs de palissade en als ze denken dat niemand ze ziet maakt Kritoias een toverspreuk een gat in de omheining. Dan ziet hij plotseling een groene lichtjes van de poort naar de rugzak van Ruarc gaan. Als ze door de poort zijn gestapt vraagt Kritoias aan Ruarc om de staart te mogen controleren."Ai," zegt hij, "hier was ik al een beetje bang voor. Het lood is op een aantal plaatsen wat dun en het heeft ook nogal wat te lijden gehad door al onze avonturen de afgelopen maand. We moeten vanmiddag op zoek naar extra lood."Kritoias luistert even aan de met lood omklede staart en zegt dan "Gelukkig hoor ik nog geen raar gezoem of zo, dan zullen de demonen wel weer komen. Maar ik zie wel dat de staart weer aan het opladen is."
Enigszins ongerust lopen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc naar het vluchtelingenkamp op zoek naar Grote Pier. Het lijkt erop dat iedereen hier zijn eigen hut heeft gebouwd. Het kamp is niet al te groot er verblijven een paar honderd vluchtelingen. In het midden van het kamp is een soort overdekte zitplaats waar een aantal mannen zitten te dobbelen en te kaarten. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc kijken om zich heen, maar zien geen bekenden. Ze lopen naar de mannen toe en vragen of Grote Pier hier ook is. De mannen kijken ze even wantrouwig aan, maar het noordelijke accent van de neven biedt vertrouwen. Ze vertellen dat Grote Pier in een eigen kampje woont een paar honderd meter hier vandaan. Vervolgens maken ze wat slechte grappen, zoals dat Grote Pier een Grote Wyrm heeft.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen het kamp uit en vinden een paadje naar het kamp van Grote Pier. Bartimeüs gebruikt een toverspreuk om te controleren of dit inderdaad naar de juiste bestemming leidt en dat is het geval. Het kampje van Grote Pier heeft ook nog een stuk of twintig huizen, dus ze moeten voorzichtig te werk gaan. Kritoias en Ruarc blijven achter, terwijl Bartimeüs onzichtbaar het pad afloopt om het kampje te onderzoeken. Na ongeveer 300 meter ziet hij een viertal gewapende mannen die naar het lijkt een geïmproviseerde wachtpost hebben opgericht. Bartimeüs sluipt onzichtbaar langs de mannen en loopt het pad verder af. Na nog 50 meter komt hij over een heuveltje in een kom waar de huisjes staan. In het midden staat een grote hut die bewaakt wordt. Bartimeüs sluipt erheen en probeert door de muur te luisteren of er iemand binnen is. Hij hoort wel meerdere stemmen, maar kan niet verstaan wat ze zeggen. Wel telt hij 30 tot 40 mannen die zich zouden kunnen verdedigen.
Bartimeüs sluipt over het pad terug naar Kritoias en Ruarc om met hen de tactiek door te spreken. Als hij de mannen bij de wachtpost voorbij gaat stoot hij met zijn voet tegen een boomstronk."He, wat is dat?" roept een van de mannen.Bartimeüs houdt zijn adem in, is hij ontdekt?"Kijk", wijst een van de mannen, "daar loopt een beer!""Welnee man, dat is gewoon een eekhoorn." zegt een van de anderen.Bartimeüs haalt opgelucht weer adem en sluipt verder het pad af op weg naar zijn neven.
Uit het zicht van de wachtpost en het vluchtelingenkamp maken Bartimeüs, Kritoias en Ruarc een plan. Bartimeüs blijft onzichtbaar en staat op de uitkijk bij een paar bosjes waar Kritoias en Ruarc zich in zullen verstoppen. Als Grote Pier met minder dan tien man langs komt lopen zal Kritoias een slaapspreuk op de groep gebruiken met Grote Pier als laatste en zal Ruarc proberen om Grote Pier in slaap te toveren. Als het nodig is schiet Bartimeüs hem neer om hem daarna met de dolk dood te steken. Als de groep groter is dan tien man dan zal Kritoias een koudebal gebruiken om zoveel mogelijk man uit te schakelen. Ruarc zal nog steeds proberen Grote Pier uit te schakelen als die nog staat en ook nu zal Bartimeüs naar voren rennen om Grote Pier te doden.
Kritoias en Ruarc liggen al een tijdje in de bosjes als Bartimeüs stemmen in de verte hoort. Het is niet Grote Pier, maar het zijn twee mannen die druk pratend van het kampje van Grote Pier op weg zijn naar het vluchtelingenkamp. De mannen gebruiken allemaal woorden die Bartimeüs, Kritoias en Ruarc weinig zeggen. Na een half uur komen de mannen weer teruglopen en zeggen dingen als "vasthouden aan goederen" en "zelfzuchtigheid".
Een tijd later horen ze alle drie gezang. Bartimeüs ziet een groep van bijna dertig mannen en vrouwen het pad af komen lopen in een lang lint met een lange dunne man in het midden die hij direct herkend als Grote Pier. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc maken zich op om hun hinderlaag uit te voeren als Grote Pier plotseling "Wacht" roept. Hij kijkt richting de bosjes waar Kritoias en Ruarc in zitten en zegt dat er iets niet helemaal klopt. Twee bewapende mannen lopen naar voren en zwaaien met hun zwaarden door de bosjes heen om te kijken of er iemand in zit. Kritoias en Ruarc duiken nog dieper weg in de bosjes, waarbij Ruarc een bijna perfecte schuilplaats vindt op nog geen halve meter van waar hij nu verborgen zit. De mannen zijn geen echte speurneuzen, want ze vinden Kritoias en Ruarc niet en lopen terug naar de groep. Grote Pier vertrouwt het echter niet en zegt dat het nu geen goed moment is om naar het vluchtelingenkamp te gaan. Hij laat alle mannen en vrouwen dicht bij hem komen en ze lopen langzaam over het pad terug naar het kampje.
Nu is het tijd voor actie, Kritoias maakt zichzelf en Ruarc onzichtbaar en spoedt zich achter de groep aan. Als hij dicht genoeg in de buurt is verzamelt hij energie en vuurt een bal van koude op de groep af, gecentreerd op Grote Pier. Met een enorme klap ontploft de bal vlak achter Grote Pier die tegen de grond geworpen wordt. Alle (andere) mensen worden door de druk en de koude bevangen en liggen na de explosie bewusteloos op de grond. Bartimeüs, die zoiets wel had verwacht en op afstand was gebleven, rent tussen de roerloze mensen door en trekt zijn bijl als hij ziet dat Grote Pier nog beweegt. Hij begint woest op hem in te slaan, maar Grote Pier is sneller dan hij had verwacht en slaagt er in overeind te krabbelen. Hij ontwijkt de slagen van Bartimeüs, die nog steeds last heeft van zijn verwondingen van gisteren, want een wapen heeft hij niet bij zich. Bartimeüs hoort dat Grote Pier een vreemd woord zegt en blijft hem aanvallen. Ruarc is inmiddels ook onzichtbaar in de buurt gekomen, maar wacht nog even af, terwijl Kritoias die er iets achter staat geen toverspreuk kan gebruiken om Grote Pier aan te vallen omdat Bartimeüs in de weg staat. Zonder wapen kan Grote Pier zich uiteindelijk niet verdedigen en na een paar rake klappen valt hij neer op de grond. Bartimeüs pakt snel zijn dolk en steekt hem in Grote Piers hart, althans de plaats waar normaal gesproken iemands hart zit. Er verschijnen allerlei rookpluimpjes uit het lichaam en het lichaam van Grote Pier verdwijnt.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zijn heel tevreden dat hun plan is gelukt en beginnen te overleggen wat nu te doen als plotseling van twee kanten een luide brul klinkt. Kritoias draait zich razendsnel om en weet nog net een Bladeturn toverspreuk uit te spreken waardoor de eerste klauw van het monster dat hem aanvalt mis, maar de tweede doet dat niet en geeft hem zo'n dreun dat hij even versuft raakt. Bartimeüs wordt intussen tot bloedens toe geraakt door het andere monster dat plotseling verscheen. Het lijken dezelfde soort wezens te zijn als ze eerder hebben gezien op de plaats waar het leger van Vandalus en de Olcar tegenover elkaar stonden. Daar waren priesters van Balbar bezig om mensen samen te voegen tot andere wezens. Ruarc neemt snel de beslissing om Kritoias eerst te hulp te schieten. Nog steeds onzichtbaar verbrijzelt hij van achteren de linkerarm van het monster. Daarbij dringt de punt van zijn warhammer in het lichaam van het wezen en als Ruarc zijn hamer terugtrekt gutst het bloed er in grote golven uit. Het monster slaat zijn andere hand op de wond maar doet verder niets meer.
Bartimeüs wordt intussen in het nauw gedreven door het andere monster dat met zijn twee klauwen razendsnel op hem inslaat. Kritoias probeert het wezen in slaap te toveren, maar het monster is daar niet van onder de indruk. Opnieuw schiet Ruarc te hulp. Hij vestigt de aandacht op zich met een paar ferme slagen, waardoor de gewonde Bartimeüs even lucht heeft. Het wezen probeert Ruarc ook te verwonden, maar de maliënkolder van Ruarc biedt voldoende bescherming. Nu komt ook Kritoias aanlopen en gezamenlijk slaan ze het wezen tegen de vlakte. Bartimeüs zorgt ervoor dat hij nooit meer op zal staan. Het valt Bartimeüs, Kritoias en Ruarc op dat deze wezens niet verdwijnen, waarschijnlijk omdat ze in deze wereld zijn ontstaan. Kritoias gebruikt snel een toverspreuk om de bloedende wonden van Bartimeüs te stelpen.
Opeens horen ze stemmen uit de richting van het kampje van Grote Pier. Even vragen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zich af hoe ze zich hieruit gaan redden, maar dan realiseren ze zich dat niemand gezien heeft wat er is gebeurt, zelfs de mensen niet die hier bewusteloos liggen."Wat is er gebeurt?" vraagt een van de mannen die komt aanlopen."We kwamen op het geluid van die knal af" zegt Bartimeüs en toen werden we door deze vreselijke monsters aangevallen. Toen lagen die mensen daar allemaal al op de grond.""Aah! Wat zijn dat voor wezens" roept een van de mannen."Ze leven nog!" roept een vrouw die doorgelopen was naar de bewusteloze mensen, "we moeten ze naar het kamp brengen.""Waar is Grote Pier?" vraagt een van de mannen die onrustig om zich heen aan het kijken is."Wie?" vraagt Ruarc als volleerd acteur, terwijl Bartimeüs en Kritoias enigszins niet begrijpend kijken."Een lange dunne man. Hij ging met deze groep mee naar het vluchtelingenkamp." antwoordt de man, "Pier, Grote Pier" begint hij te roepen."Hij zal vanavond wel weer terugkomen." zegt een van de andere mannen, "Hij kan toen niet in rook opgegaan zijn? Het lijkt me nu beter om iedereen te verzorgen in het kamp. Gaan jullie ook mee?""Ja, dat is goed," antwoordt Bartimeüs, "maar ik kan wat moeilijk lopen."De mensen uit het kamp van Grote Pier komen met een aantal draagbaren aanzetten en beginnen de bewusteloze mensen en Bartimeüs naar het kamp te dragen, terwijl Kritoias en Ruarc meelopen.
In het kamp raken Bartimeüs, Kritoias en Ruarc in gesprek met de aanhangers van Grote Pier die er nogal verontrustende ideeën op nahouden. Zij zijn ervan overtuigd dat dit het einde der tijden is en dat ze niets kunnen doen tegen het leger van lopende doden dat deze kant opkomt. Je kunt alleen je lot in eigen hand nemen door te kiezen voor het zuiverende vuur van Balbar. Dat is niet zomaar een kampvuurtje, maar iets heel bijzonders. Ze waren van plan om de hele stad op die manier te zuiveren, maar ze moeten nu wachten tot Grote Pier weer terugkomt. Ruarc is het daarmee eens."Let maar op" zegt hij, "dit verhaal krijgt nog een staartje"
Bartimeüs wil eigenlijk wel kijken in de hut van Grote Pier, maar de mensen in het dorp zijn daar geen voorstander van. Bartimeüs weet hen er van te overtuigen dat er misschien een boodschap van Grote Pier in zijn hut ligt die voor de mensen bestemd is. Kritoias loopt mee met een van de mannen en blijft in de deuropening staan terwijl de man de hut van Grote Pier onderzoekt, maar afgezien van wat kleding is daar niets te vinden. Ondertussen geneest Bartimeüs zichzelf van alle blauwe plekken met een aantal toverspreuken.
Rond een uur of drie nemen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc afscheid van de volgelingen van Grote Pier. Het lijkt ze wat gevaarlijk om te proberen ze op andere gedachten te brengen. Ze maken opnieuw een gat in de palissade en lopen zonder veel de aandacht te trekken door de Buitenstad naar de pont die nog steeds blijkt te varen. De stadswachten bij de havenpoort hebben nog wel wat lastige vragen voor ze, maar als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen dat ze geen last meer hebben van Grote Pier en vertellen van hun belevenissen de afgelopen dagen worden ze binnengelaten. Voordat ze teruggaan naar de herberg lopen ze nog even langs bij een loodbekleder waar ze voor zes koperstukken een stukje lood kopen dat Ruarc kan gebruiken om de staart beter in te pakken.
Rond vier uur komen ze terug in de herberg en vertellen Metla en de koningin over de dood van Grote Pier. Bartimeüs komt erachter dat Kritoias nog wat schrammen en beurse plekken heeft en gebruikt een toverspreuk om hem te genezen. Dan bedenken Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zich dat ze de brieven voor de prins nog moeten afhalen in de hoge stad. Ze spoeden zich door de stad en krijgen te maken met typisch stadse bureaucratie, waardoor ze pas om zes uur met de brief weer terug zijn in de herberg.
Ze hebben nog een laatste gezamenlijke maaltijd met Metla en de koningin die inmiddels hun spullen al hebben ingepakt. Bartimeüs geeft hen tien goudstukken om iets achter de hand te hebben tijdens de reis. Als het donker wordt komt er een jongetje de herberg inlopen die aan Ruarc de verhalenverteller, meldt dat ze bij de poort worden verwacht. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en de koningin lopen de nog geen honderd meter naar de poort waar Bartimeüs in zijn oor gefluisterd krijgt dat ze een steegje in moeten. Als ze daar aankomen staat de vrouw die ze kennen als de Meesteres in het steegje."Het is tijd om te gaan" zegt ze, "ik zal ervoor zorgen dat niemand jullie kan zien".Nadat Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Metla en de koningin afscheid hebben genomen maakt de Meesteres met een toverspreuk Metla en de koningin tegelijkertijd onzichtbaar. Daarna doet ze hetzelfde bij zichzelf en keren Bartimeüs, Kritoias en Ruarc terug naar de herberg. Na bijna een maand zijn we weer met zijn drieën.
's Nachts regent het en terwijl Bartimeüs en Ruarc goed wacht houden zit Kritoias niet op te letten.
De volgende ochtend bij het ontbijt vertellen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc tegen de herbergier dat ze naar het zuiden gaan vertrekken. Het is nu echt te gevaarlijk aan het worden. Hoewel veel voorraden naar de hoge stad zijn getransporteerd wil de herbergier hen toch voor zo'n drie weken eten verkopen. Voor het ontbijt hadden Bartimeüs, Kritoias en Ruarc overlegd hoe ze naar het noorden zouden gaan reizen. De weg naar de Prinsdommen lijkt niet al te gevaarlijk te zijn en over de rivier met de trekschuit gaat veel te langzaam. Aan deze kant van de rivier is er een goede weg naar het dorpje waar ze de vluchtelingen voor het eerst hadden gezien. Daar lijkt ook een brug te zijn, dus dan kunnen ze daar de rivier oversteken naar de Prinsdommen. Voordat ze vertrekken doen ze nog even wat inkopen om goed beslagen op reis te gaan. Een paar paarden zit er helaas niet in. Rond een uur of tien verlaten Bartimeüs, Kritoias en Ruarc Olcadaïr door de noordpoort. Nog even herinnert een hoestje van een voorbijganger er aan dat er nog andere rare dingen aan de hand zijn, maar daar gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zich nu even niet druk om maken. Hun doel is om eerst Beolin te vermoorden en dan de andere aartsdruïden.
Op de weg naar het noorden is het heel erg rustig. Er zijn op dit moment niet veel vluchtelingen meer en al helemaal geen reizigers. Tegen het vallen van de avond bereiken ze het dorpje en ze kunnen het vanuit het zuiden makkelijk binnenlopen. Hoewel er overal soldaten rondlopen bewaken die alleen de noordkant waar de vluchtelingen zijn. Als ze door de hoofdstraat lopen horen ze vanuit een herberg liederen die ze anders alleen in de Prinsdommen hoorden. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan naar binnen en het zit daar vol met soldaten. Als ze bij de herbergier om een kamer vragen blijkt dat lastig te zijn, want de hele herberg zit vol. Bartimeüs dringt aan en zegt dat ervoor wat geld vast wel iets te regelen is. De herbergier kijkt verlekkerd naar de zilveren munt en gaat naar achteren. Even later benadert een man de neven. Hij stelt zich voor als Olsen en hij komt uit Berra. Daar gaat het niet heel goed en daarom is hij op de vlucht. Berra-stad is gevallen en de Prins bevindt zich in het zuiden. Dat is vlak bij het grensdorp Klonfar waar Bartimeüs en Kritoias vandaan komen. Olsen is een timmerman en is op weg naar het zuiden om daar zijn geld te verdienen. Hij heeft een kamer en wil die voor een zilver wel afstaan aan de neven. Bartimeüs onderhandelt stevig en betaalt uiteindelijk 5 bronsstukken voor een overnachting in de kamer. Als de neven de kamer bekijken en Olsen zijn spullen weghaalt blijkt dat hij wel een verdacht goed zwaard heeft voor een timmerman.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan om de beurten eten in de gelagkamer, ze willen hun kamer niet opgeven en zeker niet hun spullen achterlaten terwijl ze aan het eten zijn. Er is weinig spanning te bespeuren en er wordt veel gezongen en gedronken. Het wildpotje is een aangename afwisseling van het eten dat ze in Olcadaïr kregen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc houden zoals gebruikelijk wacht in hun kamer en bespeuren geen bijzondere dingen.
Om zes uur 's ochtends worden Bartimeüs en Kritoias gewekt door de hoorn van de soldaten die reveille schalt."Opstaan stelletje luiwammesen" horen ze, "Ik wil dat het kamp schoon is voor we gaan ontbijten."Gelukkig zitten ze niet meer in het leger en kunnen ze rustig opstaan en wat gaan eten in de zaal. Het ontbijt is voedzaam, maar niet zo lekker en hun humeur wordt niet veel beter als ze zien dat het buiten regent. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc nemen afscheid van de herberg en lopen door het dorp naar de houten brug die hier de rivier overspant. Er is wel een soort huisje bij de brug, maar er is niemand te zien, dus Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen de brug op richting de overkant. Voordat ze halverwege zijn horen ze iemand over de brug achter hen aan rennen."Stop, stop, jullie moeten nog tol betalen!" zegt een ambtenaar van Olcadaïr die enigszins hijgend voor ze tot stilstand komt."Bent u de brugtrol?" vraagt BartimeüsDe man kijkt hem enigszins verstoord aan en zegt dan "Jullie moeten even meekomen naar het tolhuis om tol te betalen."Waar is dat nu weer nodig voor?" zegt Bartimeüs, "kunnen we niet gewoon hier betalen? Hoeveel is het eigenlijk"?De man kijkt even naar de neven en vraagt dan "Jullie zijn geen handelaars hè? Wat gaan jullie in de Prinsdommen doen?""Wij gaan naar huis" zegt Kritoias"Maar het is daar gevaarlijk" zegt de man, "kom mee, want ik moet de papieren in orde maken in het tolhuis." Geïrriteerd lopen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc met de man mee en betalen 5 tinstukken tol.
Als ze aan de overkant zijn gebruikt Bartimeüs zijn gaven om te kijken waar de weg heen gaat en dat blijkt een dorpje te zijn. Dat is nu niet echt heel nuttige informatie. Ongeveer een halve kilometer van de brug splitst de weg zich. Er gaat een weg rechtdoor richting het westen en er is een zijweg naar noorden. Die weg slaan de neven in, want het dorpje waar hun familie woont ligt in het uiterste noorden van het gebied van de Pontoni. De weg voert weer een beetje terug richting de rivier en volgt die op enige afstand naar het noorden. Gedurende de dag komen ze helemaal niemand tegen op de weg. De vlakte maakt in de loop van de dag plaats voor heuvels en rond een uur of een zien ze de eerste boerderijen. Een uur later komen ze bij het dorpje waar ze lunchen. Aan het einde van de dag komen ze in het dorpje Porportoir dat voorzien is van een houten omheining. Hier komen ze ook weer de eerste vluchtelingen uit het noorden tegen. Bij de poort verwijst een van de wachters hen naar de herberg van zijn neef genaamd "In de Romige Pan"
Die herberg blijkt makkelijk te vinden in het kleine dorpje. Het heeft geen aparte kamers, maar nog wel plaats op de slaapzaal. De vluchtelingen vertellen over lopende doden in het noorden waar ze voor op de vlucht zijn, maar niemand lijkt ze echt te hebben gezien. De prins van de Pontoni is bezig een leger te verzamelen om Finbar te versterken. Ruarc amuseert de bezoekers van de herberg met een mooi verhaal.
Als ze gaan slapen houdt Bartimeüs zoals gebruikelijk de eerste wacht. Ruarc kan echter niet slapen. Hij ziet een man gehurkt zitten en hij ervaart een rare aantrekkingskracht van de mediterende man. De man is zo te zien geen boer. Hij heeft een baardje en aan zijn kleding te zien is hij al enige tijd op reis. Ruarc loopt naar hem toe en raakt hem aan, maar dan schrikt hij zelf wakker. Nu is het opeens veel donkerder in de slaapzaal. Ruarc vertelt Bartimeüs wat er is gebeurt die hen vervolgens allebei nachtzicht geeft. Dan sluipt Bartimeüs voorzichtig naar de man toe. Die lijkt in een diepe slaap te zijn. Hij heeft de uiterlijke trekken van een zuiderling. Bartimeüs sluipt weer terug en maakt wat lawaai, maar gelukkig lijkt niemand het gehoord te hebben.
Als het de wacht van Kritoias is probeert Bartimeüs in de droom van de zuiderling te komen. Hij droomt wel ergens van, maar de zuiderling is nergens te bekennen. Hij staat op een heuvel waar brand is geweest, er zijn alleen nog wat boomstronken over. Dan hoort Bartimeüs opeens een zware ademhaling. Hij kijkt om zich heen, maar ziet niets. Dan wordt hij plotseling heel bang, hij staat te trillen van angst en kan uiteindelijk niet meer op zijn benen staan. Hij valt op zijn knieën en buigt met zijn bovenlichaam neer tot zijn neus de as raakt, dan wordt Bartimeüs huilend wakker.
De volgende ochtend observeert Ruarc wat de mediterende zuiderling doet. Hij maakt de man naast hem wakker, dat is ook een zuiderling, maar een flink stuk groter met een zware rugzak en een flink eenhandig zwaard. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc volgen de mannen naar de eetzaal en gaan binnen gehoorsafstand zitten. Kritoias gebruikt een spreuk om ze af te kunnen luisteren en als er nog twee vrouwen binnenkomen, allebei tegen de dertig en voorzien van stevige reiskleding, bespreken de vier wat ze gaan doen. Het blijkt dat ze op weg zijn naar het noorden, precies waar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc ook heen gaan. Kritoias trekt de stoute schoenen aan, draait zich om en zegt. "Ik hoor dat jullie ook naar het noorden gaan, daar moeten wij ook heen, misschien is het handig om samen te reizen?"
De groep vraagt wie de neven zijn en waar ze heen gaan en die vertellen dat ze naar huis gaan. Na enig overleg vinden de mannen en vrouwen het wel een goed idee om samen te reizen, er gaan geruchten rond over lopende lijken en het lijkt inderdaad verstandig om samen te reizen. Zij stellen zich voor als Clara, Charlottte, zij heeft een zwaard, Midon, ook met een zwaard en Lourdon met een staf. Lourdon is de man die mediteerde. Clara is de opdrachtgeefster en zij moet in het noorden informatie verzamelen over de lopende lijken en andere rare dingen.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen over een aantal van de rare dingen die ze beleefd hebben, met de nadruk op lopende lijken en demonen. Lourdon zegt dat magie het werk is van een euvele god.
Na het ontbijt vertrekken ze met zijn allen naar het noorden. De reis verloopt rustig en aan het einde van de dag komen ze in een dorpje aan. Ze zijn nu nog ongeveer zestig kilometer van het stadje waar de ouders van Bartimeüs en Kritoias wonen. Ruarc zorgt er 's avonds voor dat niemand de groep kan afluisteren.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc draaien weer hun standaard wachtschema af in de herberg waarbij Bartimeüs in de droom van Lourdon probeert te komen. Dat lukt, maar hij komt in de herberg waar iedereen slaapt.
De volgende ochtend ontbijten ze en gaan weer op weg, nog twee dagen en dan zijn Bartimeüs en Kritoias weer thuis.Midden op de dag horen ze plotseling geschreeuw en gegil. Plotseling komt een groep mensen aanrennen die achterna gezeten worden door meer dan twintig aapdemonen. In de verte komt een groep ruiters aan, maar die komt nooit op tijd om de mensen te redden. Kritoias zorgt ervoor dat hij een onzichtbaar schild heeft en kan vliegen. De anderen vormen een linie, samen met een paar andere mannen die met hun wapens op weg zijn naar het leger van de prins.De groep aapdemonen splitst zich in tweeën. Kritoias vliegt weg om dertien aapdemonen te onderscheppen, terwijl Bartimeüs zijn boog pakt. Hij schiet twee van de aapdemonen "dood" voordat ze de linie bereiken. Daarna ontbrandt een heftige strijd. De aapdemonen zijn nog steeds in de meerderheid, want Lourdon en Clara vechten niet mee. Ruarc wordt door twee aapdemonen aangevallen en weert zich kranig.
De snelle aanvallen van de aapdemonen dringen de soldaten van de Prins in het nauw. Een van hen krijgt een behoorlijke jaap over zijn been en valt bloedend op de grond. Bartimeüs heeft het eerst lastig, maar weet dan een aantal aapdemonen neer te slaan en de man te beschermen, terwijl Lourdon hem geneest. Zodra de groep in overtal is krijgen ze de overhand op de aapdemonen die ten slotte allemaal dood of bewusteloos op de grond liggen. Bartimeüs gaat ze nog even allemaal langs om zeker te stellen dat ze niet meer terugkomen.Kritoias was intussen weer aankomen vliegen om te kijken of hij kon helpen. Hij had alle dertien aapdemonen waar hij op af was gegaan in slaap getoverd en die werden vervolgens door de ruiters doodgeslagen.
Na de strijd is Ruarc toch wel wat aangedaan, hij neemt een uurtje rust om bij te komen. Kritoias loopt intussen naar de tien lanseliers die bij de gedode aapdemonen staan."Goedemiddag, zaten jullie al lang achter deze monsters aan door het veld?" vraagt Kritoias."Nog niet zo heel lang, ze waren in de buurt van de weg opgedoken en we hebben een omtrekkende beweging gemaakt. Dank jullie wel voor het aanpakken van deze wezens." zegt de leider van de lanseliers, "zijn jullie op weg naar Finbar?""Ja, maar eerst richting Klonfar, daar hebben we familie wonen" zegt Kritoias, "weten jullie hoe het daar is?""Het was onrustig in Klonfar hè?" zegt een van de andere lanserliers, "iets met een kind dat is geboren tijdens de eerste nacht van de groene maan en nog wel een kleinkind van het clanhoofd ook."Als Kritoias terugloopt naar Bartimeüs reageert die gelijk met "Kritoias is een tante!"
Samen gaan Bartimeüs en Kritoias naar de vluchtelingen die een stukje verderop bijkomen van de aanval van de aapdemonen. Ze kwamen niet uit het bos, maar waren weggerend van de weg. De vluchtelingen komen uit Clanberra en zijn op weg naar het zuiden. Ze zijn ook door Klonfar gekomen en vertellen van het enge druïdenkind. Kritoias vraagt of ze iets van zijn meester Gorsedd weten, maar die kennen ze niet. Als de vluchtelingen vragen of het in het zuiden veilig is vertellen ze over Olcadaïr, grote Pier en andere vreemde zaken, wat tot gevolg heeft dat één van de kinderen zegt "Later wil ik ook gek worden, net als die meneer!"
Na iets minder dan een uur trekt de hele groep verder en tegen de avond is er nog geen dorpje in zicht. Gelukkig is er wel een boerderij waar ze met zijn zevenen onderdak kunnen vinden in de schuur.
Naast Bartimeüs, Kritoias en Ruarc houden ook Midon en Charlotte wacht. Bartimeüs en Midon starten als eerste wacht en Bartimeüs vraagt wat Midon van de huidige situatie vindt. Hij vindt dat de groene maan alleen maar problemen oplevert.Als Kritoias Bartimeüs heeft afgelost probeert die laatste in de droom van Clara te komen, maar dat lukt hem niet. De rest van de nacht verloopt rustig.
De volgende ochtend ontbijten ze nog bij de gastvrije boerenfamilie en gaan op weg naar Klonfar, wat nog maar een halve dag reizen is.Het terrein wordt steeds bekender voor Bartimeüs en Kritoias en af en toe zien ze bekenden. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc overleggen over het verhaal over het druïdenkind, waarop Bartimeüs zegt "Jullie zijn wel lelijk thuis, maar om het nu een druïdenkind te noemen!"Dan zien ze de houten palissade en het fort van Klonfar op de heuvels liggen. Het stadje heeft zo'n 500 tot 600 inwoners en is het laatste grote plaatsje voor de grens met Berra. Naast de clan Gallchobhair wonen er nog twee clans in het dorp, Eybar en Mannagh. Gorsedd, Kritoias' meester hoort bij geen van de clans.
Als ze de stad binnenkomen door de oostpoort staan er een aantal opgeschoten jongens van clan Mannagh die lastig lopen te doen. In het verleden hadden Bartimeüs en Kritoias ook wel eens onenigheden met ze, maar nu lijken ze uit op ruzie. Eerst vragen ze wat ze komen doen en of ze niet naar Finbar moeten om voor de prins van Berra te vechten. Daarna beledigen ze de clan door te hinten op het druïdenkind. Bartimeüs is het een beetje zat en geeft een van hen een harde klap in zijn gezicht. Als de vier jongens bij de hand worden is Kritoias het zat en tovert ze alle vier in slaap. Bartimeüs snijdt nog even hun broekbanden door om het lopen wat lastiger te maken.
Als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en de groep van Clara in het stadsdeel van clan Gallchobhair komen is dat helemaal verlaten. Ze vragen aan een van de buren waar de clan naar toe is en die vertellen dat de situatie wat gespannen werd waardoor de hele clan in het fort is getrokken, waar normaal gesproken het clanhoofd en hoofd van Klonfar, opa Dorran woont.
In het fort zijn de moeders van Bartimeüs en Kritoias heel blij om ze weer te zien nadat ze meer dan een half jaar geleden zijn vertrokken naar oom Caedmon in Nymarc. Tyron, de oudere broer van Kritoias laat trots zijn zoontje Dorran zien, die nu de derde in lijn is om opa op te volgen in de clan. Kritoias bekijkt het kindje met aandacht, maar kan geen bijzondere dingen zien aan het "druïdenkind", dat inderdaad in de eerste nacht van de groene maan is geboren.Helaas hebben Bartimeüs, Kritoias en Ruarc slecht nieuws te melden over oom Caedmon en tante Aphria en de hele familie van Ruarc, die allemaal zijn omgekomen door de aanval van een demon.
De moeder van Kritoias, Ryann, heeft ook slecht nieuws voor hem, want Gorsedd is een paar weken geleden dood gevonden in zijn hut, waarbij zijn hart uit zijn borstkast is gereten. Niemand heeft daar iets van gezien.Verder willen de andere clans de positie van opa Dorran ter discussie stellen doordat hij geen maatregelen neemt tegen zijn kleinzoon, het zogenaamde druïdenkind. Daar lijkt een man die een paar weken geleden in Klonfar is aangekomen ook iets mee te maken te hebben. Zijn naam is Leodor Chlochmor.
Kritoias wil zien wat er gebeurd is in het huis van zijn leermeester, ook al is het lichaam natuurlijk al lang weg. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan er samen met Clara en haar groep naar toe. Als ze daarheen lopen worden ze gevolgd door een groepje mannen van Mannagh. Bartimeüs en Ruarc blijven buiten terwijl Kritoias binnen op zoek gaat naar eventueel verstopte eigendommen van Gorsedd. Na even zoeken valt zijn oog op een losse plank in de vloer. Eronder is een kleine doosje verstopt waar kruiden in zitten. Kritoias bestudeert ze nauwkeurig en vermoedt dat ze voor magische rituelen gebruikt kunnen worden. Kritoias zoekt nog even verder en vindt bij de poot van het bed van Gorsedd een plukje haar, dat lijkt op haar van demonen. Kritoias laat aan Bartimeüs zien wat hij heeft gevonden. Met zijn kennis vindt hij uit dat het groot blad is, maar wat het doet weet hij niet. Lourdon is ook een kruidenexpert en volgens hem kan je die kruiden gebruiken om in een droomstaat te komen. De kruiden zijn ongeveer vijf tot tien goudstukken waard en er zijn een stuk of zes blaadjes.
Buiten beginnen de mannen van Mannagh weer vervelend te worden, helemaal als een man aan komt lopen die zich voorstelt als Leodor. Hij is een adviseur die de andere clans komt helpen in hun geschil met de opa van Bartimeüs, Kritoias en Ruarc. Volgens hem kan er een beperkte stamraad gehouden worden om het geschil te bespreken en eventueel een andere leider van het dorp te kiezen. Kritoias probeert Leodor te betoveren om te achterhalen of hij echt komt helpen, of dat het een spion van Beolin is die gestuurd is om onrust te voorzaken, maar de man weerstaat de toverspreuk. De mannen van clan Mannagh zeggen dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc naar het leger van de prins van Berra gaan om de Portoni aan te vallen. Kritoias zegt dat ze daar inderdaad naar toe gaan, maar dan om het leger van de lopende lijken te bestrijden dat deze kant op komt. De mannen geloven daar helemaal niets van en beledigen intussen opnieuw het neefje van Kritoias die daar behoorlijk pissig om wordt en een van hen waarschuwt daar niet meer verder te gaan. Als de man opnieuw een sneer maakt naar de kleine Dorran kan Kritoias zich niet beheersen en vuurt een shock bolt op de man af, die daar een behoorlijke schok door krijgt. De mannen zijn nu wel bang geworden en druipen af.
Bartimeüs wil de mannen achtervolgen en Kritoias maakt hem onzichtbaar zodat hij ongezien mee kan lopen. Kritoias, Ruarc en Clara en haar groepje gaan terug naar het fort. Kritoias gaat daar in gesprek met zijn opa die zegt dat hij van Leodor heeft gehoord en dat hij het prima vindt om in gesprek te gaan, als het maar met woorden wordt opgelost. Kritoias hoort wel dat Leodor al in het dorp was toen Gorsedd nog leefde, dus hij heeft zijn bedenkingen bij de motivatie van Leodor.Bartimeüs sluipt intussen het lange huis van clan Mannagh binnen. Daarvoor moet hij wel een deur openen, maar gelukkig valt dat niet op. Binnen gebeurt er echter niets bijzonders. Leodor is hun gast, maar het gesprek gaat vandaag over koetjes en kalfjes. Na een half uur gaat Bartimeüs ook terug naar het fort. Hij maakt zichzelf zichtbaar zodat hij binnengelaten kan worden. 's Avonds volgt een feestmaal om de terugkeer van de neven te vieren.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en Clara en haar groep slapen die nacht in de gastenvertrekken in het fort. Nadat Bartimeüs wacht heeft gehouden probeert hij in de droom van Leodor te komen. In zijn droom loopt hij door het verlaten dorp Klonfar dat baadt in een lekker zonnetje. Bartimeüs loopt naar het huis van Mannagh, maar ook dat is verlaten. Dan hoort hij een bekende stem. Het is Theolin die blij is dat hij Bartimeüs eindelijk weer heeft gevonden. Hij was niet zo blij met de dolksteek die Bartimeüs hem gaf, maar hij heeft het overleeft. Theolin heeft het over evolueren naar andere vormen en zegt dat de drang naar macht corrumpeert, waarop Bartimeüs hem antwoordt dat hij daar alles van af moet weten. Theolin zegt dat hij blij is dat de koningin veilig is en als Bartimeüs vraagt naar operatie Inferno dan klopt Theolin zichzelf op de borst omdat dat toch succesvol is geweest en de lopende lijken tijdelijk gestopt zijn. Als Bartimeüs zegt dat zij ook lopende lijken in Vandalus hebben gezien, maar dat ze niet veel deden zegt Theolin dat de lopende lijken instructies nodig hebben en dat Beolin daar met zijn luitenants voor zorgt. Het bereik is alleen niet zo groot, zodat je een spoor van lopende lijken kunt aantreffen. Als je dat volgt kom je bij Beolin uit. Volgens Theolin is Beolin hier niet zo heel ver vandaan. Dan wordt Bartimeüs weer wakker en blijft het rustig tot de ochtend.
Bij het ontbijt vraagt Clara of Bartimeüs, Kritoias en Ruarc langer in Klonfar blijven aangezien er problemen zijn voor hun clan. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc willen dat liever niet, omdat zij ook dringende zaken in Berra hebben. Kritoias wil nog wel proberen Leodor vandaag uit zijn tent te lokken, daarna willen ze naar het noorden reizen. Clara kan daar niet op wachten en stelt voor om vanmorgen al te vertrekken. Dat vinden Bartimeüs, Kritoias en Ruarc goed en ze spreken af elkaar in het kamp van de prins weer te ontmoeten.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen daarna naar het huis van Gorsedd om een toneelstukje op te voeren. Natuurlijk komen er mannen van Mannagh kijken wat er aan de hand is en er zijn nu ook belangstellenden van clan Eybar. Kritoias begint om het huis heen te lopen en eenvoudige langdurige telekinese-spreuken te casten om net te doen alsof er iets gebeurt. Als Ruarc ziet dat Leodor ook is aankomen lopen zegt hij: "Met die spreuk kan je precies zien wie dit gedaan heeft."Als Kritoias ziet dat Leodor aangekomen is bestudeert hij hem goed en ziet dat er dezelfde type magie om hem heen hangt als Ruarc normaal gesproken gebruikt.
Dan laat Bartimeüs, die om het huis was gelopen opeens mist opdoemen. Dit maakt de aanwezige clanleden van Mannagh en Eybar wat ongerust. Dan laat Ruarc met een illusie een schim uit de mist opdoemen die een hand uitstrekt naar Leodor en dan laat hij met een andere illusie de schim zeggen: "Jij hebt dit gedaan!"Leodor kijkt even verschrikt naar de mensen die nu allemaal naar hem kijken en zegt dan: "Nee, het zijn trucs"Maar dan zegt Bartimeüs, "De geest van Gorsedd heeft gesproken, hij zit achter zijn dood, pak hem!" en rent op hem af. Leodor bedenkt zich niet, draait zich om en sprint er vandoor. Bartimeüs kan aardig hard rennen, maar hij slaagt er niet in Leodor bij te benen. Kritoias en Ruarc zitten er iets verder achteraan. Als Leodor naar een groep huizen rent neemt Kritoias een eerdere afslag om de terugweg te beletten. Bartimeüs probeert Leodor af te snijden en rent een eerder straatje in. Hij probeert snel over een gebouw te klimmen, maar dat lukt niet zo snel. Als hij dan toch op het dak klimt sist een kat naar hem.
Kritoias heeft zichzelf intussen onzichtbaar gemaakt en laat zichzelf vervolgens vliegen. Hij vliegt eerst omhoog en daarna richting de dichtstbijzijnde poort om een eventuele onzichtbare Leodor de pas af te snijden. Als Ruarc de hoek om komt waar Leodor achter verdwenen is ziet hij alleen Bartimeüs van de andere kant afkomen. Leodor is verdwenen! Bartimeüs zoekt naar sporen en vindt al snel de voetsporen van Leodor. Met zijn spoorzoekspreuk volgt hij het spoor een huis op waar de voeten veranderen in kattenpoten! Die kattenpoten lopen naar de rand van het dak en dan is Bartimeüs ze kwijt."Bah, die kat die naar mij siste was natuurlijk Leodor!" denkt hij, "Waar is Kritoias eigenlijk gebleven, we moeten snel op zoek naar die kat."
"Vraag het anders aan die geit" zegt Ruarc"Ja, dat is een goed idee" zegt Bartimeüs, hij gebruikt zijn spreuk om met dieren te praten en vraagt de geit of hij een zwarte kat heeft gezien en waar die naar toe is gegaan."Ja, die heb ik wel gezien" zegt de geit, "die liep daarheen" en de geit wijst met haar horens naar een pootafdruk van de kat."Fijn, dank je wel." zegt Bartimeüs en hij volgt direct het spoor van de kat, dat naar de dichtstbijzijnde poort loopt, "Waar is Kritoias eigenlijk?".
Kritoias zweeft intussen nog steeds onzichtbaar bij de poort en ziet plotseling een zwarte kat tussen de lopende mensen doorstuiven naar buiten. De kat schiet vervolgens niet direct het struikgewas in, maar volgt de weg."Dat is vreemd gedrag voor een kat" denkt Kritoias en hij vliegt een stukje omhoog de poort over en over de weg. Als de kat een eind verder de weg verlaat om richting een aantal boerderijen te rennen verliest hij de kat uit het oog. Hij keert weer terug naar de poort om te kijken of er soms een onzichtbare Leodor langs komt.
Even later ziet Kritoias wel een Bartimeüs en Ruarc aan komen gelopen, gevolgd door een hele groep mensen.
"Psst, ik ben hier." zegt Kritoias en vraagt waarom ze hierheen komen.Als Bartimeüs vertelt dat Leodor in een zwarte kat is veranderd zegt Kritoias dat hij die gezien heeft en naar een paar boerderijen is gelopen. Bartimeüs en Ruarc lopen naar de boerderijen toe, terwijl Kritoias daar nog steeds onzichtbaar omheen rent om aan de achterkanterop te letten dat Leodor niet de benen neemt.Even later komen Bartimeüs en Ruarc aan bij de boerderijen en ze zoeken even rond, maar zien geen kat. Dan klopt Bartimeüs op de deur van een van de boerderijen."Ik ben mijn kat kwijt, heb je die misschien gezien?" vraagt Bartimeüs."Zo, wat een volk" zegt Gert."Ja, iedereen leeft erg mee met de kat" zegt Bartimeüs."Leodor is veranderd in een kat!" roept iemand uit het publiek."Ja, net als in het verhaal" zegt een ander."Ik heb geen kat gezien" zegt Gert."Mogen we even kijken? vraagt Ruarc."Ja hoor, ga je gang" zegt Gert.Bartimeüs en Ruarc doorzoeken de kleine boerderij goed, maar vinden geen kat.
Ruarc stapt naar buiten en zegt tegen de groep mensen: "Maak een cirkel, onthoudt wat je gezien hebt, want dat is een belangrijke getuigenis. Iemand die de kat vindt krijgt een zilverstuk!"Meteen beginnen de mensen overal te zoeken naar de kat en er wordt een soort van cirkel gevormd. Bartimeüs zoekt intussen naar de sporen van de kat en klimt met behulp van Ruarc op het dak om beter te kunnen zien, maar hij vindt geen enkel spoor van de kat. Kritoias loopt naar Bartimeüs en Ruarc toe, trekt hun aandacht en zegt dat hij een stukje gaat vliegen om te kijken of hij in de omgeving een lopende man in de velden ziet. Hij gebruikt een langer durende vliegspreuk en stijgt naar 300 meter hoogte. Hij kijkt goed rond, maar ziet geen vluchtende Leodor, wel vallen hem een aantal rookpluimen op die in het oosten aan de overkant van de rivier opstijgen. Daarna gaat hij een rondje rond het dorp vliegen om te kijken of Leodor daar ergens te zien is.
Bij de boerderijen is het halve dorp nu aan het zoeken, dus daar kunnen ze niet veel meer doen. Bartimeüs en Ruarc besluiten om naar het clangebouw te gaan om daar de spullen van Leodor op te eisen. Als ze daar binnenkomen treffen ze al snel het clanhoofd Borac die ze beleefd ontvangt. Bartimeüs is niet zo beleefd en eist de spullen min of meer op zonder de juiste beleefdheidsvormen te hanteren. Ruarc redt de situatie met zijn jarenlange ervaring in het verhalen vertellen voor belangrijke personen. Dan antwoordt Borac op een manier die Bartimeüs en Ruarc totaal niet verwacht hebben."Jullie zijn te laat jongens, Gert kwam zojuist al langs om zijn spullen op te halen.""Wat?" roepen Bartimeüs en Ruarc tegelijkertijd uit."Snel terug naar de hut van Gert, ik ben bang dat hij betoverd is of erger." zegt Bartimeüs en Bartimeüs en Ruarc rennen snel terug naar de hut van Gert. Daar wordt hun bange vermoeden werkelijkheid als ze de roerloze gestalte van Gert aantreffen in zijn bed. Ze informeren snel de nog steeds zoekende dorpelingen en laten niet na te vertellen dat dit de schuld van Leodor is. Daarna gaan ze terug naar het fort waar Kritoias inmiddels ook is aangekomen.
In het fort overleggen ze met de familie. Opa vindt dat er nu wel genoeg onrust is veroorzaakt en zal die middag met Borac gaan praten. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vinden dat een goed plan, maar willen ook graag uitzoeken wat er nu precies met die vuren aan de overkant van de rivier is. Wat voor leger bivakkeert daar? Het zullen geen lopende lijken zijn, die hoeven niet warm te blijven. Het zou het leger van Vandalus kunnen zijn, maar ook bijvoorbeeld Vanyana of Olcar. Als ze snel reizen kunnen ze voor de ochtend weer terug zijn. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc besluiten niet af te wachten hoe het gesprek tussen Opa en Borac verloopt en gaan op weg naar het oosten.
Na ongeveer een uur lopen over een goed begaanbaar pad komen ze bij een kleine nederzetting waar een visser hen voor een kleine bijdrage in zijn bootje de honderd meter brede rivier overzet. Dan valt hen een bijzonder patroon van vogels boven ze op."Theolin is ons weer op het spoor" zegt Kritoias.De rookpluimen zijn nu iets beter zichtbaar en om er te komen moeten Bartimeüs, Kritoias en Ruarc rechtstreeks door de velden heen lopen. Ze proberen snelheid te maken, maar letten wel goed op. Daardoor zien ze na ongeveer anderhalf uur een patrouille Olcar voor hen een heuvel rondtrekken.
Na nog een paar uur lopen beginnen ze etensgeuren op te merken."Die Olcar houden niet alleen maar van gras" merkt Ruarc op."Ik ga wel vooruit" zegt Bartimeüs, "houd je klaar om snel weg te gaan als het misgaat.""Ok, ik zorg ervoor dat de teleports beschikbaar zijn, dan moeten we wel ongeveer anderhalve minuut hebben, anders lukt het niet."Bartimeüs sluipt er vandoor en neemt zich voor uiterst stil te zijn, maar helaas mislukt dat al snel. Zijn voet blijft achter een boomstronk haken en met luid gekraak valt hij in een struik. Van over de heuveltop klinken vrijwel meteen de bekende klanken van de Olcar. Bartimeüs aarzelt geen moment en rent terug naar de anderen, samen rennen ze tussen wat heuvels door tot ze zeker zijn dat de Olcar niet weten waar ze zitten. Dan tovert Kritoias ze alle drie terug naar zijn ouderlijk huis."Laten we hier maar blijven overnachten" zegt Bartimeüs, "het valt misschien wel erg op als we weer zo snel thuis zijn. Beter als we morgenochtend aankomen."De anderen vinden dat een goed idee en Bartimeüs en Kritoias kunnen voor het eerst in lange tijd weer in hun eigen bed slapen.
Zoals gebruikelijk neemt Bartimeüs de eerste wacht. Al snel wordt Ruarc wakker in zijn bed. Hij ziet een aantal figuren om zijn bed staan. Hij kijkt wat beter en ziet dat het rechtopstaande beesten zijn. Hij wil iets zeggen, maar realiseert zich dat hij niet kan praten."De tijd is aanstaande." zeggen de beesten, "Binnenkort, binnenkort, geef toe."Dan valt Ruarc weer in slaap.
Als Kritoias de wacht heeft overgenomen gaat Bartimeüs weer op het dromenpad. Ditmaal wil hij proberen in de droom van Borac, het clanhoofd van clan Mannagh te komen. Hij loopt buiten en gaat op weg naar het huis van het clanhoofd. Als hij daar aankomt ziet hij iemand op de veranda zitten. Het is een mooie man, maar met een sinistere uitstraling.""Balbar, wat doe jij hier?" vraagt Bartimeüs."Mooi, ik vind het mooi dat je blij bent mij te zien Beolin's zoon." zegt de man."Nu we het over hem hebben, hoe gaat het met hem?""Goed, je vader is één geworden, overal en nergens. Hoe gaat het eigenlijk met jou? Vertrouw je je neefjes nog wel?""Er is niet veel interessants in het dorp." zegt Bartimeüs die om zich heen kijkt."Daar lijkt het niet op. Binnenkort moeten er keuzes gemaakt worden. Ik voel bij jou de goede keuze. Wat doe je eigenlijk in het dorp?""Ik ging iemand pesten in zijn droom.""Zal ik meedoen?""O, dat is wel zo leuk. Het gaat om Borac, ik wil graag dat hij morgenochtend naar me toe komt kruipen om om genade te smeken.""Daar weet ik wel wat op" zegt Borac en hij gaat het huis binnen en loopt naar Borac die daar slaapt. Hij pakt hem beet, drukt zijn ogen uit, rukt zijn armen af en breekt zijn rug."Dan valt Bartimeüs weer in slaap.
Dan is het Kritoias' beurt voor een nachtelijke ontmoeting. Hij wordt ook wakker in de droomwereld en komt Theolin tegen. Die is blij dat hij Bartimeüs, Kritoias en Ruarc weer heeft gevonden en pleit ervoor om samen te werken. Volgens Theolin bestaat Beolin niet meer als persoon, maar is opgegaan in iets van Balbar. Dit was nooit de bedoeling van Theolin en de anderen geweest en het is nodig om gezamenlijk Balbar te bestrijden. Kritoias vraagt aan Theolin waarom clan Karanach nu zo belangrijk is en krijgt de bevestiging van het verhaal van de uitverkorenen van Theolin. Het heeft volgens Theolin geen zin meer om Beolin te gaan doden, maar is het nu tijd om de Godin te bevrijden. Hoe dat precies moet gebeuren weet Theolin ook niet, in ieder geval niet met de speer of het zwaard. Theolin bevestigt ook Kritoias en Ruarc's theorie over de verschillende werelden als hij het gesprek af wil breken omdat ze al te lang in de droomwereld zijn en Balbar daar ook rondloopt. Dan neemt Theolin afscheid en wordt Kritoias wakker.
Bij het ochtendgloren blijken mannen van clan Mannagh op zoek te zijn naar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc. Ze doorzoeken alle gebouwen, want er is iets gebeurd met het clanhoofd. Ze komen aan de deur van het ouderlijk huis van Bartimeüs en Kritoias, maar die doen niet direct open. Bartimeüs vraagt wel wat er aan de hand is en het blijkt dat Balbar zijn acties niet alleen in de droomwereld heeft gedaan. Borac's ogen zijn verwijderd, zijn armen afgerukt, zijn rug gebroken en hij kan alleen nog "Bartimeüs" prevelen. Bartimeüs ontkent hier iets mee te maken te hebben, maar de mannen geloven er niets van en geven Bartimeüs, Kritoias en Ruarc een uur om het dorp te verlaten.Kritoias en Ruarc zijn verbolgen over wat Bartimeüs 's nachts heeft uitgespookt, niet zozeer om Borac te pesten, maar wel om dat met Balbar te doen, dat kan alleen maar onheil brengen. Ze overleggen kort met zijn drieën en besluiten dan om naar het fort te gaan.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc kijken goed om zich heen terwijl ze naar het fort lopen en er komen al snel vier man achter een huisje vandaan. Ze komen dreigend met hun wapens op Bartimeüs, Kritoias en Ruarc af. Kritoias, die het idee heeft dat het een paar van de jongelui van clan Mannagh zijn vuurt een shock bolt op één van hen af, waardoor die even een verdedigende houding aanneemt."Dat is het enige dat hij kan, pak ze!" roept de man, net als de anderen gekleed in een leren pantser en voorzien van een schild..De andere drie rennen vooruit, maar twee van hen worden door de betoverende stem van Ruarc tot kalmte gemaand. De laatste man weert een snelle aanval van Bartimeüs af. Bij de volgende serie aanvallen van Bartimeüs laat die bijna zijn wapen uit zijn handen glippen. Terwijl hij bezig is dat weer te pakken te krijgen maakt de man met een onverhoedse uitval een nare snee in de kuit van Bartimeüs die door de pijn bijna niet meer kan vechten.
De door een shock bolt geraakte man sprint nu vooruit om Kritoias aan zijn zwaard te rijgen, maar wordt vol op zijn hoofd geraakt door een waterpijl van Kritoias. Met een krakend geluid stort de man direct ter aarde om niet meer op te staan. Kritoias ziet dat Ruarc geen hulp kan bieden en loopt achter de mannen langs om de man die nu van de pijn van Bartimeüs gebruik wil maken om hem dood te steken te stoppen. Hij haalt het echter niet op tijd en gebruikt tweemaal een spreuk om de aanvallen van de woedende man af te laten ketsen. Dan kan Bartimeüs zelf weer aanvallen, waardoor de man niet oplet en Kritoias hem een aantal keren hard van achteren weet te raken. Uiteindelijk breekt hij de ribbenkast van de man en door de rondvliegende botdelen worden zijn organen vernietigd waarna Bartimeüs hem nog een klap na geeft. De twee mannen die hierbij rustig staan te kijken worden wel ongerust en kiezen het hazenpad. Ruarc ondersteunt Bartimeüs als ze verder lopen naar het fort.
"Wat is er gebeurd jongens?" vraagt de moeder van Kritoias.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen in grote lijnen wat er met Borac is gebeurd en de enige optie is dat opa met zijn oude vriend Borac gaat praten, als die dat nog kan. De moeder van Bartimeüs verbindt zijn been en smeert er nog een zalfje op.
Opa vertrekt om met Borac te gaan praten als Kritoias zich herinnert dat ze nog helemaal niet hebben verteld waar de rook aan de andere kant van de rivier vandaan kwam."We hebben trouwens aan de andere kant van de rivier een leger Olcar gevonden, dat zijn wezens met mensachtige lijven en geitenkoppen als hoofden. Ik denk niet dat ze deze kant op komen, ze gaan naar het zuiden.""Daar heb ik wel eens iemand over gehoord, over die Olcar." zegt de moeder van Kritoias, "die zei dat hij ze iets ten noorden van hier had gezien."Bartimeüs, Kritoias en Ruarc wachten gelaten af op de terugkomst van opa.
Na twee uur komt opa het fort weer binnengelopen. Aan zijn houding is te zien dat het geen gemakkelijk gesprek is geweest."Jongens, met mij mee." zegt hij tegen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc.Ze lopen naar een andere kamer, opa draait zich om en vraagt "Hebben jullie dit echt gedaan?"Kritoias en Ruarc kijken naar Bartimeüs, maar die houdt zijn mond."Stilte zegt alles." vervolgt opa. "Jullie kunnen hier niet blijven. Ik heb afgesproken dat jullie je aansluiten bij Finbar. De volgende keer dat we elkaar zien is het in de dood, of na de overwinning." Hij loopt naar de deur en slaat die dicht."Zouden we hier nog een paar dagen kunnen blijven zodat mijn kuit een beetje kan genezen?" vraagt Bartimeüs."Echt, wat denk je nou zelf." zegt Kritoias."Opa was heel duidelijk dat wij hier niet meer gewenst zijn." zegt Ruarc, "we kunnen maar beter direct vertrekken naar Clanberra."
De directe familie van Bartimeüs en Kritoias neemt nog de tijd om afscheid te nemen en hen allemaal van wat proviand voor de korte reis naar Clanberra te voorzien.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc verlaten het fort en lopen weemoedig door de straten van Klonfar, bang dat dit de laatste keer is dat ze hun familie en dit dorpje in al zijn glorie hebben gezien."Goed dat jullie weggaan, sinds jullie er zijn is het alleen maar ellende!" roept iemand hen na."Ja, oprotten!" voegt een ander toe.Als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zich omdraaien zien ze dat iemand anders de onruststokers tot kalmte maant."Het is normaal een dagreis naar Clanberra, maar nu we laat zijn vertrokken en Bartimeüs niet lekker door kan lopen moeten we ergens onderweg overnacht." zegt Ruarc, "Het nu gaat het nog regenen ook, dat wordt lekker op dat modderpad naar het noorden."De moeders van Bartimeüs en Kritoias kijken op het dak van het fort naar hun vertrekkende zonen. Voordat ze uit het zich verdwijnen draaien ze zich nog een keer om. De moeders zwaaien en hopen dat ze hun kinderen nog eens terugzien. Ze lopen de trap af naar de grote zaal van het fort."Zo, wil er nog iemand soep?" vraagt de moeder van Bartimeüs.
De weg naar Clanberra is volkomen verlaten. De hele dag zien Bartimeüs, Kritoias en Ruarc geen enkele andere reiziger. Er zijn nog wel boeren aan het werk in de velden en bij de gebouwen van de verschillende boerderijen in de buurt van Klonfar, maar een paar kilometer buiten het dorp zien ze niemand meer. Pas aan het einde van de middag zien ze weer tekenen van bewoning. Er staat een verlaten kar met een gebroken as aan de kant van de weg en hier en daar staan verlaten boerderijen."Waar zijn al die vluchtelingen toch gebleven?" vraagt Bartimeüs."Ja, het is vreemd rustig op de weg." zegt Ruarc."Het lijkt erop dat iedereen is gevlucht, of dat er niemand meer is om te vluchten." reageert Kritoias bemoedigend."Ik hoop dat we morgen in Clanberra Finbar en zijn leger aantreffen en geen grote groep lopende lijken." zegt Bartimeüs."Zullen we zo bij een leegstaande boerderij overnachten?" vraagt Kritoias, "dat is beter dan iets proberen te vinden in de natuur met dat been van jou."Rond zes uur verlaten Bartimeüs, Kritoias en Ruarc de weg en nemen hun intrek in een verlaten boerderij. Ze maken een vuur om wat voedsel op te warmen en sluiten alle luiken voordat ze gaan slapen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc houden om de beurt wacht en tegen de verwachting in blijft het heel rustig in dromenland. Het helpt dat Bartimeüs niet probeert in iemand zijn droom probeert te komen.
De volgende ochtend gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc weer vroeg op pad, het is niet zo ver meer naar Clanberra en ze willen zo snel mogelijk zien of alles daar in orde is. Als ze bij een bocht in het pad komen zien ze een groepje soldaten staan."Halt, wat komen jullie doen?" vraagt een van hen."Wij hebben een boodschap voor de prins van zijn gezanten in Olcadaïr" zegt Kritoias, terwijl Bartimeüs tegelijkertijd met de briefrol wappert."Ok, loop maar door naar het stadje." zegt de soldaat.
Even later zien ze Clanberra liggen onder de bewolkte hemel. Het is iets groter dan Klonfar, maar heeft dezelfde structuur met een houten palissade met twee poorten en een centraal houten fort voor de verdediging. Om het dorpje heen staan talloze tenten van het leger van Finbar."Ik vermoed dat er binnen in de stad ook nog de nodige soldaten gelegerd zijn. Ik schat in totaal zo'n duizend." zegt Kritoias."Niet echt genoeg om het leger van de lopende lijken te stoppen." zegt Bartimeüs."Daar ben ik ook bang voor." zegt Ruarc.Bij de poort aangekomen vragen ze waar Finbar is en na hun verhaal over de boodschap mogen ze doorlopen naar het fort. Binnen de muren blijkt dat de bewoners bijna allemaal gevlucht zijn en dat soldaten bezit hebben genomen van de meeste huizen. Het is duidelijk te zien dat de huizen verstevigd zijn om een aanval van de lopende lijken te weerstaan.
"Goedemorgen, het heeft nog wel even geduurd voordat jullie hierheen konden komen." horen ze een stem zeggen."Ha, Clara, Lourdon" zegt Kritoias "goed jullie hier weer te zien. We hadden wat problemen met een intrigant, maar die zijn nu voor het merendeel opgelost." zegt Kritoias."Mooi, dan kunnen we onze aandacht richten op het noorden. Het is hier trouwens opvallend rustig. Sinds twee dagen komen er geen vluchtelingen meer uit het noorden en hebben we ook geen vijanden meer gezien. Er zijn wat verkenners uitgestuurd en we zijn van plan zelf ook te gaan kijken wat er in het noorden gebeurd.""Dat is wel raar" zegt Ruarc, "wij gaan eerst naar Finbar om te rapporteren, dan kunnen we met jullie afspreken wat we gaan doen.""Wat is er met je been gebeurd?" vraagt Clara aan Bartimeüs."O, een ongelukje met de intrigant" zegt Bartimeüs, "misschien kan Lourdon daar nog iets aan doen?""Ik zal eens kijken" zegt Lourdon. Hij concentreert zich en plotseling voelt Bartimeüs de pijn wegtrekken. Lourdon's gezicht vertrekt even en hij loopt even lastig."Wees niet bang, dit trekt zo weer weg." zegt Lourdon."Dank je wel" zegt Bartimeüs, "laten we nu naar Finbar gaan, we zien jullie later."
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc melden zich bij de poort van het fort en worden na het tonen van de briefrol toegelaten tot de zaal waar Finbar zijn hoofdkwartier heeft gevestigd. Bartimeüs overhandigt de prins de briefrol, die werpt er een blik op en zegt dan: "Hier staat niet veel meer op dan dat jullie kunnen helpen bij de strijd tegen de lopende lijken en dat jullie informatie hebben, dus laat maar horen, wat kunnen jullie doen?"Bartimeüs, Kritoias en Ruarc stellen zich voor en vertellen vervolgens uitgebreid over hun belevenissen met de demonen, lopende lijken, aartsdruïden en de goden. Finbar heeft even tijd nodig om dit te verwerken. Hij vult aan met informatie die zij hier hebben verzameld. Balbar wordt gezien als generaal van de lopende lijken. Er zijn vliegende bollen die zij bronnen noemen die de lopende lijken sturen. Die zijn bijna dan bijna niet kapot te krijgen. De tovenaar van de prins is vermoord omdat hij magie tegen die bronnen kan gebruiken.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vragen ook of er iemand in de buurt is gesignaleerd die Leodor heet, maar helaas is Leodor hier een veel voorkomende naam. Dan bespreken ze met Finbar en zijn rechterhand Orvin de situatie aan de hand van een kaart van de omgeving. Kritoias wijst de plaats aan waar ze het leger van de Olcar hebben gezien en ze komen gezamenlijk tot de conclusie dat Clanberra direct op het pad ligt van het leger van de lopende lijken als het naar het de hoofdstad wil reizen en daarbij zoveel mogelijk verse troepen op wil halen. Finbar wil zijn mensen wel naar de overkant van de rivier brengen, maar heeft ook behoefte aan informatie over het leger in het noorden. Het lijkt erop dat er in Berrastad een controlepunt van het leger is, als ze daar informatie over kunnen verzamelen helpt dat enorm, hoewel het een gevaarlijke missie is. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zijn wel bereid om op verkenning te gaan naar Berrastad als ze daar paarden voor mee krijgen, zodat ze eventueel snel kunnen vluchten. Ze zullen ook aan Clara vragen of zij mee wil gaan. Kritoias biedt aan om vijf wapens voor Finbar twintig dagen magisch te maken zodat sommige mensen de bronnen beter kunnen bestrijden. Finbar laat snel een vijftal goede soldaten halen en Kritoias betovert hun wapens.
Buiten aangekomen zoeken Bartimeüs, Kritoias en Ruarc Clara op en vragen of ze mee wil naar het noorden om Berrastad te verkennen. Clara wil dat risico wel nemen, omdat ze nu geen informatie kunnen verzamelen. Kritoias biedt aan voor elk van hen een wapen een dag of tien magisch te maken om de demonen beter te bestrijden. Dat vindt Clara een prima idee en Kritoias zal ze in de loop van de avond betoveren als hij weer energie heeft opgedaan. Ze spreken af de volgende ochtend om acht uur te vertrekken. Ruarc gaat nog even naar het fort om ook voor Clara, Lourdon, Charlotte en Midon paarden te regelen.
Die nacht houden Bartimeüs, Kritoias en Ruarc geen wacht. Bartimeüs probeert in de droom van Finbar te komen, maar droomt alleen over lieve paarden die klagen dat ze zo hard worden bereden.
De volgende ochtend blijkt dat ze beter wel wacht hadden kunnen houden, want iemand heeft door hun spullen gerommeld."Is de staart er nog?" vraagt Kritoias enigszins ongerust aan Bartimeüs."Nee, die is weg" zegt Bartimeüs nadat hij in zijn rugzak heeft gekeken, "De kaart van de Olcar die we gisteren hebben laten zien aan Finbar is trouwens ook weg. Geld is er allemaal nog.""Argh, lekker handig dit weer, kan je zien wie dit gedaan heeft?""Ja, ogenblikje" zegt Bartimeüs die zich even concentreert op zijn gave om de geschiedenis van een plaats te bekijken."Bah, het is donker, ik zie alleen maar een schimmige figuur." zegt hij even later."Misschien als je eerst je nachtzichtspreuk doet? Zou dat werken?" vraagt Kritoias."Ik zal het eens proberen." zegt Bartimeüs.Hij gebruikt zijn gaven en zegt dan. "Het was een soldaat hier uit de buurt. Nu even kijken of we zijn sporen kunnen vinden."Bartimeüs opent de voordeur, die zo te zien van buitenaf van de grendel is gewipt en ziet in de modder twee duidelijke voetsporen staan. Hij concentreert zich weer even en zegt dan. "Nu moet ik hem makkelijk kunnen volgen."Bartimeüs loopt drie passen de deur uit en kijkt dan vertwijfeld om zich heen."Wat is er?" vraagt Ruarc."Ik weet niet wat hier gebeurd is, maar ik kan het spoor hier niet meer volgen, heel raar. Ik weet wel hoe hij er uit ziet. De poort zal nog wel dicht zijn, als jullie daarheen gaan en net doen of jullie iemand opwachten, dan ga ik in het stadje zelf overal kijken."Kritoias en Ruarc spoeden zich naar de twee poorten en Bartimeüs gaat overal zoeken.
Bijna tegen de verwachting in ziet Bartimeüs de soldaat plotseling zitten bij een kampvuurtje."He, jij" zegt hij tegen de soldaat, "waar heb je de spullen gelaten die je van ons hebt gestolen?""Hè, wat?" zegt de soldaat, "Ik weet nergens van.""Je was vannacht in het huis waar wij verblijven, ik heb je gezien ontken het maar niet.""Ik ben net wakker geworden" zegt de soldaat."Hij kan het niet gedaan hebben, want hij heeft de hele nacht hier voor pampus gelegen nadat een of andere gast hem dronken heeft gevoerd.""Hoe zag die er uit?" vraagt Bartimeüs."Beetje vlassig baardje, verder niet heel bijzonder. Hij was hier net nog, hij ging naar de herberg.""Jij gaat met me mee naar de herberg" zegt Bartimeüs tegen de soldaat, "we gaan die gast zoeken.""Ja, maar ik moet zo wachtlopen." stribbelt de soldaat nog even tegen."Niet zeuren, gewoon meekomen." zegt Bartimeüs.
Bartimeüs loopt met de soldaat de herberg binnen waar de herbergier druk aan het schoonmaken is."Goedemorgen heren, komt u voor het ontbijt?" vraagt de herbergier."Nee, we komen voor iemand die hier net binnen is gekomen."zegt Bartimeüs."He, dat is gek, jij bent hier vannacht al een keer binnengekomen." zegt de herbergier tegen de soldaat."Nee hoor, ik heb de hele nacht buiten gelegen." zegt de soldaat."Dan moet het je tweelingbroer zijn." zegt de herbergier."Dat maakt niet uit, breng me naar de kamer van de man die net binnenkwam." zegt Bartimeüs."Hoezo?" vraagt de herbergier."Hij heeft iets van mij gestolen, is het boven?" zegt Bartimeüs, terwijl hij de herbergier een bronsstuk geeft."Ja, ik, eh, ik ga wel even voor." zegt de herbergier en neemt Bartimeüs en de soldaat mee de trap op naar een van de kamers.
De herbergier klopt op de deur als Bartimeüs zijn bijl wil pakken om de dief aan te vallen als hij de deur open doet."Nee, niet doen, niet slaan hoor!" zegt de herbergier.Bartimeüs ziet dat de deurklink omlaag is gegaan, maar dat de deur niet open gaat. Hij beukt hard met zijn schouder tegen de deur en de man in de kamer struikelt achteruit als de deur hem raakt. Bartimeüs aarzelt geen moment maar begint op de man in te slaan en te trappen. Hij heeft geen vlassig baardje, maar Bartimeüs is er van overtuigt dat hij het is."Nee, niet slaan!" zegt de herbergier.Bartimeüs werkt de man tegen de grond die verrassend snel is. Terwijl de man om hulp schreeuwt blijft Bartimeüs op hem inslaan en intrappen. Na twee minuten ligt de man bewusteloos op de vloer.
Bartimeüs knevelt de man met het beddengoed van het bed."Ga mijn vrienden halen die bij de poorten staan." zegt Bartimeüs tegen de soldaat en de herbergier. De soldaat vertrekt, maar de herbergier heeft bezwaren."Ik ga de soldaten halen." zegt hij, "zomaar mijn gasten aftuigen, dat gaat zo maar niet.""Hier is een zilver voor de overlast." zegt Bartimeüs."Ach, die soldaten kan ik straks ook nog wel halen." zegt de herbergier.Bartimeüs doorzoekt de kamer van de man en vindt al snel de staart en de kaart. Ook vindt hij allerlei verkleedkleren, waaronder spullen die Leodor droeg.
De soldaat komt eerst bij de poort waar Kritoias staat te wachten en zegt dat een of andere gek die iemand heeft neergeslagen in de herberg gezegd heeft dat hij hem moet halen."Die ken ik, dat klinkt als Bartimeüs." zegt Kritoias, "dank je wel, hier is een bronsstuk.""Dank je wel, zo, daar ga ik eerst een bier van drinken."Kritoias loopt snel naar de andere poort om Ruarc op te halen en dan gaan ze naar de herberg. Onderweg komen ze Clara en haar reisgenoten tegen. Kritoias verontschuldigt zich voor de vertraging en zegt dat ze er met een half uurtje aankomen."Het zou me niets verbazen als het Leodor is" zegt Kritoias, "ik vraag me alleen af hoe hij wist van die kaart en de staart."Als ze de kamer binnenlopen werpt Kritoias een blik op de bewusteloze man."Nee, ik had het verkeerd, hij is het niet." zegt Kritoias teleurgesteld."Hij is het wel!" zegt Bartimeüs, terwijl hij de kleding omhoog houdt die hij als Leodor aan had, "Kijk maar.""Wat doen we nu met hem?" vraagt Kritoias, "brengen we hem naar Finbar? We kunnen hem niet zomaar doodsteken hier in de herberg.""Ik heb nog wel een manier om wat informatie uit hem te krijgen." zegt Ruarc, die op Leodor afloopt en zijn hand op hem legt.
Ruarc concentreert zich bijna twee minuten lang en hij begint steeds een beetje erger te hoesten."Hij is lastig te bereiken. Ik heb alleen gevonden dat hij naar Klonfar was gegaan om invloed uit te oefenen.""Heb je ook uitgevonden waarom hij die spullen van ons heeft gestolen en hoe hij er vanaf wist?""Nee, ik kan het nog een keer proberen, maar het voelde niet echt lekker en ik moest er best van hoesten."Ruarc legt opnieuw zijn hand op de man en begint al snel onbedaarlijk te hoesten."Dat klinkt wel anders dan dat hoestje van die mensen uit Olcadaïr" zegt Kritoias, "wat is er aan de hand? Gaat het wel?""Ja, ik heb dit verleden nacht ook een beetje gehad. Ik droomde van een grote vliegen de slang met vleugels die naar mij toe kwam en toen kwam er een soort kooltje uit mijn mond.""Wacht, jij bent de normale van ons drieën, nu moet jij ook niet vreemde dingen gaan meemaken." zegt Kritoias grappend."Ik heb nog wel ontdekt dat hij gisteren in het hoofdkwartier van Finbar was toen wij de kaart lieten zien. Die kaart trok zijn aandacht en hij voelt dat hij daar een link mee heeft. De staart heeft hij meegenomen omdat dat zijn aandacht trok."Nou, laten we hem maar naar Finbar brengen, dan kan die op hem passen." zegt Bartimeüs die Leodor op zijn schouder hijst.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc leveren Leodor af bij Finbar en geven instructies hoe hij hem het beste kan opsluiten omdat het een gevaarlijke man is die mensen kan beïnvloeden en van vorm kan veranderen. Finbar vindt het een beetje vreemd verhaal, maar is wel geschrokken dat een ongewenste gast in zijn hoofdkwartier kan komen en laat Leodor opsluiten in de Donjon."Nu naar Clara, dan kunnen we op weg naar Berrastad." zegt Kritoias.
Clara en haar reisgenoten Midon, Charlotte en Lourdon wachten met de paarden bij de noordelijke poort."Wat was nu het probleem?" vraagt Clara als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc meer dan een half uur te laat aan komen lopen."Iemand heeft vannacht iets van ons gesloten en dat moesten we even terughalen." zegt Kritoias, "het bleek ook nog eens de intrigant te zijn die de clans in Klonfar tegen elkaar had opgezet, dus dat was mooi.""Wat hebben jullie met hem gedaan?'"We hebben hem net overgedragen aan de prins. Hij gaat hem laten ondervragen als die Leodor weer bijkomt na de afranseling die Bartimeüs hem heeft gegeven.""Ok, als alles nu goed is dan moeten we maar op weg gaan, het is ongeveer twee dagreizen naar Berrastad.""Halverwege was een goede herberg, maar ik ben bang dat we daar niet meer terecht kunnen." antwoord Kritoias, terwijl hij opstijgt.
De hele groep rijdt door de poort de onverharde weg naar het noorden op. Het is bewolkt, maar gelukkig wel droog. Bartimeüs rijdt samen met Charlotte voorop. Bartimeüs kijkt in de verte naar beweging, terwijl Charlotte de komende vijftig meter in de gaten houdt. Ruarc zoekt naar mogelijke vijanden aan de rechterflank en Kritoias doet hetzelfde aan de linkerflank. In het midden rijden Clara en Lourdon en Midon vormt het sluitstuk. Hij kijkt regelmatig achterom of er van die kant geen problemen aankomen.
De ochtend verloopt bijzonder rustig. Ze komen geen enkele reiziger op de weg tegen. Je kan wel zien dat er onlangs vluchtelingen zijn langsgekomen want regelmatig zien ze een achtergelaten kledingstuk, huisraad die toch te zwaar was om mee te nemen en af en toe een kapotte kar.Na een eenvoudige lunch gaan ze verder naar het noorden met het idee om voor de herberg een slaapplaats te zoeken.
Tegen het einde van de middag geeft Bartimeüs opeens het teken om te stoppen."Daar" zegt hij en wijst naar een paar heuvels rechts van de weg, "daar zweeft iets.""Is het zo'n controledemon zoals in Nymarc?" vraagt Kritoias."Dat denk ik niet, maar het was te ver weg, ik ga wel voorzichtig te kijken, Charlotte ga je mee?""H'm? O ja, dat is prima." zegt Charlotte, die net als Bartimeüs afstijgt.Samen sluipen ze door de struiken tot ze vanaf een meter of vijftig goed zicht hebben op de zwevende verschijning. Het is niet wat ze verwacht hadden. Bartimeüs en Charlotte zien een doorschijnende vrouwengestalte die over de grond zweeft. Het lijkt of ze ergens naar op zoek is. Bartimeüs en Charlotte gaan op de grond liggen en wachten af waar de vrouwengestalte heen gaat.
Na ongeveer tien minuten zweeft de vrouw over een heuvel tegenover de schuilplaats van Bartimeüs en Charlotte. Ze wachten een paar minuten en volgen de vrouw dan over de heuvel. Aan de andere kant zien ze de verbrande resten van een boerderij. Van de muren staan nog wat lemen resten overeind, maar het verbrande dak is ingestort. De vrouwengestalte zweeft om de boerderij heen. Dan valt hen op dat er midden in de boerderij een doorschijnende mannengestalte staat. Vanaf deze afstand van zo'n honderd meter lijkt het een boer te zijn."Blijf hier, ik ga de anderen halen." zegt Bartimeüs en hij sluipt snel terug naar de weg.
"Hoe lang blijven ze wel niet weg?" vraagt Clara, "Ik zie ze al een hele tijd niet meer.""O, dat kan makkelijk één tot twee uur duren." zegt Kritoias.Hij heeft dat nog niet gezegd of Bartimeüs komt over de heuvel aangelopen. Hij legt de situatie uit en ze beraden zich even. Als dit wezens zijn die het leger van de lopende lijken helpen, dan is het goed om ze verder te onderzoeken. Ruarc citeert een aantal verhalen waarin geesten een rol spelen, daar zijn het steeds ongelukkige wezens die hier na hun dood moeten blijven om een taak te verrichten. Vanuit dat oogpunt zou het ook goed zijn om ze te helpen. Ze rijden naar de onderkant van de heuvel waar Charlotte verdekt zit opgesteld. Ze stijgen af en Lourdon blijft bij de paarden achter.
Bij de afgebrande boerderij is nog niet veel veranderd. De doorzichtige vrouw zweeft er om heen en lijkt de doorzichtige boer niet te willen benaderen. Als de boer hun kant op kijkt ziet hij hen en zwaait. Kritoias zwaait terug en zegt: "Het lijkt erop dat we met ze kunnen communiceren.""Kom toch hierheen?" roept de doorzichtige boer vanaf ongeveer honderd meter.De groep loopt langzaam met wapens binnen handbereik naar de boerderij, maar dan verschijnt de doorzichtige vrouw die afwerende gebaren maakt. Ze wil niet dat de groep naar de boerderij loopt. Als ze stoppen komt de doorzichtige boer hun kant oplopen en knoopt van een behoorlijke afstand een gesprek aan. Hij lijkt niet echt te beseffen dat hij dood is, hoewel hij niet hoeft te eten en drinken. Bartimeüs houdt de man aan de praat en Kritoias loopt nonchalant met een ruime boog om de man heen naar de afgebrande boerderij. Nu de man uit de boerderij is gegaan is de vrouw de ruïne van de boerderij binnengegaan. Ze lijkt te zoeken en vooral op een plaats waar twee balken bij elkaar komen. Kritoias heeft de indruk dat hij daar een luik ziet. Misschien liggen daar de lijken van de boer en boerin.
Kritoias loopt terug naar de anderen. Bartimeüs is nog steeds met de boer in gesprek en krijgt een uitnodiging om de boerderij te bezoeken. Als ze de boer en boerin kunnen begraven kunnen ze misschien rust vinden, dus een kijkje dichterbij nemen is prima. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen met de doorzichtige boer mee naar de ruïne, Charlotte heeft zich intussen al op een afstandje verstopt en Clara en Midon wachten van een meter of tien af wat er gaat gebeuren.De vrouw heeft de boerderij al weer verlaten als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en de doorzichtige boer bij de verbrande steunbalken komen die midden in de boerderij op de grond liggen. Kritoias ziet al snel dat hij die balken niet kan verplaatsen en verzamelt alvast energie om de doorzichtige boer snel aan te vallen als hij het niet leuk vindt als de sterke Ruarc de balken opzij gaat trekken. Voordat Ruarc de balken aan kan raken schiet de doorzichtige boer vooruit. Kritoias schiet een vuurpijl op hem af, maar daar kan de geestverschijning goed tegen. De aanval van de geest doet niet veel schade en vervolgens treft de bijl van Bartimeüs de geestverschijning aan de onderkant van zijn nek. De doorzichtige boer kijkt even verbaast en lost dan in lucht op.
Ruarc bukt weer en trekt samen met Bartimeüs de resten van de steunbalken opzij en er ligt inderdaad een luik onder. Als Kritoias in de buurt komt hoort hij een soort krassen van onder het luik vandaan komen."Volgens mij zijn de lichamen van de boer en boerin verworden tot lopende lijken." bromt hij, "Dat is trouwens wel een goede kans voor Clara om ze te zien."Ze besluiten om het luik open te maken om Clara een goed beeld te geven van de lopende lijken. Kritoias staat achter het luik om het van achteren open te maken. Bartimeüs en Ruarc staan met schild en wapen gereed op een paar meter van het luik en weer een paar meter achter hen staat Clara met Midon als lijfwacht. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc hebben allemaal wat beschermende spreuken gebruikt. Wat kan er mis gaan?
Kritoias heeft twee stevige rukken nodig om het houten luik, dat vastgeklemd zit, los te trekken. Het luik is nog niet los van het frame of twee kleine lopende lijken komen het gat in de grond uitgekropen. Het zijn kinderen met een doek over de mond gebonden. Ze aarzelen niet en vallen direct Bartimeüs en Ruarc aan. Bartimeüs slaat er snel één stuk, maar Ruarc heeft meer moeite. Het blijft ook niet bij twee lopende lijken, want er komen eerst nog drie kinderlijken en daarna nog drie lijken van vrouwen naar boven, waarvan er één met de handen op de rug is vastgebonden.
Kritoias deinst terug als één van de lopende lijken zijn kant op komt. Hij zet snel een aarden muur in een opening in de resten van de lemen muur en loopt om, terwijl het lopende lijk in de muur gaat graven. Bartimeüs vecht met een kinderlijk en een vrouwenlijk, terwijl Ruarc in het nauw komt als hij door drie lopende lijken tegelijk wordt aangevallen na er eerst één te hebben vernietigd. Door die druk kan hij een tijd niets anders doen dan de verschillende slagen afweren.Kritoias valt het lopende lijkt dat in de aarden muur graaft van achter aan, maar de slagen met zijn vechtstok vestigen alleen maar de aandacht van het lopende lijk op hem.
Intussen is de doorzichtige vrouw naar het gat in de grond gezweefd en gebaart driftig dat ze moeten stoppen met vechten. Dat doen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc uiteraard niet, maar de geestverschijning heeft een nare invloed op iedereen die te dicht bij haar in de buurt komt. Bartimeüs en Ruarc voelen zich allebei verzwakken. Kritoias probeert naar achteren te lopen om uit de invloedsfeer van de geest te komen, maar hij let daarbij onvoldoende op het lopende lijk dat hem hard op zijn ellenboog slaat. Van pijn en schrik laat Kritoias zijn vechtstok vallen en kan niet veel anders doen dan over zijn getroffen arm wrijven. Bartimeüs die net weer een lopend lijk heeft gesloopt sprint naar zijn neef en maakt korte metten met het lopende lijk dat Kritoias in stukjes wilde hakken. Het lopende lijk met de vastgebonden handen en dat daarom alleen maar haar hoofd als wapen kan gebruiken kan Bartimeüs niet volgen omdat Charlotte aan is komen rennen en haar aanvalt.
Clara ziet dat Kritoias het moeilijk heeft en stuurt Midon om Ruarc te helpen. Die slaat al snel één van de aanvallers van Ruarc kapot, maar krijgt ook last van de verzwakkende kracht die van de geest uitgaat. Bartimeüs rent naar Ruarc om hem te helpen terwijl Kritoias zich terugtrekt naar Clara. Ruarc heeft zichzelf hervonden en Bartimeüs en Ruarc staan nu een-op-een met de lopende lijken. Charlotte steekt haar lopend lijk kapot en Midon probeert de geest te raken. Als Bartimeüs en Ruarc de laatste lopende lijken vernietigen lost ook de geest van de doorzichtige vrouw op.
"Pff, ik voel me niet lekker." zegt Midon."Ik ook niet" zegt Ruarc, "ik ga even zitten." Hij gaat op kleine afstand van de boerderij op de grond zitten om iets te doen aan de blauwe plekken die hij heeft gekregen."Wat is dit voor iets raars?" vraagt Bartimeüs, "ik zag tussen die lopende lijken geen boer of die boerin. Het lijkt erop dat die meisjes en die jonge vrouwen hieronder in de kelder gevangen werden gehouden."Bartimeüs kijkt de kelder in waar een aantal strozakken liggen en waar touwen zijn om iemand aan de muur vast te binden."Is dit eigenlijk wel een boerderij?" vraagt Kritoias zich af, "ik zie eigenlijk geen echte velden en er is maar een klein onopvallend pad naar de weg. Bovendien is dit huis vanaf de weg ook helemaal niet zichtbaar, niet echt iets voor een gewone boer."
Na een half uur gerust te hebben stijgen ze allemaal weer op en rijden naar de weg. Ook de rest van de middag komen ze niemand tegen. Een uur voor het donker wordt gebruikt Bartimeüs zijn gaven om een schuilplaats te vinden. Hij leidt de rest naar een verlaten boswachtershut in het bos. Het is een kleine, maar droge schuilhut. Ze verzorgen de paarden die buiten moeten blijven, eten wat en gaan rond tien uur slapen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc houden wacht samen met Midon en Charlotte. Bartimeüs probeert in zijn droom nog in Berrastad te komen, maar dat is moeilijker dan hij had gedacht.
De volgende ochtend vroeg gaan ze weer op pad. Na ongeveer een uur passeren ze de uitgebrande resten van de herberg die midden tussen Clanberra en Berrastad ligt. Het blijft nog steeds rustig op de weg, zowel voor als na de lunch, tot Bartimeüs een stopteken geeft."Ik zie daar in de verte een gebouw, het lijkt wel een fort of zo.""Dat zou een tolgebouw kunnen zijn." zegt Kritoias, "kan jij gaan kijken of we er langs kunnen.""Ja, prima." zegt Bartimeüs. Hij stijgt af en gaat te voet zachtjes verder naar de toren die op een paar honderd meter afstand staat.
Als hij in de buurt komt ziet Bartimeüs dat het een toren is van een meter of tien hoog. Het onderste gedeelte bestaat uit een stenen laag waarin een stevige houten deur zichtbaar is. De eerste verdieping is van hout gemaakt en helemaal bovenaan is een houten platform met een balustrade er om heen. Als Bartimeüs dichterbij wil komen om de honden beter te bestuderen verstapt hij zich en maakt een klein beetje geluid. De vuurhonden kijken op, sniffen in de lucht en beginnen dan te blaffen. Bartimeüs maakt dat hij wegkomt en duikt een eind verder achter een struik. Hij ziet dat de deur open gaat en er een soort demonisch wezen de deur open doet."Bingo" denkt hij.Het wezen kijkt de weg op en neer, maar gaat weer naar binnen als de vuurhonden stoppen met blaffen. Dat is voor Bartimeüs het teken om snel terug te gaan naar de anderen.
"Ik denk dat we ze uit moeten schakelen." zegt Bartimeüs, "Ik zie niet echt een andere oplossing.""We kunnen er wel omheen, maar dat gaat veel te lang duren, deze toren is wel zo neergezet dat hij een groot deel van de omgeving in de gaten kan houden." zegt Kritoias."Het was mooi geweest als we ze op de terugweg hadden kunnen pakken, maar ik ben het met Kritoias eens dat een omweg te veel tijd kost." zegt Clara."Dan moeten we aan de slag." zegt Kritoias, "Gaat er van jullie nog iemand mee?""Ik blijf graag hier." zegt Lourdon."Ik vind het ook te gevaarlijk en Midon is mijn beschermer." zegt Clara."Ik ga wel mee." zegt Charlotte."Mooi" zegt Kritoias, "Volgens mij moeten we het volgende doen: Als jullie in de buurt blijven kan ik de hele groep onzichtbaar maken. We gaan hier door de velden en naderen de toren van de achterkant, dan hebben de vuurhonden ons niet in de gaten. Bij de toren aangekomen kunnen wij wat beschermende toverspreuken doen en dan maak ik een gat in de muur, dat bijna twee minuten open blijft. De toren is te hoog om er met magie op te springen. Eenmaal binnen kijken we hoeveel er zijn en waar ze zitten. Bartimeüs en Ruarc vallen ze met hun wapens aan en ik zal ze met magie proberen uit te schakelen.""Dat klinkt als een plan." zegt Ruarc.
De tocht door de velden verloopt snel en onzichtbaar. Op het platform van de toren is nog geen wezen te zien en Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Charlotte komen bij de stenen voet van de toren aan. Bartimeüs voorziet zichzelf van weerstand, Kritoias tovert een onzichtbaar schild en Ruarc zorgt ervoor dat iemand die hem ziet niet precies weet waar hij staat. Als de voorbereidingen zijn voltooid gebruikt Kritoias een spreuk om een gat in de muur te maken.In het licht van de opening in de muur zien ze dat er geen wezens op de onderste verdieping aanwezig zijn. Ze komen vanonder de trap naar de eerste verdieping vandaan en constateren dat het aanwezige meubilair totaal is vernield. Bartimeüs gaat voorop, gevolgd door Kritoias die zijn hand op Bartimeüs's rug houdt. Ruarc en Charlotte volgen en stellen zich aan de binnenkant van de muur op. Ze horen stemmen in een vreemde taal op de hoger gelegen verdieping. Bartimeüs probeert stil naar boven te sluipen, gevolgd door Kritoias, maar stil zijn op een krakende houten trap is iets anders als stil zijn in het bos. Een van de treden maakt een krakend geluid, waarop de twee stemmen boven direct stoppen. Er verschijnt het hoofd van één van de wezens, dat kijkt zeker een aantal minuten de trap af, dwars door Bartimeüs en Kritoias heen. Dan zegt hij wat tegen de ander en aan het geluid te horen klimt hij de ladder op die vanaf de eerste verdieping naar het platform leidt.
Bartimeüs en Kritoias sluipen nu de trap op, gevolgd door Ruarc en Charlotte. Ze staan dicht genoeg bij elkaar zodat iedereen nog onzichtbaar is. Bartimeüs doorkruist in drie grote stappen de afstand van de hoek waar de trap omhoog komt naar de tegenoverliggende hoek waar een van de wezens met zijn rug in de hoek verveeld met zijn vlijmscherpte klauw in de muur aan het kerven is. Hij slaat het wezen dat even niet weet wat het overkomt, maar dan vol in de verdediging gaat en iets roept naar zijn kompaan boven. Kritoias neem positie in de hoek vlak bij de ladder omhoog, zodat de weg vrij is voor Ruarc die ook naar het wezen in de hoek rent om het te gaan slaan. Charlotte wacht boven aan de trap.
Het wezen in de hoek blijkt bijzonder snel slaagt er in de slagen van Bartimeüs en Ruarc voor het merendeel af te weren. Verder is de leerachtige huid heel goed bestand tegen de klappen die Bartimeüs en Ruarc geven en het blijkt erg moeilijk het wezen serieuze schade toe te brengen. Nu het initiële voordeel weg is moeten zij ook verdedigender gaan vechten, omdat ze niet weten wie het wezen aan gaat vallen. Het andere wezen kijkt vanaf boven aan de ladder naar beneden en ziet zijn collega in de hoek gedrukt worden door twee mensen. Hij springt vier meter naar beneden vanaf de bovenkant van de ladder en wil Bartimeüs of Ruarc in de rug aanvallen als hij geraakt worden door een bliksemflits van Kritoias. Hij is lang genoeg versuft door de elektriciteit en het lawaai voor Kritoias om nog een blikstemflits op hem af te vuren. Die heeft meer resultaat, want hij raakt het wezen in zijn rechterarm en breekt die. Het wezen schreeuwt in pijn en die wordt nog verergerd door een klap van Kritoias met zijn vechtstok die de linkerschouder van het wezen breekt. Overweldigd door de pijn zakt het wezen op de grond.
Bartimeüs en Ruarc verdedigen zich goed tegen het wezen dat met twee klauwen aanvalt, maar ze slagen er niet in om hem te verwonden."Houd jij hem bezig?" vraagt Ruarc, "dan ga ik hem vastzetten."Bartimeüs plaatst zich tussen Ruarc en het wezen in en gaat vol op de verdediging, totdat hij ziet dat Ruarc met zijn vers het wezen doet vertragen. Toch durft Bartimeüs niet vol op de aanval te gaan, maar hij vindt nu regelmatig een opening en weet het wezen binnen een minuut op de knieën te krijgen. Met zijn bijl vernietigt hij ze tenslotte definitief.
In de toren is verder niets bijzonders te vinden, er zijn alleen nog twee vuurhonden die met kettingen vastzitten bij de deur. Bartimeüs pakt zijn boog en schiet ze vanaf het platform dood."Ik vraag me af of dit nu de controledemonen waren." zegt Bartimeüs."In ieder geval controleerden ze de vuurhonden." grapt Ruarc.
"Kijk, in de verte kan je Berrastad al zien liggen." zegt Bartimeüs, "Ik zie zelfs een aantal rookpluimen boven de stad, maar het lijken geen rookwolken van grote branden te zijn. Wie zou er in de stad zitten?""Dat zullen dan wel geen demonen of ondoden zijn." zegt Ruarc."Olcar of Vanyana?" zegt Kritoias, "maar dat lijkt ook niet echt heel logisch.""Ik ga beneden even mijn pijlen ophalen." zegt Bartimeüs."Ok, dan zoeken wij wel verder in de toren, maar gezien onze eerdere ervaringen verwacht ik er weinig van." zegt Kritoias.
Als Bartimeüs weer naar boven komt lopen is hij helemaal blij, want al de pijlen die hij in de demonenhonden had geschoten zijn nog heel."Kijk Bartimeüs" zegt Ruarc, "we hebben iets van eten gevonden. Het is wel wat bewerkt en het is niet bedorven, dus dat moet wel betekenen dat de demonen ook gewoon eten.""Dat duidt er waarschijnlijk op dat de rookpluimen die je hebt gezien van kookvuren waren van de demonen.""Zullen we dan maar op weg gaan? Het is nog wel een aardig eind lopen." zegt Bartimeüs.Clara vindt dat ook een prima idee, ze bergt haar aantekeningenboek op en iedereen stijgt weer op om de weg naar het noorden af te rijden.
Na ongeveer een half uur zien ze een eindje van de hoofdweg een klein dorpje staan dat een goede schuilplaats biedt voor de nacht. Bartimeüs en Charlotte stijgen af en gaan het dorpje verkennen. Ze laten een hert opschrikken, dat snel wegspringt door het bos. Bartimeüs en Charlotte blijven even stilstaan, maar er volgt geen reactie vanuit het dorpje. Bij de rand van het dorpje aangekomen zien ze dat er een stuk of zeven huizen rondom een waterput staan. De huizen zijn verlaten, maar niet geplunderd. De waardevolle spullen zijn meegenomen. Het dorpje is niet helemaal verlaten want er lopen hier en daar een aantal kippen rond.
Bartimeüs gaat een aantal kippen vangen en Charlotte loopt terug om de anderen te halen. Ze nemen hun intrek in het dorpshuis waar de paarden aan de zijkant onder een afdakje kunnen staan. Kritoias brengt water aan de kook en verhit de kippen zodat ze geen vuur hoeven te maken. Na een goede maaltijd betovert Kritoias Bartimeüs' handbijl met een krachtigere variant zodat Bartimeüs hem nog beter kan gebruiken. Daarna grappen en grollen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc waarbij Bartimeüs in team 3B wordt ingedeeld, Balbar, Beolin en Bartimeüs, Kritoias met Theolin in team KUT en Ruarc met de keizer in team RUK.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc houden ombeurten wacht, samen met Charlotte en Midon. 's Nachts blijft het rustig, maar tegen de morgen horen Ruarc en Midon het geschal van een hoorn en een kreet. De geluiden komen uit de richting van de stad. Snel maakt Ruarc de anderen wakker."Het is geen Olcarhoorn of iets van het leger van Vandalus." zegt hij tegen de anderen."Ik ga wel even kijken, Charlotte ga je mee?" zegt Bartimeüs.Charlotte kijkt op als haar naam wordt genoemd en knikt dan.
Bartimeüs en Charlotte proberen eerst door de velden richting het geluid te gaan, maar merken al snel dat de struiken en bosjes in deze buurt daar niet aan meewerken. Ze lopen terug naar de hoofdweg en sluipen dan verder naar het noorden. Na ongeveer een kwartier horen ze opnieuw hoorngeschal, maar nu een stuk dichterbij. Ze verstoppen zich snel in de bosjes en houden vanuit hun schuilplaats de weg goed in de gaten.Niet veel later komen er vier wezens de hoofdweg aflopen. Ze lijken een beetje op de demonen uit de toren, want ze hebben ook zo'n leerachtige huid en zijn ongeveer een groot. Maar deze demonen hebben speren in hun handen. Bartimeüs is bang dat ze hem zien en zorgt ervoor dat hij er uitziet als een van de struiken die hier groeien. De demonen hebben hem of Charlotte niet in de gaten en lopen door, terwijl ze met elkaar praten. Tot zijn verrassing kan Bartimeüs hun woorden, met enige moeite, wel verstaan.
"Hoe ver is het nou nog?" zegt één van hen."Sst, volgens mij hoorde ik wat." zegt de ander nadat Charlotte een takje brak toen ze ging verzitten.De demonen blijft een paar minuten staan luisteren en kijken om zich heen, maar dan halen ze hun schouders op en lopen dan weer verder. Bartimeüs en Charlotte lopen op grote afstand achter hen aan en zien dat de vier demonen bij de zijweg naar het dorp blijven staan. Ze kijken een tijd richting het dorp en lopen dan toch weer door over de hoofdweg.
"We zagen vier demonen van een nieuw type. Lijken wel wat op die gasten uit de toren, maar deze hadden wapens. Ze praten ook in onze taal, niet zoals die anderen. Ze kwamen uit het noorden en gaan nu op weg naar het fort." zegt Bartimeüs bij terugkomst in het dorpshuis."Dan moeten we snel naar het noorden gaan." zegt Ruarc, "als we te lang wachten weten ze wat er is gebeurt en gaan ze versterking halen.""Dat lijkt me een goed plan." zegt Clara, "snel de paarden zadelen en dan weer op weg."
Ze volgen bijna een uur lang de hoofdweg naar het noorden. De zijwegen worden talrijker en ze zien steeds vaker dorpjes in de omgeving liggen. Dan zien ze in de verte duidelijk de stenen muren van Berrastad liggen. De stad ligt op een heuvel en de weg is vanaf hier duidelijk zichtbaar tot aan de krottenwijk die aan deze kant tegen de stadsmuur is opgetrokken. Ze besluiten om links de weg af te gaan en in een dorpje in de buurt hun kamp op te slaan. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zullen dan voorzichtig naar de stad sluipen om informatie te verzamelen. Als ze de volgende dag niet voor het middaguur terug zijn moet Clara er vanuit gaan dat ze dood zijn en terugkeren naar de prins om verslag uit te brengen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc benaderen voorzichtig de stad. Ze bekijken de ongeveer zes meter hoge muren en nog hogere wachttorens eerst van grote afstand en zien geen patrouilles over de muur lopen. Aan deze kant lijkt alleen het poortgebouw bevolkt te zijn. Ze sluipen richting het poortgebouw en nemen een uur de tijd om te kijken wat daar gebeurt.Bij het poortgebouw houden zich een stuk of twintig van demonen op van het type dat Bartimeüs die ochtend ook heeft gezien. Ze letten niet erg op en zijn wat aan het eten, aan het dobbelen en zich aan het vervelen.
Ze bevinden zich nu aan de zuidoostkant van de stad. Een van de andere poorten is in het westen. Omdat ze zich nu aan de westkant van de weg naar het zuiden bevinden besluiten Bartimeüs, Kritoias en Ruarc om tussen de huizen in de krottenwijk door te sluipen en dan via de muur naar het westen te gaan om te kijken of de situatie bij de westpoort hetzelfde is. Ze zien nog steeds wat rookpluimen boven de stad en af en toe horen ze ook hoorngeschal, het is even de vraag hoe groot het leger is dat zich hier bevindt."Volgens mij kan dat nooit een groot leger zijn." zegt Kritoias, "waar moeten ze al dat voedsel vandaan halen nu de bevolking gevlucht is?""Misschien eten ze wel mensenvlees." oppert Bartimeüs."Ja, daar ken ik wel een paar verhalen over." zegt Ruarc, "maar ik ben meer benieuwd wie in de basis in deze basis de baas is.""Sst" sist Kritoias als een paar vogels tussen de huizen opfladderen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc blijven vijf minuten roerloos staan, maar het is de demonen niet opgevallen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc sluipen langs de zuidmuur naar de westtoren. Als ze om de toren heen kijken kunnen ze de weg naar Lodrin zien liggen."Ik ga wel een kijkje nemen bij de westtoren." zegt Bartimeüs, die eerst nog loopt, maar al snel gaat kruipen en op het laatst op zijn buik naar voren schuift om een goede blik op de poort te krijgen.Hij ruikt hier een brandgeur die uit de stad lijkt te komen. Het lijkt erop dat er een aantal huizen in brand hebben gestaan. Dan hoort Bartimeüs geluid bij de poort vandaan komen. Het zijn een aantal soldaten, waarschijnlijk demonen met speren, die met elkaar aan het praten zijn. Bartimeüs voelt zich bijna terug in het leger van Vandalus, want de soldaten hebben dezelfde soldatenhumor. Het valt Bartimeüs wel op dat ze zeggen dat er een viertal soldaten naar het fort van de meesters is gegaan en dat die niet terug zijn gekomen.
Na ongeveer driekwartier ziet Bartimeüs vanuit zijn schuilplaats twee andere demonen aankomen uit de stad. Zij zijn van hetzelfde type als in het fort gisterenavond. Deze twee demonen drijven de soldaatdemonen in een hoek. Ze tellen ze en kijken en wijzen dan naar de weg. Bartimeüs kijkt ook die kant op, maar ziet niets. Als de twee demonen de stad weer in gaan sluipt Bartimeüs terug naar zijn neven.
"Wat zullen we nu gaan doen?" vraagt Kritoias aan de anderen. "We hebben nog niet heel veel informatie en we moeten eigenlijk de stad in, maar dat is wel een risico.""Als we onzichtbaar zijn kan er toch niet veel gebeuren?" zegt Bartimeüs."Behalve als ze nog meer van die vuurhonden hebben." zegt Ruarc, "die kunnen je wel ruiken.""Ja, maar we weten niet veel meer dan vanmorgen, laten we gewoon naar binnen gaan." zegt Bartimeüs.""Dat denk ik ook." zegt Kritoias, "maar dan wel pas vanavond, ik kan ons nu al onzichtbaar maken en dan kunnen we rusten in één van die huisjes verderop en vanavond door de muur heen de stad binnengaan."Prima" zegt Ruarc en ze gaan op weg om een mooi huisje te zoeken.
Na het vallen van het duister sluipen drie onzichtbare neven in polonaise naar de zuidelijke muur toe. Ze volgen de muur een meter of vijftig om niet te dicht bij de poort te zijn en dan gebruikt Kritoias zijn magie om een doorgang in de één meter dikke muur te maken. Hoewel het donker is kunnen de neven dankzij hun nachtzicht toch goed het steegje zien waar ze in uitkomen. Ze lopen via de steeg terug naar de poort en zien dat die nog steeds open staat en dat er nog steeds speerdemonen rondlopen om de poort te bewaken. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc steken het plein voor de poort zachtjes over en volgen de straat aan het einde naar het centrum van Berrastad.
Op het volgende plein zien ze een groot stenen fort staan. Een deur geeft hier toegang tot een ommuurde binnenplaats waar je eerst op moet komen voordat je het fort binnen kunt gaan. Kritoias maakt een gat in de deur naar de binnenplaats en dan zien Bartimeüs, Kritoias en Ruarc dat het om een soort paleistuin gaat. Overal zijn kruiden, bloemen en planten te zien. Aan het andere einde van de tuin is een stenen trap die uitkomt bij een grote deur. In de tuin staat een demon van het type met de leerachtige huid en grote klauwen. Ruarc zorgt ervoor dat niemand hen kan horen en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc overleggen wat ze kunnen doen. Terwijl ze aan het praten zijn loopt de demon de trap op en gaat naar binnen. Bartimeüs gebruikt nu een spreuk om minder snel verwond te raken en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen de trap op naar de deur. Dan realiseert Bartimeüs zich dat zijn nachtzicht hem niet zal helpen in het fort zelf waarop Kritoias hem betovert met een spreuk die het binnen wel doet, mits er een beetje licht is.
Bartimeüs staat voorop en doet de deur langzaam open. Hij hoort de deur kraken, maar weet dat een demon die op enige afstand staat dat niet zal horen. In de onderste verdieping van de toren is alles kort en klein geslagen. Tussen de linker- en rechterwand is een barricade opgeworpen van tafels en stoelen waar je wel makkelijk overheen springt, maar niet als je onzichtbaar bent en stil probeert te zijn. Voor de barricade, op het pad waarmee je tussen de barricade door kan gaan staan twee van de klauwdemonen."Kan je iets op de deur laten kloppen?" fluistert Kritoias naar Ruarc, "misschien leidt dat ze wel af.""Goed plan" zegt Ruarc hij concentreert zich en dan is opeens een harde bonk tegen de buitendeur te horen waar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc net stonden.Nu blijkt dat het ook echt een goed plan was, want één van de demonen loopt naar de deur en de andere gaat een klein beetje opzij zodat er voldoende ruimte is voor Bartimeüs, Kritoias en Ruarc om achter hem langs te glippen tussen de barricade door.
Kritoias loopt direct door naar de trap die naar boven voert, maar Bartimeüs en Ruarc houden hem tegen en zeggen dat er een luik in de grond zit. Bartimeüs luistert aan het luik en zegt dat hij een soort gekerm hoort. Ze besluiten om toch eerst maar boven te kijken en lopen achter elkaar de trap op. De ruimte op de eerste verdieping is leeg, er zijn geen meubels en ook geen demonen. Er is wel een trap die nog verder omhoog voert. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen ook die trap omhoog en komen dan buiten uit op een torentje midden in de stad.
"Wat gaan we nu doen? Onder dat luik kijken?" vraagt Kritoias."Natuurlijk, we hebben toch verder niets ontdekt. Bovendien zullen die demonen wel iets bewaken, waarom staan ze daar anders?" zegt Bartimeüs."Dan moeten we eerst die twee demonen op de begane grond uitschakelen. Als we zachtjes moeten doen, dan moeten we slaapspreuken gebruiken." zegt Ruarc."Ja, dat kunnen we doen. Als Bartimeüs dan zijn boog gereed houdt voor het geval er eentje niet in slaap valt moet het goed gaan." zegt Kritoias.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen de twee trappen af en komen op de begane grond aan. Een van de demonen staat bij de barricade, maar de andere staat nog bij de deur. Bartimeüs neemt positie in zodat hij allebei de demonen zou kunnen raken. Kritoias en Ruarc lopen voorzichtig door de barricade heen om geen spullen om te laten vallen. Als ze op hun plek staan proberen ze allebei de twee demonen in slaap te toveren. Allebei de wezens gapen even en laten zich dan op de grond zakken om te gaan slapen, terwijl Kritoias en Ruarc terugsluipten. Bartimeüs loopt naar voren en hakt allebei hun hoofden af met zijn hakbijl, waarna de lijken verdwijnen.
"Mooi, dat ging goed, nu het luik." zegt Bartimeüs."Ok, ik kan ons wel onzichtbaar maken, maar dan moeten we wel bij elkaar blijven, anders kost het te veel energie." zegt KritoiasBartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen zachtjes naar het luik en Bartimeüs tilt met gemak het luik omhoog, dat een zacht krakend geluid maakt. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc kijken elkaar aan en vragen zich af of de stiltespreuk van Ruarc nog werkt. Bartimeüs buigt zich voorover en kijkt de kelder in. Daar liggen een aantal dode of bijna dode soldaatdemonen en delen van soldaatdemonen op de vloer."Wat doen ze hier?" vraagt Bartimeüs, dan ziet hij dat er nog een trap naar beneden voert. Bartimeüs klimt heel zachtjes naar beneden, gevolgd door Kritoias en Ruarc.
Bartimeüs sluipt naar de trap naar beneden en ziet daar een ruimte met aan de zijkanten iets wat op cellen lijkt. Aan het begin van de ruimte staan twee demonen met klauwen die zijn kant op kijken. Daarachter zit een grote, vette demon, die bezig is met zeven speerdemonen. Het lijkt op een ritueel om de zeven speerdemonen om te zetten in een andere demon, waarschijnlijk een demon met klauwen."Kom, we pakken ze!" fluistert Bartimeüs, "deze kans kunnen we niet laten lopen.""Eh, ik heb niet zoveel energie meer" antwoordt Kritoias, "dan wordt het best wel link. Als er een spreuk misgaat hebben we geen reserves meer." "Dit is echt een heel fout plan." zegt Ruarc nadat hij opnieuw een stiltespreuk heeft gedaan, "dit kan alleen maar fout aflopen. Heb je doodswens of zo?""Ja, maar dit is onze kans!" zegt Bartimeüs."Is het niet belangrijk om deze informatie te delen?" vraagt Kritoias."Ja, we moeten dit echt nu niet doen." zegt Ruarc."Ok dan" zegt Bartimeüs, "maar we moeten dan wel snel terugkomen, want we kunnen ze wel een slag toebrengen."
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc klimmen weer voorzichtig naar boven en verlaten de toren door de voordeuren. Ze lopen door de paleistuin en proberen de deur naar de straat te openen. Die geeft niet erg mee, maar met wat kracht van Bartimeüs en Ruarc gaat de deur krakend open."Naar rechts gaat het naar die verbrandde huizen aan de westkant van de stad. We kunnen beter naar links gaan en daar een huis zoeken om in te schuilen." zegt Bartimeüs.De anderen knikken en ze lopen door de verlaten straten en vinden al snel een verlaten huis waar ze kunnen schuilen."Als je mij nu onzichtbaar maakt dan kan ik naar de anderen om ze te vertellen wat we ontdekt hebben." zegt Bartimeüs, "als jullie ondertussen uitrusten kunnen we nog voor het licht wordt terug naar die demonen om ze kapot te maken."Kritoias gebruikt opnieuw een onzichtbaarheidsspreuk en gaat daarna slapen. Ruarc neemt de wacht tot Bartimeüs weer terug is en Bartimeüs verlaat het huis om naar Clara en haar begeleiders te gaan.
De straten van Berrastad zijn verlaten, alleen bij de open poort in het zuidoosten ziet Bartimeüs een aantal speerdemonen staan. Dankzij de onzichtbaarheidsspreuk en zijn sluipvaardigheden verlaat Bartimeüs de stad zonder dat hij opgemerkt wordt. Na een nachtelijke wandeltocht van bijna een uur komt hij in het dorpje aan waar ze hun kamp hebben opgeslagen. Bartimeüs moet wat moeite doen om geen paniek te veroorzaken als hij onzichtbaar aan komt lopen. Hij wil namelijk niet zichtbaar hoeven te worden, want dan komt hij Berrastad niet meer in. Clara is heel geïnteresseerd in de werkwijze van de demonen en Bartimeüs probeert haar zo goed mogelijk bij te praten. Dan gebruikt hij opnieuw een nachtzichtspreuk en loopt teug naar de stad. Ook nu merken de wachters bij de poort hem niet op en Bartimeüs komt zonder opgemerkt te zijn in de schuilplaats van zijn neven aan.
Bartimeüs overlegt met Ruarc over het plan voor morgen. Ruarc wil eigenlijk goed slapen voor ze een nieuwe aanval plegen. Het is misschien ook helemaal niet nodig om in het donker naar het fort toe te aan, want niemand kan ze zien als ze toch onzichtbaar zijn. Dat vindt Bartimeüs ook wel. Hij houdt de wacht terwijl Ruarc gaat slapen. Als Kritoias wakker wordt kan Bartimeüs nog even slapen.
De volgende ochtend rond een uur of tien zijn Bartimeüs, Kritoias en Ruarc klaar voor een tweede expeditie naar de toren. Kritoias maakt zichzelf en Ruarc onzichtbaar voordat ze het huis verlaten. Als ze bij het fort in het centrum van Berrastad aankomen zien ze dat de buitendeur nog steeds open staat."Er is hier kennelijk niemand geweest in de tussentijd." zegt Bartimeüs."Dan zijn ze misschien nog niet gealarmeerd." zegt Ruarc, "Ik zorg voor een stiltezone, zodat we de deur boven aan de trap weer zachtjes dicht kunnen doen.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen door de paleistuin en beklimmen de trap naar de grote deuren. Bartimeüs luistert eerst aan de deur en hoort geschuif van hout over steen. Bartimeüs doet de deur opnieuw zachtjes open. Binnen ziet hij een klauwdemon die bij de barricade op de grond zoekt en meubels aan het verslepen is."Hij kijkt zeker waar zijn broertjes zijn gebleven." zegt Bartimeüs, als jullie weer je slaapspreuken gebruiken kunnen we hem uitschakelen."Bartimeüs, Kritoias en Ruarc sluipen alle drie naar binnen en Kritoias en Ruarc werpen allebei een slaapspreuk op de klauwdemon. Deze heeft kennelijk niet veel slaap, want de toverspreuken hebben geen effect. Voordat de demon hen aan kan vallen plant Bartimeüs zijn handbijl in hem. De demon is even van zijn stuk gebracht en kan zich niet meer herstellen onder de lawine van slagen die Bartimeüs, Kritoias en Ruarc op hem doen. Na korte tijd stort het wezen neer en verdwijnt.
"Nu op naar het luik!" zegt Bartimeüs en hij gaat voorop tussen de barricade door. Kritoias maakt een onzichtbaarheidsbol waar ze allemaal in passen terwijl Bartimeüs het luik opent. Onder het luik liggen nog steeds de restanten van de speersoldaten. Bartimeüs kijkt de trap af, maar kan geen klauwdemonen zien. Hij klimt de ladder af op de voet gevolgd door Kritoias en Ruarc. Als Bartimeüs om de hoek de trap af kijkt ziet hij dat de grote demon verdwenen is. De twee klauwdemonen staan er nog steeds, maar letten nu niet heel erg op de ingang. Kritoias en Ruarc lopen dichterbij en gebruiken dan allebei opnieuw een slaapspreuk. Ditmaal heeft dat wel het gewenste resultaat en de twee klauwdemonen laten zich op de grond zakken. Bartimeüs gaat er met zijn handbijl op af en doodt ze allebei.
"Nu die laatste nog" zegt Bartimeüs, "hij zit zo te zien niet in één van die cellen hier beneden, die liggen vol met armen en benen van speerdemonen.""Ik denk dat ze in andere steden de mensen samenvoegen tot speerdemonen en dan hier zeven van die speerdemonen omzetten in een klauwdemon. We hebben niet veel klauwdemonen hier gezien, misschien gaan die door naar Herenhal om daar weer gecombineerd te worden." zegt Kritoias."Ja en dan zijn er in andere steden nog een aantal van dit soort operaties zodat Herenhal van meerdere kanten voorzien wordt van demonen." vult Ruarc aan."Betekent trouwens ook dat er waarschijnlijk geen groot demonenleger naar het zuiden gaat trekken. Balbar of Beolin zijn bezig om hele sterke wezens te maken.""Hier zit nog een deur!" zegt Bartimeüs die aan het einde van de gang is aangekomen.
Bartimeüs luistert aan de deur, terwijl Kritoias en Ruarc aan komen lopen, maar hij hoort niets. Bartimeüs pakt zijn handbijl en schild en Kritoias en Ruarc staan allebei weer klaar met een slaapspreuk waarna Bartimeüs de deur open doet. In het kleine stinkende kamertje achter de deur ligt de dikke vieze demon op de grond. Het lijkt wel of hij slaapt, want hij beweegt wel, maar reageert niet op het opengaan van de deur. Bartimeüs sluipt naar binnen en onthoofd de demon met zijn handbijl, waarop ook dit lichaam verdwijnt."Opgeruimd staat netjes." zegt Bartimeüs tevreden, "We hebben ze nu een aardige slag toegebracht. Tijd om terug te gaan naar de prins."
Kritoias maakt hen alle drie weer onzichtbaar en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc verlaten de toren. Om niet het risico te lopen opgemerkt te worden bij de poort gaan ze nar de muur van de stad waar Kritoias opnieuw een gat in maakt. Na een uur lopen komen ze bij het dorpje aan waar Clara en haar reisgezelschap al in spanning zit te wachten op het resultaat.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen over hun belevenissen in Berrastad en Kritoias stelt voor om naar het zuiden te reizen om de prins in te lichten. Clara heeft een ander idee. Zij wil het liefst naar Herenhal om te zien of de klauwdemonen daar inderdaad naar toe gaan en wat er daar gebeurt. Na een korte inventarisatie van de voedselsituatie gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc akkoord. Na een korte rustpauze vertrekken ze om ongeveer elf uur naar het noorden. De groep reist te paard links om de stad heen en blijven op ongeveer een kilometer van de stad om niet op te vallen. Het is eindelijk weer eens mooi weer.
Als ze de weg naar de westelijke poort oversteken tikt Clara op de schouder van Kritoias."Kijk, daar bij de poort, er schijnt een vreemd soort groen licht." zegt ze.Kritoias kijkt die kant op en herkent het groene schijnsel direct."Dat kan niet anders dan een poort naar een andere wereld zijn." zegt hij, "ik ben benieuwd wat daar gebeurt. Bartimeüs kan jij niet gaan kijken?""Ok, ik gaerop af." zegt hij."Je moet wel snel zijn, want we weten niet hoe snel er iets doorkomt en de poort weer sluit." zegt Kritoias."Ja, ja, ik schiet op." zegt Bartimeüs
Bartimeüs stijgt af en loopt in snel tempo door over de rollende heuvels tot hij op zo'n 500 meter van de poort is gekomen. Dan gebruikt hij een spreuk om zichzelf er als een plant uit te laten zien. Hij sluipt naar voren en ziet als hij op een ongeveer honderd meter is een groep wezens uit de groene poort komen. De zes klauwdemonen herkent hij direct, evenals de vijf vuurhonden die door een vuurman worden geleid. Een takachtige demon, lang, mager, misvormd met een witachtige huid kent hij nog niet. De laatste demon is een grote dikke, die doet denken aan het wezen dat ze onder het fort hebben gedood. De speerdemonen die ook bij de poort aanwezig zijn blijven uit de buurt van de nieuwe demonen. De groene poort naar de andere wereld sluit zich en de aangekomen demonen lopen de stad in. Bartimeüs verstopt zich nog even, want zo lang duurt zijn spreuk nu ook weer niet, en blijft een half uur kijken. Er gebeurt echter niets bijzonders meer en Bartimeüs sluipt terug naar de anderen.
"Met die nieuw aangekomen demonen, hoeven we eigenlijk niet meer verder naar Herenhal." besluit Bartimeüs zijn beschrijving van de gebeurtenissen bij de poort. "Als we hier meer informatie op kunnen doen en ze een slag kunnen toebrengen is dat niet meer nodig.""Dat klopt" zegt Ruarc, "als ik zo naar je verhaal luister denk ik dat dit wel eens een rondreizende demon kan zijn die klauwdemonen ophaalt en misschien wel samenvoegt.""Toch lijkt die nieuwe demon die Bartimeüs beschreef niet in de serie te passen." zegt Kritoias, "het lijkt meer op een soort boom of zo, misschien heeft het iets met de Vanyana te maken?""Enerzijds wel, maar aan de andere kant ook weer niet." zegt Ruarc, "het lijkt in ieder geval niet op Olcar of zo. Een aanval op deze gasten is trouwens niet aan te raden.""Het enige wat ik kan bedenken is een hit-en-run op het moment dat die grote dikke weer terug gaat naar de westelijke poort om door de gate te gaan." zegt Kritoias, "die kan ik onzichtbaar vliegend vanuit de lucht een bliksem op zijn hoofd gooien en daarna snel wegvliegen."Ze terugrijden naar het dorpje om daar hun paarden achter te laten. Met Clara spreken ze af dat ze maximaal twee dagen weg zullen blijven.
Als het donker is geworden lopen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc opnieuw vanuit het dorpje naar Berrastad. Er zijn nog steeds geen patrouilles te zien en ze komen onder opgemerkt te worden aan bij de sloppenwijk voor de stadsmuur. Kritoias maakt weer een gat in de muur en ze sluipen met zijn drieën naar een huis in de buurt. De deur is gelukkig open en ze gaan naar binnen. Kritoias maakt Bartimeüs onzichtbaar zodat die de stad kan gaan verkennen en dan gaat hij rusten om zijn magische energie op peil te brengen.
Bartimeüs zorgt er eerst voor dat hij 's nachts wat kan zien en dan gaat hij een rondje door de stad maken. Hij loopt eerst naar de oostpoort, die is het dichtstbij. Daar hangen nog steeds een stuk of twintig speermannen rond."Zouden ze morgen weer weggaan?" zegt een van hen."Zou er iets aan de hand zijn? Volgens mij is er iets gebeurd. In het verleden gingen ze altijd gelijk weer weg.""Zijn het dezelfde dan?""Ja, ik weet niet hoe ze dat gedaan hebben. Het is wel lullig voor die gasten trouwens. Maar hoe kwamen ze er achter hoe ze daar zaten?"Meer interessants krijgt Bartimeüs niet te horen en hij vertrekt naar de noordpoort waar hij nog niet was geweest. Ook deze poort wordt bewaakt door een groep speerdemonen. Hij loopt niet langs het fort, maar gaat langs de muur naar de zuidpoort. Als hij door een gebied komt waar de huizen wat verder uit elkaar staan ziet hij dat een tweetal speerdemonen een fakkel bij zich hebben. Kennelijk kunnen ze van nature niet goed zien in het donker en lopen ze nu patrouilles. Aan het zuideinde van de markt, bij de zuidpoort zit ook nog een groep speerdemonen. Ten slotte loopt Bartimeüs naar het fort dat aan de weg tussen de noordelijke en de zuidelijke poort ligt. Als hij in de buurt komt ziet hij dat er beweging voor de poort van het fort is, er liggen twee vuurhonden die de boel bewaken. Bartimeüs benadert ze niet en keer terug naar zijn neven.
"Het is denk ik het beste als ik op het dak van één van de huizen ga zitten op de weg die vanuit de westelijke poort naar de hoofdweg loopt. Maar dan wel aan de westkant van de steeg die naar de poort loopt. Als die grote demon dan teruggaat naar de westelijke poort om daar door zijn groene poort te gaan kan ik hem vliegend met een bliksem proberen te raken.""En wij dan?" vraagt Bartimeüs, "kan ik geen pijl op hem schieten?""Dat kost heel veel energie, die snelle vlieg spreuk kost mij op dit moment de meeste energie. Jullie kunnen ergens klaar staan als ze achter mij aankomen.""Maar dan liever niet in de stad" zegt Ruarc," als het dan misgaat komen we er niet meer uit.""Dat denk ik ook. Als jullie in dat huisje gaan zitten in de sloppenwijk, dan vlieg ik daarheen als ik de aanslag heb gepleegd."Kritoias maakt Ruarc ook onzichtbaar en die zorgt ervoor dat hij en Bartimeüs niet gehoord worden als ze hand in hand de stad uitlopen via de zuidpoort. Kritoias maakt zichzelf ook onzichtbaar en vliegt naar het dank van een huis in het zich van de westelijke poort.
s ochtends horen Bartimeüs en Ruarc geblaf bij de zuidelijke poort. Bartimeüs gaat op onderzoek uit en ziet van een afstand de vuurman met twee van zijn honden en begeleid door twee klauwdemonen de weg naar het zuiden oplopen.Rond het middaguur is er consternatie bij de westelijke poort. Kritoias hoort dat één van de speerdemonen op een hoorn blaast en dat er speerdemonen naar de weg richting het westen wijzen. Een van de speerdemonen rent de stad in. De buitenmuur blokkeert het zicht van Kritoias op de weg en hij vliegt naar boven om te kijken wat het rumoer heeft veroorzaakt. In de verte ziet hij een groep van ongeveer veertig mensen waarvan sommige te paard en anderen op wagens langzaam richting de stad komen.De speerdemonen zijn bezig om de poort te sluiten, maar moeten daar meteen mee stoppen als er een klauwdemon aankomt. Hij laat ze de poort weer openen en stuurt vervolgens alle speerdemonen verder de stad in. Kritoias vermoedt dat de demonen een val opzetten voor de mensen en twijfelt even of hij ze zal inlichten. Hij kan het uiteindelijk niet over zijn hart verkrijgen om ze onwetend in de val te laten lopen. Kritoias maakt met behulp van magie een zachte landing wanneer hij van het dak afspringt en loopt over de weg naar de groep mensen.
Als Kritoias dichterbij komt ziet hij dat het een soort oorlogsbende is. Ze hebben een banier met een groene cirkel op een donkere achtergrond bij zich en aan één van de wagens zijn drie lopende lijken vastgebonden en vastgespijkerd."Wat is er daar aan de hand?" vraagt één van de mannen te paard aan één van de anderen. "De poort ging net dicht en toen weer open.""Ik zal een paar man sturen om te kijken wat de situatie in de stad is." zegt de andere man."Doe geen moeite" zegt Kritoias, "de stad is helemaal verlaten er zitten alleen nog hele enge wezens in de stad.""Wie zegt dat?" vraagt de man op het paard. Tegelijkertijd trekken andere mannen en vrouwen hun wapens en proberen Kritoias te omsingelen. Die gebruikt een toverspreuk en stijgt op zodat de mensen hem niet kunnen aanvallen."Ik kom net uit de stad waar we een aantal enge wezens hebben achtervolgd. Ik ben onzichtbaar omdat ik me voor hen wil verbergen. Als één van hen zich laat zien wil ik hem doden." zegt Kritoias."Maar waar is de prins dan?" vraagt de man op het paard."Die heeft de stad verlaten en is nu met zijn legertje bij Clanberra. Als jullie daarheen willen gaan kunnen jullie beter de stad links laten liggen en naar het zuiden gaan." zegt Kritoias."Als er monsters zijn dan willen we er tegen vechten!" zegt de man."Pas dan wel heel goed op." zegt Kritoias, "want volgens mij zijn ze een val voor jullie aan het opzetten." Met die woorden vliegt Kritoias een eindje weg en loopt terug naar de stad waar hij zijn plek op het dak van het huisje weer inneemt.
Rond half twee ziet Kritoias beweging bij de poort. Twee mannen van de bende van de groene maan sluipen de poort binnen. Ze verstoppen zich in de buurt van het poortgebouw en observeren de straat. Dan lopen ze verder richting de hoofdweg die naar de markt leidt.Ongeveer een half uur later komen ze weer teruglopen. Ze proberen zich niet meer te verschuilen en praten hardop."Er is hier helemaal niemand! De stad is verlaten" zegt de één tegen de ander."Ik hoop maar dat dat een list is" denkt Kritoias.
Om drie uur komt de groep mensen bij de poort aan. Ze maken de poortdeuren open en rijden de stad binnen. Terwijl ze dat doen merkt Kritoias beweging op in een gebouw achter hem. De speerdemonen nemen positie in om de terugweg af te kunnen sluiten. Ze passeren het huis waar Kritoias nog steeds onzichtbaar bovenop ligt en rijden richting het centrum. Daar slaan ze af naar het zuiden waar ze op het marktplein uitkomen. Bartimeüs en Ruarc horen het gehinnik van de paarden op het plein en ze gaan poolshoogte nemen.
Kritoias vermoedt dat de grote demon nu niet zo snel meer naar de westelijke poort zal gaan en hij vliegt naar een huis bij het fort van waaruit hij de boel in de gaten kan houden. Even later ziet hij vijf mannen vanuit het zuiden over de hoofdweg naar het fort toe lopen."Ik denk dat zijn kroon nog in het fort ligt" zegt één van de mannen.Op dat moment blaft er een hond die achter de poort in de tuin van het fort ligt."Wat was dat?" vraagt één van de mannen angstig, "wat zei die machtige magiër nou?"De mannen nemen het zekere voor het onzekere en lopen terug naar het marktplein.
Bartimeüs en Ruarc zijn het marktplein onzichtbaar en onhoorbaar overgelopen en klimmen nu allebei op het dak van een huis aan de hoofdweg. Voor Bartimeüs blijkt onzichtbaar klimmen te hoog gegrepen, want hij valt vanaf twee meter hoogte naar beneden. Hij bezeert zich niet, maar wordt wel zichtbaar. Zo snel als hij kan sluipt hij een huis binnen en tot zijn geluk blijkt hij niet gezien te zijn.Dan ziet Kritoias de takachtige demon, samen met twee klauwdemonen het fort verlaten en op weggaan naar het marktplein. Hij volgt ze over de daken. Als de demonen bij het marktplein komen begint de takdemon te praten: "Welkom, Wie hebben wij de eer te mogen ontvangen hier in Berrastad?"De mensen op het marktplein grijpen naar hun wapens en kijken verschrikt op. De leider doet een paar passen richting de takdemon en antwoordt dan: "De broeders van de nieuwe maan! Mijn naam is Sjon, die is onze club.""De nieuwe maan!" zegt de takdemon."Wij zijn gestuurd door de priester Wildor om het land te zuiveren." zegt Sjon."Welkom dan" zegt de takdemon, "dan hebben we hetzelfde plan, wij zijn hier ook om het land te zuiveren.""Dat klinkt onheilspellend" zegt Sjon."U klinkt als een belangrijk man, Sjon, mijn meester zal u graag willen onmoeten.""Wie? De machtige magiër?""Je zou mijn meester een machtig magiër kunnen noemen.""Wat wil hij dan bespreken?""Gezamenlijke doelen, het land zuiveren!"
Dan komen er tientallen speerdemonen het marktplein oplopen en sluiten de zuidelijke poort."Wat is dit?" vraagt Sjon verontwaardigd."Gene paniek, heer, beschouw uzelf als onze gewaardeerde onvrijwillige gasten. Het gebruik van geweld is onverstandig. U beste Sjon heeft het leven van de broderschap in handen. Laten we de voorwaarden van uw vertrek bespreken.""Ik wil overleggen." zegt Sjon en hij loopt terug naar zijn mensen.
Aan de zuidkan van het marktplein staan nu ongeveer veertig speerdemonen en uit het noorden komen er nog eens twintig aanlopen, begeleid door twee klauwdemonen."Tijd om de demonen de volgende slag toe te brengen." denkt Kritoias, "deze mensen komen zo niet levend meer de stad uit." Hij gebruikt een toverspreuk en laadt energie op voor de volgende spreuk als hij langzaam tot boven de takdemon vliegt die niets doorheeft. Dan laat hij zijn energie los en een bliksemstraal raakt met donderend kabaal de takdemon. Het effect blijkt echter gering, want de takdemon is enigszins geblakerd, maar heeft geen nare verwondingen opgelopen. Kritoias vliegt er snel vandoor en ook de takdemon rent terug naar het fort met zijn twee klauwdemonen. De speerdemonen aarzelen geen moment en stormen met speren vooruit op de mensen af die zich omdraaien en verweren. Kritoias vliegt aan de oostkant van de stad over de muur en vliegt langs de stadsmuur naar het huis waar hij heeft afgesproken met Bartimeüs en Ruarc. Als hij bij de zuidelijke poort komt ziet hij dat er geen speerdemonen boven opstaan en hij landt op de loopgang van het poortgebouw. Hij ziet dat de mensen dapper vechten tegen de speerdemonen, maar aan de verliezende hand zijn. Hij gebruikt een slaapspreuk om zes van de speerdemonen in slaap te toveren. Vijf van hen worden door de mensen gedood voor ze kunnen opstaan. Met nog maar een beperkte hoeveelheid energie kan Kritoias niet veel anders doen dan afwachten en zien hoe de dertig overgebleven mensen zich na een paar minuten overgeven. Een stuk of twintig speerdemonen omsingelen hen."Die demon gaat die mensen natuurlijk omzetten in speerdemonen" denkt Kritoias bij zichzelf, "ze hebben geen enkele kans, want ze bevrijden gaat ons nooit lukken. Ik moet voorkomen dat dat gebeurt." Hij verzamelt energie en laat een grote ijsbal aan de zuidelijke kant van het marktplein ontploffen waardoor alle mensen en twintig van de speerdemonen worden geraakt. De helft van de mensen stort ter aarde en alle speerdemonen schreeuwen het uit van de bevriezingsverschijnselen. Kritoias wacht het resultaat verder niet af en vliegt naar het huis waar hij met Bartimeüs en Ruarc heeft afgesproken, maar die zijn er niet!
"Verandering van plan" denkt Ruarc als hij verrast wordt door de bliksemflits en donderklap. Hij ziet Kritoias wegvliegen en klimt dan snel naar beneden."Als die speerdemonen zijn weg bij de andere poorten we moeten nu maken dat we de stad uitkomen."Hij loopt naar huis huis waar Bartimeüs zich in heeft verstopt en klopt zachtjes op de deur."We moeten maken dat we wegkomen. Je kan er nu uitkomen, niemand let op ons."Bartimeüs sluipt de deur uit en loopt tegen de gevel aan gedrukt naar de eerstvolgende steeg richting het westen. De onzichtbare Ruarc zit hem op de hielen. Ze lopen voorzichtig door de stad en komen bij de westelijke poort aan die dicht zit. De speerdemonen hebben een grote balk over de haken aan de binnenkant gehangen. Met veel moeite slagen Bartimeüs en Ruarc er in om de zware balk er af te tillen. en de poortdeur een klein beetje te openen. Bartimeüs gaat als eerste de poort door, gevolgd door Ruarc.Korte tijd later komen ze aan bij het huis in de sloppenwijk."Waar komen jij vandaan?" vraagt de onzichtbare Kritoias."Uit de stad, we waren gaan kijken wat dat rumoer was." zegt Bartimeüs."Een groep mensen uit het westen." zegt Kritoias, "waar is Ruarc?""Die is er ook." zegt Bartimeüs."We moeten maken dat we wegkomen." zegt Ruarc, "we moeten wel oppassen voor die honden.""Ik kan ons nog net laten vliegen en Bartimeüs onzichtbaar maken, maar dan is mijn magische energie wel zo'n beetje op." zegt Kritoias.Hij maakt Bartimeüs onzichtbaar en als hij Bartimeüs laat vliegen zegt hij. "Je moet daar naar toe vliegen dan volgen wij er achter aan. We kunnen elkaar niet zien, dus we moeten zorgen voor wat tussenruimte.""Ik zie niet waar je naar toe wijst!" zegt Bartimeüs."Daar bij die grote enkele boom daar." zegt Kritoias "en let op de spreuk duurt zo'n tien minuten."
Nadat ze geland zijn lopen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc door de velden terug naar het dorp waar Clara en haar helpers als het goed is nog zitten te wachten."Dat was wel een behoorlijke puinhoop." zegt Kritoias, "ik heb een aantal van die speerdemonen te pakken genomen, maar er zijn ook wel een aantal van die mensen doodgegaan. Ik weet niet of ik daar goed aan heb gedaan.""Zodra ze de stad ingingen waren ze eigenlijk al zo goed als dood." zegt Ruarc, "Je hebt ze alleen maar geholpen. Nu kunnen ze geen speerdemonen meer worden.""Wat zullen nu dan gaan doen, we hebben een paar opties." zegt Bartimeüs, "namelijk: doorgaan met het doodmaken van de demonen in de stad, demonen opwachten buiten de stad en één voor één afschieten, doorgaan naar Herenhal, of teruggaan naar de prins in Cranberra."Of we gaan op zoek naar priester Wildoor waar die mensen het over hadden. Die moet ergens in het westen zitten." zegt Kritoias."Maar hadden zij dan iets met demonen?" vraagt Ruarc, "ik zag alleen maar lopende lijken op hun kar.""Nee, daar heb ik ze niet over gehoord." zegt Kritoias, "we moeten maar eens overleggen met Clara wat zij nu wil.""Ja, we kunnen wel eeuwig doorgaan met het kapotmaken van demonen hier, maar dat brengt een oplossing niet echt dichterbij." zegt Bartimeüs.
Plotseling stoot Ruarc zijn twee neven aan en zegt: "Kijk daar in de lucht. Het lijkt erop dat één van de vogels van Theolin wordt aangevallen door twee anderen."Bartimeüs en Kritoias kijken omhoog en zien één roofvogel uit de lucht naar beneden vallen."Dat is niet echt normaal gedrag voor roofvogels" zegt Bartimeüs, "ik ben benieuwd wie öf wat daar nu weer achterzit.Ze lopen het dorpje binnen waar het nog steeds heel rustig is. Ook bij het huis waar ze zich schuilhielden is niets te zien."Ik zie wel de paarden staan." zegt Ruarc, "maar waar zijn Clara en haar vrienden gebleven?"Bartimeüs sluipt naar het huis en luistert aan de deur. Als hij niets hoort doet hij voorzichtig de deur open en springt opzijn. Hij is dan nog wel onzichtbaar, maar als iemand zomaar uithaalt kan die hem niet onverhoopt raken. Bartimeüs kijkt om de hoek van de deurpost en als zijn ogen aan het donker zijn gewend ziet hij Lourdon, Clara en Midon in een hoekje verscholen zitten."Wat is er aan de hand?" vraagt Bartimeüs, "waarom zitten jullie verstopt?""Wie is dat?" vraagt Cathal."O sorry, ik ben het, Bartimeüs, ik ben onzichtbaar. Waar is Charlotte?""Er kwamen wezens aan en we hebben ons hier verstopt. Toen ze verder liepen is Charlotte er achter aan gegaan.""Hebben jullie gezien wat het zijn?""Nee, en we hebben Charlotte ook nog niet terug gezien.""Ok, dan ga ik achter haar aan. Kritoias en Ruarc blijven jullie hier? Charlotte is achter demonen of zo aangelopen en ik ga haar zoeken.""Ok" zeggen Kritoias en Ruarc en gaan de hut binnen om uit te rusten.
Bartimeüs loopt even rond op zoek naar de sporen van de demonen en vindt dan een plaats waar de grond verstoord is. De sporen lijken niet echt op demonensporen. Bartimeüs gebruikt zijn gaven van de godin en ziet dat het geen demonen zijn, maar Vanyana, en wel Vanyana met paarse kleuren in hun kleding."Dat lijken geen Vanyana uit onze wereld, maar import." denkt Bartimeüs, "ik ben benieuwd wat die hier komen doen."Hij zorgt ervoor dat hij de sporen uitstekend kan volgen en begint bij het begin van het dorpje. Daar kwamen ze met zijn vieren aanlopen. Een ging richting het huisje en bleef daar in de buurt staan. Toen kwam hij weer terug en gezamenlijk liepen ze het dorpje aan de andere kant weer uit, in de richting van de zuidelijke wachttoren.
Na een half uur lopen hoort hij plotseling geluid uit de bosjes. Hij sluipt er naar toe en ontdekt Charlotte die zich daar schuil houdt. Zij vertelt dat zij de vier Vanyana was gevolgd en hier aan het wachten was of ze nog terugkwamen. Bartimeüs spreekt met haar af dat zij teruggaat en de anderen op de hoogte stelt. Hij gaat zelf nog een stuk verder om te kijken of de Vanyana bij de wachttoren zijn. Ongeveer een uur later ziet Bartimeüs de Vanyana in de verte. Ze zijn bij de wachttoren en gaan daar naar binnen. Bartimeüs wacht een uur en gaat daarna terug naar het dorpje.Als Charlotte terugkomt in het dorp vertelt ze over de Vanyana. Clara is erg geïnteresseerd wat dat zijn en waar ze vandaan komen en Kritoias en Ruarc vertellen het algemene verhaal over de werelden, de Vanyana en de Olcar.Als Bartimeüs terugkomt bespreken ze hun opties. Het lijkt het beste om de Vanyana te benaderen om te kijken of zij mee willen vechten tegen de demonen, die willen immers ook hun wereld veroveren. Om op tijd bij de wachttoren te zijn moeten ze om half vier op. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan daarom alledrie vroeg slapen.
Bartimeüs probeert in de droom van Beolin te komen, maar daar slaagt hij niet in. Kritoias wordt wel wakker in een droom, namelijk die van Theolin die binnenkomt door de deur van het hutje. Helaas heeft die geen goed nieuws. Hij wacht nog steeds op informatie van Silvoa en zij weten nu eigenlijk niet wat ze moeten doen. Bartimeüs trekt zich terug naar Calaoir, maar met welk doel weten de aartsdruïden niet. Kritoias oppert dat hij misschien een avatar aan het maken is. Als ze Beolin willen bestrijden moeten ze zelf ook een avatar maken. Volgens Theolin is daar alleen in het zuiden bij de heilige boom voldoende energie voor. Kritoias vraagt zich af of die boom niet in alle werelden hetzelfde is, als een soort centrale energie. Theolin is ongerust omdat het niet helemaal veilig is in de droom. Kritoias wil de dolk pakken die bij Bartimeüs in zijn rugzak zit, maar daardoor worden zowel Bartimeüs als Ruarc wakker. Na de gebruikelijke ronde verwelkomingen valt het op dat het buiten stiller geworden is. Kritoias kijkt naar buiten en ziet dat buiten het huisje in de droom verdwijnt. Bartimeüs roept de godin aan, terwijl Kritoias probeert om een poort naar de werkelijkheid te maken. Het enige effect is dat een klein deel van het hutje wat langer blijft bestaan, voor de rest staan ze in een grote zwarte ruimte. Dan horen ze voetstappen."Gelukkig geen gehijg" zegt Kritoias."Toch verwacht ik dat Balbar zo aan komt lopen." zegt Bartimeüs.
De figuur die uit het donker opdoemt is niet de vriend van Bartimeüs, maar zijn vader, Beolin. Naast Beolin verschijnen een aantal demonen. Hij is kennelijk niet gerust op dat het hier helemaal veilig is. Beolin stelt zich voor als meester van de droomwereld en heeft het op Theolin voorzien. Die probeert met een spreuk wanhopig uit deze droom te komen, wat waarschijnlijk Beolins droom is. Bartimeüs heeft een idee, loopt op Theolin af en steekt hem met de dolk. Alle andere aanwezigen zijn volledig verrast door wat Bartimeüs aan het doen is. Theolin zegt dat hij hem toch niets zou doen. en Bartimeüs antwoordt dat het een poging is om hem wakker te maken terwijl hij Theolin voor de tweede keer prikt."Misschien moeten we niet Theolin wakker maken, maar Beolin." realiseert Kritoias zich, terwijl hij bijna genoeg energie heeft om een bliksem naar Beolin te schieten."O, jullie willen wakker worden? Dat kan geregeld worden hoor!" zegt Beolin en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc worden direct wakker in het huisje.
Na deze onverwachte droom gaan Bartimeüs en Kritoias nog even slapen. Ruarc maakt hen om half vier weer wakker en ze gaan op weg naar de wachttoren. Clara en haar medereizigers blijven voorlopig hier.Even na vijf uur komen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc, nog steeds onzichtbaar, bij de toren aan. Ze zien niemand op de kantelen en lopen naar de deur. Daar maken ze zich onzichtbaar en Ruarc klopt aan. In zijn beste Vanyaans zegt hij "Is daar iemand?"De deur gaat open en een Vanyana vraagt wat ze komen doen. Ruarc gaat het gesprek met hem aan, maar zijn Vanyaans is nog niet zo goed dat een makkelijk gesprek mogelijk is. Gelukkig spreekt een van de Vanyana zijn taal veel beter.De Vanyana vertelt dat zij kort geleden hier zijn aangekomen nadat de riftwalkers nieuwe activiteiten hadden waargenomen. Ze zijn hier om uit te zoeken wat er aan de hand is. Kritoias vertelt over de demonen en de Olcar die ook in deze wereld gekomen zijn. Dan test hij zijn theorie over de boom en de Vanyana vertelt dat zij ook een belangrijke boom kennen. Als hij vraagt of zij goed in contact kunnen komen met de godin vertellen de Vanyana dat dat de laatste jaren veel moeilijker is geworden. Daarmee kunnen ze ook hun grenzen beter beveiligen.
Dan realiseert Kritoias zich dat ze het visioen van de godin in het bos helemaal verkeerd hebben uitgelegd. De godin heeft zich niet opgeofferd om Balbar in de droomwereld te houden. Balbar houdt haar daar gevangen, en gezien de droom van afgelopen nacht is zijn kracht daar alleen maar sterker aan het worden."We moeten de godin gaan bevrijden." zegt Kritoias, "daar bestaat nu geen twijfel over.""Dan is Gweolyn de enige die ons daarbij kan helpen denk ik." zegt Bartimeüs."Maar om dat te kunnen doen moeten we het laatste zegel verbreken." zegt Ruarc."Het enige zegel dat we kennen is bij de poort in het noorden. We moeten er vanuit gaan dat dat zegel nog verbroken moet worden, anders wordt het een lange zoektocht." zegt Bartimeüs.
"Daar komen is nog wel een uitdaging." zegt Kritoias, "het is meer dan een week lopen naar het noorden, dwars door vijandelijk gebied. Tenzij..."Kritoias draait zich naar de Vanyana en vraagt of er hiervandaan een rift naar het noorden is waardoor ze sneller en veiliger naar de poort kunnen komen. Volgens de Vanyana is dat wel het geval en als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc de godin willen bevrijden kunnen ze hen wel helpen.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc spreken af om eerst nog naar het dorpje te gaan om Clara te informeren en dan terug te keren om op reis te gaan door de rift naar het noorden.
Na een tocht van een uur komen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc aanlopen in het dorpje waar de groep zich al een aantal dagen schuil houdt. Van afstand zien ze geen bijzonderheden en ze zwaaien als ze het dorp inrijden. Bartimeüs legt uit dat zij tot het inzicht zijn gekomen dat de godin gevangen wordt gehouden door Balbar en dat het essentieel is dat zij haar bevrijden. De Vanyana, als kinderen van de godin, willen hen helpen om via de rifts naar het fort in het noorden te reizen."Gaan jullie naar het zuiden om informatie door te geven?" vraagt Ruarc."Dat is wel het beste dat we kunnen doen." zegt Clara, "door hier te blijven gaan we geen nieuwe kennis opdoen en naar het noorden reizen met ons groepje is veel te onveilig."Ze pakken allemaal hun spullen in en rijden dan naar de wachttoren waar de Vanyana verblijven. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc geven hun paarden mee aan Clara, vragen haar om de prins namens hen te groeten en wensen haar een goede reis.
Met de Vanyana trekken Bartimeüs, Kritoias en Ruarc naar het zuidwesten waar de rift is. Het is erg rustig in het gebied, Als ze in de buurt van de rift komen gaat één van de Vanyana vooruit. Hij blijft een tijdje weg en waarschuwt dan met een fluitsignaal dat de kust veilig is. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en de andere drie Vanyana gaan op het geluid af. Ze volgende de verkenner naar een schuilplaats waar de Vanyana riftwalker en een bewaker op hen zitten te wachten."We moeten naar de poort in het noorden." zegt Kritoias, "we willen daar het liefst zo dichtbij mogelijk in de buurt komen."De riftwalker pakt een schriftrol die een kaart van de riften bevat."Volgens de kaart is dat een gebied waar je uit moet kijken." zegt hij in de taal van het keizerrijk, "Sommige van de riften doen het niet goed, of niet goed meer. We kunnen proberen via die riften daar te komen, of we kunnen een stuk naar het noorden over de bergen uitkomen.""Dan moeten we teruglopen en hopen dat we een route door de bergen vinden." zegt Bartimeüs, "ik ben ervoor om te kijken wat er bij die bijzondere riften is. We kunnen altijd nog verder gaan naar het noorden.""Ok" zegt de riftwalker, "als jullie een stukje meelopen zal ik daar de eerste rift openen."
Bij het openen van de rift zien Bartimeüs, Kritoias en Ruarc niets bijzonders, geen verandering in de omgeving, of temperatuur. De Vanyana en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan door de rift heen en lopen naar het noorden over een goed begaanbaar pad. Het is warm in deze wereld. Het zonnetje schijnt en hier en daar kwetteren vogels. Naar mate ze verder naar het noorden lopen zien ze dat het pad steeds meer begroeid raakt, tot het nauwelijks nog als doorgaande route te herkennen is en na iets meer dan een uur is het pad helemaal verdwenen. Ze banen zich een weg door de struiken als Ruarc hen plotseling tot stoppen maant: "Stop, ik zag daar een aapdemon door de bosjes gaan."Meteen staat iedereen stil. Niemand anders heeft de aapdemon gezien en volgens Ruarc heeft de aapdemon hem ook niet gezien. Eén van de Vanyana gaat op onderzoek uit en keert al na vijf minuten terug met de mededeling dat er verderop een twintigtal demonen wezens in een soort komt in het landschap zitten. Een tiental aapdemonen, vier vuurhonden en twee hondenbegeleiders. Als ze verder willen zullen ze die moeten uitschakelen, want de rift is vlak bij de plaats waar de demonen zich ophouden. Dat zal vast geen toeval zijn.
"We moeten ze in groepjes uit die kom lokken." zegt Kritoias "dan kunnen we ze stuk voor stuk uitschakelen.""Dat lijkt me een goed plan, als jullie je aan deze kant van het heuveltje opstellen dan ga ik ze wel lokken." zegt Bartimeüs."Daar is het wel erg open, weet je wat, ik zet daar wel een illusie van bosjes neer, dan kunnen we daarachter schuilen. Als er dan aapdemonen komen dan kunnen jullie" en hij wijst naar de bogen op de rug van de Vanyana, "ze neerschieten.""Dat klinkt als een goed plan, onze riftwalker blijft uit de buurt." zegt de leider van de Vanyana die de riftwalker gebaart een stuk verderop te schuilen in de bosjes, "hebben jullie wel eens tegen ze gevochten?""Ja, meerdere malen" zegt Ruarc, "die aapdemonen zijn gevaarlijk als ze met veel zijn omdat ze met allebei hun klauwen aanvallen. Die honden spugen tot zo'n vijftien meter vuur, dus daar moet je voor oppassen."Ruarc tovert de bosjes, Kritoias gebruikt een schildspreuk en verzamelt dan energie om datgene te bestrijden wat over de heuvel komt en Bartimeüs ontvangt de zegen van de godin voordat hij voorzichtig de heuvel opsluipt
Vanaf de top van de heuvel ziet Bartimeüs op ongeveer vijftig meter afstand de groep demonen staan, te ver om er een goed te kunnen raken. Een drietal aapdemonen komt zijn kant op en probeert weg te komen. Een van de begeleiders roept iets naar één van de vuurhonden en die gaat achter de aapdemonen aan om ze terug te drijven. Tot groot geluk van Bartimeüs komt de vuurhond dichtgenoeg bij en Bartimeüs schiet hem in zijn zij. De vuurhond kijkt even verbaast op en jankt wat. Dat wordt erger wanneer Bartimeüs een tweede pijl in zijn poot schiet waarna de vuurhond hinkend en bloedend naar zijn baasje terugloopt. De begeleider schreeuwt iets naar de vuurhonden en wijst naar Bartimeüs die snel maakt dat hij naar beneden komt.
Bartimeüs wordt op de voet gevolgd door de drie aapdemonen. Kritoias gebruikt een slaapspreuk en tovert twee van de drie aapdemonen in slaap. De Vanyana leggen aan met hun bogen, maar laten opnieuw zien dat boogschieten niet een natuurlijk vaardigheid voor Vanyana is, want ze missen allemaal. Ruarc pakt zijn hamer en slaat de aapdemon aan gort. Ze zijn nauwelijks bekomen van de eerste aanval of de resterende zeven aapdemonen komen over de heuvel op ze afgerend. Kritoias wacht op het laatste moment om een volgende slaapspreuk te gebruiken en nu vallen vijf van de zeven aapdemonen in slaap. In een kort gevecht schakelen Bartimeüs en Ruarc en de Vanyana de twee aapdemonen uit. Maar dan komen twee vuurhonden over de heuvel heen. Kritoias gooit een cold ball, maar die heeft alleen tot gevolg dat de slapen aapdemonen weer wakker worden. Gelukkig zijn hun voeten zo verbrand door de koud dat ze vrijwel niet kunnen lopen. De vuurhonden sprinten naar voren.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vechten met één van de honden, drie van de Vanyana met de andere. In de eerste ronde weten Bartimeüs, Kritoias en Ruarc de hond niet ernstig te verwonden.Kritoias ziet dat de hond inademt om zijn vuuradem te gebruiken en hij weet de vuurhond in slaap te toveren voordat hij zijn verzengende vuur los laat. De Vanyana zijn niet zo gelukkig. Een van hen is de vorige ronde al gebeten en nu voelen ze de hitte van de vlammen uit de bek van de vuurhond. Ze hebben geluk, want geen van hen raakt ernstig gewond. Bartimeüs snijdt de keel van de vuurhond door en de Vanyana slaan met zijn drieën de andere vuurhond dood.
Nu is het even rustig. Ze negeren het groepje aapdemonen dat tegen elkaar aanligt en gaan richting de rift. De Vanyana gaan over de heuvel op de plek waar de aapdemonen er overheen kwamen. Bartimeüs gaat naar rechts door een aantal bosjes heen. Kritoias en Ruarc lopen links om het heuveltje heen. Zo hopen ze de resterende demonen in de tang te nemen. Bartimeüs ziet dat de vuurhond die hij heeft beschoten verbonden is door zijn begeleider. Hij legt aan en schiet opnieuw een pijl in de poot van de vuurhond. Die sprint daarna op hem af zodat Bartimeüs gedwongen is door de bosjes terug te rennen naar de Vanyana. Die proberen weer te schieten, maar dat heeft ook nu geen effect. De vuurhond bereikt Bartimeüs als hij de Vanyana bereikt. Kritoias en Ruarc rennen terug, maar proberen wel uit een eventuele vuuradem van de vuurhond te blijven. Voordat de vuurhond die kan gebruiken wordt hij door Bartimeüs en de Vanyana doodgeslagen.
Nu staan er nog twee hondenbegeleiders en een vuurhond in de kom. Kritoias tovert de vuurhond in slaap en Ruarc vertelt een verhaal waardoor de twee hondenbegeleiders zo geboeid zijn dat ze niet goed kunnen reageren op wat er gebeurd. De Vanyana proberen eerst te schieten en er raakt zowaar een pijl, maar nadat Bartimeüs de vuurhond heeft gedood slaan ze gezamenlijk de twee hondenbegeleiders in elkaar. Bartimeüs zorgt ervoor dat ze permanent verdwijnen en gaat daarna richting de aapdemonen en schakelt hen definitief uit.
"Ik ben benieuwd waarom die demonen hier bij de rift aanwezig zijn." zegt Kritoias, "zijn ze hier om wat achter die rift zit te beschermen of willen ze juist tegenhouder wat er in zit? We lijken nu in een hub-wereld te zitten. Wat leidt de rift naar toe?"."Als we door de rift gaan komen we in een deel van onze thuiswereld." zegt de riftwalker die uit de bosjes is opgedoken na het gevecht, "we moeten kijken of we van daaruit weer terug kunnen naar jullie wereld, maar dat zal lastig zijn.""Zullen we eerst even uitrusten voor we verder gaan? Als we plotseling op nog meer demonen stuiten, dan is het beter als iedereen er klaar voor is."Dit voorstel wordt goed ontvangen en ze nemen een pauze van ongeveer een uur.
Na de rustpauze gaat de riftwalker voor de plaats van de rift staan, geflankeerd door twee andere Vanyana. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en de andere Vanyana blijven op afstand, want ze weten niet wat ze kunnen verwachten. Dit keer is het wel zichtbaar dat de rift opent. Plotseling zien ze struiken en bosjes waar eerst alleen laag gras groeide."Hier zijn wel vreemde dingen aan de hand." zegt de riftwalker.Hij bestudeert zijn kaart vervolgt dan: "Het is nog bijna een dag lopen.""Die begroeiing hier lijkt wel op die in de omgeving van de heilige eik." zegt Kritoias."We zijn hier ook in bergachtig gebied, dus misschien helemaal niet zo ver van die plaats vandaan." zegt Bartimeüs."Ja, het lijkt erop dat de verschillende werelden fysiek wel op elkaar lijken, net alsof ze op een of andere manier over elkaar liggen."
Gedurende de dag komen ze steeds dichter in de buurt van de bergen. Het lijkt wel of ze het pad volgen dat Bartimeüs en Kritoias ook hebben genomen toen ze naar de poort gingen. Rond half vijf zien ze in de verte het fort liggen. Van de buitenkant ziet het er bijna hetzelfde uit. Dit fort heeft ook stenen muren en een stenen brug naar de ingang. Het is nog een heel eind lopen en rond half zeven slaan ze kamp op.
Bartimeüs begint met de eerste wacht, maar blijkt erg vermoeid door het reizen en het gevecht van de dag. Hij valt in een diepe slaap.
De volgende ochtend maken de Vanyana Bartimeüs, Kritoias en Ruarc wakker. Om acht uur gaan ze op weg, het is nog zeker een paar uur lopen naar de poort.Tegen het begin van de middag komen ze bij de brug aan die naar het fort loopt. De muren en het poortgebouw zien er precies hetzelfde uit als in het fort in hun eigen wereld."Het ziet er vrijwel hetzelfde uit als de poort waar we geweest zijn." zegt Kritoias, "inclusief de kop van dat slangachtige wezen boven de ingang.""Alleen staan hier helemaal geen gebouwen." zegt Bartimeüs, "Ik zie namelijk helemaal geen daken.""Ik kan me niet voorstellen dat er helemaal geen bewaking is." zegt Kritoias, "anders kan iedereen bij de echte poort, die in de vlakke rots aan de achterkant zit."
Ze lopen met getrokken wapens over de brug naar het poortgebouw. De deuren van de poort zijn gesloten, maar laten zich vrij makkelijk openduwen. Nu de poort open is zien ze dat het binnen de muren van het fort inderdaad helemaal leeg is. De hele groep loopt voorzichtig een stukje naar binnen. Kritoias kijkt eens goed naar de vlakke rots waar in hun eigen wereld een mansfiguur op verscheen toen ze in het fort sliepen."Ik zie dat er een actieve spreuk, of actieve spreuken op de poort zitten." zegt Kritoias en wijst naar de vlakke rots aan de achterkant van de open plaats, "er zijn channeling en essence componenten.""Zeg, zien jullie die oude, zieke, naakte man ook die voor de poort staat?" zegt Ruarc."Eh, nee, ik zie niks." zegt Bartimeüs."Nee, ik ook niet."zegt Kritoias.Ook de Vanyana zien niemand staan."Het bloed van Branduin stroomt in je, daarom kan je mij zien." zegt de oude man."Hoe kan dat nu?" zegt Ruarc, "ik ben geboren in de prinsdommen.""Praat met je vader en je moeder, dan kom je het te weten.""Ja, daar is het nu een beetje te laat voor.""Ik weet waarvoor jullie hier zijn. Je neven willen de poort vernietigen, maar laat je niet door hen misleiden. Ik heb mijn leven gegeven voor deze poort om daarmee de godin en Balbar te verdrijven en het keizerrijk, onze wereld, veilig te houden.""Dat heeft een tijd goed gewerkt, maar onze wereld wordt nu overspoeld door demonen, lopende lijken en Olcar. De prinsdommen zijn bijna gevallen en het keizerrijk is in gevaar.""De prinsdommen? Wat zijn dat?""O, die ken je natuurlijk niet, die zijn ontstaan na het verdrijven van de druïden."
"Ruarc, wij verstaan die gast niet hoor." zegt Bartimeüs, "Als we de godin niet bevrijden kunnen we nooit het land redden.""Luister niet naar je neven!" zegt de oude man, "het zijn leden van clan Karanagh en ze heulen met Balbar en de godin""Wij willen alleen maar het land redden." zegt Ruarc, "ze zijn lid van mijn clan, niet van clan Karanagh.""Onwetende, clan Karanagh is geen echte clan, maar een sekte, ook al noemen ze zich zo.""Wat voor rare sekte dan?" zegt Ruarc."Wij hebben ons nooit bij een sekte aangesloten." zegt Kritoias, "hoe kunnen we daar dan lid van zijn?""Clan Karanagh is een verzamenling van individuen die met de macht van Balbar meer zijn geworden dan ze konden zijn, of hun afstammelingen.""O, je bedoelt dat samenvoegen van mensen om speerdemonen te maken en zo.""Ja, dat gaat volledig in tegen de normale gang van zaken en is een voorbeeld van de slechte beïnvloeding door Balbar en de godin.""Net alsof die weerbeesten die ons aanvallen niet een voorbeeld van slechte zaken zijn." zegt Ruarc."De weerbeesten zijn de soldaten van de keizer!""Dat zou je niet zeggen als je ze aan het werk ziet" zegt Ruarc."Ik ben er wel klaar mee. Wie is ervoor het openen van de poort?" zegt Bartimeüs en hij steekt zijn vinger omhoog."Onze enige andere optie is om naar de hoofdstad te reizen en met de keizer te gaan praten." zegt Kritoias, "Hoe oud is die man eigenlijk, waarschijnlijk net zo oud als de poort.""Zou hij op de keizer lijken?" vraagt Ruarc."Op de huidige keizer? Die hebben we nooit gezien." zegt Kritoias."Misschien lijkt hij op de keizer die we in onze droom hebben gezien." zegt Bartimeüs, "maar dat is een beetje lastig beschrijven."
"Nogmaals, wie is ervoor het openen van de poort?" zegt Bartimeüs en steekt zijn hand weer op."Moeten we toch niet met de keizer gaan praten?" oppert Kritoias, "Het openen van de poort is onomkeerbaar.""Ja, maar gaat hij dan wat anders zeggen dan deze oude man die zegt dat dit voor het goed van het keizerrijk is." zegt Bartimeüs."Nee, waarschijnlijk niet." zegt Ruarc, "En als we dan toch besluiten om de poort te openen moeten we weer helemaal terug.""Het is ook maar de vraag of de Vanyana ons naar de hoofdstad willen brengen via de rifts." zegt Kritoias, "Zij helpen ons omdat we de godin gaan bevrijden.""Luister niet naar je neven, je bent verbonden met Branduin, maak de poort niet open!" zegt de oude man."Kom op, we moeten een besluit nemen." zegt Bartimeüs."Ik zie het ook niet zitten om helemaal naar het zuiden te gaan en dan eventueel weer terug. Van de keizer hebben we tot nu toe niet veel goeds gezien. Misschien is hij wel onder invloed van druïden en we moeten nu iets doen. Bovendien heeft de godin ons zelf gevraagd om te helpen.""Neven, ik ben het met jullie eens. De vooruitzichten kunnen niet veel slechter worden.""Nee, doe het niet, Balbar en de godin zitten nu nog opgesloten als zij vrij komen is het leed niet te overzien!" zegt de oude man, "En als je neven proberen de poort te openen zal ik in een andere vorm verschijnen om hen te bestrijden.!"
"De volgende vraag is hoe we de poort kunnen openen." zegt Kritoias, "De vorige keer heb ik contact gemaakt met de magie, maar ik weet niet of dat werkt. Waarschijnlijk was die afbeelding van die man een soort reactie op ons. De soldaten hadden er nog nooit van gehoord dat zoiets was gebeurd.""Die oude man zei dat hij jullie zal tegenhouden als jullie de poort proberen te openen.""Dan betekent dat dat hij jou niet tegen zal houden." zegt Bartimeüs.Ruarc kijkt naar de oude man die knikt."Jij hebt het bloed van Branduin in je, dus ik kan je niet stoppen. Maar ik doe een beroep op je geweten. Als de poort open gaat zal ik definitief sterven. Kan je daarmee leven?""Maar als ik de poort open maak gaat die oude man dood.""Anders gaan er nog veel meer mensen dood." zegt Bartimeüs."Het is een creepy naakte oude man die al meer dan 300 jaar in een poort zit opgesloten. Dat is niet echt een onschuldig kind of zo." zegt Kritoias."Tja, als je het zo brengt." zegt Ruarc.Hij pakt zijn strijdhammer en slaat met twee ferme klappen de naakte oude man dood.Er gaat een vreemde trilling door de lucht, maar er is niet direct iets te zien."De rift is open!" zegt de riftwalker, "Het is niet alleen een rift naar jullie wereld, maar een knopppunt van verbindingen!".Kritoias gebruikt zijn magie om de rift ook te zien."Het laatste slot op de deur van de riftverbindingen is geopend. Volgende stop de droomwereld?"
"Ik weet niet of dat een goed idee is, misschien kan de riftwalker de poort openmaken en dan zien we wel waar we uitkomen." zegt Bartimeüs.De riftwalker gaat aan de slag en even later verschijnen er gebouwen op het plein.
"Het ziet er naar uit dat we in onze eigen wereld uitkomen." zegt Kritoias, "zeg, je hebt toch een kaart van die rifts. Mogen we die even bekijken?""Nee, dat kan niet zomaar." zegt de riftwalker, "die heb ik na een lange studie van mijn meester overgeschreven."Kritoias vraagt het opnieuw, maar nu magisch ondersteund, "Laat ons alsjeblieft even de kaart bekijken."Magisch gedwongen voldoet de riftwalker aan het verzoek van Kritoias. Die spoort Ruarc aan om snel de kaart in zich op te nemen, want de andere Vanyana kijken niet al te blij."Dank je wel" zegt Kritoias na een paar minuten, "dan is het nu tijd om door de rift te gaan.""Ok, stappen jullie hier uit?""Ja, dat gaan we doen, bedankt voor jullie hulp."Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen door de rift heen naar de gebouwen op het terrein van het fort. De Vanyana lopen de andere kant uit en verdwijnen door de poort.
Het fort lijkt helemaal verlaten te zijn. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc doorzoeken de verschillende gebouwen, maar vinden geen sporen dat het fort plotseling is verlaten. Wel staan er nog kisten met persoonlijke spullen waar ze voor ongeveer vijf zilverstukken aan munten in vinden. Ook vinden ze een brief gericht aan een soldaat waarin zijn vrouw of vriendin schrijft dat zij met de anderen mee gaat naar het zuiden. "Waar zijn die soldaten toch gebleven?" vraagt Bartimeüs."Misschien kan je sporen vinden bij de poort. Zo te zien is hij wel dicht, maar hebben ze hem niet met die grote balk afgesloten." zegt Ruarc."Ok, ik ga wel aan de andere kant van de brug kijken."Even later komt Bartimeüs weer terug."Voetsporen kon ik niet meer vinden, daarvoor is het te lang geleden, maar ik kon aan een stukje stof wel zien dat ze hier weggelopen zijn."Op dat moment gaat er een lichte beving door de grond."He, dat lijkt wel zo'n zelfde soort beving als toen de Olcar hier naar toe kwamen." zegt Ruarc, "denk je ook niet Kritoias.?"Kritoias reageert niet, maar is aan het hyperventileren. Ruarc probeert hem te hypnotiseren, maar dat heeft niet veel effect. Gelukkig duurt het maar een minuut, dan komt Kritoias weer bij."Het leek wel of het door de beving kwam!" zegt hij."Ja, ik voelde ook een vreemd soort druk." zegt Bartimeüs."Nu je het zegt, inderdaad." zegt Ruarc."En nu?""Hier wachten heeft niet veel zin." zegt Bartimeüs, "Laten we naar de plaats van de laatste slag gaan.""Prima, dan kunnen we kijken of we daar contact met de godin kunnen krijgen. Kan je de plaats nog terugvinden waar we van de weg af moeten?""Tuurlijk!" zegt Bartimeüs
Na meer dan drie kwartier lopen bevinden Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zich op een bospad dat volgens Bartimeüs naar de grote steen leidt. Ruarc is met zijn gedachten ergens anders, want hij struikelt over een boomwortel. Ongeveer op dat moment begint er mist uit de grond op te stijgen."Dat is vreemd." zegt Kritoias, "Het lijkt erop dat deze mist niet helemaal natuurlijk is.".Hij bestudeert de mist even en zegt dan "Zoals ik al dacht. Deze mist heeft een magische oorsprong."Net als de spreuk die ik van de godin heb gekregen." zegt Bartimeüs.Ze lopen verder door de mist. Plotseling zien Bartimeüs, Kritoias en Ruarc in de mist op ongeveer vijftig meter een groep dieren parallel met hen door het bos lopen. Het zijn twee beren, een aantal leeuwen en een aantal wolven."Wat doen die nu hier?" vraagt Kritoias."Misschien gaan ze ook op weg naar de open plek met de steen." zegt Ruarc."Nee, zij lopen nu van die route af. Wat doen we? Volgen we ze?" vraagt Bartimeüs."Ja, laten we dat maar doen, dan kunnen we zien waar ze naar toe gaan." zegt Bartimeüs.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc volgen de dieren en zien dat er nu ook kleinere dieren met de roofdieren meelopen. Ze proberen dichterbij te sluipen, maar dat lukt alleen Bartimeüs goed genoeg. Hij ziet dat ze stoppen bij een grote eik. Hij ziet dat er bij de eik een niet onaantrekkelijke jonge vrouw staat. Ze ziet er alleen niet helemaal menselijk uit. Ze heeft een groenige teint en heeft een langgerekt gezicht. Ze is naakt, maar Bartimeüs ziet dat ze geen geslachtsdelen heeft. Ze kijkt wat verdwaasd.Bartimeüs probeert dichterbij te komen, maar dat lukt niet zonder de aandacht van de dieren te trekken. Hij ziet een vos staan en gebruikt een spreuk om de vos te vragen wat er hier gebeurd."SSST, stil!" zegt de vos."We willen haar helpen? Wie is ze"Maar de vos reageert niet meer.Kritoias en Ruarc zijn nu ook zo dichtbij gekomen dat ze het wezen zien."Dat zou wel eens een nymf kunnhen zijn." zegt Ruarc, "Die zorgen voor dieren en planten in het bos. Ik ken wel oude verhalen waarin ze voorkomen, maar dat zijn sprookjes.Bartimeüs probeert dichterbij de eik met de vrouw te komen, maar een van de leeuwen draait naar hem toe en gromt. Dat is voor Bartimeüs het teken om op zijn schreden terug te keren."De wezens van de godin komen nu ook hier aan." zegt Ruarc, "net als die Olcar""Ik vraag me af of die trillingen dat zijn." zegt Kritoias, "het zou ook kunnen dat de verschillende werelden weer over elkaar schuiven.""Wat?" zegt Bartimeüs."Laat maar" zegt Kritoias, "laten we verder lopen naar de open plek."
De open plek ziet er nog hetzelfde uit als ze die de vorige keer hebben achtergelaten. Er ligt geen lichaam van Ole, wat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc misschien hadden verwacht. Bartimeüs probeert op de steen te klimmen, maar die is te glibberig. Kritoias springt er wel op, maar vindt er niets bijzonders. Ze besluiten om op de open plek te overnachten in de hoop een droom van de godin te krijgen. Omdat ze geen tent bij zich hebben zet Kritoias twee aarden muren van drie meter lange en drie meter hoog neer. Bartimeüs maakt van takken en bladeren een dak.
Bartimeüs klimt op de steen en neemt de eerste wacht. Kritoias en Ruarc gaan slapen in de hut.Ruarc wordt wakker in een grote zaal. Hij is helemaal alleen, behalve een persoon die op een troon zet."Wie ben jij?" vraagt de man op de troon."Ik ben Ruarc, verteller van verhalen. Wie bent u?""Ik stel de vragen!""Ik ook!""Stilte"Ruarc voelt een druk om geen antwoord te geven, maar schudt het van zich af."Waar kom je vandaan?""ja, wat je nou, stilte of niet?"Ruarc bekijkt de man op de troon en hij ziet dat hij lijkt op het beeld van de keizer in Olcadaïr."Ik kom uit Izendaal""Izendaal, een verre uitpost van het rijk. Waarom heb je het gedaan?""Om aandacht te trekken, de aandacht van de keizer ligt ergens anders in de wereld. Balbar is bezig.""Balbar? Wie heeft je dat verteld?""Mijn neven, en mijn eigen ervaring."
"Je spreekt van dingen waar je weinig verstand van hebt. Nu de poort open is moeten we ons pas zorgen maken over Balbar.""Niet in de prinsdommen, die zijn onder de voet gelopen.""De prinsdommen hebbe3n hun eigen lot gekozen.""En Nymarc is ook een grote teringzooi.""Nymarc is altijd een grote teringzooi geweest, dat is haar reden van bestaan. Alles was onder controle, maar nu zijn de poppen aan het dansen. Vertel me, wie ben je nu echt?""De Olcar noemen mij de Oelam en ik wil mijn kennis verbreden.""Vraag dat maar aan Balbar als je left hebt.""Nee, dat is mijn neef.""Misschien moet ik de ogen meer op het noorden richten.""Als alles onder controle is, hoe zit het dan met de staart die gestolen is?""Jij weet vreemde dingen. Waar zit je? Blijf daar tot we je komen halen.Op dat moment voelt Ruarc een lichte beving en hij ziet dat de man op de troon ook heen en weer gaat. Hij wordt wakker en moet hoesten. Daarbij komt er een klein vlammetje uit zijn mond."Is er iets Ruarc?" vraagt Bartimeüs."Nee, misschien in de lucht of zo."
Bartimeüs maakt Kritoias wakker en probeert vervolgens bij Theolin in zijn droom te komen. Hij wordt wakker in een hutje. Kritoias en Ruarc zijn nergens te zien, maar in het daglicht ziet hij wel een mooie man."Balbar!" zegt hij."Altijd leuk om bekenden tegen te komen Bartimeüs.""Hoe gaat het met je""Gaat goed, gaat heel goed. En wat doe jij hier?""Ik was op zoek naar Theolin.""Theolin. Ja, hij was altijd de zwakkere, de idealistische. En wat ga je nu doen met de poorten open?""Beolin bezoeken. En misschien wel doodmaken.""Dat kan interessant zijn, als het lukt. Waarom leven je neven eigenlijk nog?""Waar is Beolin eigenlijk?""Die zweeft rond Herenhal, maar hij is niet helemaal zichzelf.""Ja, hij is samengevoegd met wezens uit jouw wereld toch?""Mijn wereld? Ik heb geen wereld.""Hoe zit het met die demonen dan? Komen die niet uit jouw wereld?""Wel nee!""Vind je het dan niet erg als we Beolin doden?""Als jullie het al zal lukken maakt me dat niet veel uit. Ik word er machtiger van. De godin heeft het ook geprobeerd en dat vond de god niet leuk."Ok, nou ik vind het mooi, ik ga slapen."Bartimeüs gaat liggen en probeert te slapen. Als hij even ligt hoort hij: "Ik ben er nog. Slaap maar lekker mannetje!"
Kritoias maakt Ruarc wakker en gaat dan zelf slapen. Hij hoopt de godin in zijn droom te vinden, maar komt bedrogen uit. Hij ziet in zijn droom een vrouwengestalte, maar dat blijkt Gweolyn te zijn, die nu terug kan komen. Ze kan in Kritoias' droom komen omdat Balbar ergens mee bezig is. Gweolyn zit als enige oplossing van het probleem om de leden van clan Karanagh samen te voegen om zo Balbar te bestrijden. Dat betekent wel dat de individuele leden van de clan zich moeten opofferen. De enige plaats waar dit goed kan gebeuren is de eik in de hoofdstad. Als Kritoias twijfelt of dit voor hem wel de juiste route is bedreigt Gweolyn hem: "Als je niet voor me bent, dan ben je mijn vijand.!".Dan neemt ze snel afscheid omdat Balbar er aan komt. Kritoias concentreert zich en slaagt er in wakker te worden. Daar ziet hij dat Bartimeüs ook al wakker is. Dat gebeurde toen Balbar wegging naar iemand anders in de droomwereld.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc bespreken de nachtelijke gebeurtenissen. Het is nog steeds niet gelukt om contact met de godin te krijgen. Ze besluiten dat het goed is om een dag te wachten en het de volgende nacht opnieuw te proberen. Verder was het Bartimeüs opgevallen dat er geen vrouwelijke verschijning meer is op de steen in het uur na middernacht.Ruarc onderzoekt de tekens op de steen, maar ziet dat het geen normale taal is. Waarschijnlijk is het een soort geheimschrift.De rest van de dag is behoorlijk saai. Af en toe trilt de grond, wat tot gevolg heeft dat Bartimeüs en Kritoias af en toe een hyperventilatieaanval krijgen. In de ochtend heeft Bartimeüs er een minuut last van. In de middag Bartimeüs en Kritoias allebei een minuut of drie. Ze hopen dat deze trend niet doorzet. Tot nu toe heeft Ruarc nergens last van.
s Avonds klimt Bartimeüs weer op de steen om zijn wachtbeurt te nemen. Het blijft heel rustig en na een paar uur geeft hij het stokje over aan Kritoias. Die blijft op de grond zitten bij de ingang van hun hutje. Met zijn scherpe blik ziet hij in het maanlicht dat er aan de andere kant van de open plek een vrouwsfiguur in de begroeiing staat. Hij gebruikt een toverspreuk om zichzelf in het donker te kunnen laten zien en die spreuk gaat hem nu wel heel makkelijk af. Kritoias loopt voorzicht op de vrouw af tot hij binnen het bereik van zijn nachtzichtspreuk komt. Dan ziet hij dat het een nymf is die vergezeld wordt door twee leeuwen. Kritoias gaat op de grond zitten zodat zij hem niet al een bedreiging ziet. Kritoias hoopt dat ze naar hem toe komt lopen, maar de nymf blijft in de bosjes zitten. Na een minuut of vijf ziet hij nog een nymf achter de andere verschijnen. Kritoias gebruikt een toverspreuk om beter te kunnen luisteren en concentreert zich op de geluiden die de nymfen maken. Het zijn bijzondere klanken, maar hij kan er geen taal in herkennen. Dan duwt de één de andere naar voren. De geduwde nymf valt bijna de open plek op, maar herstelt zich en loopt de ander achterna die in de bosjes is verdwenen. De leeuwen gaan er achter aan.
Als zijn wachtbeurterop zit maakt Kritoias Ruarc wakker. De laatste wachtbeurt van de nacht verloopt zonder bijzonderheden.
Omdat ze die nacht niet hebben gedroomd en ook geen teken van de godin hebben gehad besluiten Bartimeüs, Kritoias en Ruarc om terug te gaan naar het fort en via de rifts naar de hoofdstad te reizen. Dat lijkt hen veiliger dan te wachten tot de soldaten van de keizer Ruarc komen halen. Ze lopen door het bospad richting de weg van de poort naar Nymarc als Bartimeüs plotseling gekraak hoort in het bos. Hij probeert er naar toe te sluipen, maar blijft achter een struik haken en kan zich alleen met wat lawaai losrukken. Plotseling verschijnenerop ongeveer 25 meter afstand drie wezens uit de struiken. Het zijn een soort wandelen bomen. Bartimeüs staat voorop en één van de boompjes slaat hem vanaf een paar meter afstand met een arm die op een lange tak lijkt. Het wezen rent verder en valt Bartimeüs aan. Ruarc pakt zijn schild en probeert er één te kalmeren, maar zijn spreuk maakt geen indruk op de lopende bomen, net als de pijl van vuur die Ruarc op één van hen afvuurt. Bartimeüs slaagt er na de eerste overrompelende aanval van het boompje in om het initiatief te pakken en het boompje in de verdediging te dwingen. Ook Ruarc laat zich niet onbetuigt en slaat met grote regelmaat stukken bast van de boompjes af. Met Kritoias gaat het minder goed. Na een pijl van water die nauwelijks schade doet krijgt hij een harde klap op zijn kuit. Hij verplaatst zich magisch naar een plek vijf meter achter het boompje en zet daarna een muur van vuur achter het boompje neer. Dat schrikt hier wel van en blijft even besluiteloos staan tot hij zich omdraait om zijn vriend te helpen Ruarc aan te vallen. Kritoias maakt van die kans gebruik om een bliksem in het boompje te jagen. Het boompje is wel even verdoofd, maar echt veel schade lijkt de magie niet te doen. Dat geldt eigenlijk voor alle drie de boompjes, Bartimeüs en Ruarc slaan vaak raak, maar de wezens lijken wel van hout, want ze absorberen veel van de klappen die ze ontvangen. Gelukkig krijgen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc de overhand en na niet al te lange tijd liggen de wezens dood op de grond. Alleen Kritoias is lichtgewond geraakt. De anderen hebben alleen wat builen en schrammen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zetten hun reis voort naar het fort. Terwijl ze nog het nauwelijks herkenbare bospad naar de weg volgen ziet Bartimeüs daterop een tiental meters een hert met hen meeloopt naar beneden. Bartimeüs vindt dat bijzonder, kijkt nog wat beter en ziet dan dat er ook een tweetal leeuwen de heuvel afdalen en met hen meelopen. Ieder aan een andere kant van het pad. Bartimeüs gebruikt een spreuk zodat hij met de leeuw kan praten. Hij roept een welkomstgroet naar de leeuw, die hem even vreemd aankijkt, maar dan een stukje zijn kant op komt lopen."Waar gaan jullie heen?" vraagt Bartimeüs."Er gaat iets moois gebeuren." zegt de leeuw met een diepe stem.Bartimeüs kan het prima verstaan, maar Kritoias en Ruarc horen alleen wat gegrom."Ze is in de buurt. Voel je het dan niet?""Eh, ik voel wel iets, maar of dat het nu is?""Het is sinds een paar zonnen. Straks komt er iemand."Veel wijzer worden Bartimeüs, Kritoias en Ruarc er niet van."Misschien dat de godin komt?" oppert Ruarc, "dat past wel in het verhaal.""Dit is de werkelijkheid, geen verhaal." zegt Kritoias.Ze komen bij de weg aan en voor ze verder gaan lunchen ze met de harde worst die ze in het fort hadden gevonden.
Aan het einde van de lunch valt het Bartimeüs op dat er wel heel veel vogels langskomen en naar het noorden vliegen. Hij staat op, kijkt om een bocht in de weg heen en ziet dan dat zich duizenden vogels aan het verzamelen zijn bij de poort."Volgens mij gebeurt er iets bij de poort." zegt hij en wijst naar net noorden, "Het aantal vogels dat ik nu zie is geen natuurlijk verschijnsel meer."Kritoias en Ruarc pakken hun spullen en lopen naar Bartimeüs toe. Als ze naar het noorden kijken zien ze dat van alle kanten allerlei soorten vogels, roofdieren en prooidieren door elkaar, naar de poort vliegen. Dan valt hen op dat er door het bos ook allerlei dieren richting de poort lopen."Dit kan niet anders dan de godin zijn." zegt Bartimeüs, "laten we naar de poort gaan."Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zetten stevig de pas er in en merken al snel dat er ook dieren achter hen aanlopen over het pad.
In de verte zien Bartimeüs, Kritoias en Ruarc een naakte vrouw over het pad naar hen toelopen. Ze is niet bijzonder mooi, maar heeft een overweldigende uitstraling. Een draaikolk van vogels vliegt in de lucht om haar heen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc blijven staan en wachten. Als de godin in de buurt komt leggen ze hun wapens af."Vrees niet!" zegt de godin, "Het is moeilijk communiceren met jullie mensen."
Ruarc zit op een troon, zijn troon en aan zijn voeten liggen twee draken, zijn draken. Een bediende komt aanlopen door de grote zaal."Heer, er is een gast, moet ik hem binnen laten?"."Heeft hij een naam? Had je dat niet eerst moeten vragen?""Sorry heer, natuurlijk, natuurlijk.".De bediende loopt terug naar de poort. Ruarc vraagt zich af wie dat kan zijn. De tijd van audiëntie is al voorbij en hij vermaakt zich met zijn stamgenoten in de grote zaal, met muziek, dans en dams van plezier.
Bartimeüs en Kritoias staan vastgeketend bij een grote poort. De poort gaat open en een bediende opent opnieuw een kleine deur in de poort. Hij wisselt wat woorden met de man die buiten stond te wachten. De man duwt de bediende opzij en sleurt Bartimeüs en Kritoias aan hun kettingen mee naar binnen, een grote zaal in. Bartimeüs en Kritoias zien aan het einde een grote man op een troon zitten met twee draken ernaast. Als ze bij de poort aankomen spreekt de man op de troon."Gegroet, wie bent u?""Je kent me toch?" zegt de mooie jonge man met het donkere haar."Balbar! Wat kan ik voor je doen?""Je weet toch wat er gebeurd is? Dat ik een aanvaring met de godin heb gehad? Dat ging niet voorspoedig omdat jij me niet wilde helpen""Dat was ook niet de afspraak""Eens, maar onverstandig dat je niet naar me hebt geluisterd.""Jij moet nog veel leren. Ik weet precies waar ik mee bezig ben. Alles is onder controle.""Weet je zeker dat ze niet onderweg is hier naar toe? Ik weet dat ze bezig is met geupgrade versies van mensen""Dat is bruikbare informatie, dank je wel.""Hier, ze zijn voor jou." en Balbar schuift Bartimeüs en Kritoias naar voren.
De omgeving verandert. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zijn nu onderdeel van de erewacht van de godin. De god komt binnengestampt en komt verhaal halen."Je hebt wat uit te leggen!" zegt hij"Welkom, ook leuk dat je langskomt""Waar was je laatst?""Ik dacht dat Balbar je vriendje was?""Wat heeft hij gedaan?""Een kleine aanval. We moeten samen Balbar aanpakken.""Maar ben je nu zelf het pad ingeslagen? Waarom moeten we samen optrekken? Je overschat het gevaar van Balbar, omdat je er wat last van hebt.""Welk pad bedoel je?""Het upgraden van mensen!""Je kunt het me niet verbieden en wat als ik er mee doorga. Mensen zijn maar een onderdeel van het geheel. Als jij me niet wil helpen dan ga ik."
Opnieuw verandert de omgeving. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zijn in hun dorp dat bestaat uit volgelingen van de godin, de uitverkorenen. Vandaag worden er nieuwe stamleden verwacht die worden ontvangen met bloemen. Het dorp bestaat uit 100 tot 150 inwoners en vandaag komen er tien nieuwen. Dan ziet Bartimeüs in de verte iets aan komen vliegen. Eerst lijken het twee grote vogels, maar dan ziet hij dat het twee draken zijn. Kritoias ziet niets die heeft te veel mede gedronken. De draken duiken op het dorp neer en verwoesten het in een orgie van vlammen.
Dan staan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc in de zaal van de godin. Balbar is net binnenkomen lopen."Wat ik had verteld is uitgekomen. Hij is de heerser, niet de bondgenoot. Alleen kunnen we hem niet aan, we moeten samenwerken. We hebben wat onenigheid gehad."Daar ben jij mee begonnen. Maar zoals hij zich gedraagt kan niet, wat is je plan?""Ik heb wel reservetroepen, maar het is riskant. We moeten loyaal zijn en vechten."Laat me er over nadenken.""Goed, maar denk er aan. Hij is niet te vertrouwen. Hij heeft het hele volk uitgeroeid."
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc staan in een kleine ruimte en maken onderdeel uit van de inner circle van de godin."Vandaag zetten we het in werking. De god is niet gestopt met moorden." zegt de godin."Alleen kunnen we hem niet stoppen." zegt één van de vertrouwelingen, "maar vertrouw Balbar niet!""Jullie kennen het plan, het is heel riskant.""Ik zou het niet doen." zegt de rechterhand."Laten we starten" zegt de godin.Ze lopen naar het altaar met een schaal om bloed in op te vangen en een jonge vrouw die stond te wachten wordt meegenomen."Zijn jullie er klaar voor?" vraagt de godin, "Weten jullie waar je heen moeten.""Vertel het ons nog een laatste keer." zegt Ruarc."Ik zal mezelf opdelen. Ik ga naar Balbar, maar een belangrijk deel verstoppen we. Breng dat deel naar de Andani-node. Als het nodig is kan ik mij dan los van Balbar maken."De godin gaat op het altaar liggen en steek een dolk in haar borst. Ze vangt het het bloed dat uit haar borst spuit op in de schaal. De jonge vrouw moet het bloed opdrinken. Het lichaam van de godin wordt kleiner en kleiner totdat er een huilende baby overblijft.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen met de godin naar het houten fort van Balbar. Daar staan verwrongen gestalten, half mens en half klauw, de oorspronkelijke demonen."Welkom , welkom, kom toch binnen." zegt Balbar die de godin verwelkomt.In de zaal zien ze een troon geflankeerd door twee grote honden."Wat zie je er slecht uit!""Ik ben aangevallen door de god" zegt de godin."Grijp haar!" zegt Balbar plotseling en de demonen springen van alle kanten op de godin en haar metgezellen af. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc weren zich kranig maar worden gedood door de demonen. De godin wordt weggevoerd.Dan verandert het beeld opnieuw. Ze staan bij hun stamgenoten en zien Balbar en de godin staan. Het ziet er hetzelfde uit, maar dan moderner.
Dan staan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc weer op het pad met de godin."We gaan het plan in werking zetten. Jullie zijn de enigen die dit weten. Vindt mij in de Andani-node!"."Wij zullen er alles aan doen om u te helpen." zegt Kritoias.De godin draait zich om, loopt weg omringd door dieren en lijkt daarna in de lucht op te lossen.
"Op naar de Andani-node. Kunnen we op de kaart zien hoe we daar komen?" vraagt Kritoias."Volgens mij vier of vijf stappen." zegt Ruarc."Die Andani, zijn dat niet die vervelende types die de riftwalkers controleren?" vraagt Bartimeüs."Ja, nu je het zegt, lekker dat ze daar heen is gegaan, dat maakt het weer een eenvoudig verhaal." zegt Kritoias."Verhalen zijn mijn specialiteit." zegt Ruarc, "maar ik stel voor om de nacht in het fort door te bregen en morgenochtend de poort te openen.Ja, dan gaan we zien waar we uitkomen." zegt Kritoias
De nacht in het fort verloopt ongestoord. Er wordt door de heren zelfs niet gedroomd.
Na het ontbijt start Kritoias met een uitgebreid magisch ritueel dat moet helpen om de poort naar de juiste wereld te openen. Na een paar uur spreekt hij de spreuk uit en dan zien ze een andere wereld waar ook gebouwen staan."Dat lijkt niet de Vanyana-wereld." zegt Bartimeüs."Misschien juist wel, we weten niet via welke nodes in welke werelden we er precies zijn gekomen." zegt Kritoias."Er is maar één manier om er achter te komen en te gaan kijken." zegt Ruarc.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc stappen door de poort en onderzoeken de gebouwen in het fort. Die zien er verlaten uit. Ze beklimmen de toren van het fort en zien in de verte rook, veel rook."Dat ziet er vreemd uit." zegt Bartimeüs."Ik zal nog wat hoger vliegen om te kijken wat het is." zegt Kritoias.Als hij een paar honderd meter omhoog is gevlogen ziet Kritoias dat het groen dat ze hier nog in de omgeving zien kilometers verder overgaat in een brandende wereld."Dit is niet de juiste plek." zegt Kritoias als hij weer beneden bij Bartimeüs en Ruarc aankomt, "ik denk dat dit de Essence-wereld is, maar kan natuurlijk ook een subwereld zijn. Laten we snel verder gaan."Kritoias gebruikt opnieuw een toverspreuk om de poort te openen en dit keer zien ze een enkel torentje.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc stappen door de poort en zien naar het zuiden geen groot dal, maar vrijwel vlak terrein naar het zuiden. In het torentje vinden ze een tafel en een stoel van menselijk formaat."Dit ziet er uit als Vanyana-grensbewaking" zegt Bartimeüs."Dat is hoopgevend." zegt Ruarc, "op naar het zuiden"
Ze lopen over een pad door het bos als ze net na het middag uur vertrekken. Een paar uur later wordt het bos minder dicht. De bossen zelf zien er net zo uit als in hun eigen wereld, het verschil is nauwlijks op te merken."Ik kan natuurlijk ook path lore gebruiken om te kijken waar dit pad uitkomt!" zegt Bartimeüs, "dat ik daar niet eerder aan het gedacht.""Goed idee" zeggen Kritoias en Ruarc.Bartimeüs gebruikt zijn toverspreuk en ziet dat het pad uitkomt bij een dorpje.
Na nog een paar uur lopen, bij de start van de avond zien Bartimeüs, Kritoias en Ruarc een verzameling langgerekente huisjes in de verte. Er komt rook uit de schoorstenen en de huisjes zijn prachtig versierd met gekruld houtwerk en doen denken aan huisjes bij dorpen in de buurt die ook met vakwerk zijn gemaakt. In het midden staat een groot dorpshuis en er omheen staan ongeveer twintig huizen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen het dorp binnen en worden door de inwoners begroet. Dit zijn geen Vanyana-soldaten, maar eenvoudige boeren. Ruarc voert het woord want Bartimeüs en Kritoias verstaan er niets van. Hij vraagt of zij de Andani zijn, want daar zijn ze naar op zoek. Het verhaal is dat Theolin hen gestuurd heeft om een boodschap over te brengen naar de Andani. De Vanyana zeggen dat ze een afgesloten gemeenschap zijn, ver van alle ellende. Ze wonen op twee dagreizen van de volgende poort en verder komen ze eigenlijk ook niet. De Vanyana zijn gastvrij en nodigen hen uit mee te eten en te blijven slapen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc genieten van een heerlijke soep. Tijdens het eten vertellen de Vanyana dat zij hierheen getrokken zijn vanwege de oorlog. Dit is het eindpunt van de de rifts.
Tijdens de wacht van Kritoias klinkt er plotseling gegil in het dorp. Kritoias maakt de anderen wakker en geeft hemzelf en Ruarc nachtzicht. Bartimeüs regelt dat zelf. Dan rennen ze naar het huis waar het gegil vandaan is gekomen. Door de deuropening zien ze een hondachtig wezen dat al enkele slachtoffers heeft gemaakt. Het is haarloos met een olieachtige huid en grote spieren. Ruarc praat het op beest in dat hierdoor helemaal versuft raakt. Bartimeüs en Kritoias slaan vervolgens op de hond totdat hij dood neervalt."Hebben jullie dit beest ooit eerder gezien?" vraagt Ruarc aan de verzamelde Vanyana."Nee, dit is helemaal nieuw voor ons!""Ik denk dat het wezen ons is gevolgd vanaf de poort." zegt Bartimeüs, "hoewel dat wel overdreven lijkt."Hij gebruikt een spreuk om het spoor van de hond te volgen en dat loopt via de bosrand terug naar het pad waarop Bartimeüs, Kritoias en Ruarc het dorp zijn binnengewandeld.
Als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc terugkomen in het dorpje is iedereen wakker en in diep rouw door de slachtoffers van de aanval door de hond. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc praten met de inwoners en van slapen komt het die nacht niet meer. De bewoners willen hen wel helpen verder te reizen en Osindor, een jonge man, zal met hen meereizen naar de volgende rift.
Na het ontbijt vertrekken Bartimeüs, Kritoias en Ruarc samen met Osindor naar de volgende rift die twee dagen lopen is. Osindor is een rustige, wat stille man die de omgeving goed kent omdat hij regelmatig op pad gaat om te jagen. Hij heeft nu niet veel te doen, omdat het niet het seizoen is om te jagen omdat de dieren nu jongen hebben. De rest van de dag verloopt rustig
De nacht verloopt rustig. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc houden wacht, maar er gebeuren geen bijzondere dingen.
De volgende dag lopen ze verder naar de rift."Zijn er grenzen aan jullie gebied?" vraagt Ruarc aan Osindor."We gaan meestal niet verder dan 4 dagen reizen""En verder hebben jullie alleen contact via de rift?""Ja, soms komen er handelaren met goederen waar we mee ruilen."Een paar uur later ziet Ruarc plotseling iets glinsteren aan d erandd van het pad. Het is een gouden hanger die een beetje de grond in is getrapt en het plaatje erboven waaide net opzij. Ruarc bukt en pakt de hanger op."He, wat is dit nou?" zegt Ruarc, terwijl hij de hanger bestudeert."Wat heb je daar?" vraagt Bartimeüs."Een soort gouden hangertje, maar er staat ook iets op. Het teken van Balbar! Osindor, zegt dit teken je iets?"Osindor neemt de hanger van Ruarc aan en bekijkt hem."Nee, zegt me niets. Hoe kom je hier aan?""Die lag hier op de grond." zegt Ruarc, "Komt hier wel eens iemand langs?""Nee, eigenlijk niet, alleen handelaren die door de rift naar ons toekomen.""H'm, ik had niet verwacht om een Balbar-cultus bij de Vanyana aan te treffen." zegt Kritoias."Nee, dat is geen goed teken, maar misschien niet heel verrassend dat onze grote vriend ook hier zijn tentakels heeft uitgestrekt." zegt Bartimeüs.Aan het einde van de middag komen ze aan bij de rift. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc blijven graag nog een nacht hier slapen voor ze verder gaan.
De nacht verloopt rustig. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc houden wacht, maar er gebeuren geen bijzondere dingen.
De volgende ochtend nemen ze afscheid van Osindor. Na een stevig ontbijt opent Kritoias de rift naar de volgende wereld. De weg waar ze op lopen loopt gewoon door. Na een tiental meters concentreert Bartimeüs zich en zegt dan: "Deze weg gaat naar een fort toe, misschien iets dat het pad bewaakt."Al snel blijkt dat hij gelijk heeft want als ze een bocht in het pad gepasseerd zijn komt vanachter de bomen een kleine fort te voorschijn. Het is een toren van een paar verdiepingen waar op het uitkijkplatform een blauwe vlag wappert. De toren ligt aan de weg en aan de andere kant staat een soort barak. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc willen zich nog snel verstoppen, maar zijn al gezien en er komen een drietal Vanyana hun kant op."Gegroet, vreemdelingen, waar komen jullie vandaan?" zegt één van hen in het Vanyana's."Wij volgen het pad" zegt Ruarc."Wie zijn jullie?""Ik ben Ruarc en dit zijn mijn neven Bartimeüs en Kritoias""Wat komen jullie hier doen?""Wij komen een booschap brengen voor de Andani.""Ok, waarom lopen jullie dan zo zwaarbewapend rond?""Het kan best gevaarlijk zijn" zegt Ruarc."Allemaal goed en wel, maar waar is jullie riftwalker?""Dit is achtergebleven. Hij heeft de rift opengemaakt en is toen achtergebleven omdat hij nog iets moest doen.""Wie van de andanie willen jullie spreken?""Eh, de leider van de Andani, het is een belangrijke booschap.""Ok, kom maar mee naar de kapitein."
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen met de Vanyana mee naar de houten toren. Boven op de toren hangen de kleuren van de Vonadon, dezelfde clan die eerder een poort voor hen had geopend. Bij de barak lopen tussen de veertig en vijftig Vanyana rond. Een aantal van hen heeft verband om armen en benen."Het lijkt erop dat ze gevochten hebben!" zegt Bartimeüs."Met wie?" zegt Ruarc, "met andere Vanyana, of met de Olcar?"De leider van het groepje Vanyana klopt op de deur en een Vanyana met mooiere kleding opent de deur. Ze wisselen wat woorden in het Vanyana. Ruarc begrijpt dat de kennelijke sergeant aan zijn kapitein uitlegt wie hij heeft gevonden."Onverwacht bezoek van mensen" zegt de kapitein in de taal van de neven met een zwaar accent, "Jullie hebben een boodschap voor Ameodador?""Wie?" vraagt Bartimeüs."Ameodador, het stamhoofd van de Andani""O, ja, dat klopt." zegt Bartimeüs, "Een belangrijke boodschap van Theolin""Wie was de riftwalker die jullie hierheen heeft gebracht? Heeft hij jullie soms geld gevraagd?""Zjn naam was Zomador, hij was bij ons in de prinsdommen. Hij heeft inderdaad geld gevraagd en liet ons een kaart zien hoe we bij het stamhoofd konden komen.""Dan vrees ik dat jullie zijn bedrogen, want het is zeer ongebruikelijk dat mensen hier heen reizen. Wie is die Theolin?""Een aartsdruïde" zegt Ruarc, "wij weten niet precies wat er in de brief staat, maar het schijnt iets te maken te hebben met Kalkaris.""Jullie hebben in die zin geluk, want we gaan de rift hier sluiten.""O, waarom is dat dan?" vraagt Kritoias."Er komen wezens door de rifts en dat is te gevaarlijk.""Wat gebeurt er dan met de Vanyana aan de andere kant van de rift?" vraagt Bartimeüs."Die moeten kiezen of ze willen blijven of terugkomen. Ik moet jullie ook verzoeken om hier te blijven om te wachten op de Andani, die komen over een paar weken. Zij zullen met jullie praten besluiten wat er gedaan moet worden. Waar is eigenlijk jullie riftwalker?""Die is terug naar de prinsdommen." antwoordt Kritoias, "Wij vinden het uiteraard geen probleem om te blijven. We slaan ons tentje wel op naast de barak."
Terwijl ze weglopen komt een andere soldaat aanlopen. Kritoias zorgt ervoor dat Ruarc beter kan horen. Die hoort dat de verwondingen van de soldaten door een groep Vanyana komen, de Zahanja die aanhangers zijn van Soha, de slechterik. Hij leert ook dat de Vanyana het idee hebben dat de godin is verdwenen.
"Hoe lang gaan we hier blijven?" vraagt Bartimeüs."Het is handig om in ieder geval hier de nacht door te brengen." zegt Ruarc, "anders gaan ze meteen achter ons aan. We worden trouwens wel in de gaten gehouden. Er letten steeds twee of drie Vanyana op ons. Ik denk ook dat ze hier twee riftwalkers hebben.""Ik heb even gekeken waar deze weg heen loopt en die gaat naar een dorpje. Misschien weten ze daar waar de volgende rift is."We moeten wel een heel goed verhaal hebben naar mate we door meer rifts gaan." zegt Kritoias, "het begint ongeloofwaardig te worden dat we hier zonder riftwalker rondlopen."
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc brengen de dag door bij hun tentje aan de zijkant van de barak, eten mee en zien dat de soldaten met elkaar spellen spelen om geld, een soort glimmende groenen vierkante stenen met een gat er in. Voor ze gaan slapen betovert Kritoias Bartimeüs's boog.
Aan het einde van de nacht merkt Ruarc op dat er iemand rond de barak sluipt. Hij maakt Bartimeüs en Kritoias die in de tent liggen wakker. Dan horen ze hoe twee Vanyana worden neergeschoten. Kritoias maakt een onzichtbaar schild en Bartimeüs geeft zichzelf nachtzicht. Kritoias doet hetzelfde met zichzelf en Ruarc. Ze blijven nog even achter de barak verstopt zitten en horen hoe de Vanyana de barak uit komen. Daar had een tovenaar op gewacht want plotseling is er een grote ontploffing van een vuurbal. Kritoias maakt Bartimeüs onzichtbaar die op onderzoek uitgaat. Een aantal van de Vanyana die aan de andere kant de barak uit kwamen lopen zijn door een vuurbal getroffen.Bartimeüs sluipt onzichtbaar verder en ziet even later drie Vanyana door de struiken naar de weg lopen. Hij volgt ze en ziet dat één van de Vanyana regelmatig achterom kijkt."Die heeft ook nachtzicht." denkt Bartimeüs.Na een tijd lopen gaan de drie man van het pad af en voegen zich bij een aantal wachtende Vanyana. Er gaat gejuich op en de Vanyana geven elkaar high fives. Bartimeüs verstopt zich op ongeveer 30 meter in de struiken en heeft van daaruit goed zich op de tovenaar."Je tijd ziterop klootzak" mompelt hij en richt zijn pijl en boog op de tovenaar die in een opperbeste stemming verkeert.De inslag van de pijl in zijn schouder ontlokt hem een kreet van pijn. De overige Vanyana kijken verschrikt op en hebben geen tijd om te reageren voor een tweede pijl zich in de rug van de man boort die in elkaar zakt.Bartimeüs wacht het vervolg niet af en rent er vandoor.
Het is al bijna ochtend en de situatie in het kamp is bedrukt. De kapitein stuurt een groepje soldaten met een riftwalker op pad om te gaan rapporteren over de aanvallen.Bartimeüs oppert dat hij misschien de spoorzoekers van de Vanyana wel kan helpen om de sporen van de daders te vinden. Hij neemt ruim de tijd om naar de plek toe te lopen waar de Vanyana de weg zijn opgekomen.De kapitein is blij als hij hoort dat de sporen gevonden zijn en vindt het prima als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc meegaan om de Zahanji te bestrijden. Hij stuurt een zestal soldaten met hen mee.Bartimeüs gebruikt zijn krachten om het spoor beter te kunnen volgen en de groep gaat op pad. Na een tijd over de weg te hebben gelopen stopt het spoor. Bartimeüs kijkt nog een goed en ziet dan dat de aanvallers links de bosjes in zijn gegaan. Daar loopt een pad dat door dieren en nu dus ook door de aanvallers wordt gebruikt. Ruarc zorgt ervoor dat niemand buiten een paar meter hen kan horen en ze sluipen met zijn allen één voor één over het pad met Bartimeüs voorop.
Na een half uur lopen eindigt het pad bij een struik. Bartimeüs vertrouwt het niet helemaal, gaat terug naar de anderen om te overleggen en benadert dan voorzichtig de struik. Hij gebruikt een goddelijke gave en komt er achter dat er een alarm afgaat als je de struik beweegt. Er zitten metalen plaatjes op die gaan rinkelen. Bartimeüs rolt de struik heel achtjes weg en sluipt vooruit. Hij ziet een tiental meters verder drie Vanyana bij een tent zitten met voor hen op de grond het lichaam van de tovenaar. Bartimeüs gaat weer terug naar de groep en ze besluiten tot een verrassingsaanval. De Vanyana gaan voorop, maar zijn matig succesvol. Een van hen struikelt, maar de anderen weten de aanvallers wel te verrassen. Bartimeüs rent met hen mee en slaat door het tentdoek heen op twee andere aanvallers die daar laten te slapen. Kritoias en Ruarc houden van een afstand de omgeving in de gaten. De strijd is kort en oneerlijk. Bartimeüs slaat in zijn eentje twee man in het tentje tot moes en de soldaten rekenen met de aanvallers af.
Een korte inspectie van het kamp laat zien dat de Zohanji hier al een tijdje zitten en niet van plan waren op korte termijn weg te gaan. Er is voldoende voedsel aanwezig. Ook vinden ze wat groene munten en een ketting met het teken van Balbar. De soldaten willen direct terug naar de barak om verslag uit te brengen, maar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc denken dat er nog meer zouden kunnen zijn. Dat weten ze natuurlijk van de observaties van Bartimeüs die nacht, maar kunnen ze niet zeggen tegen de soldaten. Ze verstoppen zich tot het middaguur in de bosjes, maar de vier missende aanvallers laten zich niet zien. Bij het verlaten van de open plaats rolt Bartimeüs het bosje terug en plaatst daar een eigen val bij. Op de plaats waar het pad bij de weg aankomt kijkt Bartimeüs wie er allemaal langs is gekomen en ziet dat er vier man doorgelopen zijn de weg af.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen met de soldaten terug naar het kamp en melden zich gelijk bij kampbaas Deander. Bartimeüs doet verslag van de achtervolging want Deander spreekt aardig de taal van het keizerrijk."Moeten we nog achter ze aan?" vraagt Bartimeüs als hij afsluit met de mededeling dat vier van de Balbar Vanyana naar het noorden de weg af zijn gelopen."Nee, die zijn toch al lang weg" zegt Deander."Wanneer zijn die aanvallen begonnen?" vraagt Kritoias."Een paar weken geleden." zegt Deander, "maar wie is toch die Balbar?""Hebben jullie geen ontstaansmythe met de god, de godin en de vreemdeling?" vraagt Ruarc, "die ook wel eens de handelaar kan zijn?""Zo goed zit ik niet in de religie, maar wij kennen alleen de god en de godin.""Hoe nu verder?" vraagt Bartimeüs."Die Zohanji kunnen niet ontsnappen, want ik heb de heer van het kasteel geïnformeerd en dat zal ervoor zorgen dat de beveiliging van de rift wordt opgevoerd." zegt Deander, "wij wachten dan op de komst van de Andani.""Wanneer verwacht je die?" vraagt Kritoias."Ik denk over een paar weken.""Is dat kasteel eigenlijk ver weg?" vraagt Bartimeüs."Nee, dat valt wel mee, ongeveer een dagreis lopen.""Dat is best dichtbij" zegt Bartimeüs, "wij gaan terug naar ons tentje.""En als er iets is waarbij we kunnen helpen doen we dat graag hoor" zegt Kritoias ter afsluiting
Ook in het kamp heeft Deander de bewaking flink opgevoerd. Bijna elke Vanyana staat opwacht, maar hun focus ligt gelukkig helemaal naar de omgeving. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc spreken af om er 's avonds vandoor te gaan en te kijken of ze bij het kasteel de rift kunnen vinden om er de volgende nacht ongezien doorheen te kunnen gaan.Na een lekker avondmaal met een goed lapje vlees maken Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zich op voor hun vlucht. Tegen een uur of elf zorgt Ruarc voor een illusie van het tentje, dat net wat groter is en een stiltezone om hen heen. Bartimeüs en Kritoias breken het tentje af en pakken het in. Bartimeüs zorgt ervoor dat hij zelf 's in het donker kan zien en Kritoias doet dat voor hemzelf en Ruarc. Als ze klaar zijn om weg te gaan maakt Kritoias een onzichtbaarheidsbubbel en ze steken schuin van de barak weg om zo tussen twee wachten door te ontkomen. Ruarc let meer op naar waar hij naar toe moet gaan dan waar hij zijn voeten neerzet en schopt een gevulde piespot omver. Die rolt van een hellinkje af en knalt met een dreun tegen de houten wand van de barak aan. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc houden de adem in, maar de Vanyana lijken wel doof, of ze zijn zo gefocussed op de omgeving dat niemand omkijkt. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan er nu wel stilltjes vandoor.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc verwachten niet veel verkeer en lopen over de weg verder naar het noorden, want zo kunnen ze wat snelheid maken. Af en toe horen ze dieren en er vliegt een keer een nachtuil over. Na een uur of vier lopen besluiten ze om toch maar te gaan rusten. Bartimeüs gebruikt een spreuk om een onderkomen te vinden en voelt gelijk waar het stadje met het kasteel is. Gelukkig vindt hij op 200 meter al iets. Hij is al uit de onzichtbaarheidsbubbel gekomen en sluipt extreem stil naar het onderkomen toe waardoor hij zelfs een aantal wilde dieren verrast. Eenmaal dichterbij gekomen ziet hij dat het een boswachtershutje is. Bartimeüs sluipt naar de deur en luistert aandachtig. Als hij ervan overtuigd is dat er geen geluiden uit het hutje komen opent hij zachtjes de deur. Het kleine hutje is op het spaarzame meubilair leeg. Er staat een tafel, twee stoelen, een plank waar je op kan slapen en een rek voor een boog. Snel loopt Bartimeüs terug naar de anderen en even later installeren ze zich voor de rest van de nacht.
Kritoias is nog steeds onzichtbaar en gaat voor zijn wachtbeurt buiten naast de deur tegen het hutje aanzitten. Op een gegeven moment hoort hij in de verte geschreeuw en gekraak in de bosjes. Hij roept naar Bartimeüs en Ruarc, die wakker worden en zich gereedmaken voor een eventuele strijd. Dan ziet Kritoias een Vanyanavrouw uit de struiken komen in nachtkleding met een bloedende wond aan haar arm, gevolgd door twee kinderen."Hier is het!" zegt de vrouw, "hier zijn we veilig."Kritoias houdt er rekening mee dat er iets achter de vrouw aan kan komen en klimt op het platte dak van het hutje, terwijl de vrouw de deur open doet en naar binnen stapt. Zij schreeuwt het uit van de schrik als ze daar de zwaar bewapende Bartimeüs en Ruarc aantreft."Rustig maar, wij hebben geen kwaad in de zin!" probeert Ruarc de vrouw te kalmeren.Als de kinderen ook binnen zijn gekomen doet de vrouw snel de deur dicht."Pas op, ze zitten nog achter ons aan!""Wie?" vraagt Ruarc."Monsters!"
Bartimeüs pakt intussen een verband en gebaart de vrouw dat hij haar wond wil verbinden. Na enig aarzelen stemt de vrouw daarmee in. Dan klinken er plotseling drie bonzen op het dak. De vrouw kijkt verschrikt omhoog en de kinderen beginnen te huilen."Wat is dat? Zijn dat de monsters?" roept ze angstig."Nee, dat is onze vriend Kritoias die op het dak zit." zegt Ruarc, "zo te horen ziet hij drie monsters."Bartimeüs opent een van de luiken op een kier en kijkt naar buiten waar hij nog net drie apen die aan kwamen lopen op de grond ziet zakken."Het probleem lijkt opgelost." zegt hij en loopt met zijn magisch gemaakte bijl naar buiten om de drie aapdemonen die op de grond liggen te slapen te onthoofden.
"Wat is er gebeurd?" vraagt Ruarc."Het was midden in de nacht" vertelt de vrouw, "plotseling hoorden we lawaai om de boerderij en begonnen er monsters met vreselijke klauwen op de deuren te bonzen. Ik ben met de kinderen via een raam gevlucht, maar mijn man is daar nog.""Dan zijn ze waarschijnlijk dood" zegt Ruarc."Nee" zegt de vrouw en de kinderen beginnen te huilen."Het hoeft natuurlijk niet" vertaalt Ruarc de woorden van Bartimeüs, "het kan best zijn dat ze zich verstopt hebben. Hoe ver is het hiervandaan?""We hebben een half uur door het donker gerend." zegt de vrouw."Rennen lijkt me nu geen goed idee nu je arm is verbonden, maar we moeten wel op weg, misschien dat we ze nog kunnen helpen." zegt Bartimeüs.
Na een half uur door de struiken en bossen te hebben gelopen bereiken Bartimeüs, Kritoias en Ruarc samen met de vrouw en de twee kinderen de rand van een akker waar het graan al tot schouderhoogte komt. Aan de andere kant van het veld is een kleine boerderij te zien met aan de zijkant een schuur. Ze luisteren aandacht, maar het is heel erg stil. Voorzichtig sluipen ze door het graanveld naar de voordeur van de boerderij die open blijkt te staan. Vlak voor de geopende deur liggen de restanten van een hond. Een van de kinderen barst in snikken uit. Bartimeüs zorgt ervoor dat hij in het donker kan zien en sluipt met getrokken boog naar de deur toe. Diepe krassen in het hout verraden dat de aapdemonen hier bezig zijn geweest. Als Bartimeüs naar binnen kijkt ziet hij in het midden van de kleine kamer een uiteengereten lichaam liggen."Dit ziet er niet goed uit." zegt Bartimeüs, "misschien is het beter als ze niet kijkt."Maar de vrouw laat zich niet tegenhouden en loopt naar de deuropening."Het is de knecht!" zegt ze.Als Ruarc dat heeft vertaald gaan Bartimeüs en Kritoias op zoek naar de boer. Kritoias loopt naar de schuur en ziet dat daar de deuren ook open staan. Hij verzamelt energie om snel een zware spreuk te kunnen gebruiken en ziet dan dat er ook hier een lichaam op de grond ligt. Het is eveneens zwaar toegetakeld, maar ligt in een cirkel."Nog een lichaam!" roept Kritoias naar Bartimeüs en Ruarc, "er ligt hier een oproepingscirkel, net zoals we in Izendaal hebben gezien. Als dit de boer is, dan heeft hij de demonen hier opgeroepen.""Hoe heeft hij dat dan gedaan?" zegt Bartimeüs die aan is komen lopen."Met deze scroll" zegt Kritoias, "althans met de spreuk dieerop stond, want nu is hij leeg.", die een stuk perkament uit de handen van het lichaam trekt."Kijk, hij heeft ook zo'n gouden Balbarkettinkje." zegt Ruarc.De vrouw komt binnen en herkent direct haar man en stort in. Haar man had geen bijzondere dingen. Er kwamen wel eens wat mannen die zij niet zo aardig vond, meestal rond de oogsttijd, maar verder was hij een goed echtgenoot.
Ruarc vraagt door wanneer die mannen ervoor het laatst waren en dat blijkt eergisteren te zijn geweest. Het zijn dus niet de Zohanji die terugkeerden naar de stad. Kritoias zoekt naar verborgen spullen in de schuur, maar hij kan niets vinden. Bartimeüs checkt nog even hoeveel aapdemonen er zijn geweest en volgens zijn spreuk zijn waren het er niet meer dan drie.Ruarc vraagt wat de vrouw nu wil gaan doen, maar ze is een beetje in shock. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc helpen haar om de lichamen van haar man en de knecht te begraven. Dat bijzondere gebruik kost best wel wat tijd en het is al licht als ze er mee klaar zijn. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc nemen afscheid van de vrouw, wensen haar het beste en lopen naar de weg om verder te reizen naar het stadje en de rift.
Het mooie weer van de afgelopen tijd is nu wel voorbij .Het is bewolkt en het ziet er naar uit dat het kan gaan regenen. Het is nog bijna een halve dag lopen naar het stadje en ze zien in het verloop van de reis steeds meer boerderijen langs de door de heuvels slingerende weg liggen. Het is niet bijzonder druk op de weg. Er gaan wel een aantal boeren naar de stad, maar van de andere kant gaat bijna niemand naar het fort. Dat komt Bartimeüs, Kritoias en Ruarc goed uit, die zowel aan de voor- als aan de achterkant minimaal honderd meter naar de eerstvolgende reizigers als afstand aannemen. Daardoor kunnen de andere reizigers eigenlijk niet zien dat ze geen Vanyana zijn.
Rond het middaguur zien ze in de verte een kasteeltje op een heuvel liggen. Het heeft wel iets weg van het kasteel van Montevest, maar is wel iets kleiner. Onder aan de heuvel zijn talloze huizen gebouwd, maar zonder beschermende muur. Ruarc probeert met een spreuk een grote rift te ontdekken, maar die is hier niet in de buurt."Het moet een kleine rift zijn, dat is vervelend, want die kan ik niet zo opsporen." zegt Kritoias."Lekkere spreuken heb jij" zegt Bartimeüs."Ja, helaas, maar ik denk dat we van een afstand wel kunnen zien waar de rift is. Het kasteel is hier niet voor niets gebouwd." zegt Kritoias, "als we om het stadje heen cirkelen kunnen we vast wel zien waar de rift is.""Moeten we niet wachten tot het donker is?" vraagt Ruarc."Dan worden we inderdaad niet gezien, maar kunnen we de rift ook pas zien als we er heel dichtbij zijn." zegt Kritoias, "ik verwacht dat de rift aan een andere uitvalsweg uit het stadje ligt, dus als we er omheen lopen moeten we hem wel vinden.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc verlaten de weg en lopen de door de akkers heen in een boog om het stadje heen. Na ongeveer een kilometer komen ze bij een weg die naar het oosten leidt."Tja, en nu?" zegt Kritoias."Daar weet ik wel iets op." zegt Bartimeüs en mompelt iets en maakt wat bewegingen, "deze weg gaat naar een dorpje, niet naar een rift.""O ja, goed gedaan!" zegt Ruarc, "verder dan maar."
Ze volgen de heuvel en lopen op een paar honderd meter van de muur van het kasteel. Dan zien ze in de verte, op een afstandje van het stadje een aanfal huisjes naast een open plek in het bos. Er naast staat iets wat op een fortje lijk. Ze zien ook beweging."Aha, daar zal het zijn." zegt Kritoias, "je zet hier niet een fortje neer als je ook een kasteel hebt. Als wij ons hier in deze greppel met bosjes verschuilen, kan jij dan een kijkje nemen Bartimeüs?""Natuurlijk, maar niet zo" zegt Bartimeüs, terwijl hij met zijn handen naar zichzelf wijst."Nee natuurlijk niet," zegt Kritoias en maakt Bartimeüs weer eens onzichtbaar.Bartimeüs sluipt tussen de struiken en bomen naar de open plek. Daar ziet hij dat er een aantal herbergen staan die netjes zijn omringd door lage hekjes. Er staan ook een aantal pakhuizen en verscheidene wagens met ingespannen paarden waar Vanyana omheen lopen.Bartimeüs loopt terug en brengt verslag uit, waarna ze besluiten om in de greppel te gaan slapen tot het nacht is.
Als het donker wordt gaan er lichtjes bij de herbergen aan en een licht zomerbriesje voert de klanken van muziek en gezang hun kant op. Ze wachten nog een tijd en op een gegeven moment klinkt er een bel en verstomd de muziek. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc sluipen in het donker naar de open plek waar ze een rift verwachten. Ze moeten nog even inhouden, want een bewaker met een lantaarn maakt zijn ronde over de open plek. Al snel keert hij terug naar het poortgebouw en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen de open plek op. Kritoias gebruikt een aantal spreuken om de rift te ontdekken en de kenmerken te leren. Dan probeert hij de rift met een spreuk te openen, maar hoewel hij de alles goed doet voelt hij niet dat de rift open gaat."Shit, het werkt niet, het voelt anders aan." zegt Kritoias."Wat dan?" vraagt Bartimeüs."Ja, dat weet ik ook niet precies." zegt Kritoias, "gewoon anders. Ik denk dat ze een soort slot op de deur hebben gezet of zo.""Dat is niet zo mooi." zegt Ruarc."Nee, dan moeten we wachten tot zij hem openmaken en meelopen. Ik maak ons alle drie onzichtbaar en dan wachten we hier net buiten de open plek tot er een riftwalker komt."
Als Bartimeüs wacht houdt ziet hij af en toe de man met de lantaarn een rondje maken. Deze keer valt hem op dat er een schaduw wegglipt als de wachter aan komt lopen. Snel maakt hij Kritoias en Ruarc wakker en sluipt dan richting de schaduw. Hij ziet dat een Vanyana zich schuil houdt in de bosjes en hij houdt de open plek in de gaten. Als de wachter met de lantaarn terug is gelopen wacht hij nog een tijd en loopt dan voorzichtig naar de plaats waar de rift is. Hij bukt en bekijkt de grond aandachtig. Hij lijkt iets te zien en loopt richting de plaats waar Kritoias en Ruarc op het gras zitten terwijl hij de steeds aandachtig de grond bestudeert. Kritoias en Ruarc blijven doodstil zitten terwijl de man bijna over hen struikelt, maar hij lijkt nog steeds niets door te hebben. Aan zijn gezichtsuitdrukking te zien snapt hij helemaal niets van de sporen op de grond. Bartimeüs ziet dat hij geen gouden Balbar-kettinkje om heeft.
Na zeker tien minuten zo gestaan te hebben loopt de Vanyana naar de herbergen en loopt vandaar terug naar het stadje. Hij heeft donkere kleding aan en zorgt ervoor steeds in de schaduwen te blijven. Bartimeüs volgt hem op de voet. De Vanyana loopt tussen de huizen door, slaat een steegje in en stopt dan bij een huisje. Hij klopt op de deur en stapt naar binnen. Bartimeüs loopt er naar toe en luistert of hij wat binnen hoort en jawel hoor. Hij hoort twee mannen die nogal geagiteerd met elkaar praten. Na een tijdje komt er een vrouw die iets zegt, afgesnauwd wordt en dan weer terug loopt de trap op. Bartimeüs heeft genoeg gehoord en loopt terug naar Kritoias en Ruarc.
De rest van de nacht is zonder incidenten verlopen en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc genieten die ochtend van een paar droge worstjes als ontbijt. Dan zien ze een groepje soldaten over de weg aan komen lopen. Aan de kleding te zien is er ook een riftwalker bij. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc wachten rustig af om te zien hoe snel ze de rift open maken, maar de riftwalker maakt geen aanstalten. Sterker nog een paar van de soldaten bekijken de grond en beginnen met elkaar te praten. Kritoias versterkt Ruarc's gehoor zodat hij de mannen van ongeveer dertig meter afstand kan volstaan."Zo te zien zijn de Zohanji hier gekomen en hebben ze geprobeerd de rift te openen." zegt één van de mannen."Ja, ze wilden ontsnappen, maar ons plan heeft gewerkt. Ze moeten in paniek zo'n stomme fout hebben gemaakt.""Ik dacht dat we al hun riftwalkers hadden opgespoord?""Ja ik ook, maar dit bewijst dat er nog één rondloopt."De mannen beginnen nu richting Bartimeüs, Kritoias en Ruarc te lopen die denken niet zo gelukkig te zijn als afgelopen nacht en ze beginnen om de open plek heen te lopen.
"Wat? Brutale apen!" zegt één van de soldaten die de sporen volgt. Hij kijkt op en spiedt spichtig in het rond."Deze sporen zijn zo vers, ze moeten in de buurt zijn. Kijk, hier hebben ze zojuist gelegen. Waar zijn ze heen gegaan? O, hier. Nou ja, het gras komt hier net omhoog. Hoe kan dat?"De soldaten volgen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc om de open plek heen. Kritoias stelt voor om terug te lopen naar de plaats waar ze eerst zaten, maar Bartimeüs heeft een beter idee."Laten we naar het huis in de stad lopen, kijken wat er dan gebeurd!"Kritoias en Ruarc vinden dat een fantastisch plan en ze lopen ongeveer vijftig meter voor de achtervolgende soldaten uit het stadje in. Af en toe horen ze van achteren kreten van ongeloof. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc komen zonder tegen iemand aan te botsen bij de achterdeur aan. Daar verplaatst Kritoias ze alle drie achter elkaar naar een niet in de loop liggend stukje van de steeg met goed uitzicht op de deur.
De soldaten komen al snel bij de deur aan."Wie woont hier?" vraagt één van hen."Dit is de achterdeur van de bakker, Firmandor""Dat is bizar" zegt een andere soldaat.De eerste soldaat bonst op de deur."Waarom doe je dat? Het is de bakker!""Ze zijn toch echt hier naar binnen gegaan. Hij moet er meer van weten!"Een vrouw met witte handen van het meel doet de achterdeur open. Ze schrikt als de soldaten ziet."Waar is Firmandor?" vraagt de soldaat."In de winkel" zet de vrouw."Wie is hier zojuist binnengekomen?" vraagt een andere soldaat?"Wat?" stamelt de vrouw, "Niemand, hoe zo?""Laat je voeten eens zien!" beveelt de soldaat."Kom op, naar binnen" zegt een soldaat die de leiding lijkt te hebben. De mannen dringen de bakkerij binnen en sluiten de deur.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen terug naar de open plek met de rift. Daar is het heel druk, maar niet met Vanyana die door de rift gaan."Nee, de rift gaat niet open!" zegt de riftwalker die geflankeerd wordt door een aantal soldaten tegen een groep handelaren die zich bij de rift heeft verzameld."Maar deze goederen moeten er doorheen!" zegt een handelaar."Sorry, op last van de heer blijft de rift gesloten. Er is een dreiging van opstandelingen en het is te gevaarlijk de rift te openen. Pas als Modo hun leider is gepakt wil de heer overwegen de rift weer te openen."
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc overleggen een stukje verderop zodat niemand hen kan horen. Het wordt best lastig om Modo te vinden, want Bartimeüs en Kritoias verstaan helemaal niemand, dus komt het op Ruarc neer. Ze verdelen de taken: Ruarc gaat rondlopen in het stadje en luisteren naar de verhalen van de inwoners, Bartimeüs gaat een onderkomen in de omgeving zoeken en Kritoias zal omhoog vliegen om te kijken wat er nog meer in de omgeving is. Kritoias stijgt vrijwel direct op en ziet hier in de buurt niet veel bos, in de richting van de andere rift zijn er nog meer boerderijen. Het is wel een bevolkte streek.
Ruarc keert terug van een rondje door de stad. Hij heeft gehoord dat sommige Vanyana niet hadden verwacht dat het sluiten van de rift zo lang zou duren. Een van hen was eergisteren nog aan de andere kant en toen waarschuwden ze al dat ze hem dicht zouden maken. De enige optie om verder te komen is eens te kijken hoe het in het kasteel is, misschien hebben ze daar iets om het slot van de rift te halen. Ruarc zal naar het kasteel gaan om daar te luisteren. Als ze elkaar kwijt raken spreken ze op de boerderij waar ze met de vrouw en het kind naar toe waren gegaan.
Ruarc loopt, nog steeds onzichtbaar, de over de weg naar een poortgebouw waar twee soldaten de wacht houden. Hij glipt stilletjes langs de mannen en gaat verder over een slingerende niet geplaveide zandweg tot hij bij een volgend poortgebouw komt dat vast zit aan het kasteel. De poortdeur staat open en er lopen regelmatig bedienden in en uit, gadegeslagen door een soldaat die niet echt goed op staat te letten. Ruarc kiest het juiste moment uit en sluipt ook voorbij deze wachter. Hij komt op een binnenplaats die ongeveer tien meter in het vierkant is. Aan de rechterkant is een tweede poort die toegang geeft tot een grotere binnenplaats van ongeveer 30 bij 30 meter waar de grote toren van het kasteel staat. Ruarc loopt stilletjes langs de muur naar een barak die aan het andere eind van de binnenplaats ligt. Een aantal soldaten zit binnen te dobbelen. Ruarc schuifelt naar binnen en hoort dat ze "morgen naar het westen" gaan waar ze verwachten dat het vandaan komt. In het dorpje waar ze naartoe reizen zijn veel ongevallen. Men vermoedt dat er magie gebruikt wordt."Ik ben blij dat dat bij ons nooit het geval is." zegt een van de soldaten."Ze zeggen dat er mensen rondlopen" zegt een ander, "die worden daar vastgehouden.""Wat zouden die hier doen?"Geen idee, vluchten?"
Bartimeüs komt terug bij de rift en weet de eveneens onzichtbare Kritoias weer te vinden. Hij heeft een goede schuilplaats gevonden waar ze vannacht zouden kunnen slapen. Kritoias vertelt dat Ruarc naar het kasteel is om uit te zoeken of daar iets te vinden is. Bartimeüs en Kritoias denken dat het een goed idee is om ook naar het kasteel te gaan.
Ruarc heeft genoeg gehoord in de barak en loopt naar buiten. De deuren naar de grote toren zijn allemaal gesloten. Ruarc denkt niet dat hij daar naar binnen kan komen en wil net weer het kasteel uitgaan als de hoofdpoort van de toren open gaat en een man in het gewaad van een riftwalker komt naar buiten vergezeld door twee soldaten. Hij loopt naar de poort naar het poortgebouw en hij stopt bij een houten kistje dat naast de poort staat. Hij kijkt er in en zegt dan in het Vanyanaas naar anderen aan de andere kant van de poort: "Naar binnen komen allemaal, de poort gaat dicht.""Dat is al de tweede keer" hoort Ruarc een bediende in de buurt zeggen.Een van de soldaten trekt zijn zwaard en de soldaten maken de poort dicht. Ze pakken twee scheppen en gooien zand voor de poort uit een vat dat naast de poort staat en spreiden dat netjes uit. Daarna pakken ze hun zwaarden en zwaaien daarmee om zich heen als ze over de binnenplaats lopen. Ruarc weet hen makkelijk te vermijden. Ze lopen ook de barak binnen en komen even later onverrichter zake weer naar buiten."Iemand moet binnen zijn geweest" zegt één van hen."De vorige keer ook al, maar dat was 's nachts zegt de ander, "Toen was de poort dicht."
Bartimeüs en Kritoias lopen op de weg naar boven en zien dat de poort dicht is. Dan valt het Bartimeüs op dat er beneden op de weg naar het oosten een vrouw naar de dichte poort aan het staren is. Het meest opvallende is dat ze dat wel een paar minuten volhoudt."Ik vind het verdacht dat die vrouw naar de poort staart" zegt Bartimeüs, "Ik ga kijken waar ze naar toe gaat.""Ok, ik houd het hier in de gaten."Bartimeüs loopt snel terug, sluipt langs het poortgebouw en loopt achter de vrouw aan de stad in naar het marktplein. Daar staan nog steeds een paar kraampjes. De vrouw gaan op een bankje zitten en praat met een man die daar zit. Helaas kan Bartimeüs helemaal niets verstaan van wat ze zegt. Na ongeveer een half uur loopt de vrouw terug het stadje uit. Na ongeveer tweehonderd meter op de weg naar het oosten slaat ze een zijpad in dat bij een boerderij uitkomt. Bartimeüs loopt dichterbij en kijkt of de vrouw een ketting om heeft, maar dat is niet het geval. Ze lijkt de wonen op de boerderij, want ze gaat naar binnen en praat met de tweee kinderen. Er is ook een man rond de boerderij aan het werk. Ook hij heeft geen Balbar-ketting om. Bartimeüs kijkt nog een tijd rond, maar deze Vanyana doen de dagelijkse zaken rondom de boerderij.
Na ongeveer een uur gaat de poort bij het kasteel weer open. De riftwalker heeft wel een aantal extra soldaten rondom het zand gepositioneerd. Ruarc wil toch graag weg. Hij zorgt er eerst vol dat het stil is en maakt dan een illusie van zand over het zand heen. Hij komt de eerste poort goed door, maar als hij door de tweede poort loopt waait er wat stof op. Om de soldaat af te leiden zorgt hij voor het geluid van metaal bij de muur een stuk verderop. De wachter gooit een dolk en roept een andere soldaat. Met zijn tweeën kijken ze wat er aan de hand is, maar ze vinden natuurlijk niets. Ruarc loopt via het andere poortgebouw weer terug naar de rift.
Kritoias staat nog steeds bij de poort te wachten, hoort het geluid en ziet de wachters en besluit eens een kijkje bij de toren te nemen. Hij vliegt naar het dak van de toren, ongeveer 50 meter van de grond. Op het dak is een trap naar beneden. Hij begint daar overheen te lopen, maar bedenkt dan dat hij nog kan vliegen en vliegt langs de trap naar beneden. In de verdieping onder het dak is een vierkante wachtruimte die een deel van de verdieping bestrijkt. er zitten wat Vanyana aan een tafeltje. Het heeft de typische uitstraling van een wachthok. Naast deze verdieping zijn er nog twee verdiepingen boven de grond, maar de ramen zijn dicht en Kritoias kan niet naar binnenkomen. Hij kiest ervoor terug te vliegen naar de rift.
Bartimeüs loopt terug naar het stadje om te kijken of de man nog op het bankje zit, maar die is weg. Hij kijkt waar de man gezeten heeft en met magische ondersteuning ontdekt hij dat de man een schoen met een gat in zijn zool heeft. Hij volgt het spoor naar een huisje dat op het plein staat. Hij let zo goed op het spoor dat hij iemand aanstoot. Even houdt Bartimeüs zijn adem in, maar de man reageert niet, gelukkig was het niet hard genoeg om hem weer zichtbaar te maken. Het huisje blijkt een belastingkantoortje te zijn dat nu gesloten is. Bartimeüs loopt weer terug naar de rift.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc weten eigenlijk niet goed wat ze moeten doen. Het is nu begin van de middag en om vier uur moet Kritoias de onzichtbaarheidsspreuk weer verversen. Ze besluiten om te wachten tot de volgende ochtend, misschien gaat de rift dan open. Bartimeüs gebruikt de rest van de dag om voedsel te verzamelen uit de buurt.
Tijdens de wacht van Bartimeüs ziet hij licht bij de rift. Er staat een man met een toorts die iets zegt. Bartimeüs maakt de anderen wakker en luistert goed."De keizer claimt deze rift." zegt de persoon in de mensentaal.Kritoias kijkt of hij magie gebruikt, dat lijkt het geval te zijn, dan verdwijnt hij plotseling, maar laat geen magisch effect achter.Er komt twee Vanyana aanlopen die het licht ook hadden gezien."Wat was dat?" zegt de ene in het Vanyana's."Het was een mens, hij sprak mens."Als de Vanyana weer weg zijn gelopen doet Bartimeüs een spreuk om te ontdekken wie er nu stond te roepen, maar hij kan niets bijzonders ontdekken, wat dan weer vreemd is."Misschien is het wel een illusie" zegt Ruarc."Om de Vanyana hier te laten geloven dat de mensen met de rift bezig zijn? Wat dan op zich wel klopt." zegt Kritoias."Ik vraag me af wie er dan achter zit." zegt Bartimeüs, "Laten we dat morgen proberen uit te zoeken."
Tijdens de wacht van Ruarc krijgen Bartimeüs en Kritoias een nieuwe droom. Ze lopen hier in de buurt, maar dan in een andere tijd. Ze vormen onderdeel van een groep die iemand aan het begeleiden is. Ze zijn op een missie.""We hebben de plek gevonden. Het is hier bij de heuvel. Hier is de plek voor de rituelen.""Snel, snel, ik zie beweging."Dan begint een kind te huilen en worden Bartimeüs en Kritoias weer wakker.
Bartimeüs en Kritoias vertellen Ruarc wat ze hebben gedroomd."Dat betekent dus dat je weet wel wie hier langs is gekomen. Dat is een teken dat we op de goede weg zijn." zegt Ruarc."Ja, maar het lijkt er wel op dat ze niet onopgemerkt zijn gebleven." zegt Bartimeüs."Misschien, maar het kan ook gewoon een dier in de struiken zijn geweest." zegt Kritoias."Met ons geluk? Vast niet! Ik ga op het weggetje tussen hier en het stadje kijken of ik daar iemand kan herkennen, die man die bij de bakker naar binnen ging bijvoorbeeld." zegt Bartimeüs."Goed ,dan ga ik in het stadje kijken of ik die man op de markt kan vinden." zegt Ruarc."Ik wacht hier wel." zegt Kritoias.
Ruarc loopt onzichtbaar door het stadje tot hij op het marktplein komt. Daar zit de man inderdaad op het bankje. Hij loopt af en toe over de markt en regelt daar zaken. Volgens Ruarc is het duidelijk de marktmeester. Al snel hoort Ruarc op de markt het gerucht dat er die nacht een mens is gesignaleerd bij de rift. Hij wacht nog even en keert dan terug naar de rift.Bartimeüs doet een spreuk op het pad, maar ontdekt dat er de afgelopen twaalf uur geen bekende Vanyana over het pad heeft gelopen. Hij gaat terug naar Kritoias en spreekt af om even bij de boerderij te gaan kijken waar de vrouw naar toe is gegaan. Bartimeüs loopt daar zonder moeilijkheden heen op deze zonnige dag. De vrouw is druk aan het werk met haar dagelijkse bezigheden. Het lijkt er niet op dat er hier iets bijzonders gebeurt. Bartimeüs gaat dan maar weer terug naar de rift.
Op deze manier komen ze niet veel verder. Kritoias vermoedt dat de riftwalker wel de mogelijkheden heeft om de rift te openen. Hij kan proberen om iets te vinden in de kamer van de man in het kasteel, of hem opdracht geven de rift te openen. Er zijn alleen twee problemen met dat plan: Het is heel link en Kritoias kent geen Vanyana."O, maar dat is niet zo moelijk hoor, je hoeft alleen maar 'Zwaluis Zazin' tegen hem te zeggen." zegt Ruarc tegen Kritoias."Wat? Zvaloes Zaazien?""Nee, 'Zwaluis Zazin', probeer het nog een keer." "Zwaluis Zazin""Ja, dat is het, goed onthouden.""Ok, dan ga ik het nu proberen. Ik kom voor vier uur terug, want dan eindigt de onzichtbaarheidsspreuk."
Kritoias loopt naar de onderkant van de heuvel waar het kasteel opstaat, klimt naar de muur en gebruikt een verlengde vliegspreuk. Hij vliegt omhoog naar het kasteel, over de muur en recht naar de toren. Hij probeert eerst de middelste verdieping. Daar ziet hij een mooie slaapkamer, waarschijnlijk van de heer van het kasteel. Hij gaat met de klok mee de verdieping rond en ziet door het raam een gezelschap zitten te eten. Niet zo gek, want het is ongeveer midden op de dag. Naast de heer van het kasteel zit zijn vrouw en de riftwalker met zijn lange gewaad zit ook aan tafel. Er zit ook nog een andere man aan de tafel, maar aan zijn kleding is niet te zien wat voor functie hij heeft. Verder staan er ook twee wachters en een bediende in de kamer.
Kritoias vliegt door en naast de eetkamer zitten twee kleinere kamers waar een bed in staat. Een van de kamers ziet er duidelijk bewoond uit en aan de papierrollen op de tafel te zien zou dit best wel eens de kamer van de riftwalker kunnen zijn. Kritoias heeft geluk want het raam staat open. Hij vliegt voorzichtig naar binnen en landt zachtjes in de kamer. Hij doorzoekt de stapel met papieren, maar kan ze natuurlijk niet lezen. Hij vindt wel een perkament waarvan de structuur van de tekst lijkt op die van een spreuk. Dat perkament steekt hij bij zich. Dan hoort hij beweging in de gang. Hij gaat naast de deur staan aan de andere kant van de tafel met de papieren.
Even later komt de riftwalker de kamer binnenlopen. Hij ziet de onzichtbare Kritoias natuurlijk niet, gaat aan de tafel zitten en kijkt naar zijn papieren. Kritoias bereidt zijn toverspreuk voor, sluipt naar de man, raakt hem aan en zegt "Zwaluis Zazin""Huh!" roept de man verschrikt en staat op. Voordat hij zich om kan draaien heeft Kritoias snel een nieuwe onzichtbaarheidsspreuk gebruikt.De deur zwaait open en twee soldaten kijken de kamer in. Ze zeggen iets tegen de riftwalker die een beetje zijn schouders ophaalt en dan naar hen wijst, wat spullen pakt en de kamer uitloopt. Kritoias vliegt het raam uit en ziet de riftwalker samen met de twee soldaten de toren uitkomen en via de poorten het kasteel verlaten. Hij loopt richting de rift, de magische opdracht van Kritoias heeft effect op hem. De riftwalker gaat de rift open maken!
Zodra de riftwalker bij de herberg verschijnt komen de aanwezige Vanyana naar buiten om te kijken wat er gebeurt. Kritoias is intussen bij Bartimeüs en Ruarc geland en iedereen kijkt wat de riftwalker gaat doen. Kritoias herkent de spreuk die de riftwalker doet, dat is de gewone spreuk om de rift te openen en niet geheel verrassend slaagt de riftwalker er niet in om de rift te openen. Hij laat zich niet uit het veld slaan en probeert het nog een paar keer, waarschijnlijk tot zijn magische energie op is. Dan staat hij heel sip te kijken en loopt naar de herberg. De Vanyana die stonden te kijken gaan teleurgesteld mee de herberg in. De rift blijft gesloten."Helaas, de rift kan kennelijk alleen vanaf de andere kant opengemaakt worden, maar het was een goede poging Kritoias!" zegt Bartimeüs.
"Het is nu rond het middaguur" zegt Bartimeüs, "Wat kunnen we nu nog doen?""We hebben gezien dat de riftwalker de rift hier niet open kan maken en we weten ook dat ze hem alleen open gaan maken als ze Modo hebben, dus moeten we achter Modo aan." zegt Kritoias."We hebben nog wel een paar leads." zegt Ruarc, "We kunnen op die boerderij kijken, de marktmeester is verdacht en we hebben de bakkerij. Bartimeüs weet waar de boerderij is, dus hij kan daar het beste kijken. Ik kan me wel in die steeg bij de bakker ophouden. Als er iemand komt kan ik ze wel afluisteren. Kritoias kan dan de markt observeren om te kijken of die marktmeester met bijzondere Vanyana praat.""Prima idee." zegt Kritoias, "Leterop dat jullie wel om vier uur terug moeten zijn. Laten we dan een minuut of tien verderop in het bos afspreken, beetje heuvel op. Dan is namelijk jullie onzichtbaarheid afgelopen, die van mij heb ik moeten verversen.""Mooi, dan kunnen we ook eindelijk weer eens wat eten." zegt Bartimeüs, "Succes neven, ik ga naar de boerderij.""Tot straks" zegt Ruarc."Ik hoop dat we wat ontdekken." zegt Kritoias.
Kritoias loopt tussen alle Vanyana door naar het marktplein en zoekt een rustige plaats om vandaar uit de marktmeester te bekijken. Die zit, net als op alle marktdagen, op het bankje op de markt. Het is al middag dus de markt loopt op zijn einde. De marktmeester kletst met allerlei Vanyana, maar dat zijn vooral marktlui. Dan komt er een anders geklede Vanyana aanlopen. Hij lijkt van middelbare leeftijd en is gekleed in reizigerskleding, met stevige laarzen. Hij heeft geen boog, maar draagt wel een zwaard in een schede aan zijn riem. Hij gaat naast de marktmeester zitten en ze beginnen rustig te praten. Ze letten goed op of er niemand hun gesprek kan afluisteren. Kritoias merkt dat als er iemand te dichtbij komt ze ineens op andere toonhoogte gaan praten. Dan lachen ze ook wat gemaakt. Na ongeveer een half uur neemt de man afscheid van de marktmeester en loopt de markt af. Kritoias zorgt dat hij kan vliegen en volgt de man vanuit de lucht. De reiziger loopt naar de steeg die achter de bakker uitkomt en klopt daar aan! Kritoias vliegt naar het raam van de bovenverdieping dat natuurlijk open staat. Binnen is de woonverdieping. De man komt niet naar boven."Ik hoop dat Ruarc in de buurt is en ze af kan luisteren."
Dat is Ruarc inderdaad. Hij stond al een hele tijd uit de loop in het steegje te wachten tot er iemand zich bij de achterdeur van de bakkerij zou melden. Af en toe gaat de deur open en gooit iemand een emmer water naar buiten, maar de schaarse voorbijgangers keuren de achterdeur geen blok waardig. Tot de reiziger komt. Nadat hij heeft aangeklopt laat iemand hem binnen. Snel zorgt Ruarc dat niemand hem kan horen en loopt hij naar de deur. Hij opent de deur op een kier en laat een illusie van een dichte deur verschijnen. Snel en stilletjes glipt hij de bakkerij binnen. Bij een werkbank staan twee Vanyanamannen te praten.
"Ik heb heel weinig beweging gezien. Ze zijn er echt niet." zegt de man die al eerder in de bakkerij was."Waar kunnen ze dan heen zijn?" vraagt de reiziger."Ik weet het niet, maar ze moeten hier voorbij. Misschien weten ze het zlf niet.""Misschien weten ze dan wel minder dan we denken!""Zou kunnen. Ik hoorde vandaag wel dat Miandor vanmorgen heel lang bij de rift een ritueel heeft uitgevoerd.""Zou de richt toch open gaan?""Ik hoop het niet.""Ik hoop het ook niet.""Blijf je?""Ja, Aza is bezig.""Wanneer denk je?""Weet ik niet, het is complex en gevaarlijk. Dan wil ik niet in de buurt zijn.""En Virmandor? Het moet eigenlijk daarvoor.""Dat is te riskant.""Gaat hij niet praten?""Hij weet ook niks.""Te veel."
De mannen lopen naar de voorkant en het gesprek neemt een andere wending. Het begint al laat te worden en Ruarc glipt de achterdeur weer uit. Hij kijkt even om zich heen en loopt dan door het stadje terug naar de rift. Kritoias ziet vanuit positie aan de overkant van de steeg dat de deur open en dicht gaat, maar dat er niemand uitkomt. Hij vermoedt dat het Ruarc is neemt zelf een omweg om naar de afgesproken plaats te gaan. Rond vier uur bereiken ze beiden de afgesproken plek in het bos, ver genoeg weg van de rift. Ruarc is inmiddels zichtbaar en ze zien dat Bartimeüs daar ook al zit te wachten. Kritoias start met het verhaal en Ruarc maakt het af. Dan vertelt Bartimeüs over zijn opzienbarende ontdekking.
"Toen ik bij de boerderij aankwam waren de boer en de boerin aan het werk. Ze hebben ook een knecht en die was ook druk aan de slag. Ik wil eerst de boerderij binnengaan, maar daar liepen de hele tijd twee kleine kinderen in en uit. Toen bedacht ik me dat er bij die andere boerin vreemde dingen in de schuur gebeurden en ben ik daar heen geslopen. De deur stond op een kier en ik kon er ongehoord binnen komen. In de schuur stonden wat gereedschappen en een wagen. Ik heb heel goed gezocht en toen zag ik onder de wagen sporen van een soortgelijke cirkel als in de andere boerderij. En dat was nog niet alles. Toen ik om de wagen heen liep zag ik dat er in de hoek van de schuur gegraven was. Ik heb toen een schep gepakt en ging aan de slag. Gelukkig kwam er niemand de schuur binnen.""En wat heb je gevonden?" vraagt Kritoias"Je raadt het nooit!" zegt Bartimeüs."Nou verstel op dan." zegt Ruarc."Er waren daar twee aapdemonen begraven. Stonk behoorlijk trouwens. Aan hun verwondingen te zien zijn ze in elkaar geslagen.""Waarom zouden ze aapdemonen oproepen en dan doodmaken?" vraagt Ruarc.."Ja, dat vraag ik me ook af." zegt Bartimeüs."Misschien hadden ze problemen met het controleren van de aapdemonen. Oproepen is één ding, controleren nog even wat anders." zegt Kritoias.
"We gaan dus die boer en boerin ondervragen?" vraagt Ruarc."Ja, die hebben de informatie." zegt Bartimeüs."Als we nou die lijken opgraven en ze meenemen de schuur in, dan kunnen ze lastig ontkennen, zijn ze hopelijk enigszins van hun stuk en krijgen we meer informatie uit ze." zegt Kritoias, "maar dan moet jij ze betoveren, want mij verstaan ze niet.""Dat kan ik wel." zegt Ruarc."En als ze dan niets vertellen kunnen ze nog altijd bedreigen met hun kinderen." vult Bartimeüs aan."Ok, dan moeten we gaan als het donker is. Ik ben nog onzichtbaar, dus ik ga nog wel even bij de rift kijken of daar nog iets gebeurt.""Ik moest toch nog even naar dat papier van die riftwalker kijken?" vraagt Ruarc."Ja, graag." zegt Kritoias..Ruarc bestudeert de papierrol zorgvuldig en concludeert dan dat het een persoonlijk document van de riftwalker is, dat is duidelijk aan de kwaliteit te zien.
Als het donker is geworden lopen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc om het kasteel heen naar de boerderij. Alleen Kritoias is onzichtbaar, maar het is nu zo donker dat ze bijna niet te zien zijn. Bartimeüs kent de weg naar de boerderij inmiddels al goed en na een kwartier lopen komen ze op het erf aan. In de boerderij brandt nog licht, dus ze klimmen over een hekje en benaderen de schuur vanaf de achterkant. Ze sluipen naar de voorkant en gaan de schuur binnen. Kritoias verlicht de hoek waar de aapdemonen liggen met een lichtstraal uit zijn hand en Bartimeüs en Ruarc graven ze lijken op.Kritoias glipt de schuurdeur uit en loopt naar het raam van de boerderij. Daar ziet hij de boer, de boerin en de knecht aan een tafel zitten. In de hoek is wat beweging in een bedstee te zien, daar slapen de kinderen. Hij loopt terug en legt de situatie aan Bartimeüs en Ruarc uit. Nu is de bard aan zet.
Ruarc loopt naar het raam van de keuken en gebruikt een charm-spreuk om de boer en de boerin te betoveren."Goedenavond vrienden, Ik zou graag met twee van mijn kompanen in jullie schuur slapen. Ik neem aan dat dat geen probleem is.""Nee hoor" zegt de boer, "Ga gerust je gang.""Wie is die man?" vraagt de knecht."Een vriend" zegt de boer."Kunnen jullie even meekomen de schuur in om aan te wijzen waar we het beste kunnen liggen.""Is dat echt nodig?" vraagt de boerin."Ja, dat is wel zo prettig, ik wil jullie niet ontrieven.""Moet ik ook mee?" vraagt de knecht."Nee hoor, dat hoeft niet." zegt de boerin.De boer en boerin komen de voordeur uit en lopen achter Ruarc aan naar de schuur. Kritoias en Bartimeüs die zich verdekt had opgesteld, lopen achter het drietal aan. Ruarc doet de schuurdeur open. De boer loopt naar binnen, maar de boerin blijft in de deur opening staan."Ben je alleen Ruarc?" vraagt ze."Nee, mijn vrienden zijn er ook bij."Op dat moment schijnt Kritoias met zijn lichtstraal in de hoek en de lichtbundel valt op de wegrottende lichamen van de aapdemonen.
De boer en de boerin schrikken duidelijk van deze plotselinge aanblik."Vertel wat hier is gebeurd!" zegt Ruarc, "we hebben de cirkel gevonden en we hebben zoiets al eerder gezien.""De wezens zijn zomaar ontstaan." zegt de boerin, "Wij hebben de cirkel gemaakt om ze op te roepen.""En ging het toen mis?""Nee, ze kwamen toch.""Maar hebben jullie ze opgeroepen om dood te maken?""Ja, wat doe je er anders mee, het is een beetje een uit de hand gelopen hobby."
Op dat moment prevelt de vrouw iets en met een felle lichtflits laat ze iedereen behalve Kritoias beduusd achter. De duwt de onzichtbare Kritoias opzij en rent weg, maar wordt na tien meter van achteren geraakt door een pijl van vuur. De vrouw is even versuft waarop Kritoias zijn eigen lichtflits produceert in een poging haar voor langere tijd uit te schakelen, maar de boerin rent er vandoor. Bartimeüs is bijgekomen en rent langs Kritoias achter de boerin aan. De boerin rent door het donker naar de weg, richting de stad. Bartimeüs volgt haar op afstand, maar haalt haar gestaag in. Na zo'n tweehonderd meter hoort hij haar al beginnen te hijgen en even later komt ze tot stilstand."Wacht!" zegt ze, draait zich om en steekt haar hand uit.Bartimeüs stopt, maar daardoor kan de vrouw een toverspreuk uitspreken. Bartimeüs weerstaat die en rent op de vrouw af, met een paar flinke klappen slaat hij haar tegen de grond.
Een paar seconden later landt Kritoias naast Bartimeüs op de grond."Ha, je hebt haar te pakken." zegt hij."Ja, even kijken wat ze bij zich heeft.""Geen Balbar-kettinkje, wel een gewone, allerlei ringen, wat keramiek en wat van die Vanyana-munten.""Niet echt normaal voor een gewone boerin." zegt Kritoias."Nee, dat zeker niet.""Neem jij haar mee? Dan vlieg ik terug om te kijken of het op de boerderij goed gaat.""Ok"
Ruarc staat nog steeds met de boer in de schuur. De knecht komt poolshoogte nemen met een grote riek, maar Ruarc weet hem te kalmeren."Wie zijn jullie?" vraagt de boer aan Ruarc."Wij zijn mensen.""De mensen. Jullie komen van een andere wereld?""Ja, daar hebben we wat problemen met Balbar, vandaar onze interesse voor de gebeurtenissen hier. Hield je vrouw zich bezig met die trucjes?""Ja, en ik hiep mee""Hoe dan?""De cirkel maken, klaarstaan, kijken wat er gebeurt.""Worden er nog bloedoffers gedaan?""Nee, geen bloedoffers. Het was ook een verrassing dat die monsters er uit kwamen.""Ja, hoe hebben jullie ze in bedwang gehouden?""Er zijn er meer, een stuk of tien, maar als ze dat gezegd hadden.. Ze zeiden dat er een poort naar een andere wereld zou openen, maar niet dat we dan gelijk bewoners naar binnen zouden halen.""Dat klopt, ze hebben dus tegen jullie gelogen en jullie misbruikt, want dit zijn nog de minst gevaarlijke monsters. We zijn al eerder Vanyana tegen gekomen in een boerderij op weg naar het zuiden, maar daar is het niet goed mee afgelopen toen ze een soortgelijk ritueel deden. Wat was eigenlijk het doel?""Om te kijken of het kan."
"Wie is jullie leider?""We hebben geen leider.""En de bakker?""Ja, ook de bakker.""Wie is er dan mee begonnen?""Iemand is er mee begonnen.""Wie heeft dan wat gevonden?""Maakt niet uit, we zijn gestopt.""Ja, het maakt wel uit. Mij maakt het wel uit.""Het was Zolidor, Zolidor heeft iets gevonden.""En waar is Zolidor?""In een dorp in het westen, Dolador."
Kritoias is inmiddels aankomen vliegen, vraagt Ruarc naar de status en gaat dan de boerderij onderzoeken. Hij loopt naar binnen en ziet twee doodsbange kinderen bij de bedstede staan en zitten. Ze roepen iets in het Vanyana's, maar dat verstaat Kritoias natuurlijk niet. Om ze rustig te krijgen tovert hij ze in slaap. Bij een uitgebreide doorzoeking van de boerderij vindt hij een oorlogsknots, een leren pantser en ... een Balbar-hanger, o nee, Zoha-hanger.
"Hoe hebben jullie elkaar als groep gevonden?""We zijn bij elkaar gekomen via de markt, hier is immers de rift.""Wat weet je van Modo?""Die naam werd weleens genoemd. Het is de mysterieuze leider van de opstandige Vanyana. Het is niet eens zijn echte naam, het betekent De Verbodenen, dat wat niet gezien mag worden. Waarom ben jij hier zo fel op?""Demonen hebben mijn familie en mijn land uitgemoord, diezelfde demonen die jullie hier opgeroepen hebben. En dat waren nog de minst gevaarlijke. Met hoeveel waren jullie hier, want jullie hebben veel geluk gehad.""Het moet een groep van tien geweest zijn."
Bartimeüs komt de schuur binnenlopen met het bewusteloze lichaam van de boerin op zijn rug, op de voet gevolgd door Kritoias."De vrouw is duidelijk geen normale boerin. Zegt die, kijk ik heb typische spullen gevonden voor een Channeling spellcaster.""Heeft die man nog iets zinvols gezegd?" vraagt Bartimeüs."Ja, dat ene Zolidor in een dorp uit het westen er hier mee begonnen is. Hij zegt dat hij Modo niet kent.""Vraag maar aan hem aan wie hij meer is gehecht, zijn kinderen of zijn vrouw.""Ik denk niet dat we daar goede informatie mee gaan krijgen Bartimeüs. Kunnen we die boerin niet bijbrengen en uithoren?""Ok, maar het werkt soms wel goed. Ik bind de boer en de boerin wel vast en dan breng ik haar bij. Hoe is het met de knecht?""Die slaapt, net als de kinderen." zegt Kritoias.
De boerin komt bij en zit geknield op de grond. Ruarc probeert haar iets zinvols te ontlokken, maar heeft niet veel succes. Er komt alleen uit dat Zoha Bartimeüs zal straffen. Dan begint de vrouw plotseling een spreuk te roepen. Bartimeüs slaat haar direct neer, maar Kritoias ziet al beweging uit zijn ooghoek. Snel zet hij een aarden muur schuin voor de hoek. Tot ieders verbazing explodeert die muur en de aarde vliegt door de hele schuur heen."Pas op wat je met mijn dienares doet!" zegt een hele diepe stem in een taal die Bartimeüs, Kritoias en Ruarc allemaal verstaan."Een boodschap van je goede vriend Bartimeüs." zegt Ruarc."Wauw, Balbar is kennelijk not amused." zegt Bartimeüs."Hij heeft wel bijzondere aandacht voor haar, zou ze Modo zijn?" vraagt Kritoias."Dat lijkt me niet waarschijnlijk." zegt Ruarc, "maar ik heb nog een andere manier om informatie uit haar geest te halen. Hij knielt bij haar neer en gebruikt zijn mentale gaven om haar informatie uit haar herinneringen te halen."Ja, ze kent Modo. Die woont in een verborgen veste...Hij heeft twee honden.""Dat is zinvolle informatie!" zegt Bartimeüs."Ssst" zegt Kritoias."Hij is een machtige Zoha-aanhanger.""Dat had ik nou niet verwacht." zegt Bartimeüs."Modo maakt lange wandelingen...Modo is een moordenaar."Ruarc probeert het ook bij de man, maar daar komt hij niet door zijn mentale weerstand heen.Kritoias bekijkt de spullen van de boerin nog even goed, maar daar zitten geen actieve spreuken op.
"En nu?" vraagt Ruarc."Dood maken lijkt me wat onhandig na de waarschuwing van Balbar." zegt Kritoias."Hij heeft niet gezegd dat we haar niet dood mochten maken!" zegt Bartimeüs."We kunnen ze hier ook niet achterlaten. Die soldaten hadden het ook over een dorp in het westen. Misschien moeten we met deze twee naar het kasteel toegaan en kijken of we samen kunnen werken om Modo te vinden." zegt Ruarc."Dat klinkt als een plan" zegt Kritoias."Maar eerst even uitrusten om weer op krachten te komen." zegt Ruarc."Ok" zegt Bartimeüs, "Ik neem de eerste wacht wel."
De wacht van Bartimeüs verloopt rustig, maar als Kritoias wacht heeft wordt Bartimeüs al snel weer wakker bij de boerderij. Kritoias en Ruarc zijn echter nergens te bekennen. Bartimeüs zet zijn nachtzicht aan en er komt iemand binnenlopen. Het is een vrouwelijke priester."Wat maak je me nou?" vraagt de priester"Ja, we willen toch de rift door, dus we moeten Modo vinden.""Maar waarom? Het is maar goed dat ik de noodkreet van een van mijn priesteressen hoorde.""Is zij zo belangrijk voor je?""Ik zag dat jij in de buurt was, dus ik dacht, ik kom even kijken.""Dus zo belangrijk is ze niet.""Maar waarom ben je hier? Waar gaan jullie naar toe?""Wij reizen naar het volgende gebied.""Zo jammer. Je vertelt zo weinig de laatste tijd.""Kan Modo me niet helpen?""Modo wil je vast wel helpen.""Dan moet ik wel weten waar hij is.""Jij bent slim, je kan hem vast wel vinden.""Kan je geen hint geven.""Ja hoor, dat kan ik wel. Modo woont in een geheime veste, heeft twee honden, is een machtige Zoha-aanhanger, houdt van lange wandelingen en is een moordenaar.""Dank je wel dat helpt echt. Kan je niet meer informatie geven?""Ik vertel waar Modo is als jij zegt waar jullie heen gaan. Deal?""Deal."
"Jij eerst.""Ik ga naar het volgende gebied.""De geheime veste is waar Modo is.""Je bent niet gehecht aan Modo toch?""Ach, ze zijn allemaal vervangbaar.""Ik ook?""Jij het minst."Dan wordt Bartimeüs weer wakker. Hij kijkt even om zich heen en gaat dan slapen. Na Ruarc's wacht staan ze op en vertelt Bartimeüs dat Balbar 's nachts is langsgekomen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc graven de twee aapdemonlijken op en gooien die, samen met de boer en boerin op de kar die Bartimeüs al heeft ingespannen. Na wat gegeten te hebben rijden ze met de kar in westelijke richting naar het dorp je toe. Ze slaan de weg in naar het kasteel en rijden naar de poort."Halt" zegt één van de wachters."Gegroet" zegt Ruarc."Jullie zijn mensen!""Jullie zijn Vanyana!""U spreekt onze taal!""Ja, we zijn op weg naar het kasteel. We willen de heer spreken, want we willen haar volgende gebied. Kunnen we doortrekken naar het kasteel?""We zullen u escorteren. Wat ligt er onder die doeken in de kar?""Die zaken zijn alleen voor de ogen van de kasteelheer.""Mogen we niet kijken?""Beter van niet, jullie zouden erg schrikken.""Goed, loop maar verder naar de volgende poort."
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc rijden met de kar verder naar de volgende poort. Daar laten de wachters hen na wat discussie toe tot de binnenplaats van het kasteel. Na een tijdje wachten verschijnt de rijk geklede kasteel heer."Gegroet, iemand die onze taal spreekt.""Gegroet, heer mijn naam is Ruarc en dit zijn mijn nemen Bartimeüs en Kritoias.""Ik ben Doviador van Vonadon. Ik ben de heerser van het gebied en de bewaker van het portaal. Wat brengt u hier?""Wij zijn op reis naar de hoofdstad om met de leider van de Adani te praten.""Ik had een boodschap gekregen dat u was gearriveerd. Wat zijn dit voor zaken op de kar?""Heeft u wel eens van demonen gehoord?'"We hebben wel eens geruchten gehoord.""Het zijn vreselijke wezens uit een andere wereld en een boerin en een boer hier in de buurt hebben ze opgeroepen.""Waarom denkt u dat ze dit gedaan heeft?"Ruarc slaat het kleed weg en vanuit de grote groep mannen en vrouwen die zich om de kar hadden verzameld, wachters, maar ook bedienden uit het kasteel, gaat kreten van afschuw op."U moet voorzichtig zijn met haar, want zij kan de gedachten van anderen beïnvloeden.""Volg mij! Wij zullen de Zohanji opsluiten."
Doviador gaat hen voor naar de grote zaal op de begane grond van het kasteel. Op een verhoging aan het einde van de zaal staan naast een grote stoel waar Doviador op plaatsneemt twee riftwalkers. Ruarc vertelt wat hij en zijn neven de laatste tijd in het dorp hebben gezien. Dat de bakkersknecht er ook bij betrokken is, evenals de marktmeester en de woudloper die zij hebben gezien. Doviador vertelt dat hij zelf heeft gevraagd om de rift van de andere kant te laten sluiten omdat de Zohanji sinds kort actief zijn in het gebied. Ruarc legt de vergelijking met Balbar uit hun eigen wereld. Doviador is verbaasd dat er geen priesters van de godin zijn uit de wereld waar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vandaan komen.
"We hebben altijd wel wat last gehad van de Zohanji, maar niet zoals de laatste tijd." vervolgt hij, "hun oorsprong zou in dit gebied liggen. Het waren ook kinderen van de godin, nog onschuldig toen ze de nieuwe werelden binnengingen. Maar er waren ook slechte Vanayana tussen die niet in harmonie met de natuur leefden. Er vond een hevige strijd plaats. De Zohanji maakten andere Vanyana tot slaaf en offerden hen ook. Na lange tijd zijn ze verdreven en ontstond het rijk zoals we dat nu kennen, beschermd door de godin. Hier in de buurt is nog een oude ruïne waar de eerste Zoha-sekten ontstaan zouden zijn, maar die staat al heel lang leeg. Die ruïne staat een paar kilometer ten zuidwesten van het kasteel op verboden gebied."
"Zoha is de legendarische vijand en dat trekt altijd bepaalde types aan. Nu zijn er gekke Vanyana die de strijd weer oppakken. Vooral de laatste tijd zijn ze actiever. Het lijkt wel of ze een signaal hebben gekregen.""Is hier ook een groene maan?" vraagt Ruarc."Nee, hoezo?""In onze wereld is een groene maan verschenen en sinds die tijd wordt de wereld overspoeld door demonen en lopende lijken. Dat is nu iets meer dan een maand geleden toen de zon op het hoogste punt stond.""Dat komt wel aardig overeen" zegt één van de riftwalkers. "toen verschenen bij ons ook die wezens met klauwen.""Hoe zit dat met die ruïne?" vraagt Ruarc, "zouden ze daar niet kunnen zitten?""Het is een ondergronds zalenstelsel, maar het is verboden gebied en het wordt goed bewaakt. De ruïne ligt in een vallei en er is maar één toegangsweg.""Weet u zeker dat de Zohanji er niet kunnen komen? We weten dat er magiegebruikers onder hen zijn.""Hoe weet u dat?" vraagt Doviador."Een van hen gooide een vuurbal bij het fort in de buurt van de andere rift. Is er bijvoorbeeld bescherming tegen onzichtbaarheid, zoals u die hier ook heeft?""Het is zeer onverstandig om daar binnen te gaan." zegt Doviador, "het is verboden om er geen bedevaartsoord voor Zohanji van te maken.""Wij zouden daar graag kijken of ze zich daar ophouden." zegt Ruarc, "en wij strijden tegen dezelfde vijand, ook al noemen wij hem anders.""Wacht u even in de hal, dan ga ik met mijn adviseurs overleggen."
Na een tijd wachten roept een bediende Bartimeüs, Kritoias en Ruarc terug in de zaal en tot hun opluchting krijgen ze van Doviador toestemming om de ruïnes te onderzoeken. Ze krijgen een geschrift mee voor de wachters en hij nodigt hen uit hier het avondmaal te gebruiken, want hij wil graag meer weten over de mensenwereld. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vinden het goed om vandaag uit te rusten en morgen de ruïnes te gaan onderzoeken.
Ze gebruiken de rest van de dag om op te frissen, bij te komen en wat Vanyana te spreken. De eerste is één van de riftwalkers. Die weet verder niet veel van Olcar en mensen, alleen dat de Vanyana ooit van een andere wereld zijn gekomen. Hij is verbaasd als Ruarc hem vertelt dat de Olcar zeiden dat de Vanyana mensen als slaven hielden. Kritoias is vooral geïnteresseerd in de magie van de Vanyana. Ze leren dat er hier geen boeken zijn, maar alleen schriftrollen. Ze leren hun magische kunsten aan een instituut volgens de wetten van het land. Er zijn naast de riftwalkers ook magiegebruikers die andere talenten hebben. Ze hebben ook destructieve magie. De magie is verdeeld in scholen, bijvoorbeeld de school "licht".
De riftwalker vertelt ook over de manier waarop de Vanyana de godin aanbidden. Ze bidden dan tot haar en dat doen ze door een rustige plek in de natuurlijk op te zoeken en in hun hoofd iets tegen de godin te zeggen. Bij deze riftwalker heeft de godin nog nooit iets teruggezegd. Bij anderen doet ze dat wel, dat zijn haar priesters. In dit dorp zijn er geen priesters, maar eenmaal per maand komt er een priester uit Coladi langs, dat is de stad aan de andere kant van de rift.Ze nemen afscheid van de riftwalker en lopen wat over de binnen plaats. Daar zien ze dat de wachters hier vooral zwaarden hebben, geen bogen
Even later komen ze de boswachter tegen van de landheer. Hij vertelt dat er beren en wolven in de bossen zitten. Hij vraagt Bartimeüs, Kritoias en Ruarc of zij bij de rift waren en dat geven zij nu ook toe. De boswachter vertelt dat er vroeger Vanyana geofferd werden bij de ruïnes waar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc de volgende dag heen willen gaan. Hij is er zelf wel eens geweest. Het zijn een stel afgebrokkelde zuilen, versierd met natuurpatronen zoals slangen en bladeren. De grotingang is heel breed, ongeveer zes meter. Volgens de boswachter zijn de ruïnes al meer dan duizend jaar oud. Het is niet de enige oude plek in de omgeving. In het noorden, voorbij de rift is er nog een oude plek waar ze de godin aanbaden. Er staat een grote boom en er staan wat muurtjes. De Vanyana blijven daar eerbiedig vandaan.
Tijdens het avondmaal vertellen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc algemene dingen over de mensenwereld en amuseert Ruarc het gezelschap met een mooi verhaal. Daarna vertrekken ze naar het gastenverblijf waar ze voor de zekerheid toch maar wacht houden.
De volgende ochtend krijgen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc een goed ontbijt voorgeschoteld. Er ligt ook al een brief voor de bewakers klaar en een pakketje proviand. Rond acht uur gaan ze op pad. De ruïnes liggen maar op iets van drie kilometer afstand. Ze volgende weg naar het westen en komen na ongeveer anderhalve kilometer bij een pad naar het zuiden. Even verderop zien ze daar een aantal soldaten in de bosrand staan, dus niet bij de ingang van de vallei wat ze verwacht hadden. Als ze in de buurt komen spreekt één van de soldaten hen aan."Jullie zijn niet van hier.""Wij zijn mensen" zegt Ruarc."Wat komen jullie doen?""Wij hebben toestemming van de heer om de ruïnes te bezoeken."Ruarc laat de brief van de heer zien en dankzij het mooie zegel daterop zit mogen ze doorlopen.
Even later lopen ze een kloof in waarvan de wanden al snel vijftien tot twintig meter hoog worden. De kloof is een meter of dertig breed. Bartimeüs kijkt of er de afgelopen nacht iemand over het pad is gelopen, maar dat blijkt niet zo te zijn. Na ongeveer honderd meter zien ze aan weerszijden van het pad afgebrokkelde stenen kolommen. Er is een trap naar een plateau waar de grotopening is. Ze besluiten om de omgeving eerst maar te gaan verkennen. Plotseling verschijnenerop een meter of vijf afstand drie Vanyana met getrokken zwaarden uit de bosjes. Kritoias ziet dat er achter hen op een meter of dertig twee Vanyana met bogen zijn opgedoken. Die hun bogen spannen en op Bartimeüs, Kritoias en Ruarc aanleggen.
Kritoias zegt direct een aarden muur achter hen neer om bescherming te bieden tegen de boogschutters. Ruarc probeert twee van de Vanyana, die gekleed zijn in een stevige leren rusting, te kalmeren, maar ze zijn al te opgefokt door dat Bartimeüs naar voren rent en de middelste Vanyana op zijn hoofd slaat. Die moet even bijkomen, maar wordt direct geholpen door de linker Vanyana die Bartimeüs een flinke klap geeft waardoor hij moet afweren. De rechter Vanyana stormt op Ruarc af. Die kan zich door zijn toverspreuk zijn goed verdedigen en krijgt een paar rake klappen waardoor hij even de kluts kwijt is. Kritoias hoort een pijl in de aarden wal inslaan als hij een slaapspreuk inzet op de Vanyana die met Ruarc aan het vechten is. Die kan de toverkracht niet weerstaan en zakt in slaap. De linker Vanyana probeert door de verdediging van Bartimeüs heen te breken, maar die weet hem goed af te weren. Alleen niet de Vanyana die nu weer is bijgekomen en hem een lelijke bloedende jaap op zijn been geeft. Een volgende pijl vliegt tussen alle vechters heen en Kritoias tovert de middelste Vanyana in slaap. De linker Vanyana gebaart en roept dingen naar Bartimeüs die er niets van begrijpt, maar ook niet in staat is om aan te vallen. Dan komt Ruarc weer bij."Hij zegt dat we onze wapens weg moeten gooien" zegt hij, terwijl hij naar Bartimeüs toe loopt. Kritoias heeft in de gaten dat de twee boogschutters met een omtrekkende beweging bezig zijn, om ze het zicht te ontnemen vult hij deze hele kant van de vallei met mist. Als de overgebleven Vanyana ziet dat hij er alleen voor staat gooit hij zijn wapens op de grond en geeft zich over.
Bartimeüs strompelt weg en zorg er eerst voor dat hij niet in shock raakt, dan probeert hij zijn bloedende wond te stelpen, maar dat lukt hem nu niet. Kritoias brengt uitkomst door zijn toverspreuk te gebruiken om de wond te dichten. Ruarc kalmeert de Vanyana eerst met een spreuk, maar als hij ziet dat de Vanyana weg wil lopen, praat hij hem in slaap. Bartimeüs bindt de slapende Vanyana vast, die daarop wakker worden. Kritoias sleept de ene die Ruarc aanviel terug naar de plaats waar de twee anderen nu ook vastgebonden liggen. Dan gebruikt Ruarc een stilte spreuk en een vriendschapsspreuk en ondervraagt de Vanyana die zich had overgegeven.
"Ik zie geen Zoha-tekens" zegt Bartimeüs voordat Ruarc begint."Waarom spreek jij onze taal?" vraagt de gevangene."Heb ik geleerd. Ik spreek jullie taal. Waarom heb je je overgegeven?""Anders zouden jullie mij doden.""Bewaken jullie deze plek?""Ja""Moeten indringers niet gedood worden?""Nee, dat zou zonde zijn.""Bij wie horen jullie?""Hoe bedoel je?""Bij welke eenheid?""Wij zijn bewakers van de grot.""Met hoeveel zijn jullie?""Wij zijn met vijf.""Het is gevaarlijk in de grot, er mogen niet zomaar Vanyana in. Wat komen jullie hier doen.""Wij vinden grotten interessant.""Waarom?""Omdat hij zo goed bewaakt wordt.""Het is heilige en gevaarlijke grond, daar kan je niet zomaar rondlopen.""Kan je ons dan niet rondleiden door de grot?""Waarom zou ik dat doen.""We zijn toch al bijna vrienden.""Eigenlijk moet ik jullie meenemen naar de baas.""Modo?""Niet Modo, die is in het dorp."
"Wie dan wel?""De priester komt ons halen.""Hoe wist hij dat wel kwamen?""Dat weet ik niet.""Met hoeveel zijn jullie in de grot?""Best wel veel, tientallen.""Is die ranger niet Modo?""Ik weet niet hoe Modo er uitzien. Alleen dat hij de baas van de opstandelingen is.""En daar horen jullie niet bij?""Nee, wij zijn de Zohanji"Bartimeüs laat een Balbar/Zoha-ketting zien."Hoe komt hij aan die ketting? Die heeft die klootzak vast gestolen!""Nee hoor" zegt Bartimeüs, "dat is mijn eigen ketting, ik ken Zoha goed.""Leugenaar, je bent een dief. Hij is een klootzak hoor!" zegt de Vanyana tegen Ruarc."Heb jij geen kettinkje dan?""Nee, we leen een symbooltje, in mijn kist.""Hoe krijgen jullie eten langs de bewakers?""Dat laten ze door.""Komen er ook bezoekers?""Ja, uit het dorp, andere Zoha-aanbidders, op zoek naar het ware geloof. Ze komen hem eren in de Zoha-tempel."
Bartimeüs gaat slapen, want hij moet toch een uur stilzitten voordat hij kan gaan lopen, anders trekt de wond weer open. Kritoias en Ruarc merken dat het kouder wordt."He, jij bent mijn vriend helemaal niet.""Het lijkt erop dat de spreuk is afgebroken" zegt Ruarc tegen Kritoias."Ja, ik voelde het ook kouder worden. Bartimeüs zal toch weer niet iets doms aan het doen zijn?"Bartimeüs is op dat moment in zijn droom druk in gesprek met een priester van Zoha, die zich eerst probeerde voor te doen als Zoha zelf, maar vanwege zijn taalgebruik door de mand viel."Wie roept mij? Wat doe je hier?""Ik probeer de tempel te vinden. Dat heb je me de vorige keer zelf gevraagd.""Wat wil je aan de meester vragen?""Vrije doorgang tot het altaar""Kom je je dan helemaal overgeven aan Balbar?""Dat is toch helemaal niet nodig? Je kent me toch?"Dan verschijnen er uit het niets donkere gestalten gehuld in gewaden met vuurpotten waar groen vuur uit klotst. Die komen om Bartimeüs heen staan. Een rijk geklede Vanyana stapt uit de kring. Op zijn borst is in gouddraad het teken van Balbar genaaid.
"Waarom ben ik hier?" Waarom heb je mij geroepen? Waarom zijn er nu mensen hier? Waarom nu?""Omdat de tijd gekomen is. De tijd dat Balbar over alle werelden heerst." zegt Bartimeüs.De rijk geklede man concentreert zich en zegt dan "Aha".Bartimeüs gebruikt snel een Mind Blank-spreuk, maar misschien te laat."Ik weet genoeg" zegt de priester en Bartimeüs valt weer in slaap.Na ongeveer een uur wordt hij wakker en vertelt wat er is gebeurd.In de tussentijd is Kritoias naar de rand van de mist geslopen om de grotingang te verkennen."Bijna twintig meter breed, dus meer dan de boswachter had gezegd. Het ziet er ook heel stevig uit, die kan ik niet zo in laten storten."
"Wij hebben geen andere Vanyana meer gezien of gehoord." zegt Kritoias. Die boogschutters waren sowieso een hopeloos geval. Typische Vanyana boogvaardigheid.""Wat doen we nu met ze?" vraagt Ruarc."Ja, doodmaken, wat moeten we anders doen." zegt Bartimeüs."Daar ben ik niet direct voor." zegt Ruarc."Wat doen we anders in dit soort gevallen?" zegt Bartimeüs."Ik zou kunnen proberen er één een opdracht te geven om de priester te doden..." zegt Kritoias."Ja, cool! doen!" zegt Bartimeüs voor Kritoias uitgesproken is."..., maar waarschijnlijk is het zo'n religieuze fanaticus dat hij liever de slechte effecten op zichzelf voor lief neemt, dan schiet het ook niet op. We kunnen ze ook meenemen naar het fort.""Ook geen slecht idee." zegt Ruarc, "we moeten ze toch waarschuwen en ik voel er niet veel voor om zo die grot binnen te gaan als er tientallen Zohanji zitten.""Ok, laten we dat dan maar doen." zegt Bartimeüs.
Kritoias maakt zich onzichtbaar en loopt als eerste de mist uit. Bartimeüs maakt de gevangenen met hun nek aan een touw vast en loopt voor ze uit. Ruarc loopt er achter aan."Ik zie niks" zegt Kritoias die de mist weer in was gelopen."Ben je blind?" vraagt Bartimeüs."Ja, voor alle ellende die we over onszelf afroepen."Ze lopen met hun gevangenen de mist uit en verlaten zonder Vanyana te hebben gezien de kloof. Ruarc let zo goed op de omgeving dat hij over een tak struikelt. De bewakers bij de kant van de weg zijn er nog steeds en kijken hen wat vreemd aan."Wat is dit?" vraagt de leider van de soldaten."Dit zijn onze gevangenen" zegt Ruarc, "Er zitten Vanyana binnen.""Waar?""In de grot"Bartimeüs ziet dat één van de andere soldaten niet verbaasd lijkt dat er mannen in de vallei waren."Waarom denk je dat?""Dat zeiden ze""Tegen jullie?""Dat is helemaal niet waar!" zegt één van de gevangen Vanyana."Mond houden!" zegt Ruarc, "We brengen ze naar het kasteel."
"Dan zullen we jullie escorteren" zegt de leider, "waar is jullie vriend?""Nou escorteer ons dan. Voor ons uit graag!" zegt Ruarc, "Waar wacht je op, moet je geld hebben of zo?""Wat? Wat denk je wel van ons?""O, sorry, dat is in de mensenwereld vrij gebruikelijk.""Eh, wacht even." zegt de leider en loopt met één van de soldaten weg. Kritoias loopt er achteraan. De mannen gaan even verder op met elkaar staan praten. Het enige dat Kritoias er uit op kan maken is dat ze niet weten hoe ze met de situatie om moeten gaan."Kom we gaan." zegt Ruarc tegen Bartimeüs, die begint te lopen.De twee overgebleven soldaten staan even vertwijfelt te kijken."Escorteren jullie ons nog?" vraagt Ruarc.De mannen beginnen mee te lopen, maar worden dan teruggefloten door de leider die snel terug komt lopen. Als Bartimeüs en Ruarc met hun gevangenen uit het zicht verdwenen zijn begint de leider tegen de drie anderen te praten, wijst degene die met hem was meegelopen aan en wijst het bos in. De Vanyanasoldaat neemt vervolgens het pad richting de vallei, met Kritoias achter hem aan. De soldaat loopt naar de vallei, is verbaasd door de mist die er nog steeds hangt en loopt dan de grot in. Kritoias heeft genoeg gezien en gaat ook terug naar het kasteel.
Rond het middaguur komen Bartimeüs en Ruarc met hun drie gevangen Vanyana aan bij het dorpje. Daar trekken ze veel bekijks en veel Vanyana lopen met hen mee naar de poort van het kasteel."Halt, wat komen jullie doen?""Wij hebben gevangenen uit de vallei""Ik dacht dat daar niemand was.""Ja, dat valt dus tegen.""Dat zijn dus Modo-aanhangers?""Ja, zoiets, het is gecompliceerd.""Kan je ons begeleiden naar het kasteel, dan kunnen we ze overdragen aan de heer.""Nee, loop maar door."
Bij de tweede poort mogen ze gelijk doorlopen naar het kasteelplein waar ze ongeveer twintig minuten moeten wachten voordat hij verschijnt. Ook hier trekken de gevangen Vanyana veel bekijks. Bartimeüs ziet dat een tweetal Vanyana niet komen kijken, maar juist weggaan. Hij neemt hen goed in zich op."Ah, jullie hebben Modo-aanhangers te pakken?" vraagt Doviador als hij eindelijk is gearriveerd."Nou, het lijkt niet dezelfde groep te zijn." zegt Ruarc, "het licht gecompliceerd.""Laten we dat in de raadszaal bespreken. Sluit deze Zohanji op." zegt Doviador.
In de raadszaal doet Ruarc het verhaal. Een deel van de soldaten die de vallei bewaken heulen samen met de Zohanji in de vallei en laten eten en Vanyana door. Ruarc geeft een beschrijving van de priester. Hij vertelt dat deze Zohanji zeiden dat de Modo-aanhangers opstandelingen waren, maar geen echte Zohanji en vraagt waartegen de opstandelingen rebelleren, maar daar heeft Doviador geen duidelijk antwoord op. Doviador wil weten hoe betrouwbaar de informatie is en Ruarc geeft toe dat hij toverkunsten heeft gebruikt om één van de Vanyana te laten geloven dat hij een goede vriend was. Veel licht kan Doviador niet op de situatie schijnen.Ongeveer een uur later komt Kritoias ook het kasteel binnen, na eerst achter wat bosjes zijn onzichtbaarheid ongedaan te hebben gemaakt. Hij vertelt via Ruarc dat één van de soldaten de vallei en de grot is binnengegaan, hoewel dat normaal gesproken verboden is. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen Doviador dat ze geen idee hebben wie Modo zou kunnen zijn die in het dorp verblijft. De grot ingaan zonder een grote groep soldaten is gevaarlijk. Doviador kan iets van vijftig manschappen oproepen, maar dat is het dan wel. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc willen nu eerst op zoek naar degene die de boerin heeft overgehaald met haar duistere praktijken te beginnen: Zoliador uit Dolador. Als ze de raadskamer uitlopen spreken ze af om eerst te gaan kijken bij de oude plaats waar de godin werd aanbeden, waar de boswachter het gisteren over had.
Om half twee lopen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc door de verschillende poorten van het kasteel naar buiten. Bartimeüs en Kritoias merken allebei op dat een aantal soldaten een stukje achter hen aankomt. Vier van hen stoppen bij de poort en één van hen loopt door achter Bartimeüs, Kritoias en Ruarc aan. Ruarc heeft helemaal niets in de gaten. Hij geniet van het aangename weer. Ze lopen naar de oost-west weg en volgen die naar het dorpje toe. Daar slaan ze de weg naar het noorden, dat naar de rift loopt.Ze zijn enigszins verbaasd als het pad aan de andere kant van de open plaats waar de rift is doorloopt naar het noorden. Het wordt vrijwel niet gebruikt, want het pad is overwoekerd met planten waardoor het voor Bartimeüs best lastig is om het pad te volgen.Na ongeveer een uur lopen door de velden begint het landschap wat meer te glooien. Als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc op de top van één van de heuvels staan zien ze een paar honderd meter achter hen een groepje van zes Vanyana lopen."Die zitten duidelijk achter ons aan." zegt Bartimeüs, "Probeer niet opzichtig om te kijken. We willen niet dat ze weten dat wij weten dat ze achter ons aan zitten.""Wat stel je voor?" vraagt Ruarc."Iets van een ambush?" zegt Bartimeüs."Dan moeten we wel een goede plek hebben om ons te verstoppen. Die zie ik hier niet zo." zegt Kritoias."Ruarc kan midden op het pad blijven staan en ze aanspreken en dan kunnen wij ze vanuit de struiken bestoken met vuurballen en pijlen." zegt Bartimeüs."Dat vind ik echt een slecht plan" zegt Ruarc, "Ik ga echt niet in mijn eentje tegenover zes Vanyana staan.""Dan moeten we doorlopen naar het bos daar verderop." zegt Kritoias, "Hoe ver is dat nog Bartimeüs?""Ik denk zo'n twee kilometer. Dan kunnen we ons daar verstoppen en kijken wat ze doen.""Dat lijkt me een stuk beter." zegt Ruarc.
Na bijna een half uur lopen naderen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc de bosrand. Voor het bos staat een paal aan de zijkant van de weg. Als ze dichterbij komen zien ze dat er iets aanhangt. Het blijkt een humanoïde schedel te zijn. Er stond vroeger wel een tekst op het bord, maar die is bijna helemaal weggesleten."Jammer dat we niet meer kunnen zien wat er staat." zegt Bartimeüs."Dat had niet veel geholpen." zegt Ruarc, "ik spreek wel een beetje Vanyana, maar lezen of schrijven behoort nog niet tot het repertoire."Een paar honderd meter verderop in het bos verstoppen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zich in het bos. Na ongeveer tien minuten horen ze gekraak. Het is een van de Vanyana die op ongeveer vijftien meter afstand op het pad verschijnt. Hij blijft staan, doet drie stappen naar voren, richting de plaats waar Ruarc zich heeft verstopt en schudt dan zijn hoofd. Zonder iets te zeggen loopt hij over het pad terug.Ongeveer een kwartier is het stil. Dan ziet Bartimeüs twee Vanyana-hoofden uit de bosjes komen. Een van hen wijst naar de plaats waar Ruarc zich heeft verstopt. Dan lopen ze voorzichtig op Ruarc af. Ruarc ziet ze dan ook, maar houdt zich dood. De Vanyana stoppen vlakbij Ruarc. Dan pak één van hen een tak en prikt in Ruarc's zij.
"Au, waarom doe je dat?" vraagt hij aan de Vanyana."Sorry, maar we dachten dat je dood was." zegt één van hen,"Nee, ik ben hier aan het jagen, daarom lig ik zo stil. Wel knap je dat me zag, of was ik niet goed verstopt?""Nou nee, het leek alsof je van dat heuveltje was gevallen.""O, nou goed. Wat is dit eigenlijk voor gebied? Jullie hebben toch ook die paal met die schedel gezien?""Ja, hoe zal ik het zeggen. Als je naar het noorden gaat wordt het als snel minder gezellig.""Hoezo? Wat is er met het bos aan de hand?""Het bos is vervloekt. Ik weet niet precies wat het is, maar het schijnt iets heel ouds te zijn.""Hoe oud? "Nou, al generaties. Ik heb mijn opa en oma horen vertellen dat het ook al zo was toen hun opa en oma klein waren. Ik zou maar oppassen, want ze zeggen dat het bos zich tegen je keer.""Hoe dan? Is het dan ook verboden om hier naar toe te gaan?""Nee, dat niet, maar het is niet aan te raden.""Waarom? Misschien is Modo daar wel.""Dat lijkt me heel sterk.""Dus als we hier jagen krijgen we geen problemen met de heer?""Nee, dat denk ik niet, er komt verder niemand hier. Zijn jullie van plan verder te gaan?""Waarom wil je dat weten? Houden jullie ons in de gaten?""Ja, we moesten een oogje in het zeil houden van de heer.""Ok, we wilden eigenlijk aan het einde van de dag wel terug zijn.""Als je verder gaat naar de plek waar ze vroeger de heilige dag vierden, dan gaat je dat niet lukken, dat duurt een halve dag of langer.""Ok, geef dan maar aan de heer door dat het wel een dag of twee kan duren voor we weer terug zijn, als we al terug komen."De Vanyana nemen afscheid en gaan terug, waarna Ruarc Bartimeüs en Kritoias op de hoogte brengt.
Het is nu ongeveer vier uur en er zijn nog vier uur daglicht over. Bartimeüs gaat weer op zoek naar het pad, dat steeds lastiger vindbaar is. Ze komen dan ook langzaam vooruit. Na ongeveer een uur merkt Bartimeüs op dat er andere planten over de weg groeien. Deze zijn veel vezeliger. Ze lijken een beetje op de ranken die hij al eerder in de mijn van Izendaal heeft gezien. Ze lijken ook allemaal uit dezelfde richting te komen, waardoor het makkelijker wordt de juiste richting aan te houden.Na ongeveer een half uur ziet Bartimeüs een bot uit de plantenmassa steken."He, daar ligt iets of iemand." zegt hij."Zou zijn hoofd aan dat bord hangen?" vraagt Ruarc.Bartimeüs rommelt wat tussen de struiken, maar hij ziet de resten van de schedel bij de overige overblijfselen liggen."Dit ligt er al best lang." zegt hij, "die kleding is bijna helemaal vergaan en ook in de botten zitten al aardige gaten. Wapens zijn er niet meer, waarschijnlijk al lang weggeroest. Wel vindt Bartimeüs nog een vierkant muntje met een gat er in. Het was ooit blauw, maar nu is het grijs en wist uitgeslagen en groeit er mos op.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen verder over het pad en komen nog een restje botten tegen. Onder het bladerdak begint het nu al te schemeren."Het wordt donker. Bartimeüs kan jij een schuilplaats zoeken?""Ja hoor, …, de dichtstbijzijnde plek is een paar honderd meter die kant op." en Bartimeüs wijst van het pad af.Ze lopen door de stuiken en vinden een schuilplaats in een kleine grot. Ze jagen een paar kleine dieren weg en Bartimeüs zorgt voor een kleine val bij de ingang zodat ze goed beschermt zijn tegen wilde dieren.
Bartimeüs neemt de eerste wacht en geniet van de wildernis geluiden buiten de grot. Dan is zoals altijd Kritoias aan de beurt. Tijdens zijn wachtbeurt komt er een lichte mist op. Ook hoort hij buiten de grot wat gekraak in de bosjes. Waarschijnlijk wat dieren die in de buurt van de grot rondzwerven. Vervolgens mag Ruarc weer wachthouden en gaat Kritoias weer slapen.Bartimeüs en Kritoias worden wakker in een lege grot. Ze moeten zich snel aankleden voor het ritueel. Ze doen beide neen lang gewaad aan, linnen en licht van kleur, maar niet wit. Ze lopen de grot uit en zien in de verte een grote boom. Al snel komen ze op het pad en als ze dat volgen zien ze even later een aantal gesneden zuilen.Ruarc merkt dat de mist dichter wordt.Op het pad lopen ook anderen en ze verzamelen zich bij een vijver met helder water, de spiel naar de godin. Ze gaan samen met de anderen om de vijver heen staan. De hogepriesteres schept water uit de vijver en spreekt een aantal woorden in een andere taal, waarschijnlijk Vanyaans. Bartimeüs en Kritoias proberen allebei die woorden te onthouden. Onmiddellijk ontbrandt het water in haar handen en ze strekt haar hand uit en geeft iedereen uit de groep het brandende vuur in hun hand.Ruarc hoort nu buiten veel gekraak. Het lijkt wel of er planten bewegen.Bartimeüs en Kritoias lopen met de andere volgelingen van de godin naar de grote boom. De vlam in hun hand gaat sneller branden.Ruarc ziet nu beweging bij de ingang van de grot. De val gaat af, maar lijkt geen effect te hebben. Ruarc aarzelt niet langer en maakt Bartimeüs en Kritoias wakker. Direct stopt de beweging bij de ingang van de grot. De opening is bijna helemaal gebarricadeerd met ranken.
"Weer van die bewegende planten" zegt Ruarc."Goed dat je ons hebt wakker gemaakt, anders was je misschien als Derdrich geëindigd." zegt Kritoias."Ja, arme Derdrich.""Ik wil toch wel weten waarom die plant dat nou doet." zegt Bartimeüs en hij gebruikt magie om met de plant te praten.De plant blijkt niet heel slim te zijn en heeft het vooral op de man in het ijzer gemunt. Die vindt hij maar eng en die moet hier maar blijven. Kritoias maakt Ruarc onzichtbaar, maar dat helpt niet."Nee, niet weg" zegt de plant.Bartimeüs weet de plant er van te overtuigen dat de man in het ijzer geen kwaad in de zin heeft en dat hij ook de godin wil helpen, maar de plant is daar niet van overtuigd.Als het licht wordt stoppen de planten helemaal met bewegen en is er voldoende ruimte bij de ingang van de grot om naar buiten te komen.
"Weet jij nog waar dat pad met die zuilen is?" vraagt Bartimeüs aan Kritoias nadat ze Ruarc over hun droom hebben verteld."Ja, dat weet ik nog wel, hier het heuveltje af, dan tussen die twee rotsen door en dan komen we daar weer bij het pad." zegt Kritoias.Ze volgen Kritoias' aanwijzingen en komen dan weer op het pad uit. Na een half uur voelen ze af en toe iets aan hun voet trekken. Het lijkt erop dat de planten hen beet willen pakken."Die planten zijn toch niet helemaal stil." zegt Bartimeüs."We zijn op een missie van de godin, dus ze zullen ons wel doorlaten." zegt Kritoias, "en anders moet je gewoon je voeten wat beter optillen."Even later zien ze aan de zijkant van de weg overwoekerde kolommen die overeenkomen met die uit de droom van Bartimeüs en Kritoias."Het wordt steeds lastiger om te lopen." zegt Ruarc, "straks komen we vast te zitten.""Ik ga wel in mijn hoofd tegen de godin praten." zegt Kritoias, "dat deed die riftwalker toch ook? Als ze het hoort stoppen de planten daar vast wel mee."Kritoias praat in zijn hoofd met de godin en vraagt of zij het pad vrij wil maken zodat ze naar de boom kunnen gaan om haar te vereren. Als ze vervolgens verder lopen wijken de planten inderdaad weg van het pad."Het heeft gewerkt!" zegt Bartimeüs."Niet helemaal" zegt Ruarc en wijst naar een grote boom die midden op het pad staat vlak bij de plaats waar de vijver en de ruïne van het gebouwtje is wat daar bij stond.
"Dat is volgens mij geen echte boom." zegt Kritoias, "het heeft wel iets weg van een dryade, kijk maar eens hoe onnatuurlijk die takken bewegen.""Laten we voorzichtig verder lopen." zegt Bartimeüs, maar zodra hij een paar stappen naar voren zet spreidt de boom zijn takken als in een gebaar om hen tegen te houden."Ik weet wel iets om hem gunstig te stemmen." zegt Kritoias en hij gebruikt een charmspreuk.Kritoias loopt een stukje naar de boom toe en vraagt waarom de boom hen tegenhoudt."Die taal heb ik nog niet vaak gehoord hier." zegt de boom."Ik ben helemaal verbaasd dat u onze taal spreekt." zegt Kritoias."Soms komt er iemand die die taal gebruikt." zegt de boom."Wat doet u hier? Bewaakt u de boom?""Ja, de slechte Vanyana zijn gekomen en hebben de priesteressen vermoord. Zij zochten iets.""Wat vreselijk, kunnen wij verder gaan om de boom, eh de godin te eren.""De boom dient de godin, maar vroeger was zij veel voelbaarder.""Ja, dat begrijpen we. Wij willen de godin ook eren, maar hoe doe je dat precies? Wat deden de priesteressen?""Je eert de natuur en daarmee de godin door die niet te vernietigen.""Mogen we doorlopen om de boom te bezoeken?""Mijn vriendjes laten jullie door en jullie hebben het goede gevoel. Bij hem heb ik dat minder" en hij wijst naar Ruarc, "is hij geen gevaar?""Hij is onze neef en helpt ons in onze opdracht voor de godin. Ik sta voor hem in.""Dan zal ik jullie laten passeren."Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen voorzichtig langs de boom op weg naar de vijver waarvan het water niet meer helder is, maar helemaal bezaaid met kroos en ander groen."Eens kijken hoe het water hier is." zegt Bartimeüs.Hij bukt, en wil water uit de vijver halen. Zodra hij het water aanraakt voelt hij iets groots door zich heen beginnen te stromen en het water in zijn hand begint spontaan te branden. Kritoias doet hetzelfde en hij ervaart precies hetzelfde. Ruarc lijkt het geen goed plan, maar dan lijken de vlammen ineens zijn kant op te slaan. Op hetzelfde moment krijgt hij iets in zijn keel. Ruarc probeert het nog stil te houden, maar dan hoest hij ineens een gele vlam die zich met de blauwe vlammen van de godin mengt."Zo dan, waar komt dat opeens vandaan? Is dat voor het eerst?" vraagt Bartimeüs."Ja, nee, niet helemaal, ik heb weleens eerder een klein kuchje gehad met een vlammetje." zegt Ruarc."En dat was niet normaal?""Nou, ja, nee, het leek geen kwaad te kunnen, ik dacht er verder niets bijzonders van."Kritoias ziet duidelijk channeling- en essence-magie in de vlammen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen over het pad door naar de grote eik die zo'n vijftig meter hoog is en enorm dik. De planten wijken voor hen weg en maken het pad vrij. Bij de boom zien ze een grote bronzen vuurkorf. Bartimeüs loopt er heen en steekt hem aan met de blauwe vlam in zijn hand."En nu?" vraagt Kritoias."Zou er iets moeten gebeuren?" vraagt Ruarc."Je hebt ons wakker gemaakt voor we hier kwamen, dus ik weet het niet." zegt Bartimeüs, maar wacht ik zie daar nog zo'n vuurkorf staan."Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen om de stam van de boom heen en op verschillende plaatsen tussen de wortels staan in totaal vijf vuurkorven. Als ze die allemaal hebben aangestoken dooft de vlam in de handen van Bartimeüs en Kritoias en horen ze een houten schurend geluid."Het lijkt alsof er iets open gaat" zegt Bartimeüs."Ja, daar bij de stam." zegt Ruarc.Bij de tweede vuurkorf is een opening ontstaan waar een wenteltrap naar beneden leidt.
"Het is best donker daar." zegt Bartimeüs, "kan iemand die zorgt dat je echt in het donker kan zien daar voor zorgen?""Ik kan ook gewoon wat licht maken." zegt Kritoias en spreekt een lichtspreuk op zijn staf uit waardoor alles in een straal van vijftien meter verlicht is, "dit zou genoeg moeten zijn."Ze lopen een aantal omwentelingen naar beneden en komen dan een vrijwel vergaan skelet tegen. Het is niet te zien wie of wat dat is geweest. De trap komt na een totaal hoogteverschil van tien tot vijftien meten uit in een grote grot van tien bij tien meter. De grote bestaat uit rots en aarde en overal zijn boomwortels te zien. Het lijkt een soort wachtruimte te zijn geweest. Hier en daar liggen nog restanten van Vanyana.Aan het einde van de grot zien Bartimeüs, Kritoias en Ruarc een opening. Als ze daarheen lopen zien ze een drie meter brede grap die recht naar beneden gaat en uitkomt in een veel grotere grot. Vanaf de ingang is verder op nog wel een vijver te zien, maar het andere einde van de grot is maar net zichtbaar. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen deze volgende grot een paar meter in als ze plotseling links en rechts beweging zien. Van elke kant komen drie lopende skeletten op hen af, ongeveer zoals in Izendaal, maar deze hebben zwaarden in hun handen."Terug, terug." zegt Kritoias, "ik kan een aarden muur bij de ingang van de grot neerzetten, dan kunnen we ze stuk voor stuk bevechten.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen snel terug en Kritoias zet een aarden muur neer zodat er nog maar een opening van een meter is. De skeletten blijven echter in de kamer staan en komen er niet uit. Bartimeüs slaat op één van hen in en raakt, maar daardoor slaat het skelet wel terug en verwondt hem. Daarop trekt hij zich terug en schiet Kritoias een vuurbal op ze af. Dat doel wel enige schade en één van de skeletten begint te smeulen, maar echt effectief is het niet. Terwijl Bartimeüs zich verbindt slaat Ruarc een paar keer, maar het blijkt lastig de skeletten te raken. De slagen van het skelet ketsen steeds af op het pantser van Ruarc. Omdat de skeletten toch de kamer niet uitkomen besluiten ze te wachten tot de bloedende wond van Bartimeüs zover is hersteld dat hij weer gewoon kan lopen.
Na een uur lopen ze vanuit de wachtruimte weer de trap af. De skeletten staan nu weer op hun plaats. Kritoias schiet een vuurbal op de groep links af. Deze vuurbal heeft meer effect en de skeletten beginnen te branden. Het duurt een minuut of zes, maar dan storten ze in elkaar. Vervolgens lokken ze de twee andere overgebleven skeletten. De derde was al eerder door vuur van de vorige vuurbal kapot gegaan. Bartimeüs en Ruarc slaan met zijn tweeën op één van de skeletten in en nu gaat het hard. Na een paar klappen slaat Ruarc de arm waar zijn wapen in zit er af. Dan is het volgende skelet aan de beurt. Die krijgt een soortgelijke behandeling en hier gaat als eerste de schildarm er af. Na nog een paar klappen zijn de lopende lijken vernietigd.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen naar de vijver. Die ruikt wat bedompt, net als alles hier en als Bartimeüs zijn hand er in stopt gebeurt er niets bijzonders. Achter de vijver loopt een gang. Ze lopen door en komen al snel bij een kruising. Links en rechts zijn korte gangen die aan beide kanten uitkomen op een tien meter lange bij drie meter brede grot. In beide grotten zijn alleen wat botresten te zien. De gang rechtdoor komt in een enorme grote uit. Het lichtschijnsel van de lichtspreuk van Kritoias reikt niet tot de andere kant. De gang komt uit in één van de hoge wanden van de grot en ze kunnen rechts een trap volgen die langs de wand van de grot naar beneden gaat. Dan zien ze uit het duister in het midden twee stenen kolommen opdoemen die elkaar bijna raken."Dat zal toch wel geen rift zijn?" zegt Kritoias.Hij gebruikt een spreuk en krijgt toch die bevestiging."Ja, toch wel, daar is een rift." zegt Kritoias, "we hoeven niet meer op jacht naar Modo of die tempel in. We moeten er hier doorheen kunnen. Ik vraag me alleen af waar dit dan heen gaat, want dit staat natuurlijk op geen enkele kaart.""Het lijkt me wel logisch dat ze er hier doorheen zijn gegaan en niet bij het dorp." zegt Ruarc, "dit is de heilige plek, dat dorpje bestond toen ook nog niet.""Ok, gaan we ervoor? Dan maak ik de rift open."Kritoias concentreert zich en opent met zijn spreuk de rift.
"Ik zie niet echt iets veranderen." zegt Bartimeüs."Ik denk dat we tussen die twee halve bogen heen moeten stappen." zegt Kritoias."Volgens mij stond die speer daar eerst nog niet." zegt Ruarc."Ja, nu je het zegt." zegt Bartimeüs die op zijn gemak de speer bekijkt, "het lijkt wel een oude speer te zijn.""We moeten er wel doorheen stappen, want anders gaat hij weer dicht." waarschuwt Kritoias.Ze lopen alle drie tussen de pilaten door en zien dat dat het hier minder leeg is dan aan de andere kant."Die speer is inderdaad behoorlijk verroest." zegt Bartimeüs, "en er zit ook niemand aan vast.""Voor de rest alleen wat oude kisten en wat rommel." zegt Ruarc."Zullen we hier een paar uur uitrusten?" vraagt Kritoias, "dan kan mijn magische energie weer op peil brengen."
Na ongeveer een kwartier wordt het heel erg donker als de lichtspreuk van Kritoias eindigt. Het is heel erg stil, maar af en toe horen ze in de verte toch wat beweging."Wat zou dat zijn?" vraagt Kritoias."Vast weer van die bewakers" zegt Bartimeüs."Die anderen stonden toch stil?""Ja, dat wel, dan toch iets anders?""Ratten?" oppert Ruarc.
Na twee uur rusten maakt Kritoias weer licht. Dit maal met een lichtstraal uit zijn hand. Bartimeüs gebruikt het licht om een toorts aan te steken."Eens kijken wat er boven is." zegt hij."Geef mij die toorts maar, dan kan jij je schild en bijl pakken." zegt Kritoias.Ruarc loopt met zijn schild en strijdhamer de treden langs de zijkant van de grot omhoog, gevolgd door Kritoias. Deze treden zijn meer uitgesleten dan die in de grot aan de andere kant van de rift. De layout is wel gelijk, want bovenaan komen ze bij een kruispunt met links en rechts een kort gangetje dat uitkomt in een grot en rechtvooruit een trap omhoog.
Bartimeüs houdt met de toorts de wacht bij de trap als Kritoias en Ruarc de twee kamers onderzoeken. De ruimte aan de rechterkant werd vroeger afgesloten door een gordijn, want er hangen nog ringen aan het plafond. Door de ruimte verspreid liggen de restanten van houten bedden. De ruimte aan de linkerkant bevat ook wat meubilair, een paar lege kasten en een oude tafel.Dan lopen ze de trap omhoog en zien daar het bassin met water. Dat ziet er dit maal helder uit. Dan zien ze in de verte vier schaduwen.
Bartimeüs steekt zijn hand in het water en haalt er weer een vuur uit, dat snel weer uit zijn hand loopt en dooft. Ze lopen een klein stukje naar voren en dan zien ze vier personen staan in wat lijkt op een houten wapenrusting. Het zouden Vanyana kunnen zijn, maar ze zien er wel bleek uit. Ze hebben alle vier een knuppel bij zich. Één van de personen loopt iets naar voren."Halt, jullie drieën moeten stoppen" zegt één van hen in de taal van het keizerrijk."Gegroet" zegt Ruarc."Heiligschennis!""Wat? Nee, dat is een vergissing.""Heiligschennis!""Hadden we geen water uit het bassin mogen pakken?" vraagt Bartimeüs, "Hoe kunnen we het weer goed maken?""Offer""Wat, wat bedoelen ze?" vraagt Kritoias."Ze willen dat we iets geven." zegt Ruarc."Wat dan?" vraagt Bartimeüs."Een offer van bloed""Dan moet u bij Bartimeüs zijn" zegt Ruarc tegen de mannen."Waarom moet het bloed zijn?" vraagt Kritoias."Een offer van leven""Hoeveel bloed had u in gedachten?" vraagt Ruarc"Één""Één? Één wat? Één kopje? Één leven?""Het kan één van u zijn""Kunnen we dat niet buiten halen?" vraagt Kritoias."Nee, niet naar buiten gaan.""Waarom niet?""De weg is verboden."
"Lekker is dat" zegt Bartimeüs, "wacht even" en hij loopt naar het bassin, bergt zijn schild en bijl op en pakt met twee handen wat brandend water op. Hij loopt naar de vier personen toe en gooit het van een afstand naar ze toe. De mannen worden boos en zwaaien met hun knotsen en de drie die wat naar achteren stonden lopen ook naar voren.Kritoias zorgt snel voor een magische schild, Ruarc gebruikt blur en Bartimeüs roept zijn weerstand op."U bent niet goed geïnformeerd" zegt Ruarc, "wij hebben toestemming.""U moet een bloedoffer geven en daarna terugkeren.""Dit gaat niet werken." zegt Kritoias.Bartimeüs staat al klaar omerop af te stormen."Wacht even, ik ga ze eerst proberen op te blazen."Kritoias loopt een paar stappen naar voren tot hij op iets meer dan drie meter van de groep mannen staat en schiet dan een balletje van vuur op de mannen af. Vlak voor de vier mannen ontploft het kleine balletje met donderend geraas in een verzengende zee van vuur zes meter in diameter. Tussen de vlammen door is nog net te zien hoe de vier mannen als fakkels branden als ware ze zelf van hout. Als de vlammen gedoofd zijn rest er alleen nog wat as.
"Zo, wat een klap" zegt Bartimeüs."Ja, soms werkt het wat beter dan anders. Dit was er wel één uit het boekje, bijna perfect." zegt Kritoias glunderend."Probeer jij ook eens wat water te pakken, Kritoias" zegt Bartimeüs."Ok" zegt Kritoias en loopt naar het bassin. Hij haalt met zijn hand wat water uit het bassin, maar dat brand niet.""H'm, dat is vreemd." zegt Bartimeüs."Laten we maar verder gaan" zegt Ruarc, "die knal heeft wat er eventueel boven zit wel gealarmeerd."Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen door de hal, gaan een brede trap omhoog en komen in een grotere grot waar veel wortels over de grond lopen. Hier staan wat bankjes en tafeltjes."Het lijkt wel een soort wachtruimte" zegt Ruarc."Kijk daar staat zo'n vuurschaal voor de wenteltrap." zegt Bartimeüs, "ik haal wel wat water"
Bartimeüs is snel weer terug met brandend water in zijn handen. Hij giet het in de vuurschaal en dit gaat branden. Tegelijk is boven een schuivend en krakend geluid te horen."De boom is open" zegt Ruarc.Ze lopen over de wenteltrap naar boven en stappen de boom uit in het zonnetje aan de voet van een grote eik."Het ziet er hier een stuk netter uit dan aan de andere kant." zegt Kritoias, "Je kan hier die stenen muur zien. Die is daar helemaal overwoekerd.""Het ziet er hier helemaal netter uit, net alsof iemand het onderhoud, kijk maar naar het stenen pad dat naar dat gebouwtje toeloopt waar de vijver zal zijn.""Valt jullie niet iets anders op?" vraagt Bartimeüs, "ik hoor helemaal geen dieren."Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zijn even stil en elk dierlijk geluid ontbreekt."Dat hebben we toch al een keer eerder meegemaakt?" vraagt Ruarc."Ja, toen we met de Vanyana en Cathal en Donogb op weg waren naar die gevangenis. Ik weet niet meer of we toen ook van die rare overlappingen hadden, maar dat zie ik hier nu niet."
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen in het licht van de late zon over het pad naar het koepelvormige gebouw. De koepel staat op pilaren die om het vijvertje heen staan. Er zijn geen muren en er waait een zacht briesje onder de koepel door."Nou, eens kijken hoe het met dit water is" zegt Bartimeüs.Hij buigt voorover, maakt een kommetje van zijn hand en schept wat water uit het vijvertje, maar dit keer is er geen vlammetje te zien. Het is al laat aan het worden, dus Bartimeüs, Kritoias en Ruarc besluiten om hier maar te gaan slapen.
Bartimeüs heeft de eerste wacht. Even na middernacht valt het hem op dat het op een rare manier donker wordt. De sterren die hij eerst wel zag verdwijnen plotseling alsof er een grote deken over de hemel wordt getrokken. Verder staat er wel een maan, maar de groene maan is nergens te bekennen. Dan hoort hij in de verte ook geluiden. Het is enigszins bekend, maar het zijn geen dieren."Aapdemonen en vuurhonden." denkt hij bij zichzelf, "gelukkig nog wel een eind weg."Bartimeüs maakt Kritoias wakker voor de volgende wacht. Die zorgt dat hij in het pikkedonker iets kan zien. Hij hoort ook de rare geluiden die gelukkig in de verte blijven. Na een paar uur maakt Kritoias Ruarc wakker, geeft hem de mogelijkheid om 's nachts iets te kunnen zien en gaat dan weer slapen. Ook Ruarc hoort de demonen. Tegen het einde van de nacht trekken de geluiden weg en verschijnen ook de sterren weer.
Als het licht wordt hoort Ruarc het gekrak van takjes en ziet een man op hem aflopen. Het is een goed geklede jonge man die over het pad loopt. Bartimeüs en Kritoias slapen nog en dromen elk dat ze de man en Ruarc zien."Prachtige plek nietwaar?" zegt de man tegen Ruarc."Ja, wonderschoon, Balbar nietwaar?""Dat is wel de naam die ik prefereer." zegt Balbar, "interessant om jullie hier te zien. Ik miste jullie aanwezigheid. Het is een bijzondere plek. Was hier geen boom? Ja, ja, een mooie grote eik. Zou er iets in kunnen zitten?""In een eik? Wat brengt je eigenlijk hier?""Zorgen, jullie verdwijnen en verschijnen dan hier.""Hoe gaat het met Beolin?" vraagt Bartimeüs, wat Kritoias en Ruarc niet kunnen horen."Beolin werkt goed mee! Toch zit iets me dwars. Vroeger waren er wel meer mensen op deze plek" "Op deze plek? Wat is daar dan bijzonder aan?""Weet je wat dit voor vijvertje is?""Nee, om te vissen?""Het is gewijd aan de bitch.""Wat is dat? gewijd?""Een plaats waar je contact met de goden kan zoeken met rituelen, een soort toverspreuken.""Met jouw is dat niet echt nodig." zegt Bartimeüs, "weet je dan ook wat een Ulam is?""Ulam? Dat is een bevrijder, degene die je terug haalt uit gevangenschap.""Maar wat doen jullie hier?""Wij reizen wat rond, door de gebieden van de Vanyana.""Maar waarom? Waarom hier? Alles is hier afgesloten.""We zoeken toch naar een manier om ons oude leven weer op te pakken. Dat is nu wat moeilijk.""Het biedt uitstekende kansen om te transformeren naar iets beters. Maar is dat echt wat jullie willen? Een rustig leven? Daar kan ik hier wel voor zorgen. Er is een gemeenschap hier, dat is echt de perfecte plek."Dan verdwijnt Bartimeüs.
Ruarc maakt Bartimeüs en Kritoias wakker die nog gewoon lagen te slapen."Als dit echt een gewijde plek is, misschien dat we dan contact met de godin kunnen hebben." zegt Kritoias, "misschien als ik in mijn hoofd tegen haar praat. Dat heeft de vorige keer ook gewerkt."Kritoias gaat naast de vijver zitten en bidt tot de godin. Het water van de vijver licht heel even op. Ze kijken goed in de vijver, maar kunnen niets iets bijzonders vinden. Als Bartimeüs het probeert licht de vijver weer op."Volgens mij is er iets in de vijver. Kon jij mij niet onder water laten ademen?""Ja, voor ongeveer twee uur, net als in Olcadaïr.""Ok, doe maar, dan ga ik kijken wat er onderin de vijver is."Bartimeüs doet zijn kleding uit en gaat het water in. Dan geeft Kritoias hem de mogelijkheid om water te ademen, maar geen lucht, dus Bartimeüs duikt snel onder. Hij zwem naar beneden. De vijver is een stuk dieper dan het leek, want hij kan wel een meter of tien naar beneden zwemmen. Daar is het wel donker, dus hij geeft zichzelf nachtzicht. Dan blijft zijn been ergens achter haken. Bartimeüs kijkt op en verwacht een waterplant, maar een soort hand van water heeft zijn been vast en trekt hem naar beneden. Bartimeüs probeert zich los te wurmen, maar dan verschijnen er nog meer handen die hem naar beneden trekken.Dan verschijnt het gezicht van een man in het water en een vinger raakt zijn neus aan. Bartimeüs hoort een stem in zijn hoofd."Mensenkind, kom je ons vergezellen? Jij gaat zo verdrinken""Ik? Ik ben geen mensenkind.""Nee? Wat ben je dan wel?""Ik ben een vis.""Oe, maar dan wel een heel lelijke vis.""Wie zij jullie?""Wij wonen hier.""En hoe noemen de mensen jullie?""Wij zijn de Sili, onderdeel van het feeënrijk.""Feeën? Is de godin hier?""Nee, dat hadden we wel gehoopt. Daarom is het zo leuk dat je ons bezoekt en dan nog wel van een vis.""Als jullie mij willen verdrinken gaat dat zo niet natuurlijk?""Nee?""Nee, vissen verdrinken niet in het water, die verdrinken op het droge."Op dat moment voelt Bartimeüs een harde ruk naar boven en met duizelingwekkende snelheid vliegt hij door het water omhoog, wordt uit het water gelanceerd en valt hard op de stenen rond de vijver.
"Wat was dat nu weer?" vraagt Kritoias, die snel de waterlongenspreuk ongedaan maakt."Er zitten een soort feeën in de put, die is trouwens heel diep, meer dan 15 meter.""Net zoiets als in die grot waar we Beolin zagen." zegt Kritoias."Toen die zo oud was?""Ja, daar was ook een diepe put waar de kracht van de godin zou zijn.""Dat is allemaal leuk, maar wat gaan we nu doen?" vraagt Ruarc, "het pad aflopen?""Ja, en dan op zoek naar die grot waar we op de heenweg geslapen hebben in de andere wereld? Misschien is daar iets." oppert Kritoias.De anderen vinden het prima en ze lopen het pad af, langs de kunstig uitgesneden houten pilaren die hier netjes onderhouden zijn. Als het pad stopt leidt Bartimeüs ze verder het bos in op weg naar de grot, maar die kunnen ze niet vinden. Als hij zijn gave gebruikt om een veilige schuilplaats te vinden is er niets echt in de buurt. Het beste is iets dat op ongeveer 10 tot 15 kilometer afstand is. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc besluiten om daar dan maar naar toe te lopen.
Na een paar uur horen ze het geluid van houthakkers. Bartimeüs sluipt naar voren en ziet een groep van ongeveer twintig personen die druk bezig zijn om bomen om te hakken en de kale stammen op een kar te tillen. Er zijn geen dieren te zien, dus de kar zullen ze wel met de hand voortduwen. De mannen en vrouwen zijn, op hun hakbijl na, niet bewapend en simpel gekleed. Bartimeüs keert terug en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen gedrieën op de mensen af.Hun verhaal is wel wat bijzonder. De mensen komen uit alle streken van het keizerrijk vandaan en zijn hier plotseling verschenen. Ze wonen in de grotere stad Holtheim, die helemaal van hout is gemaakt. Ze zijn hier om hout te kappen om nieuwe huizen te bouwen voor de nieuwelingen. Zo zien ze Bartimeüs, Kritoias en Ruarc ook. Alle verhalen van de nieuwelingen zijn ongeveer hetzelfde. Sommige sliepen, anderen waren in gevecht en toen waren ze plotseling hier. De eerste periode is heel verwarrend, want wat eerst gewoon was is dat hier niet. Je hoeft niet te eten, of te drinken en iedereen is gelijk.
Dat zien Bartimeüs, Kritoias en Ruarc toch wel anders, want die hebben hier nog steeds honger en dorst gekregen. De houthakkers raden hen aan om naar Holtheim te gaan. Daar worden ze opgevangen en begeleid en kunnen ze luisteren naar Kalvandos de hogepriester. Hij bidt met iedereen tot de goden. Als alles goed gaat ga je weer terug naar waar je was. Bartimeüs vraagt naar de duisternis, maar daar willen ze liever niet over praten. 's nachts is het gevaarlijk, want dan komen de demonen en als die je te pakken hebben nemen ze je mee naar het niets en dan ben je verloren.
Ze ontmoeten ook iemand uit de prinsdommen. Zijn dorp werd overlopen door de lopende lijken en plotseling stond hij in het bos. Maar meer wil hij er niet over zeggen, want je moet niet meer over je verleden praten. De mensen willen hen graag meenemen naar de houtzagerij waar ze kunnen overnachten dan kunnen ze de volgende dag doorreizen naar Holtheim. Bartimeüs gaat nog even foerageren, hoewel dat volgens de mensen echt niet nodig is. Kritoias en Ruarc helpen mee met houthakken. Aan het eind van de dag gaan ze mee naar de houtzagerij en helpen ze de kar te trekken.
s Avonds barricaderen de mensen de ramen van de houtzagerij met houten schotten om de demonen buiten te houden. Ze vertellen over Kalvandos die hier al lang is en iedereen helpt. Sommigen willen dat niet en die wagen de sprong naar de overkant aan de rand van het gebied. Maar als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc daar meer over weten moeten ze dat aan Kalvandos vragen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc houden wacht en alle drie horen ze geluiden in de omgeving. Duidelijk de geluiden van demonen.
Na hun ontbijt met wortels waar je enorm van gaat schijten lopen bijna een hele dag over de weg naar Holtheim. De omgeving is hier helemaal kaal, want alle bomen zijn omgehakt om Holtheim uit te breiden voor alle nieuwelingen, die de laatste tijd in grote getalen aankomen. Aan het einde van de dag zien ze Holtheim achter de golvende heuvels opdoemen. Het is best een grote stad, ongeveer het formaat van Olcadaïr. Het heeft een houten palissade en lijkt snel opgetrokken te zijn uit houten barakken. De weg voert naar een poortgebouw waar een aantal mannen in andere kleding toezicht houden. Er staat een rij van een man of twintig die staan te wachten tot ze de stad in mogen.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen direct naar voren."Pardon, kunnen jullie achteraansluiten?""Maar ik moet nodig plassen." zegt Kritoias."Ah, u bent nog in verwarring, dat is helemaal niet nodig hoor.""Volgens mij wel hoor." zegt Kritoias, "kunnen we niet even snel de stad in.""Nee, u moet echt op uw beurt wachten.""Nou, dan plas ik hier wel." zegt Bartimeüs.Hij loopt naar de palissade en begint te pissen. De man kijkt even vreemd op, zegt iets tegen iemand die vervolgens wegloopt."Bartimeüs, zullen we maar op onze beurt wachten?" zegt Ruarc."Ok, goed dan.""Prima, tijd genoeg." zegt de wachter.
Na ongeveer een uur zijn Bartimeüs, Kritoias en Ruarc aan de beurt."Jullie zijn nieuw hier, nietwaar? Wij zijn er om jullie te helpen. Het kan zo verwarrend zijn de eerste tijd.""Ja, waar zijn we hier precies?" zegt Kritoias."Dit is maar een tijdelijke plaats. Als je voldoende rust in je hoofd vindt kan je weer terug naar je oude leven.""Wie zegt dat ik dat wil?" zegt Bartimeüs."U kunt ook hier blijven! Dat is geen probleem. Het is een prachtige samenleving, want iedereen is gelijk. Wat je vroeger was hoef je niet meer te zijn, want er is geen behoefte meer aan eten, drinken.""Waarom niet? Is er dan ook geen geld?""Nee, dat is nergens voor nodig. Want wat je was dat ben je niet meer. Een hofdame is geen hofdame en een boer geen boer, iedereen is gelijk.""Wat een raar idee" zegt Bartimeüs."Het is toch mooi, voor iedereen is er een huis, ook voor jullie. En als je geluk hebt dan ben je hier maar even.""En jij, hoe lang ben jij hier dan al?""O, dat weet ik niet meer, dat is niet zo belangrijk."
"Als jullie nu je spullen geven, dan kan ik jullie naar je eerste verblijfplaats laten brengen. Daar gaan we jullie uitleggen hoe alles hier in zijn werk gaat." zegt de wachter en wijst naar de wapens en rugzakken van Bartimeüs, Kritoias en Ruarc."Dat lijkt me niet." zegt Bartimeüs, "deze spullen ga ik nog hard nodig hebben.""Wat gaan jullie dan met die spullen doen?" vraagt Kritoias, "dit lijkt me een truc om aan onze spullen te komen.""Nee, natuurlijk niet, deze spullen brengen we weg naar het grote niets, die zijn niet meer nodig.""Mijn spullen ga je niet krijgen." zegt Bartimeüs."Ok, ik begrijp het, jullie zijn nog maar net hier. Breng ze maar naar gebouw Z" zegt de wachter tegen iemand die een stukje verder staat te wachten."Gebouw Z? Wat is dat voor rare naam?""We hebben de gebouwen letters gegeven, van A tot Z."
Even later komen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc bij gebouw Z aan. Daar wijst degene die hen heeft begeleid hen drie britsen toe in een grote slaapzaal. Het lijkt erop dat hier nog meer eigenwijze types gelegerd worden, want ze zien ook een soldaat die zijn zwaard nog heeft."Zullen we eens een rondje door de stad gaan lopen?" vraagt Kritoias."Ja, goed plan, zullen we eens een kijkje nemen bij die Kalvandos?" vraagt Bartimeüs."Goed idee" zegt Kritoias."Gaan jullie mee?" vraagt Bartimeüs aan de andere aanwezigen.Een aantal heeft daar wel zin in en met een aardige groepen lopen ze door de stad naar een groot stadhuis waar een brede trap toegang geeft tot een grote hal. Er staan al rijen mensen voor de trap te wachten."Wat is er aan de hand?" vraagt Kritoias aan één van de aanwezigen."Kalvandos gaat zo spreken." zegt die.Ze wachten ongeveer een kwartier en dan komt er een man naar voren. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc kijken eens goed naar de man en dan naar elkaar. De blik van de man glijdt over de menige en blijft dan gefixeerd op Bartimeüs, Kritoias en Ruarc."Krijg nou wat" zegt Bartimeüs, "Dat is Kalkaris!"
De hele menigte zakt op de knieën en buigt het hoofd. Dan begint Kalvandos te spreken:"Beste gemeenschap, het is goed dat wij allen weer bij elkaar zijn gekomen om gezamenlijk onze gedachten te wijden aan de hogere machten. Alleen zij zijn in staat ons te verlossen en ons terug te brengen naar de plaats waar wij vandaan zijn gekomen. Geen ons terug naar waar we zo verlangen. De wil van de hogere machten is ondoorgrondelijk. Geef ons een teken als we nog niet zover mochten zijn. Gisteren hebben vier van ons de verlossing ontvangen. Houd moed allen!"Hij draait zich vervolgens om en loopt de tempel weer binnen."Wat bedoelt hij met verlossing?" vraagt Kritoias aan een argeloze bezoeker van de dienst."Dat we verlost worden van de slechte dingen die we hebben gedaan!""Slechte dingen gedaan? Waar moet ik dan aan denken?""Ik ben bijvoorbeeld slecht geweest tegenover mijn vader.""Wat? Wat heb je dan gedaan?""Ik ben altijd heel onaardig geweest.""Ok, en daarom zit je nu hier?""Ik zou niet weten wat het anders zou kunnen zijn.""En wat gebeurt er dan nu met mensen die slechte dingen doen?""Hier? Dat komt bijna niet voor en als dat wel zo is dan sluiten ze iemand op. Je kan hier niet dood gaan.""Ok, dank je wel." zeg Kritoias.
"Ik zie hier heel veel mensen uit de prinsdommen" zegt Ruarc, "en wat mensen uit andere delen van het keizerrijk. Ik denk ook hier en daar een noorderling of een barbaar. Kijk maar die grote blonde daar.""Zullen we eens een bezoekje brengen aan Kalkaris?" zegt Bartimeüs."Goed idee, we hebben toch niets anders te doen." zegt Kritoias.
Ze lopen de houten tredes op naar het tempelgebouw dat op een soort heuveltje staat. Het is een geheel houten gebouw wat er al wat ouder uitziet. Nergens zijn afbeeldingen van de goden te zien, maar het gebouw is wel mooi versierd. Bartimeüs klopt op de deur en na een paar minuten doet een mooie jonge vrouw open."U wenst?""Goedemiddag, wij komen voor Kalvandos?""Dat is wat ongebruikelijk.""Hij verwacht ons, mijn naam is Bartimeüs en dit zijn mijn neven.""Kritoias", zegt Kritoias en maakt een kleine buiging."Ruarc", zegt Ruarc, "en met wie hebben wij het genoegen?""Ik ben Sonja. Ik zal kijken of hij jullie kan ontvangen." en ze doet de deur weer dicht.
Terwijl ze staan te wachten komen er twee mensen aanlopen."Jullie staan bij de verkeerde ingang hoor!""Waarom?" vraagt Kritoias."Jullie gewaden krijgen jullie ergens anders.""Dat komt wel, wij moeten nu even met Kalvandos spreken." zegt Ruarc""Ze zijn nog nieuw" zegt de ene man tegen de andere."Ja, het komt wel goed."
Na ongeveer tien minuten doet Sonja de deur open en mogen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc naar binnen. Ze lopen door een kleine ontvangstruimte die toegang geeft tot een meer dan twintig meter lange hal waar aan het einde een altaar staat. Daarachter zit Kalkaris op een stoel."Dit lijkt meer op een troonzaal dan op een tempel." zegt Kritoias."Ja, lijkt niet echt op die tempel van de keizer in Olcadaïr.""Welkom, ga zitten. Sonja, het is goed, je kan je terugtrekken."Sonja verlaat de troonzaal en Kalvandos neemt het woord."Jullie denken dat ik Kalkaris ben?""Ja, zo zie je er in ieder geval wel uit." zegt Kritoias."Het is een naam die ik al heel lang niet heb gehoord. Wat weten jullie van Kalkaris?""Hij was gek volgens de andere aartsdruïdes. Hij heeft een zwaard meegenomen en is naar een plaats gegaan waar Vanyana woonde en die heeft hij allemaal gedood. De Vanyana hebben hem vervolgens opgesloten in die rift. Vervolgens zijn wij een deel van zijn geest tegengekomen bij de gevangenis waar de aartsdruïde Arvan gevangen werd gehouden. Hij is met ons meegegaan en ten slotte is een deel van zijn geest in het lichaam van de meester van een vriend van on gevaren en is hij met die vriend naar de hoofdstad gegaan. Hij zou ons het zwaard geven als wij een aantal stukken van een steen zouden vinden waarmee je het slot zou kunnen verbreken. Volgens mij hebben we één van die stenen nog bij ons."
"Een bijzonder verhaal en dat brengt jullie dan ook hier? Weten jullie waar jullie zijn?""Nee, eigenlijk niet, we wilden een omweg maken omdat één van de rifts was afgesloten en toen kwamen we hier terecht. Toen we jou zagen dachten we dat dit misschien wel de rift zou kunnen zijn waar Kalkaris in vast zat, maar dan hadden we niet op al die mensen gerekend.""En waar waren jullie naar op weg?""Tja, we gingen iets doen?""Wat voor iets? Heeft het iets met hogere machten te maken.""Daar gaan we liever niet al te diep op in. Balbar zit ons ook al achterna.""Balbar? Dan moet het iets zijn dat hij niet zo fijn vindt""Nee en voor hetzelfde geld ben jij Balbar en gaan we vertellen wat hij wil weten. We hebben hem hier al eerder gezien.""Balbar? Hier?" zegt Kalvandos verontrust."Ja, we kwamen hem tegen toen we bij de rift hebben overnacht.""Dat is geen goed nieuws. Waar is die rift?""Bij de grote eik op twee dagreizen. Er staat ook een soort gebouwtje bij.""De gewijde plek van de godin. Ik wist niet dat Balbar die ook kende"
"Jullie zijn inderdaad op de plek waar Kalkaris naar toe is gegaan en ik ben wat over is van Kalkaris" zegt Kalvandos, "Er was een grote strijd tussen de godin en Balbar en zij heeft de werelden uit elkaar getrokken. Daarbij kwam Kalkaris om het leven en bleef ik hier in deze realiteit over. Hebben jullie je wel eens afgevraagd wat Kalkaris ging doen?""Nee, eigenlijk niet." zegt Kritoias, "Het leek voor de hand te liggen dat hij op zoek ging naar de godin die was opgesloten. Hij had in ieder geval het zwaard meegenomen."Ja, Kalkaris was op zoek naar iets, misschien wel hetzelfde waar jullie ook naar op zoek zijn.""Dat zou logisch zijn. Wij waren op weg naar de Andani, omdat we bij de Andani-node moesten zijn.""Dit is de Andani-node.""Wat doen al die mensen dan hier?" vraagt Bartimeüs, "Het lijkt wel of ze dood zijn gegaan in de werkelijke realiteit.""Het zijn droombeelden van mensen die niet echt dood zijn." zegt Kalvandos."Een soort afbeelding van mensen die lopende lijken zijn geworden?" vraagt Kritoias."Zoiets, de Vanyana zijn ontstaan toen de godin vertrok en zo zijn ook de demonen en de Olcar ontstaan in relatie tot Balbar en de god. Mensen zijn een ander verhaal. Die hebben ook energie en als je een lopend lijk van ze maakt gaat die energie voor een deel nog ergens heen. Nu hierheen.""Dus als ze echt kapot gaan gaan ze hier weg. Je geeft ze dus een beetje hoop om ze niet gek te laten worden." zegt Bartimeüs.
"Maar de demonen zijn hier toch ook?" vraagt Ruarc."Ja, af en toe schuift een deel van de realiteit van de demonen hierover heen en dan wordt het donker. De demonen willen de energie van de mensen hebben, want als die energie van de mensen niet beschikbaar is kunnen er minder mensen komen. De goden gebruiken allemaal de energie van de volledige wereld, maar ze hebben allemaal een ander dieet. Eonen ging dat goed in het evenwicht tussen de god en de godin en toen kwam Balbar stoken. Datgene wat jullie volgens mij zoeken is ergens verborgen achter het duister. Ik denk dat Balbar weet waar het is, maar hij kan er niet inkomen.""Dan moeten we door het duister" zegt Ruarc."Ja, wat is er eigenlijk met het zwaard gebeurd?" vraagt Kritoias."Een ogenblikje" zegt Kalvandos.Hij staat op en loopt aan de achterkant van de troonzaal door een deur. Na een kwartier komt hij terug met een zwaard."Hier is het zwaard. Het kan door alle realiteiten heen slaan en ik denk dat je het nodig hebt om iets open te maken.""Zo'n dolk hebben we ook." zegt Bartimeüs, "daarmee kunnen we ook door werelden heen steken.""Nu ik erover nadenk vermoed ik dat mijn spreuken hetzelfde doen." zegt Kritoias, "als ik onze wapens betover kunnen die de demonen ook echt kapot maken. Het zou me niets verbazen als dat hetzelfde effect is.""Kan jij een beetje omgaan met dat zwaard?" vraagt Ruarc aan Bartimeüs."Een beetje, wat ik geleerd heb in Nymarc.""Als het nodig is kan ik het zwaard omtoveren in een ander wapen. Dan houdt het zijn eigenschappen, maar kan je het als een ander wapen gebruiken." zegt Kritoias."Dat is handig." zegt Bartimeüs, "Ik neem het voorlopig wel even mee."
"Het betekent dus dat we door het duister moeten. Maar daar moeten we zo kort mogelijk in proberen te zitten. Weet jij waar de duisternis eindigt?" zegt Kritoias."Ja, dat kan ik wel vertellen.""Dan moeten we hopen dat het niet zo snel gaat dat we het niet kunnen volgen." zegt Bartimeüs."Tja, anders moeten we het een volgende dag opnieuw proberen." zegt Ruarc."Mooi, veel succes met jullie onderneming." zegt Kalvandos, "Jullie kunnen hier vannacht slapen. Het is niet goed als anderen te veel meekrijgen van wat jullie doen."
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc draaien hun normale wachtschema en tijdens de wacht van Ruarc komt Balbar weer op bezoek. Hij wil weten of ze tevreden zijn met dit paradijs, maar Bartimeüs en Kritoias geven direct af op het gebrek aan dieren en daarmee het gebrek aan lekker eten. Dat vindt Balbar dan weer jammer. Hij probeert ze nog meer uit te horen, maar Bartimeüs en Kritoias houden zoals altijd weer een nietszeggend verhaal op. Dan worden ze wakker en zien ze dat Ruarc wacht houdt. Bartimeüs praat tegen hem. Ruarc lijkt wel iets te horen, maar houdt vol dat Bartimeüs en Kritoias liggen te slapen. Kritoias maakt licht met zijn hand en schijnt in de ogen van Ruarc. Die lijkt daar wel een beetje last van te hebben, maar niet zoveel als je normaal zou verwachten. Bartimeüs en Kritoias willen wachten tot het licht wordt om te kijken wat er gebeurt, maar Ruarc vindt het wel genoeg en maakt Kritoias wakker. Bartimeüs ziet dat Kritoias snel gaat liggen.
Kritoias probeert Ruarc er van te overtuigen dat ze net om hem heen liepen, maar Ruarc houdt vol dat ze slapen. Bartimeüs hoort alleen Ruarc die tegen Kritoias lijkt te praten, maar die ligt bij hem te slapen. Er volgt een verwarrende discussie waarbij Bartimeüs en Kritoias elkaar niet zien of horen, maar de andere alleen slapend zien. Bartimeüs maakt daarop Kritoias wakker. Die weet helemaal van niets en zeker niet dat hij net is gaan liggen om te gaan slapen. Dat heeft hij gedaan toen Ruarc de wachtbeurt overnam. Bartimeüs snapt er niets van en Bartimeüs en Ruarc praten nu allebei met naar het lijkt verschillende versies van Kritoias. Ruarc wil niet langer wachten en maakt Bartimeüs wakker die nu ook ziet dat Kritoias hier met Ruarc stond te praten.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc nemen afscheid van Kalvandos en gaan op reis naar de plaats die hij hen heeft aangewezen. Dat is wel een dag lopen. Ze komen ongeveer een uur voor het donker wordt aan. Bartimeüs probeert nog wat knollen te vinden, maar die groeien hier niet op de wat meer rotsige bodem. Dan zien ze in de verte de "duisternis" aankomen. Het is meer een soort grijze sluier die door de wereld trekt."Ik hoop dat hij niet heel snel weer teruggaat." zegt Kritoias."Laten we maar gaan lopen." stelt Ruarc voor."Goed plan." zegt Bartimeüs.De neven gaan op weg de duisternis tegemoet.Als ze ongeveer een uur gelopen hebben zien ze in de verte bliksemflitsen. Opvallend genoeg is er geen gedonder te horen."Zou daar iets bijzonders zijn?" vraagt Bartimeüs."Ja, waarschijnlijk wel, zullen we daar maar op af gaan?" vraagt Kritoias."Ja, laten we dat maar doen." zegt Ruarc.
Na ongeveer twee uur lopen beginnen ze het gehuil van honden te horen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc proberen de beesten te omzeilen, maar tevergeefs. Al snel is duidelijk dat de honden achter hen aanzitten."Dat zijn in ieder geval geen gewone dieren, dus vuurhonden." zegt Bartimeüs, "Hier zijn grote bomen, zullen we ons hier gaan verdedigen.""Ja goed, zo te horen hebben we niet veel tijd meer."In razend tempo bereiden Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zich voor op het naderende gevecht. Kritoias tovert het zwaard van Kalkaris om in een strijdhamer zodat Ruarc die kan gebruiken en zorgt daarna voor een onzichtbaar schild voor zichzelf. Bartimeüs legt een kleine magische val en vraagt dan om de zegen van de godin. Ruarc zorgt dat hij zelf wat lastiger is te zien en zorgt dan dat de stam van een dikke boom waar hij achter staat een stuk meer naar rechts lijkt te staan.
Dan verschijnen drie vuurhonden aan de andere kant van de open plek. Ze beginnen te huilen en in rondjes te lopen. Kennelijk om andere demonen te waarschuwen. Bartimeüs pakt zijn pijl en boog en schiet een pijl in de borstkas van één van de vuurhonden die direct neervalt. Kritoias vuurt een bal van kou af die de twee andere vuurhonden enigszins beschadigt. Ze willen net op Bartimeüs, Kritoias en Ruarc afstormen als Ruarc ze versuft met zijn gezang. Bartimeüs begint vervolgens te schieten, maar dat gaat niet zo voorspoedig als eerst. Na een halve minuut verschijnen acht aapdemonen uit de bosjes. Kritoias gebruikt snel twee slaapspreuken om ze uit te schakelen. Bartimeüs gaat door met schieten, maar even later komt weer een groep van zeven uit de bosjes. Zes van hen vallen in slaap, maar ééntje stormt op Bartimeüs af. Die laat zijn boog vallen en gebruikt zijn hakbijl om de aapdemon in stukken te hakken. Daarna pak hij zijn boog en schiet de laatste vuurhond eindelijk neer. Dan lopen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc snel naar de slapende aapdemonen om ze te doden. Terwijl ze daar mee bezig zijn verschijnt een volgende groep van negen aapdemonen uit de bosjes. Kritoias gebruikt weer snel een slaapspreuk, maar nu vallen maar twee van de aapdemonen in slaap. De rest rent door. Kritoias slaagt er nog net in om er nog zes in slaap te laten vallen, maar wordt dan hard op zijn borstkas geraakt door de aapdemon die door de linie is gebroken. Hij deinst achteruit terwijl het bloed tussen zijn handen vandaan komt. Bartimeüs en Ruarc vallen de aapdemon van beide kanten aan en slaat het beest in mootjes. Kritoias gebruikt snel een spreuk om het bloeden te stelpen. Omdat ze toch snel door moeten zorgt hij ervoor dat hij bijna een half uur in hetzelfde tempo kan vliegen als Bartimeüs en Ruarc kunnen lopen, zodat ze toch mobiel blijven. Daarna moeten ze een half uur rusten, anders gaat de wond weer open.
Ze zitten nauwelijks tien minuten als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc het geblaf en gesnuif van honden horen. Niet veel later gevolgd door stemmen die in een vreemde taal commando's geven. Waarschijnlijk aan de hondenbegeleiders. Ruarc wijst in de scherming naar een kuil die zich tussen de bomen in het bos bevindt."Daarheen" fluistert hij en wijst naar de kuil, "dan maak ik een illusie."Bartimeüs kruipt over de grond en Kritoias strompelt voorzichting naar de kuil. Ze gaan allemaal op de grond liggen en Ruarc maak een illusie van grond op de plek waar ze liggen. De honden komen nu wel akelig dichtbij en de wezens die de bevelen geven staan vlak naast ze. De honden klauwen aan de rand van de illusie. De geur en wat ze zien klopt niet helemaal met elkaar. Gelukkig kunnen ze niets tegen hun baasjes zeggen en na zeven zenuwslopende minuten gaan de wezens verder.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc rusten nog twintig minuten. Dat is genoeg om te voorkomen dat de wond van Kritoias opnieuw gaat bloeden. Al die tijd is het stil gebleven, dus besluiten ze om verder te gaan.
Na ongeveer een uur lopen zien ze dat het nog veel verder weg is naar de bliksem. Daar moeten ze wel helemaal uitgerust aankomen, want wie weet wat ze daar aan zullen treffen. Bartimeüs zoekt met een spreuk naar een goede schuilplaats en hij vindt op nog geen vierhonderd meter een geschikte grot. Ze lopen er heen en Bartimeüs gaat als eerste naar binnen."Niet veel kans op beren hier." zegt Ruarc."Klopt het is helemaal leeg." zegt Bartimeüs.Ze gaan rusten. Bartimeüs neemt zoals altijd de eerste wacht, dit keer gevolgd door Ruarc, zodat Kritoias al zijn magische energie heeft aangevuld voor hij de wachtbeurt neemt. Ze hopen dat het nog steeds donker is en dat ze dus meegeschoven zijn met de duisternis.
Bartimeüs hoort in de loop van zijn wachtbeurt nog een paar honden in de verte blaffen, maar verder blijft het de hele nacht rustig. Bartimeüs kan zich ook beheersen om niet over Balbar te gaan dromen.
Kritoias maakt Bartimeüs en Ruarc weer wakker. Het is buiten een klein beetje lichter geworden, maar nog steeds schemerig. Het lijkt er dus op dat ze in het duistere gedeelte zitten. Als ze de grot uitkomen zien ze dat het in de verte nog steeds bliksemt. Ook al zijn ze nu dichterbij. Er is nog steeds geen donder te horen en het regent ook niet.Na drie uur lopen begint Bartimeüs het geknetter van de bliksem te horen, maar voor de anderen si dat nog veel te zacht."Misschien is dat wel de kracht van de godin die daar in aanraking komt met een tegenwerkende kracht van Balbar of zo." speculeert Kritoias, "Ik kan me niet voorstellen dat het iets natuurlijks is."Na nog een uur lopen beginnen ze een licht brandgeur te ruiken die het volgende uur sterker wordt.Tijdens het zesde uur lopen valt het Bartimeüs op dat de begroeiing minder wordt en ook spaarzamer is. Af en toe komen ze bij een stuk dat zwartgeblakerd is, alsof er brand heeft gewoed.
In het zevende uur lopen komen ze bij een open plek waar ze voor het eerst beweging zien die geen plantaardige oorsprong heeft. Er zit een groepje van vier wezens op ongeveer 30 tot 40 meter afstand. Het lijken op de vuurdemonen die ze eerder hebben gezien, alleen staan ze niet in brand, maar hebben ze een lichtende gloed over zich."Dat lijken wel demonen" fluistert Ruarc, "maar geen vuurdemonen"."Ik denk een zelfde type, maar dan met elektriciteit." zegt Kritoias."Zodat ze tegen die elektriciteit verder op kunnen?" vraagt Bartimeüs, "Wonen ze hier dan omdat ze dat fijn vinden, of zijn ze hier omdat ze er goed tegen kunnen.""Dat kan natuurlijk allebei." zegt Kritoias."Ik denk het tweede, dit ziet er niet echt als hun huis uit, meer een patrouille die aan het rusten is." zegt Ruarc."Dan moeten we oppassen als we verder gaan." zegt Kritoias, "dan kunnen er nog meer zijn. Laten we er omheen gaan.""Goed idee." zegt Ruarc, "ik zorg dat ze ons niet kunnen horen als we er linksom omheen gaan."Ruarc zorgt ervoor dat het geluid van Bartimeüs, Kritoias en Ruarc verderop niet te horen is en ze maken zonder opgemerkt te worden een omtrekkende beweging, verder richting de bliksem. Ze schatten in dat het nog zo'n drie uur lopen is.
Op weg naar de bliksems ontwijken ze vakkundig de patrouilles van elektriciteitsdemonen en waarschijnlijk elektriciteitshonden in het zwartgeblakerde landschap. Dan eindelijk kijken ze langs een helling naar beneden naar een kolom van wit licht waar elektrische bliksems vanaf schieten. De kolom staat in het midden van een grote krater. In de krater staat een klein legertje van demonen die posities hebben ingenomen op ongeveer honderd meter van de kolom van bliksems. Aan deze kant zijn tussen de 300 en 400 demonen te zien die op in kleine groepen evenredig over de omtrek van de cirkel zijn verdeeld. Tussendoor lopen patrouilles met honden. De elektriciteitsdemonen zijn bewapend met speren en kijken vooral richting de kolom van licht."Dit is het dus." zegt Kritoias."Ja, wat nu?" zegt Ruarc."We moesten toch naar het licht?" zegt Bartimeüs."Ja, we kunnen niet alles zien. Zouden de demonen ook aan de andere kant zitten?""Er is maar één manier om daar achter te komen." zegt Ruarc.
Ze lopen de komende twee uur over de kraterrand en moeten regelmatig schuilen voor groepjes demonen die duidelijk wachtlopen. Helaas blijken de demonen om de hele lichtkolom heen te zitten. Aan deze kant is zelfs een soort commandopost te zien waar nog veel grotere demonen zitten."Vertrouwen weerop dat we naar dat licht toe moeten?" vraagt Kritoias."Wat voor keus hebben we?" vraagt Bartimeüs."Niet veel." zegt Ruarc, "maar gaan we woon naar binnen lopen?""We kunnen van hieraf niet veel zien." zegt Bartimeüs."Ik denk dat we magie nodig hebben om vlak bij die lichtkolom te komen." zegt Kritoias."Onzichtbaarheid gaat niet helpen." zegt Bartimeüs, "die honden ruiken ons zo. We kunnen vliegen?""En als ze ons zien?" zegt Ruarc, "dan hebben we een afleidingsmanoeuvre nodig.""Onzichtbaar?" vraagt Bartimeüs."De kans dat we dan gaan botsen is best groot en kunnen we lastig aangeven waar we moeten landen. Ik kans ons er wel naar toe teleporteren." zegt Kritoias, "dat kost veel energie, maar het is veiligste manier.""En wie gaat er dan naar binnen?" vraagt Ruarc."Ik natuurlijk" zegt Bartimeüs."Ja, en we merken dan wel aan de afwezigheid van de geur van verbrand vlees of het is gelukt." zegt Kritoias, "Weten we het zeker?""Ja, ik wel." zegt Bartimeüs."Ik zal nog even kijken of de godin ons richting kan geven."Kritoias praat in gedachten tegen de godin, maar die lijkt hier niet aanwezig te zijn."Nee, dat heeft niets opgeleverd." zegt Kritoias, "vertrouwen we Kalvandos en gaan we ervoor?""Ja" zeggen Bartimeüs en Ruarc."Ok, maak je klaar" zegt Kritoias tegen Bartimeüs, "ga op de grond liggen zodat ze je niet direct zien als je land. Ik kan je niet onzichtbaar maken, want dan zien we elkaar niet en zie ik niet waar je bent als ik Ruarc en mezelf ook naar die plek toe teleporteer.Bartimeüs pakt het zwaard in zijn hand en gaat op de grond liggen. Kritoias teleporteert hem naar een plek op tien meter afstand van de kolom van licht. Bartimeüs merkt direct dat hier veel elektriciteit in de lucht zit, zijn haren gaan direct overeind staan. Een halve minuut later verschijnt Ruarc op vijf meter naast hem en sluipt naar hem toe, weer een halve minuut later gevolgd door Kritoias.
De demonen die op zo'n 90 meter afstand zitten lijken hen niet opgemerkt te hebben. Bartimeüs ziet dat het zwaard dat hij in zijn hand heeft licht lijkt te geven. Als voorzichtig met toegeknepen ogen in de lichtkolom kijkt ziet hij dat er twee stenen pilaren staan, op dezelfde manier als ook onder de boom stonden."Volgens mij is er een rift in de lichtkolom." zegt Bartimeüs, "ik zie van die stenen pilaren.""Ja, ik zie het." zegt Ruarc."Dan denk ik dat we die moeten openen." zegt Kritoias, "ik zal eerst kijken of ik hem voel." Hij gebruikt een toverspreuk en merkt dat hij daarmee toegang krijgt tot de rift. Op dat moment vliegt er een soort groenige straal vanaf de rugzak van Bartimeüs naar het zwaard en vandaar naar de lichtkolom."Dat zag er creepy uit." zegt Bartimeüs, "dat lood doet hier niet zoveel.""Ik kan proberen de rift te openen, maar dan moet ik wel gaan staan. Ik maak me eerst even onzichtbaar." Als hij dat doet vliegteropnieuw een groenige straal de lichtkolom in. Dan voert Kritoias zijn toverspreuk uit om de rift te openen, maar hij voelt weerstand. Precies zoals hij ook voelde bij de rift die gesloten was."De rift zit op slot." zegt Kritoias."Ik denk dat je het zwaard nodig hebt." zegt Bartimeüs, "dat begon te trillen."
Kritoias loopt naar Bartimeüs toe en neemt het zwaard over. Hij neemt even de tijd om te wennen aan de magische krachten van het zwaard en voert dan de spreuk om de poort te openen opnieuw uit. Hij voelt dat het zwaard als een enorme versterker de kracht van zijn toverspreuk vergroot. Er vormt zich een tunnel door het witte licht van de bliksem en tussen de stenen pijlers is iets groens te zien."De poort is open, rennen!" schreeuwt Kritoias.Bartimeüs en Ruarc krabbelen op en rennen door de tunnel naar de geopende poort op de voet gevolgd door Kritoias. Achter hen horen ze geschreeuw en gegil van demonen.Bartimeüs sprint als eerste door de poort en komt in een groene jungle terecht waar het wemelt van de vlinders en andere insecten. Hij pakt snel zijn boog en stelt zich op ongeveer tien meter van de poort op. Ruarc komt naast hem staan, schild en strijdhamer in de aanslag."Snel sluit de poort!" roept Bartimeüs naar Kritoias als die door de poort komt rennen."Nee, dat kan ik niet. Hij blijft twee minuten open, we moeten ze tegenhouden."Ze komen er al aan!" zegt Ruarc.Door de poort en de tunnel zien ze dat een grote groep demonen gewapend met speren komt aangerend.Kritoias verzamelt energie, richt het zwaard op de tunnel en vuurt via het zwaard een bal van koude af als de eerste demonen de tunnel inrennen. Een straal van koude vliegt uit het zwaard en aan de andere kant van de poort vindt een enorme explosie plaats die hier te horen is. Het zicht wordt direct geblokkeerd door een dichte witte mist.
"Hopelijk was dat genoeg!" zegt Kritoias, die opnieuw energie verzamelt.Bartimeüs blijft zijn pijl gericht houden op de poort.En dat blijkt helaas nodig. Nog geen halve minuut later verschijnen vijf demonen uit de mist. Ze staan even vreemd te kijken. Bartimeüs vuurt een pijl af en schampt er eentje zonder veel schade te doen. Kritoias gebruikt een slaapspreuk op alle vijf de demonen en tot zijn verbazing vallen er drie in slaap. Ruarc rent naar voren om op één van de demonen die nog staat in te slaan, maar weet hem niet te raken. Bartimeüs vuurt nog een pijl af, maar mis en rent dan naar voren met zijn bijl.Bartimeüs en Ruarc en de demonen gaat het vecht voorzichtig aan. Allemaal vechten ze defensief. Bartimeüs en Ruarc omdat ze hopen dat er geen demonen meer komen en Kritoias ze kan helpen. De demonen waarschijnlijk omdat ze versterking verwachten. Pas na een halve minuut weet Ruarc één van de demonen lichtjes te verwonden, maar die vreugde is van korte duur. Er komen drie nieuwe demonen door de poort waarvan Kritoias er maar één in slaap weet te toveren."Dat was mijn laatste magische energie" zegt hij, terwijl hij het zwaard wegstopt en zijn quarterstaff goed beetpakt, "Nog een seconden of tien en dan gaat de poort dicht."
Maar nu is het vier tegen drie. Ruarc is bang dat twee demonen zich op Kritoias zullen storten en wenkt naar één van de nieuwe demonen. Die aarzelt niet en stort zich ook op hem. Bartimeüs en Kritoias houden aardig stand, maar Ruarc kan het nauwelijks bolwerken tegen de twee demonen, ondanks zijn goede maliënkolder. Hij weet dat hij het niet lang vol kan houden en besluit heterop te wagen. Hij vertelt een verhaal voor het slapen gaan en dat vinden de demonen zo slaapverwekkend dat ook zij op de grond ineen zijgen. De demon bij Kritoias is hierdoor afgeleid en verrekt een spier in zijn bovenarm, waardoor hij vrijwel niets meer kan doen. Bartimeüs is ook afgeleid en is even versuft, maar kan zich nog wel verdedigen. Kritoias maakt van de gelegenheid gebruik om in de volgende halve minuut de demon die hem aanviel neer te slaan. Ruarc komt Bartimeüs te hulp en leidt zijn aandacht af. Hij weet hem een paar keer te verwonden en Bartimeüs maakt het met een laatste paar klappen af. Terwijl Bartimeüs, Kritoias en Ruarc de kelen van de demonen doorsnijden horen ze achter zich het vrouwelijk gegiechel.
Als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zich omdraaien zien ze drie vrouwen die op Vanyana lijken. Ze zijn gekleed in een jurk gebaren even en verdwijnen dan in het bos."Wat gaan ze nu doen?" vraagt Ruarc."Iets halen?" zegt Bartimeüs."Laten we het even afwachten." zegt Kritoias.
Ongeveer tien minuten later komen de vrouwen aanlopen met een dienblad met een kom met water en wat fruit. Een van de vrouwen legt het neer en dan nemen ze afstand."Ze zijn blij dat we ze hebben beschermd." zegt Kritoias."Of ze willen ons vergiftigen." zegt Bartimeüs."Jij bent altijd zo wantrouwend." zegt Kritoias."Ik heb helaas niets om gif onschadelijk te maken." zegt Bartimeüs."Ik neem wat te drinken" zegt Ruarc.Even later vallen Kritoias en Ruarc in slaap. Bartimeüs ziet het gebeuren en doet ook net alsof hij in slaap valt.
Tien minuten later hoort Bartimeüs zware voetstappen. Iemand port hem in zijn ribben en hij kan voorkomen dat hij een kik geeft. Vervolgens worden al zijn spullen afgenomen en leggen twee personen hem op een houten kar. Als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc alle drie op de kar liggen beginnen ze te rijden. Bartimeüs ruikt het bos en hoort af en toe stemmen. Na ongeveer een uur hoort hij meer stemmen en wordt hij opgepakt en een stuk verder gedragen. Hij hoort een deur die open gaat en wordt een trap afgedragen. Een volgende deur wordt open gedaan en hij wordt neergelegd. Dan hoort hij meer stemmen en dan gaat de deur dicht. Bartimeüs doet zijn ogen open en ziet niets. Het is helemaal donker. Hij kruipt wat rond en ontdekt dat hij in een kleine cel ligt, ongeveer 2,5 bij 2,5 meter samen met Kritoias en Ruarc. De cel heeft één gesloten deur en geen enkel raam.
Na een tijd worden Kritoias en Ruarc wakker. Ze voelen zich helemaal verfrist, hoewel ze maar een uur of twee hebben geslapen."Je had toch gelijk met dat vergif." zegt Ruarc."Ik zei het toch." zegt Bartimeüs."Ik denk dat het een voorzorgsmaatregel was." zegt Kritoias, "Enig idee waar we zijn?""Ja, we zitten in een kleine cel. Ze hebben ons op een kar geladen en door het bos gereden. Dat waren niet die vrouwen maar Vanyana in bepantsering." zegt Bartimeüs."Had jij er geen last van dan?" vraagt Ruarc."Nee, gelukkig niet" zegt Bartimeüs.
Na nog een half uur in de donkere cel horen ze voetstappen en gaat de celdeur open. Ze knipperen even met hun ogen tegen het licht en zien dan een Man staan met een maliënkolder en een helm op. Hij heeft groene accenten in zijn kleding."Welkom, mijn naam is Miolar. De dryaden waren wat voorzichtig, dat is de reden dat jullie nu in de cel zitten. Ik zal een bediende sturen die jullie zal begeleiden. Jullie kunnen je even opfrissen en dan kunnen we in een andere ambiance praten.""Ok, dank u wel." zegt Bartimeüs.De man vertrekt."Apart dat hij onze taal spreekt" zegt Kritoias."Ja, maar het was wel een bijzonder accent." zegt Ruarc.
Na ongeveer tien minuten verschijnt er een bediende. Hij heeft iets van een Vanyana weg, maar ziet er toch iets anders uit. Hij praat niet, maar gebaart dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc hem moeten volgen. Ze staan op en lopen achter de bediende aan. Ze lopen door een cellenblok waarvan de cellen leeg staan. Ze lopen een trap op en door een houten deur. Die biedt toegang tot een brede houten gang die kundig is gemaakt van goed hout. Heel anders dan in Holtheim. Aan beide zijden van de brede gang zitten ramen in de houten wanden. Nu ze de bediende beter kunnen zien merken ze op dat hij op een Vanyana lijkt, maar een veel gestileerde gezicht heeft.Ze lopen door een heel groot gebouw dat wel wat wegheeft van het gebouw van de magistraten in Nymarc. De bediende doet een deur open en gebaart hen om de kamer in te gaan. Als ze naar binnen kijken zien Bartimeüs, Kritoias en Ruarc een groot bad waar de damp van warm water boven opstijgt. Er staan ook een tafel wat stoelen en mooie gewaden.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan de kamer in om zich te verfrissen. Even later komt de bediende binnen met een schaal drinken en fruit. Bartimeüs gaat als eerste badderen en hij start met het lied "Het paleis van de keizer is van lood, is van lood."Kritoias kijkt ondertussen uit het raam en ziet een binnentuin waar een aantal houten gebouwen in staan.
Na ongeveer een uur zijn ze allemaal opgefrist en gekleed in een mooi gewaad. De bediende haalt ze weer op en brengt ze twee deuren verder naar een kamer waar een aantal stoelen met kussen staan. Na ongeveer een kwartier wachten komen een aantal bewapende mannen de kamer binnen, gevolgd door Miolar."Fijn dat jullie er zijn, ga zitten. Wat brengt jullie hier." vraagt hij."Dat is een lang verhaal" zegt Kritoias, "Iemand heeft ons gevraagd iets te doen en zodoende zijn we hier gekomen."Miolar vraagt door en Kritoias vertelt het verhaal op hoofdlijnen, maar zonder dat hij de godin expliciet noemt."Is deze realiteit al lang afgesloten?" vraagt hij tenslotte."Ja, zo te horen is deze realiteit al heel lang afgesloten, maar tijd is hier minder belangrijk. Jullie zijn mensen?""Ja" zegt Ruarc, "heeft u vaker mensen gezien? Dat moet haast wel omdat u onze taal spreekt.""Niet veel, niet veel." zegt Miolar.Kritoias bestudeert of hij magie gebruikt om hun taal te spreken en hij ziet de kleuren van alle magiesoort door elkaar lopen."Ik denk dat het belangrijk is dat jullie onze koningin spreken nadat jullie wat hebben gegeten en gedronken."
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc eten en drinken nog iets en gaan na ongeveer drie kwartier met Miolar mee de gang op en door een deur naar buiten. Daar staat verderop een gebouw in de vorm van een koepel midden in de tuin."Waarom lopen al die bewakers hier toch gewapend rond?" vraagt Bartimeüs, "er komt hier nu toch verder niemand meer?""Ja, maar dat is wel eens anders geweest." zegt Miolar."Wie kwam de rust verstoren?" vraagt Bartimeüs."Wezens die jullie demonen noemen." zegt Miolar, "de kracht van Balbar is overal. We waren al bang dat hij ons zou vinden. Op de toch hierheen zijn wij achtervolgd en is er strijd geweest. Tiana onze koningin heeft toch deze wereld afgescheiden om ons veilig te houden."Ze lopen de koepel binnen en daar zit een mooie vrouw op een troon. Ze beweegt niet en staart in de verte."Het in stand houden van deze realiteit en hem afsluiten van de andere realiteiten vergt al haar energie.""Dan is zij degene waar wij naar op zoek zijn." zegt Kritoias, "Wij hebben de opdracht van de godin gekregen om het deel te zoeken wat zij in veilig heeft gebracht. We hebben haar bevrijd uit de realiteit waar Balbar haar had opgesloten."Kritoias vertelt nu over de tekens die ze van de godin hebben gehad, wat ze hebben gedaan om haar te bevrijden en hoe ze hier nu in opdracht van de godin zijn gekomen om de persoon op te halen die het bloed van de godin heeft gedronken."
"Weten jullie hoe jullie haar met de godin kunnen verenigen?" vraagt Miolar."Nee, niet echt, dat heeft ze niet vertelt." zegt Ruarc."Is er een grote boom in jullie realiteit?""Ja, meerdere." zegt Bartimeüs."Ik bedoel een hele grote.""Ja" zegt Ruarc, "in de hoofdstad.""Die bomen zijn uitingen van de kracht van de godin in fysieke vorm. Ik vermoed dat je naar die grote boom moet om haar de energie terug te geven.""Ik zie alweer voor me hoe we met een koningin door het land moeten reizen." verzucht Kritoias, die terugdenkt aan de reis met de koningin van Vandalus, "ik heb een deja-vu."Ze lopen het koepel gebouw weer uit.
Miolar bevraagt hen nog even over de wezens die nu over hun realiteit rondlopen en vertelt dan wat hij daarover weet. Mensen waren vroeger anders. De goden worden elk blij van een bepaald type wezens. De god van de Olcar, de godin van de Vanyana en Balbar van de demonen. De oorspronkelijke mensen waren goed voor zowel de god als de godin, maar niet voor Balbar. De mensen gingen vroeger ook niet dood. Als mensen nu dood gaan gaat hun energie over in een andere vorm. De god en de godin tapten uit hetzelfde potje en de godin dacht dat zij met Balbar een voorsprong zou kunnen krijgen. Ze plande om samen met Balbar de god te verdringen, maar dat liep niet zoals ze verwachtte. De mensen die daarna kwamen konden gedood worden en hun energie kon overgaan, bijvoorbeeld in andere wezens.
Miolar vraagt of hij zijn handen op hun hoofden mag leggen om te kijken of hij iets kan ontdekken. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc geven toestemming en Miolar concentreert zich op elk van hen afzonderlijk terwijl hij zijn handen op hun hoofd houdt."Het lijkt erop dat jullie meer herinneringen hebben dan je in een mensenleven kan opbouwen." zegt hij.Kritoias vertelt dat zij hiervan gehoord hebben en dat Beolin er wel eens op gehint heeft dat zij uit meerdere mensen zijn opgebouwd. Er ontstaat een gesprek over het samenvoegen van wezens en de rol van de druïden daarin. Miolar vertelt dat hij, samen met de anderen de oorspronkelijke mensen zijn. Zij strijden tegen Balbar.Dan vraagt Miolar aan Ruarc of hij kan vliegen. Ruarc is verbaasd, maar zegt wel dat er af en toe vuur uit zijn mond komt."Probeer eens" moedigt Miolar aan."Ugh, ugh" hoest Ruarc en er komt een klein vlammetje uit zijn mond.Miolar concentreert zich even."Probeer het nog eens.""Ugh, ugh" gaat Ruarc weer en nu komt er een grote vlam uit zijn mond."He, kijk uit." zegt Kritoias"Pas maar op tot ik mijn vleugels uitspreid." grapt Ruarc."Wil je hen niet doden." vraagt Miolar."Nee, waarom zou ik? Het zijn mijn neven." zegt Ruarc.
Kritoias vraagt of Miolar ook naar de staart kan kijken. Dat kan hij wel zonder al te veel risico doen. Bartimeüs pakt de staart en geeft hem aan Miolar. Die pakt hem uit en concentreert zich."Het is een onderdeel van een machtig wezen. Je kan het gebruiken om een opening te maken, een soort minirift, waarmee de energie vrijelijk tussen realiteiten kan stromen.
"Wat willen jullie nu doen?" vraagt Miolar."We moeten Tiana meenemen naar onze realiteit en haar verenigen met de godin." zegt Ruarc."Ja, dat hebben we beloofd." zegt Kritoias."We kunnen ook gewoon hier blijven." oppert Bartimeüs."Hoe groot is het hier? Volgens mij niet heel groot.""Nee, het is maar een paar uur reizen van de ene naar de andere kant. Maar als jullie haar meenemen dan zal zij deze realiteit niet meer in stand kunnen houden.""Wat gebeurt er dan?" vraagt Kritoias, "klapt die realiteit dan weer terug in de wereld waar de demonen waren?""Dat zou kunnen""Sowieso moeten we maken dat we wegkomen. We kunnen proberen te teleporteren, bijvoorbeeld naar de boom, maar dat is best heel gevaarlijk." zegt Kritoias."Maar, misschien minder gevaarlijk dan vechten tegen een paar honderd demonen?" zegt Ruarc."Hier blijven is nog minder gevaarlijk." zegt Bartimeüs."Met hoeveel zijn jullie hier?" vraagt Kritoias aan Miolar."Met een paar honderd, mannen, vrouwen en kinderen. Als jullie haar meenemen dan zullen wij onze bijdrage leveren.""Hebben jullie ook die stenen indicatoren van de rifts gebouwd trouwens?" vraagt Kritoias."Ja," zegt Miolar, "in betere tijden.""Het zal een gevaarlijke tocht worden door de rifts terug naar onze realiteit." zegt Kritoias, "Balbar weet ongetwijfeld dat we hier zijn en hij kent de locatie van de rift onder de boom.""Ik zal het met de eersten overleggen" zegt Miolar.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen terug naar hun gastenverblijf."Kunnen we nu alleen maar afwachten?" vraagt Kritoias."Ja, ik ga mijn voorraadje pijlen aanvullen, want die zullen we straks best nodig hebben.""Ruarc, ga jij mee een ommetje door het dorp maken?""Ja, prima" zegt Ruarc.Bartimeüs verzamelt wat takken en veren en besteedt de rest van de dag aan het maken van pijlen. Kritoias en Ruarc wandelen door het dorpje, want veel groter is het niet. Overal staan houten huizen die door kundige werklui zijn gemaakt. Heel anders dan dat ze in Holtheim hebben gezien. Op straat lopen mannen, vrouwen en een enkel kind.
Miolar nodigt Bartimeüs, Kritoias en Ruarc uit voor het avondeten en als ze aan tafel zitten vertelt hij over de voortgang."Het gesprek met de eersten was niet makkelijk." zegt hij."Dat kan ik me goed voorstellen" zegt Kritoias, "het is niet makkelijk om je goede leven hier in de waagschaal te stellen om de godin te helpen.""Ze zijn nog niet helemaal overtuigd van jullie goede bedoelingen." zegt Miolar."En hoe kunnen we bewijzen dat we wel goede bedoelingen hebben?" vraagt Bartimeüs."Ze willen morgen graag jullie verhaal horen, vooral Asfaia heeft haar bedenkingen.""Prima, we willen morgen graag uitleggen waarom we hier zijn." zegt Ruarc.
Bartimeüs heeft de eerste wacht en zoals zo vaak gebeurt er eigenlijk niets. Als Kritoias de wacht heeft overgenomen gaat Bartimeüs slapen en probeert in de droom van de godin te komen.Bartimeüs wordt wakker in de tuin van het paleis. Het is licht en even verderop hoort hij gezang. Hij staat op en loopt er naar toe. Dan ziet hij op een open plek een jonge vrouw staan."Hallo" zegt Bartimeüs."Wie ben jij?" vraagt de vrouw vriendelijk."Bartimeüs""Wat is dat?""Dat is mijn naam, ik ben een mens."De vrouw loopt naar Bartimeüs toe."O, ik heb nog nooit mensen gezien. Hoe ben je hier binnen gekomen. Er komt anders nooit iemand.""Door te slapen. Mijn lichaam is nu ergens anders. Ik weet daar niet heel veel van, maar het is nu dus gelukt""En waarom ben je gekomen?""We moeten anderen overtuigen dat we gestuurd zijn.""Door wie dan?""Door jou""Door mijn moeder? Om mij op te halen?""Ja, zoiets.""Is het nu dan veilig?""Eh, nee, dat niet direct. Ik denk dat ze behoefte heeft aan al jouw krachten."
"Hoe ziet ze er uit?"Bartimeüs beschrijft de godin zoals hij haar gezien heeft toen ze bij de poort op Bartimeüs, Kritoias en Ruarc afliep, omringd door dieren."We zijn gestuurd om je op te halen.""Wat vindt Tulavan er van?""Wie? Die naam hebben we nog niet gehoord.""Tulavan, hij weet wel hoe we hier weg moeten komen. Hij legde mij dingen uit. We werden plotsklaps overvallen en hij vertelde wat ik moest doen. Ik ben zo blij dat het bijna voorbij is"De dochter van de godin begint te dansen en Bartimeüs wordt wakker.
Na het ontbijt neemt een bediende Bartimeüs, Kritoias en Ruarc mee naar de raadszaal. Ze verwachten een grote tafel gevuld met eerstelingen, maar er zijn in totaal maar drie: Miolar, Asfaia en Hediodor. Na een inleiding van Miolar neemt Asfaia het woord."Jullie vragen veel van ons.""Wij niet, de godin" corrigeert Bartimeüs."Waarom zouden wij uw woord geloven?""Hebben jullie veel andere bezoekers gehad die deden alsof?" vraagt Bartimeüs."Jullie zijn de eersten.""De godin zei dat Tulavan wel wist wat er moest gebeuren." zegt Bartimeüs."Tulavan? Waar hebben jullie die naam gehoord? Hij is als eerste gesneuveld.""Ik maak in mijn slaap soms contact met de goden.""H'm, dat betekent dat zij dus nog bewust aanwezig is." zegt Miolar."Maar, maak je dan ook contact met Balbar?" vraagt Hediodor."Eh, ja die ook, maar niet vrijwillig." zegt Bartimeüs."Dat maakt het voor ons lastig om jullie te vertrouwen." zegt Asfaia."Kijk" zegt Kritoias, "Het is lastig om een vorm van bewijs aan te dragen, want er is hier geen enkele mogelijkheid om iets uit de buitenwereld te controleren. Maar, als we hier binnen waren gekomen om de godin iets aan te doen, dan hadden we niet gevochten tegen de demonen bij de rift. Als we met ze zouden samenwerken, dan had ik die rift een kwartier open kunnen zetten en dan hadden die 300 demonen zonder waarschuwing binnen kunnen vallen. Het enige dat we kunnen vertellen is wat de godin ons heeft laten zien. Dat is een allegorie over een stad, een speer en een zwaard, het zwaard dat we gebruikt hebben om hier te komen, een gebeurtenis uit het verleden waarin we tegen de keizer vochten en beelden van de machtsstrijd tussen haar, de god en Balbar. Daar zagen we dat een baby het bloed van de godin kreeg en dat zij naar de node van de Andani moesten gaan.""En vergeet niet die keer dat ze ons liet zien waar de boom was. Daar hebben we de rift gevonden om hierheen te komen." vult Ruarc aan.
"Goed, we accepteren dat jullie geen gezanten van Balbar zijn." zegt Asfaia."Tulavan was haar mentor." zegt Miolar, "Hij was een dapper en kundig man.""Zijn er nog anderen die net zoveel weten als hij?" vraagt Kritoias."Nee, helaas niet.""En nu?" vraagt Hediodor, "Wat willen jullie met haar gaan doen?""Meenemen naar onze wereld om haar te verenigen met de godin." zegt Bartimeüs."We weten alleen niet precies wat er gebeurt als de concentratie van de dochter wordt verbroken. Wat gebeurt er dan met deze aparte realiteit? Schiet hij terug naar de wereld van de demonen, naar de wereld van Holtheim, naar de Vanyana gebieden of zelfs naar onze eigen wereld?""En we moeten ook aan de anderen denken die hier leven." zegt Asfaia, "Er zijn hier nog veel meer dryaden ook. Die lopen ook gevaar als deze realiteit ophoudt te bestaan. Laten we hier op ons gemak over praten Melion en Hediodor".Die stemmen daarmee in en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan terug naar hun vertrekken.
"Moeten we nu gewoon afwachten?" vraagt Bartimeüs."Dat is niet je sterkste punt, maar ik denk van wel." zegt Ruarc."We kunnen ook de rift gaan fortificeren met stenen muren en vallen." zegt Kritoias."Ja, goed idee" zegt Bartimeüs."Zullen we dan iemand meevragen?" vraagt Ruarc."We weten toch wel waar het is?" vraagt Kritoias."Ja, maar om te laten zien dat we betrouwbaar zijn."
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen samen met een bediende door het prachtige groene bos naar de stenen structuur waar de rift zich bevindt. Kritoias zet een zestal stenen muren van 3 meter lang, 3 meter hoog en 30 centimeter dik neer die de demonen, hopelijk, een bepaalde kant op laten lopen. Op die plekken stelt Bartimeüs een aantal vallen op. Na een paar uur lopen ze weer terug naar het dorpje en wachten op de uitslag van de Raad van Eersten. Na het avondeten gaan ze weer slapen.
Tijdens zijn wacht merkt Kritoias plotseling dat de deur dicht gaat. Hij kijkt met zijn power perception of er iemand onzichtbaar de kamer is binnengekomen, maar dat ziet er niet naar uit. Hij luistert ook goed, maar hoort niets. Dan sluipt hij naar de deur en opent die voorzichtig, maar op de gang is niemand te bekennen. Kritoias zet een rune voor de deur die afgaat als iemand binnen vier uur de kamer binnenkomt. Aan het einde van zijn wachtbeurt maakt hij Ruarc wakker en vertelt wat er is gebeurd.
De volgende ochtend als Bartimeüs en Kritoias wakker zijn bespreken ze de situatie."Ik kan wel kijken wie er gestaan heeft." zegt Bartimeüs, "Je had me vannacht al wakker moeten maken!""Ja, niet aan gedacht, er leek verder niets aan de hand te zijn." zegt Kritoias.Bartimeüs gebruikt zijn passing lore en ziet dat er een soort gelijke persoon als de mensen die hier zijn bij de deur heeft gestaan.Na het ontbijt gaat hij op zoek naar de indringer. Voetsporen zijn op de houten vloer niet te vinden, maar Bartimeüs kan wel zijn path tale gebruiken op alle normale ingangen van het paleis. Bij de leveranciersingang is het raak, daar ziet hij dezelfde persoon. In de modder buiten kan hij wel het spoor van de man vinden en hij volgt het door het stadje naar de poort van een groter huis. Er staat een wachter voor, dus Bartimeüs kan niet zo maar naar binnen gaan. Hij gaat terug naar Kritoias en Ruarc en brengt verslag uit.
"Zullen we aan Miolar vertellen wat er is gebeurd?" vraagt Ruarc, "Hij moet wel weten dat iemand ons in de gaten houdt of iets naars wil uithalen.""Ja, dat is een goed, dan krijgen we misschien ook meer te horen over de vorderingen van de besprekingen."Miolar is snel beschikbaar en vertelt hen dat het huis waar Bartimeüs naar toe is gegaan het huis van Asfaia is. Hij is verontrust als hij hoort dat zij iemand heeft gestuurd naar de kamer van Bartimeüs, Kritoias en Ruarc. Verder heeft hij weinig nieuws te melden. De besprekingen gaan vandaag verder en hij hoopt tegen de avond op de uitslag.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan weer naar de rift, ditmaal zonder begeleider, om die nog meer te versterken. Ze worden niet gevolgd, maar tijdens de werkzaamheden houden de dryades hen in de gaten.Bij hun terugkomst heeft Miolar nog steeds geen goed nieuws. De andere twee willen eerst de implicaties van het wakker maken van Tiana onderzoeken."Dat schiet niet erg op" zegt Bartimeüs als ze terug zijn in hun verblijf."Nee, wie weet hoeveel tijd er in onze wereld voorbij gaat." zegt Kritoias, "Zullen we morgen een rondje langs de grens van het gebied lopen om te kijken of er nog meer rifts zijn?""Ja, veel meer kunnen we niet doen." zegt Bartimeüs, "Ik zal proberen of ik in de droom van Tiana kan komen."
Na een rustige nacht waarin het Bartimeüs niet is gelukt om de droom van Tiana te betreden ontbijten Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en besteden ze de rest van de dag om het hele gebied rond te lopen. Daar vinden ze geen bijzondere dingen. Kritoias onderzoekt het gebied, maar kan nergens een andere rift vinden. Ze eten met Miolar, maar die heeft nog geen nieuws.Die avond besluiten ze dat Bartimeüs Tiana wakker maakt in haar droom als het hem lukt daar in te komen.
Helaas is dat ook deze nacht niet het geval. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zoeken Miolar op en die vertelt dat Asfaia een week bedenktijd heeft gevraagd om de strijd met de demonen aan te gaan. Zij vindt zij ook aan de mensen en de dryaden moet denken. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaat het allemaal niet snel genoeg. Zij dringen er bij Miolar op aan om zijn troepen te organiseren, maar die is huiverig om al actie te ondernemen als de raad nog geen besluit heeft genomen. Bovendien hebben de mensen al in geen paar duizend jaar gevochten.De rest van de dag zitten Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zich te verbijten. Hopelijk lukt het Bartimeüs vannacht om Tiana wakker te maken.
Na die eerste keer lukt het Bartimeüs maar niet om in de droom van Tiana te komen. Zou Balbar hem tegenwerken?"Moeten we het dan maar fysiek proberen?" vraagt Bartimeüs."Ja, dat lijkt me de beste oplossing." zegt Ruarc."Ok, als jij me onzichtbaar maakt, Kritoias, dan ga ik naar binnen in die koepel en maakt haar wakker.""Goed, dan zorgen wij dat wij gereed zijn, want ik denk dat deze eigen realiteit direct ineenstort als ze wakker wordt."Bartimeüs sluipt onzichtbaar het paleis uit, door de tuin naar de koepel waar de dochter van de godin verblijft. Hij verwacht gewoon naar binnen te kunnen gaan, maar het hek naar de koepel is dicht. Voorzichtig klimt hij er overheen en sluipt door de tuin verder. Dan ziet hij dat er zes wachters staan opgesteld rondom de troon van Tiana. Als hij haar wakker maakt wordt hij zichtbaar en de wachters zullen naar hij denkt niet heel vriendelijk tegen hem doen. Onverrichter zake keert hij terug.
"Tiana wordt bewaakt. Er staan allemaal wachters om haar heen. Kritoias als jij mee gaat kan je ze in slaap toveren.""Dan gebruik ik wel weer veel magische energie, nog afgezien van de vraag of ik ze allemaal tegelijk in slaap kan toveren. Ik ben bang dat ik die energie daarna nog veel harder nodig ga hebben.""Als ze wakker wordt, dan zullen ze je toch niet aanvallen?" oppert Ruarc, "De dochter van de godin kent je.""Precies. Veel langer wachten is niet handig ,dan verliezen we misschien te veel tijd." zegt Kritoias."Ja, ze heeft nu om een week uitstel gevraagd, maar voor je het weet komt daar nog meer uitstel bij." zegt Ruarc."Ik hoor geen probleem, dit is toch een prima wereld om in te leven? Die dryades zien er best wel aantrekkelijk uit.""Je weet dat dat niet kan Bartimeüs" zegt Kritoias, "De godin heeft ons gevraagd haar op te zoeken en we zullen haar mee moeten nemen.""Ik hoor wat bij de deur." fluistert Ruarc plotseling.Bartimeüs, nog steeds onzichtbaar, sluipt naar de deur toe en trekt die plotseling open. Een bediende met een stoffer schrikt en kijkt verbaasd de kamer in. Kritoias en Ruarc praten door in zeer algemene termen. De bediende hervat zijn taak en gaat verder. Bartimeüs doet de deur zachtjes weer dicht."We moeten wel zachter praten." zegt hij."Ok, maar volgens mij moeten we haar nu gewoon wakker maken. Ruarc en ik lopen mee zover we kunnen en dan kan jij de troonzaal ingaan om haar wakker te maken.""O, dan mag Bartimeüs het weer opknappen." zegt Bartimeüs.
Bij het hek dat toegang geeft tot de tuin met het paviljoen staan nog steeds twee bewakers. Bartimeüs klimt moeiteloos en geruisloos over het hek en sluipt naar het paviljoen. Ruarc probeert de wachters in iets wat op Vanyana lijkt aan te spreken en wijst dat hij en Kritoias naar binnen willen, maar de met zwaarden bewapende wachters schudden hun hoofd. Ruarc ziet dat het hek met een grendel dicht zit. In al die tijd hebben ze hier nog geen sloten ontwikkeld. Waarschijnlijk hadden ze die ook niet echt nodig.
Bartimeüs maakt voorzichtig twee deuren open en komt in de troonzaal waar Tiana nog steeds in dezelfde positie op de troon zit. Op een paar meter afstand om haar heen staan de zes bewakers. Hij beweegt voetje voor voetje tussen hen door tot hij naast Tiana op de verhoging staat. Hij fluistert in haar oor in een poging haar wakker te maken zonder dat de wachters het horen. Helaas geeft Tiana geen enkele reactie. Dan schudt hij zachtjes aan haar arm. Bartimeüs wil het niet te hard doen, omdat dan zijn onzichtbaarheid misschien wel eindigt. Tiana reageert wel, maar wordt niet wakker. Bartimeüs schudt steeds een beetje harder, maar Tiana laat zich nog niet wakker maken. Ze reageert wel een beetje, waardoor één van de wachters zich omdraait."WAKKER WORDEN!" schreeuwt Bartimeüs en schudt gelijk een beetje aan haar arm. Voordat Bartimeüs iets kan doen glijdt Tiana van de troon af en valt op de grond."Yq! Ehilek ahbel ekja?" roepen de wachters die zich om hebben gedraaid en waarvan Bartimeüs helemaal niets begrijpt, maar wat vast zoiets zal betekenen als "He! Wat doe jij daar?"De wachters lopen allemaal direct naar Tiana toe. Bartimeüs loopt snel achteruit het platform af en doet zijn handen omhoog. "Ik deed niets!" zegt hij.
De scherpe oren van Ruarc horen het rumoer in het paviljoen."Er gebeurt iets binnen!" zegt hij en wijst naar het paviljoen, "We moeten er heen!"Op dat moment gaat een lichte trilling door de grond."Ik tover ze in slaap, dan kunnen we er heen." zegt Kritoias, die de daad bij het woord voegt.Een van de wachters valt direct in de slaap, maar de andere biedt bijzonder veel weerstand tegen de magie van Kritoias.Ruarc aarzelt niet, trekt de grendel weg, gooit het hek open en loop naar het paviljoen.
De bewakers gebaren Bartimeüs dat hij zijn wapens moet laten vallen, wat hij prompt doet. Dan wijst de bewaker dat hij weg moet gaan, maar dat wil Bartimeüs niet doen zonder zijn wapens. Een tweede zwaardere trilling gaat door de grond en er vallen nu stukjes van het plafond naar beneden.Een van de bewakers rent naar buiten.
Ruarc is op een paar meter van de deur van het paviljoen als die open vliegt en een bewaker naar buiten komt. Ruarc gebruikt direct een slaapspreuk om de bewaker uit te schakelen. Kritoias ziet nu ook meerdere proto-vanyana uit het paleis komen, tovert de tweede bewaker bij het hek in slaap en rent naar het paviljoen. Hij kan nauwelijks zijn evenwicht bewaren als een volgende schok door de grond gaat.Ruarc rent naar binnen en ziet de bewakers een beetje besluiteloos bij de troon staan."Snel breng haar naar buiten!" roept hij in het Vandalus, waar de bewakers niets van begrijpen, maar een volgende zware trilling zet ze in beweging. Een tweetal bewakers ondersteunen Tiana als die nog slaapdronken naar de deur waggelt. Bartimeüs pakt snel zijn wapens op en volgt.Ze bereiken allemaal veilig in de tuin aan. Bij de volgende zware trilling moet iedereen zijn best doen om niet op de grond te vallen. Tegelijkertijd zien Kritoias en Ruarc groen flitsen in de lucht verschijnen. Het lijken wel barsten in de hemel.
"Tover die bewakers in slaap." zegt Ruarc."Dat heeft met die trillingen denk ik niet veel zin." zegt Kritoias die afwachtend naar de lucht kijkt. Die anderen zullen ook wel weer wakker geworden zijn door die aardbevingen.Tiana is nog steeds niet helemaal wakker en de bewakers doen hun best haar overheid te houden bij elke trilling. Bartimeüs ziet een groep proto-vanyana de tuin in rennen. Ze komen uit het paleis en Bartimeüs ziet dat Miolar en Asfaia onder hen zijn."Wat is er gebeurd?" roept Miolar in afschuw als hij ziet dat Tiana in de tuin staat."Ze werd ineens wakker!" zegt Bartimeüs, "Tiana, herken je me nog? Ik heb je ontmoet in je dromen!"Tiana kijkt Bartimeüs echter glazig aan en lijkt hem niet te herkennen.
"Er komt iets uit die scheuren." zegt Kritoias die nog steeds omhoog staat te kijken, "Het lijken wel vliegende demonen! Het zijn er honderden. Dit ziet er niet goed uit.""Wat hebben jullie gedaan?" roept Miolar.Bartimeüs pakt intussen zijn boog."Kan je ons als wegteleporteren?" vraagt Ruarc."Nee, dan moet er een doorgang naar een andere realiteit zijn die ik ken en dit zijn alleen maar de groene strepen die we kennen van de demonenwereld."Een groep van acht vliegende demonen komt recht op Tiana en haar beschermers af. Bartimeüs raakt er één met een pijl. Die valt nog net niet uit de lucht, maar fladdert wat onbeholpen rond terwijl stralen bloed naar beneden stromen. Even later valt hij al vliegend in slaap en valt te pletter op de grond na een slaapspreuk van Kritoias. Sommige proto-vanyana moeten even opzij stappen om niet verpletterd te worden door een neerstortende demon.Bartimeüs raakt intussen alweer een volgende vliegende demon die een groepje proto-vanyana een eindje verderop aanvalt.Dan zien ze een groene flits en horen ze gegil en het geluid van een instorting.
"Verrader! Zie je wel dat ze niet te vertrouwen waren!" gilt Asfaia die de verwoesting van haar dorp met lede ogen aanschouwt. Ze pakt een mes en stormt op Kritoias af. Die schrikt en vuurt instinctief een pijl van ijs op haar af die haar vol op de borst raakt. Asfaia schrikt en rent gillend weg."Tiana doe iets!" roept Bartimeüs tegen haar, maar ze reageert niet.Hij geeft haar een klap in het gezicht wat tot een geschokte blik van Miolar leidt. De klap heeft wel effect."Wat is er aan de hand?" vraagt ze verbaasd."Tijd om naar de godin te gaan!" zegt Bartimeüs.Tiana kijkt heel verbaasd."Weet ze wel wie ze is?" vraagt Kritoias aan Miolar als hij dat ziet."Eh, niet precies." zegt Miolar."Wat? Waarom niet?"Op dat moment gaat een volgende groene flits langs hen heen en verwoest alles in zijn pad."We moeten hier weg." zegt Ruarc."Ja, maar ik weet niet hoe ik ons hier weg kan krijgen."Dan spreidt Tiana haar armen en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zien zichzelf, Miolar, twee van de bewakers en twee burgers die om Tiana heen staan wat vager worden. De omgeving lijkt te verdwijnen en ze lijken op te stijgen. Na wat verwarrende beelden zweven ze plotseling over een grote stad met een groot kasteel waar ze, klein, maar toch herkenbaar, mensen zien lopen. De stad is nog groter dan Olcadaïr en kan bijna niets anders zijn dan Branduïn. De beelden worden verstoord door een soort ruis die sterker wordt als ze de stad verlaten en over een bosgebied vliegen. Tenslotte komen ze tot stilstand in iets wat niets anders is dan ruis.
Plotseling horen ze een vreemde mannenstem in een volstrekt onbekende taal iets zeggen. Een andere mannenstem antwoord in dezelfde taal."Kan jij er iets van verstaan?" vraagt Bartimeüs aan Ruarc."Nee, het zegt mij niets." zegt Ruarc.Hij kijkt vragend naar Miolar, maar die schudt zijn hoofd.Even later voegt een vrouwenstem zich bij de twee mannenstemmen."Ik denk dat we buiten de realiteiten zijn gekomen." zegt Ruarc."Wat bedoel je?" vraagt Tiana."Er zijn een aantal realiteiten" zegt Kritoias, "die op sommige plaatsen overlappen, zodat je van de ene realiteit in de andere realiteit kan gaan. Wij zijn vanuit onze eigen wereld, waar die stad staat waar we net langskwamen, via een aantal andere realiteiten naar de realiteit gegaan die jij hebt gemaakt.""Die ik heb gemaakt?""Miolar, wat hebben jullie haar verteld?""Eh, dat ze een prinses is. De dochter van een machtige heerseres en dat ze daardoor bovennatuurlijke gaven heeft."Kritoias zucht."Ze heeft dus geen idee hoe en wat ze kan en zij zal ons hier uit moeten halen.""Wat bedoel je?" vraagt Tiana."Wij" en Kritoias wijst naar zichzelf en zijn neven, "zijn door iemand gevraagd om je op te halen uit de realiteit waar je je bevond en je mee terug te nemen om je te verenigen met je bovennatuurlijke moeder. Dit klinkt misschien wat raar, maar die vrouwelijke stem die je hier hoort is de moeder die je je bovennatuurlijke gaven heeft gegeven. Maar volgens ons is dat niet je echte moeder. Heb je haar wel over de goden vertelt?""Ja, natuurlijk, wij aanbidden de godin.""Ik denk dat de drie stemmen die we horen van Dagda, de oude god, Dana, de godin en Balbar, de vreemdeling zijn. Zij zijn in een soort van strijd verwikkeld en Dana heeft een deel van haar gaven aan jouw gegeven om ze te verstoppen voor Balbar. Wij hebben Dana bevrijd en ze heeft ons gevraagd jou te gaan zoeken. Met de krachten die je in je hebt moet je in staat zijn ons weer terug te brengen naar onze wereld."
Dan worden de stemmen zachter en de omgeving echter. Ze staan op een grote kale vlakte die alleen af en toe wordt onderbroken door vreemde geometrische vormen."Waar zouden we heen moeten?" vraagt Ruarc, "Tiana, voel jij waar we heen moeten gaan?""Eh, ik denk daarheen" zegt Tiana en wijst een richting op."Ok, dan gaan we die kant oplopen." zegt Bartimeüs.Ze zijn nog maar nauwelijks onderweg als iedereen een enorme druk voelt .Sommige weerstaan die, maar Ruarc en twee van de protovanyana vallen neer."Wat was dat?" vraagt Kritoias."Ik denk niet dat dat de goede richting was." zegt Bartimeüs.Kritoias probeert Ruarc wakker te schudden, maar die lijkt te slapen, net als de twee proto-vanyana."Dit voelde nog steeds als de beste route" zegt Tiana."Ik kan kijken of hier een rift is." zegt Kritoias.Hij gebruikt een spreuk om riften te ontdekken, maar vindt niets."Nee, niets te zien." zegt hij, "Er is hier wel heel veel magie aanwezig, net als toen we in de ruis stonden."Tiana lijkt even te schrikken en doet een stapje achteruit."Wat is er?" vraagt Miolar."Ik kreeg iets van een visioen." zegt ze."Wat zag je?" vraagt Kritoias."Mensen en een grote boom?""Dat kan, dat kan de grote boom in Branduïn zijn, dat zou wel passen in het verhaal."
Ruarc ervaart zelf dat hij nog steeds overeind staat. Hij ziet de anderen ook staan."Wie zijn dit? Wie zijn dit?" hoort hij een stem zeggen.Zes geestachtige witte gestalten lopen om de groep mensen en proto-vanyana heen."Hoe komen ze hier?" vraagt een ander."Dit is niet goed!" antwoordt de eerste, "Wie zijn jullie?" vraagt hij, maar Ruarc kan niet reageren."Ik voel hier wel een verbintenis tussen hen.""Allemaal?""Nee, tussen deze vier." en de geestverschijning wijst naar Tiana en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc."Ze moeten hier weg."
Bartimeüs en Kritoias voelen weer een enorme druk, die ze allebei weerstaan, maar Tiana, Miolar en de overige twee proto-vanyana vallen op de grond."Wat gebeurt hier?" vraagt Bartimeüs."Geen idee, dit gaat mijn pet te boven." zegt Kritoias, "Deze realiteit lijkt door Tiana gemaakt te zijn, maar waar die kracht vandaan komt is een raadsel. Ik heb ook geen toverspreuken om hier meer informatie over te vinden."
"Hoe krijgen we ze neer?" hoort Ruarc één van de geestverschijningen zeggen."Dan maar op de ouderwetse manier".Ze pakken een soort stokken en beginnen op Bartimeüs in te slaan.
"Au" zegt Bartimeüs."Wat was dat?""Ik werd door iets geraakt!""Ik zag niks. Laten we proberen hier weg te komen. Ik probeert een rift te maken."Kritoias gebruikt een toverspreuk om een rift te openen. Eerst probeert hij het veel te snel en lukt het niet, maar als hij even diep ademhaalt slaagt de spreuk wel. Maar dan is er nergens iets waar hij tegenaan kan duwen om een rift te openen."Het lukt niet!" zegt hij "Mijn duisternis ook niet." zegt Bartimeüs, "Au, dat was weer een klap."Bartimeüs gebruikt nu een spreuk om te genezen en vervolgens gaat hij heen en weer rennen, maar steeds opnieuw krijgt hij een klap tot ook hij op de grond valt.
"Nu ben ik vast aan de beurt" denkt Kritoias.Niet veel later voelt hij de eerste klap. Hij gebruikt een spreuk om de volgende twee klappen af te weren, maar dat biedt alleen maar uitstel. Even later valt hij ook op de grond.Kritoias ziet dan hetzelfde wat de anderen ook zien. Zes witte geestachtige verschijningen."Ik geloof dat er weer wordt geklopt." horen ze, in de keizerlijke taal met een prinsdommen dialect."Snel, snel, snel.""Deze is wel heel bijzonder." zegt een andere geestverschijning."Dit is een veilige plek."Bartimeüs, Kritoias en Ruarc, Tiana, Miolar en de andere proto-vanyana vallen in slaap.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc schrikken wakker in een bos. Ze zien dat een vier meter hoge aapdemon Tiana oppakt en met haar wegrent. Kritoias zet vrijwel meteen stenen muur voor hem, waardoor hij even moet stoppen. Op dat moment raakt een pijl van Bartimeüs hem in zijn rug, maar daar lijkt hij weinig last van te hebben. Ruarc probeert hem te vertragen, maar zijn magie is niet machtig genoeg. Ze willen achter de grote aapdemon aanrennen als zes andere aapdemonen uit de bosjes opduiken. Kritoias en Ruarc toveren er allebei twee in slaap. De andere aapdemonen maken hele korte metten met twee van de proto-vanyana. Een van hen rijt een van de soldaten uiteen en de andere grijpt een burger vast en bijt zijn hoofd er af."Deze bijten ook" roept Ruarc.Kritoias zet zwaardere middelen in en raakt één de aapdemonen vol in de borst en buik met een ice bolt. De aapdemon valt direct kreunend neer. Bartimeüs en Ruarc slaan op de andere aapdemon in, die in een enorm bloedbad neervalt. De slaapspreuk op de andere aapdemonen heeft echter maar beperkt effect gehad, want ze worden wakker en komen opnieuw op ze af. Een goed geplaatste koude bal van Kritoias vernietigt hun lippen en laat ze bewusteloos neervallen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc rennen de kant op waar de grote aapdemon op ging. Dan horen Bartimeüs en Kritoias achter zich geluid. De zes zelfde aapdemonen zitten heen weer op de hielen. Kritoias vuurt opnieuw een koude bal af, maar door de haast ontploft die op de plek waar hij staat en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc worden omringd door koude.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc, Miolar en de andere proto-vanyana worden wakker in een bed in een kamer met een houten plafond. Kritoias kijkt om zich heen, maar ziet Tiana niet. Ze liggen allemaal naakt onder de dekens en voelen zich heel vermoeid. De kamer is eenvoudig maar netjes. Het lijkt in het geheel niet op het paleis van de proto-vanyana, of de houten gebouwen in Holtheim. Kritoias kijkt snel of hij ook zijn spullen ziet, maar die lijken hier niet te liggen."Waar zijn we?" zegt Ruarc."Maakt me niet uit. Ik ga weer slapen." zegt Bartimeüs."Geen idee, het is wel overdag, want ik zie licht tussen de luiken doorkomen." zegt Kritoias."Waar zijn onze spullen gebleven?" vraagt Ruarc."Als we pech hebben zijn die verdwenen tijdens onze reis, wat ik het meest waarschijnlijke scenario vindt, of iemand heeft ze afgedaan en meegenomen, maar waarom zou je onze kleding meenemen?"
De deur van de kamer gaat open en een vrouw in boerenkleding komt naar binnen lopen."Wilbert! Wilbert! Ze zijn wakker. Zo jongens, hoe voelen jullie je?""Wel moe, waar zijn we?""Jullie zijn in Willowstead. Het is maar goed dat we jullie gisteren in het bos hebben gevonden.""Waren we toen ook al bloot?""Ja, wat is er gebeurd?"Wilbert, een oudere boer, komt intussen ook binnen lopen."Dat is een heel lang verhaal. Hoe hebben jullie ons gevonden?""Stiervan zag gisteren blikstemflitsen in het bos en toen zijn we gisteren gaan kijken. Jullie wilden niet echt meewerken." zegt Wilbert en hij wijst op zijn blauwe oog."O, sorry, daar kan ik me niets van herinneren.""Ja, jullie deden heel gek, het leek wel of jullie aan het vechten waren en jij deed zo raar met je handen."Wilbert geeft een aardige imitatie van Kritoias die een toverspreuk doet.
"Hebben jullie ook nog een vrouw gevonden?" vraagt Ruarc."Nee, nee, die was er niet bij.""Zou ze dan niet meegekomen zijn?" vraagt Kritoias."Het heeft best een tijd geduurd voordat ze gekomen zijn, misschien heeft iemand anders haar meegenomen, en onze spullen!" zegt Bartimeüs."Dan moeten we snel gaan kijken waar ze is." zegt Ruarc."Wie zoeken jullie?" vraagt de boerin."Er was ook nog een jonge vrouw bij ons. Het is belangrijk dat we haar snel vinden. Hebben jullie kleding voor ons?""Ja, ja hoor, dat kunnen we wel regelen." zegt de vrouw."En wapens? Hebben jullie een bijl?" vraagt Bartimeüs"En iets van een grote hamer en een schild?" vraagt Ruarc."Eh, ja, dat moeten we in het dorpje wel kunnen vinden." zegt Wilbert."Dit klinkt misschien gek, maar waar ligt Willowstead eigenlijk?" vraagt Kritoias."In het keizerrijk." zegt de vrouw."Waar ergens in het keizerrijk, het zuiden, het oosten?""Op een weekje van Branduïn." zegt vrouw."Dat is wel logisch ja." zegt Kritoias."Als jullie gaan kijken is het verstandig als ik met Stiervan en Hilbert, onze priester, ook meegaan" zegt Wilbert, "Er zijn bandieten in het bos.""Wat voor bandieten?" vraagt Bartimeüs."Het zijn vooral jongens en meisjes die niet in het leger van de keizer willen dienen. Ze verschuilen zich nu in het bos en vallen reizigers lastig. Misschien hebben zij jullie vriendin gevonden."
Na een goed ontbijt gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc met Wilbert het dorp rond en verzamelen ze de wapens die nodig zijn voor een bevrijdingsactie. Ruarc is bij de smid langs geweest en heeft een stevige strijdhamer en een schild. Bartimeüs Heeft een hakbijl en een schild en Kritoias een lange stok. Miolar heeft een dok en de twee proto-vanyanasoldaten hebben een eenvoudig zwaard. De twee burgers blijven in het dorp. Pantser hebben ze niet in het dorp."Voor een maliënkolder moet je echt in Branduïn zijn." zegt Wilbert."Als ze jullie opnemen in het leger heb je zo de juiste spullen." zegt Stiervan."Kan jij deze dingen nog magisch maken?" vraagt Bartimeüs."Dat gaat veel energie vergen." zegt Kritoias, "dat doe ik nu liever niet, want omdat de ring weg is die we van Theolin hebben gehad kan ik minder toverspreuken op een dag doen. Als het echt nodig is kan ik je hakbijl voor korte tijd nog veel beter maken."
Ze lopen ongeveer twee uur naar de plaats waar Wilbert en de anderen hen hebben gevonden. Bartimeüs gaat voorop en analyseert de sporen die gemaakt zijn."En?" vraagt Kritoias."Tiana was erbij!""Gelukkig" zegt Miolar."Er zijn ook sporen van een stuk of vier bandieten. Ze zijn die kant opgegaan.""Ga jij voorop?" vraagt Kritoias, dan volgen wij op een meter of vijf. Wilbert als jij met Stiervan en HIlbert op een paar meter volgen dan kan Miolar met zijn mannen de acherkant bewaken.""Prima" zegt Wilbert.
Na een tijd lopen ziet Bartimeüs dat spoor naar een pad leidt dat vaker wordt belopen. Het is niet echt een weggetje, meer een plaats waar regelmatig iemand loopt. Bartimeüs steekt zijn hand omhoog om de anderen tot stoppen te manen en concentreert zich."Hier lopen regelmatig bandieten." zegt hij tegen Kritoias en Ruarc als hij terug is gelopen. Ik ga voorzichtig vooruit.
Na ongeveer vijf minuten stapt er een paar meter verder een man uit de bosjes."Halt! Jullie zijn hier niet welkom.""Maar we moeten wel die kan op." zegt Bartimeüs."Dat zal niet gaan, draai om en vertrek.""We moeten onze vriendin ophalen. Die hebben jullie gisteren meegenomen."De man kijkt even verbaasd en maakt dan zijn zwaard los in de schede.Hij wijst op de weg terug en zegt: "Die kant op, dan gebeuren er geen ongelukken.""Zullen het niet ouderwets met de hand uitknokken?" vraagt Bartimeüs en laat zijn vuisten zien."Eh, nee"Op dat moment maakt Kritoias zich onzichtbaar."Ah, ze hebben een tovenaar, een tovenaar." roept een stem uit het bos.De man die op het pad stond maakt zich snel uit de voeten en Bartimeüs rent er hard achteraan. Bartimeüs en Ruarc volgen op gepaste afstand."Schiet ze neer." klinkt het nog, maar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc horen het niet meer.De bandiet kent het bos veel beter dan Bartimeüs en hij slaagt er dan ook in Bartimeüs snel te lozen. Als Bartimeüs buiten adem is wacht hij tot Ruarc is aankomen lopen."Is hij ontsnapt?""Ja, laten we teruglopen om als groep verder te gaan.""Ik ga wel even kijken." zegt Kritoias."Wat?" zegt Bartimeüs die schrikt, "ik wist niet dat jij onzichtbaar was en mee was gelopen. Ok, wij komen er zo aan.
Kritoias loopt over het pad tot hij om een hoek een klein bandietenkampje ziet. Er ligt een aantal boomstammen over de weg en rond een kampvuur staan een drietal tenten opgesteld. In het midden staat de bandiet die weg was gerend druk zijn verhaal te doen tegen drie andere bandieten die kennelijk net zijn opgestaan van het kampvuur. Kritoias kan net niet horen wat ze zeggen dus hij gebruikt een spreuk om zijn gehoor te verbeteren."Ze zijn met een man of tien en ze komen voor die vrouw.""Als dat zo is gebruiken we haar als gijzelaar. Ga haar halen." zegt één van de mannen, kennelijk de leider van de groep.De bandiet die het verhaal deed loopt naar één van de tenten."We kunnen niet hebben dat ze Tiana als gijzelaar gebruiken."Kritoias overweegt even om naar de tent toe te springen met een spreuk, maar tovert de bandiet moeiteloos in slaap vanaf bijna 20 meter afstand. Dat heeft wel tot gevolg dat hij zichtbaar wordt.
"He, wat doe jij hier." zegt één van de bandieten."Ik vind het niet zo prettig als jullie onze vriendin als gijzelaar gaan gebruiken." zegt Kritoias."En wat wou je daaraan doen dan? Je bent niet eens bewapend.""O, heeft jullie vriend dan niet gezegd dat er ook een tovenaar bij was?"Een van de mannen kijkt naar de tent waar Tiana in zou moeten liggen en ziet de bandiet daarvoor op de grond liggen. Hij stoot de anderen aan, die nu met andere ogen naar Kritoias kijken. "Gooi alsjeblieft jullie wapens op de grond. Ik wil dit graag zonder bloedvergieten oplossen. Jullie hadden tenslotte gisteren de kans om onze keel door te snijden en dat hebben jullie niet gedaan.""Ja, ja, dat klopt." zegt één van hen. De mannen leggen hun wapens neer."Nu een paar stappen naar achteren en daar gaan liggen."De mannen doen wat Kritoias zegt.Kritoias klimt over de boomstammen heen en loopt naar de tent toe waar de bandiet naar op weg was."Tiana?"Vanuit de tent hoort Kritoias gesmoorde kreten. Hij pakt het zwaard van de bandiet en snijdt het tentdoek voor een deel open zodat hij kan ziet wat er binnen is zonder de bandieten uit het oog te verliezen. In een hoek van de tent ligt Tiana vastgebonden onder een deken. Kritoias waagt het erop en stapt de tent in. Hij maakt Tiana los en ziet direct een stapen kleding die haar wel zal passen.
Bartimeüs en Ruarc zien dat één van de proto-vanyana wordt verbonden door Hilbert als ze bij de anderen aankomen."Wat is er gebeurd?" vraagt Ruarc."Iemand schoot een pijl uit de bosjes." zegt Wilbert, "Maar daarna hoorden we ze wegrennen.""Mooi, Kritoias is vooruit gegaan om te kijken waar het kamp van de bandieten is, dat zal niet ver meer zijn."Na een paar honderd meter lopen komen ze in het kampje aan waar Kritoias en Tiana staan te wachten.Wilbert spreekt direct één van de bandieten aan. Een jonge man die uit Willowstead komt."Tiana, je bent veilig" zegt Miolar."Nog iets bijzonders hier?" vraagt Ruarc."Nee, onze spullen zijn allemaal weg, verloren tussen de realiteiten denk ik zo. Ik heb nog wat munten gevonden die we goed kunnen gebruiken. Verder alleen wat wapens.""Die kunnen we wel meenemen, dan kunnen ze geen kwaad meer doen." zegt Bartimeüs."Dan zijn we wel eindelijk verlost van die staart." zegt Ruarc."Ja, dat is het enige positieve" zegt Bartimeüs, "ik ben mijn mooie boog, bijl en pantser kwijt."Ik ben ook mijn speciale ring kwijt waarmee ik meer kon toveren, runepapier, dat boek uit Herenhal en zo en natuurlijk een berg geld, maar wees blij, want we leven nog. Dit had heel goed anders kunnen aflopen."Een maliënkolder in ruil voor ons leven is geen hoge prijs." zegt Ruarc.Na een uitgebreide discussie an Hilbert, Stiervan en Wilbert met de bandieten gaan ze weer op de terugweg naar Willowstead en na een reis van twee uur wandelen ze weer door de velden van Willowstead.
In het midden van het dorp zien ze een aantal paarden staan."He, wie zou er naar het dorp zijn gekomen?" vraagt Kritoias."Aan de dekjes van de paarden te zien zijn het keizerlijken. Die zullen wel uit Finsterbent zijn gekomen." zegt Hilbert."Waar ligt Finsterbent?" vraagt Ruarc."Finsterbent is een stad aan de rivier. Als je die volgt kom je in Branduin uit.""Ik ben benieuwd wat ze hier komen doen." zegt Bartimeüs."Er komt soms iemand langs om de belastingen op te halen van de keizerlijke molen." zegt HIlbert, "Ik ga even met ze kennismaken.""Ok, wij gaan even uitrusten." zegt Ruarc.
De proto-Vanyana in het dorp zijn heel blij dat Tiana uit de klauwen van de bandieten is bevrijd. Ze praten uitgebreid met haar. Op dat moment komt de aardige vrouw, waarvan ze de naam nog niet kennen, even kijken hoe het gaat. Als ze de proto-Vanyana in een andere taal hoort praten verzekert Ruarc haar dat dat heel normaal is. Zij komen uit een afgelegen bos en hebben daar een eigen taal. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc willen graag wat eten en Bartimeüs biedt aan om wat te gaan jagen. Maar dat blijkt niet te mogen in de keizerlijke bossen.Niet veel later komt Hilbert de kamer binnen."Jongens, kunnen jullie naar de gemeenschappelijke ruimte komen? Er is een keizerlijke afgezant en die wil graag van jullie horen wat er is gebeurd.""Ja, prima, we komen er zo aan." zegt Bartimeüs."Het lijkt me niet verstandig dat jij of Tiana meegaan." zegt Bartimeüs tegen Miolar."Ja, hoe minder we de aandacht trekken hoe beter." beaamt Miolar.
De gemeenschappelijke ruimte is spaarzaam bezet. In de hoek zitten vijf soldaten aan een tafel wat te drinken en even verderop zit een man in nette kleding aan een tafel. Hij houdt de ingang van de gemeenschappelijke ruimte in de gaten en staat op als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc binnenkomen."Goedemiddag, mijn naam is Boris van Finsterbent. Ik heb bericht gekregen dat jullie hier in de buurt zijn gevonden en daar wil ik jullie graag wat vragen over stellen. Neem plaats!""Dank je wel." zegt Ruarc, "mijn naam is Ruarc en dit zijn mijn neven. Bartimeüs en Kritoias.""Zo te horen komen jullie hier niet uit de buurt.""Nee, dat klopt." zegt Ruarc, "We komen uit de prinsdommen.""Helemaal in het noorden!""Ja, ik woonde in Izendael en mijn neven komen allebei uit...""Klonfar, in het gebied van de Pontoni, aan de noordgrens vlak bij Berra." vult Kritoias aan."Wat doen jullie dan helemaal hier? Reizen vanuit het noorden is moeilijk omdat de weg is afgesloten en ik begrijp ook dat jullie hier helemaal bloot zijn gevonden. Wat is er gebeurd?""Tja, dat is een lang verhaal." zegt Bartimeüs."Ik heb de tijd, steek van wal.""Het begon toen wezens die wij aapdemonen noemen Izendael hebben aangevallen en verwoest." vertelt Ruarc. Mijn neven waren daar ook vanwege een boodschap van hun oom uit Nymarc. Toen zijn we naar Nymarc gegaan, maar daar was de situatie niet veel beter. We zijn met onze familie de stad uitgevlucht op weg naar de Prinsdommen, maar onderweg werden we overvallen door andere demonische wezens met noodlottige gevolgen voor onze familie. In Herrenhal bleken de demonen ook huis te houden. Toen zijn we via Izendael naar Lodepoort gegaan. Daar waren we toen de aanslag op de mond van de keizer plaatsvond. Gelukkig hebben we de daders weten te overmeesteren of doden. We waren weer op weg toen die groene maan verscheen. Is die hier ook geweest?"
"Ja, wij zien de groene maan ook." zegt Boris."Maar verdwenen er ook mensen en vielen anderen elkaar aan?""Nee, nee, daar heb ik geen weet van.""Nou, het was verschrikkelijk. Opnieuwe moesten we de wijk nemen. Dit maal naar het noorden, want er zaten mannen met geitekoppen achter ons aan. Die hadden we ook al eerder gezien, maar toen leerden we dat het Olcar waren. Eenmaal terug in Nymarc bleek de stad voor de helft verwoest door demonen en lopende lijken en voor de andere helft ingenomen door Vandalus. Gelukkig wisten we daar te ontkomen en zwierven we een tijd rond. Toen kwamen we onze vrienden in het bos tegen en gezamenlijk zijn we naar het zuidwesten gelopen om de verwoesting in het noorden te ontvluchten. We weten niet wat er precies is gebeurd, maar toen we sliepen bij een bron leken we allemaal dezelfde droom te krijgen. We werden opgepakt en vlogen door de lucht, een heel eind en toen kwamen we over een grote stad en landen we hier in het bos. Daarna werd alles zwart en werden we bloot wakker."
"Jullie vlogen? Over Branduïn?""Ik ben nooit in Branduïn geweest, maar ik kan het wel laten zien."Ruarc gebruikt zijn illusies om een mooi overzichtspanorama van de stad uit de lucht te laten zien.""Ja, dat is Branduïn." zegt Boris. "Daar zijn jullie overheen gevlogen?""Ja, en toen hier geland.""H'm, dat is best ver om te vliegen. Hoe komt het dat jullie bloot waren?""Geen idee." zegt Bartimeüs, "Dat was best wel vervelend, want we zijn alles kwijt, ons geld, onze wapens en die mooie ketting die ik van mijn vader heb gekregen.""Ik vind het een heel bijzonder verhaal." zegt Boris, "Hoe komt het dat jij dat beeld van die stad kan maken.""O, dat gebruik ik als onderdeel van mijn show." zegt Ruarc. Ik ben een rondreizende verhalenverteller en ik ondersteun mijn verhalen met mooie beelden. Mijn neven reizen met mij mee en helpen mij.""Wat doe je dan zoal?""Nou, ik maak wat licht en zo." zegt Ruarc en maakt een illusie van een olielampje.Bartimeüs zegt niets, maar laat in een cirkel van bijna 40 meter meter doorsnede mist verschijnen, dus in een groot deel van het dorp. De soldaten in de hoek, die bijna niet meer te zien zijn, kijken wat onrustig om zich heen."Het is tijd om te gaan." zegt Boris, die zich duidelijk ook niet op zijn gemak voelt, "dank jullie wel voor jullie informatie."
"Nou, die was snel weg." zegt Bartimeüs."Ik weet niet of het verstandig was om dat te doen." zegt Kritoias, "deze man leek duidelijk uit op inlichtingen, misschien werkt hij wel voor de ogen en oren van de keizer. Net als Stilvan.""Dat was toch ook een geschikte vent?" vraagt Bartimeüs, "Bovendien was het gewoon onderdeel van de show.""Ik ben bang dat hij het misschien meer iets als druïderij kan opvatten." zegt Kritoias, "laten we maar snel teruggaan naar de hal waar we hebben geslapen."Ze bespreken de situatie met Miolar en Tiana en besluiten om de volgende dag naar Branduïn te reizen waar de boom zou zijn.
Tijdens de wacht van Bartimeüs merkt hij dat Tiana onrustiger wordt. Ze ademt zwaar en rilt. Hij probeert haar wakker te maken, maar ze is bewusteloos.Als Ruarc de wacht heeft worden Bartimeüs en Kritoias wakker in een mistige omgeving. Tiana doet haar ogen open en vraagt dan: "Wie ben jij?"Dan horen ze een overweldigende stem die hen vertelt dat ze naar de boom moeten gaan. Daar moet het bloed teruggebracht worden. Dit lijkt een duidelijk opdracht van de godin te zijn.Vervolgens wordterop de deur geklopt. Een stem die alleen maar van Balbar kan zijn zegt: "Ik hoor je wel, maar ik zie je niet?""Wij zijn hier." zegt Bartimeüs."Ja, maar waar zijn jullie geweest? Jullie waren een tijdje zoek!""Ja, dat is de grote vraag. Wij hebben alleen maar vermoedens." zegt Kritoias.Dan concentreert Tiana zich en duwt Balbar weg.Ruarc merkt dat de grond trilt en dan stopt het.Miolar wordt wakker en vraagt of Ruarc een nachtmerrie had, maar die zegt dat er niets aan de hand is.
Na het ontbijt nemen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en de proto-Vanyana afscheid van de inwoners van Willowstead en gaan op web naar Finsterbent. Van daaruit kunnen ze of de rivier nemen, of over de weg via het dorpje Hilham. De omgeving is gecultiveerd en er zijn weinig bossen te zien, dus kiezen ze ervoor om over de weg te gaan.De reis over de goede weg zo dicht bij de hoofdstad verloopt, ondanks de dreiging van bandieten zonder vervelende voorvallen en tegen het einde van de middag komen ze bij de poort van Finsterbent aan. De poortwachter laat hen zonder al te veel problemen door als ze zeggen dat ze werk komen zoeken. Finsterbent is best een aardige stad. Meer huizen zijn van steen gemaakt in plaats van hout zoals in Nymarc of Olcadaïr. Zelfs de straten zijn verhard. Niet met lood, maar met steen. Kritoias ziet dat er natuurlijk iemand bij de poort staat te kijken.Ze nemen twee kamers in De Keizers Nap voor vier koperstukken, wat nu een veel grotere uitgave is dan eerst. Ze bestellen gelijk voor iedereen een weekrantsoen aan voedsel om de volgende dag mee te nemen.Het is hier koeler dan in het noorden, dat merk je vooral in de avond. Mensen zitten meer binnen waar het gezellig is met eten en muziek.Bartimeüs vraagt naar de situatie op de weg naar Branduïn en de herbergier vertelt dat het een stuk gevaarlijker is nu er troepen naar het noorden zijn gestuurd. De bandieten zijn veel actiever geworden. Tijdens het avondeten komen er twee soldaten binnen die wat drinken en de groep aandachtig observeren.
Tiana en Miolar slapen op de kamer bij Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en de andere proto-Vanyana hebben de andere kamer. De wacht van Bartimeüs verloopt zonder problemen, maar als hij gaat slapen en in de droom van Boris wil komen gaat het mis. Hij hoort opnieuw geklop op de deur."Ik vind het jammer dat je me zo buitensluit." zegt een stem, "Je bent niet alleen he? Wie is er bij je.""Wat bedoel je?" zegt Bartimeüs, "er is verder niemand.""Ik had toch wel wat meer medewerking verwacht van iemand die herboren is.""Herboren?""Ja, zeker, steren is niet het einde.""Dat is voor het eerst dat ik dat hoor.""Jullie zijn geen gewone stervelingen, er is iets goddelijks in je geslopen. Maar doe de deur eens open, dan kan ik daar meer over vertellen.""Dat gaat niet. De deur is dicht en ik heb de sleutel niet.""Jawel, je hebt wel een sleutel.""Nee, niet de goede.""Ik weet wie er bij je is. Je gaat me toch helpen?""O ja?""Natuurlijk, goede vrienden helpen elkaar.""Hoe dan?""Kijk hier heb ik een dolk."Als Bartimeüs later wakker wordt heeft hij een dolk in zijn handen.
De volgende dag gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc eerst wat uitrusting kopen bij de verschillende handelaren in de stad. Kritoias let goed op en heeft het idee dat iemand die wel iets weg heeft van Boris hen in de gaten houdt.Na het middageten vertrekken ze en gaan op web naar HIlham. Na een paar uur lopen merken ze dat er twee ruiters hen lijken te volgen.Tegen de avond zien ze een boerderij waar ze aankloppen om te overnachten. De boer is gastvrij en als Bartimeüs aanbiedt om te betalen voor de overnachting wijst hij hen naar de stal.Als het donker wordt zorgt Bartimeüs dat hij in het donker kan zien en gaat op zoek naar de twee ruiters. Hij loopt een stuk terug, maar vindt ze niet direct. Ook als hij vooruit loopt komt hij ze niet tegen. Als hij met zijn krachten kijkt wie er over het pad zijn gelopen ziet hij twee soldaten te paard en een man te paard.
Na zijn wacht gaat Bartimeüs weer dromen en probeert Balbar tegen te komen. Hij hoort voetstappen en een bekende stem: "Waarom daag je me uit? De omgeving gaat er trouwens niet op vooruit.""Ik vind het prima hier.""We werden gisteren trouwens wreed gestoord.""Ja, de godkeizer is wat sterker aan het worden.""Zit die dan in jouw team?""In zekere zin wel. Dat is toch beter dan alles doodmaken.""We willen niet allemaal dat alles zomaar dood moet, in ieder geval niet zonder reden.""O, en wat is die reden dan?""Daar heb je wel van gehoord. Om energie vrij te maken.""Dus als ik die dolk gebruik komt er energie vrij en die slok jij dan op?""Iedereen heeft behoefte aan energie. Dat hebben jullie ook ervaren toen jullie zijn herboren.""En wat ga je er dan mee doen?""Dan is het tijd om een nieuwe wereld op te bouwen."
Als Bartimeüs de volgende ochtend wakker wordt vertelt hij over zijn ontmoeting en over het herborenverhaal."Wat zou hij daarmee bedoelen?" vraagt Kritoias zich af, "echt herboren, in een ander lichaam?""Dat zou wel de afwezigheid van onze spullen verklaren." zegt Ruarc."Heb jij dat ene litteken nog van die klap van de demonen in Nymarc." vraagt Kritoias aan Bartimeüs.Bartimeüs kijkt op zijn arm en kan het litteken niet meer ontdekken."Eh, nee."Hij controleert op nog een paar andere plaatsen, maar ook daar zijn de littekens verdwenen. Bij Kritoias en Ruarc is hetzelfde het geval."Het ziet er naar uit dat we echt zijn herboren, maar ik heb niet het idee dat we dood zijn gegaan." zegt Kritoias."In ieder geval niet op de normale manier." zegt Ruarc."Die verschijning zeiden toch dat we op de verkeerde plaats waren? En die hebben ons toen in dat bos toegebracht."
Na zijn wacht gaat Bartimeüs weer dromen en probeert Balbar tegen te komen. Hij hoort voetstappen en een bekende stem: "Waarom daag je me uit? De omgeving gaat er trouwens niet op vooruit.""Ik vind het prima hier.""We werden gisteren trouwens wreed gestoord.""Ja, de godkeizer is wat sterker aan het worden.""Zit die dan in jouw team?""In zekere zin wel. Dat is toch beter dan alles doodmaken.""We willen niet allemaal dat alles zomaar dood moet, in ieder geval niet zonder reden.""O, en wat is die reden dan?""Daar heb je wel van gehoord. Om energie vrij te maken.""Dus als ik die dolk gebruik komt er energie vrij en die slok jij dan op?""Iedereen heeft behoefte aan energie. Dat hebben jullie ook ervaren toen jullie zijn herboren.""En wat ga je er dan mee doen?""Dan is het tijd om een nieuwe wereld op te bouwen."
Na een eenvoudig ontbijt gaan ze op weg naar Hilham met het idee daar tegen het middaguur aan te komen. Bartimeüs controleert of er nog iemand anders over de weg is gelopen, maar dat zijn alleen wat boeren, op weg naar de stad.Een paar uur laten zien ze een kar langs de kant van de weg staan met twee mannen er naast. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc bereiden zich alvast voor op een confrontatie met wat overduidelijk geen boeren zijn, met ene onzichtbaar schild, de zegen van de godin en een breking van het licht waardoor hij niet zo goed te zien is."Zo goedemorgen, jullie zijn onderweg naar HIlham?""Ja, dat klopt." zegt Bartimeüs, die zijn boog al losjes in zijn hand houdt."De weg naar Hilham moet goed onderhouden worden en daar zorgen wij voor." zegt de andere man."Nou, doe je best." zegt Ruarc."Maar dat kost natuurlijk wel geld." zegt de eerste, "daarom moeten jullie tol betalen.""Tol betalen?" vraagt Kritoias, "dat kan iedereen wel zeggen. Normaal is er toch een tolhuis of zo.""Dit is het tolhuis." zegt de tweede man en hij wijst naar de kapotte kar langs de kant van de weg.Kritoias schiet een bal op de kar af die in een enorme vuurbal explodeert en de kar uit elkaar laat spatten en de resten in brand zet."Ik ziet geen tolhuis." zegt hij droog.
De mannen kiezen snel het hazenpad. Bartimeüs meent beweging in de velden te zien, waar zich natuurlijk andere bandieten ophouden. Hij legt aan met zijn boog, maar dan houdt Tiana hem tegen."Het is niet nodig Bartimeüs. Ze lopen al weg."
Het blijft koud en bewolkt en in de verte verzamelen zich donkere wolken. Aan het begin van de middag zien Bartimeüs, Kritoias en Ruarc op een heuvel een klein dorpje liggen wanneer ze over een heuveltop van het rollende landschap komen. Dan merkt Kritoias op dat er volgens in een onnatuurlijk patroon boven de groep vliegt."He, kijk we hebben weer gezelschap van vogels." zegt Kritoias."Wat is daar zo bijzonder aan?" vraagt Tiana."Er was een druïde, Theolin, die ons in de gaten hield met zijn valk. Ik kan hiervandaan niet precies zien wat voor vogels het zijn. Het zou mooi zijn als we weten waar ze vandaan komen."Plotseling breekt één valk uit de formatie en komt in een duikvlucht naar beneden. Het dier remt af en gaat op de arm van Tiana zitten.Tiana kijkt even naar de valk en zegt dan "Hij zegt dat hij uit Branduin komt.""Wacht, ik kan ook met hem praten." zegt Bartimeüs.Hij gebruikt zijn gaven en begint tegen de valk te praten."Wie houdt je in de gaten?""De weg.""Wat moet je dan met de weg doen?""Als ik rare dingen zie moet ik dat vertellen aan meester.""Meester? Wie is je meester.""Muisgever.""Is het een man of een vrouw?""Man""Vindt je het raar wat er nu gebeurt?""Ja!""Als ik je nu een muis geef ga je dan niet naar je meester?""Ja""Wat voor muis wil je hebben""Precies goed."Bartimeüs kijkt om zich heen, maar een muis is zo niet te vinden."Helaas, een muis heb ik zo niet. Wanneer ga je naar je meester?""Vanavond."Dan stijgt de valk weer op en Tiana zegt hem gedag."Zou dat die andere aartsdruïde in Branduïn zijn?" vraagt Kritoias."Ik gok op Theolin" zegt Ruarc.
Hilham is gebouwd op een heuvel met op de top een gebouw met een stenen fundering. De huizen van het dorp zijn allemaal langs de weg gebouwd. Als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc met hun gevolg van proto-Vanyana het dorp binnenlopen begint het te regenen. Veel van de arbeiders die bezig zijn met het maken van goederen voor de landbouw schuilen onder afdakjes en staren naar de groep die het dorp binnen komt lopen. Even verderop staat een groter gebouw van drie verdiepingen hoog. Veel van de arbeiders lopen door de regen snel naar het gebouw toe. Als ze dichterbij komen zien ze dat het een herberg is met de naam "The Hill Inn". Ze komen langs de stal. Daar staan wel een paar paarden in, maar geen paarden die lijken op die van de soldaten die achter hen aanzaten.
In de grote zaal van de herberg is nog een grote tafel vrij om aan te lunchen. Kritoias vraagt of er een grote kamer, of anders twee kamers vrij zijn. Op de vijf dagreizen die de reis van Finsterbent naar Branduïn duurt zullen de herbergen wel gelijkelijk zijn verdeeld na ongeveer een dagreis. Als ze nu weer doorlopen moeten ze een boerderij vinden of buiten in de kou en regen overnachten. Ze bestellen een volledige maaltijd voor de hele groep en Ruarc ergert zich aan het gepingel van een niet getalenteerde boer op een luit in een hoek van de zaal.De herbergier komt even later zelf en vertelt dat hij een grote kamer heeft."Wat kost dat dan?" vraagt Ruarc die meer ervaring heeft met overnachten in herbergen."Dertig tinstukken" zegt de herbergier."Dat is duurder dan ik gewend ben, maar vooruit.""Waar komen jullie dan vandaan? Niet van hier zo te horen.""Nee, wij komen uit de prinsdommen.""Dat is toch heel ver in het noorden? "Ja, dat klopt""Wat komen jullie hier dan doen?""Je weet wat ze zeggen. Eerst Branduïn zien en dan sterven.""Wat gaan jullie doen in Branduïn?""De keizer ontmoeten!" zegt Bartimeüs."Ik denk dat dat niet zo snel zal lukken. Maar waarom komen jullie dan helemaal uit het noorden?""We hebben straf gekregen omdat we de herberg van onze oom hebben verbouwd omdat hij teveel geld vroeg voor een kamer voor acht personen voor ons.""Voor zijn eigen familie? Dat zou ik nooit doen. Maar kunnen jullie nog wel terug naar de Prinsdommen. Ik hoor daar zulke vreselijke verhalen over.""Nee, dat gaat niet meer." zegt Bartimeüs, "de helf is ingenomen door lopende lijken en de andere helft door demonen.""O? Is dat echt? Ik dacht dat het alleen maar verhaaltjes waren.""Ik heb het zelf gezien."
"Ze hebben het zelf gezien!" zegt iemand die heeft zitten luisteren, "vertel er meer over!"Ruarc neemt het woord en vertelt een afgezwakt verhaal over de situatie in het noorden om de boeren niet al te bang te maken."Ik heb zelf ook in het noorden gevochten." zegt een wat oudere man als Ruarc het applaus in ontvangst heeft genomen, "Dat was meer dan dertig jaar geleden.""Tegen wie heb je dan gevochten?" vraagt Bartimeüs."Bij Olcadaïr, daar kwamen klootzakken uit het westen, van de Sun Islands, die hebben we verdreven. Maar gaan jullie dan daar niet vechten? Wij zouden zijn gegaan.""De keizer zal ons allen beschermen." zegt een vrouw die achteraan de kring van mensen staat die naar het verhaal van Ruarc hebben geluisterd, "Leve de keizer!""Leve de keizer!" zegt iedereen.Ruarc vertelt een geïmprovisserd verhaal over keizer dat goed wordt ontvangen en wordt besloten met een algemeen "Leve de keizer!""Mooie speech!" zegt Tiana.
Ruarc ziet dat de vrouw haar eten laat staan en de zaal uitloopt naar buiten. Hij stoot Bartimeüs en Kritoias aan en wijst naar de vertrekkende vrouw die soortgelijke kleding aan heeft als de mensen in de tempel van de keizer in Olcadaïr hadden."Ik ga kijken waar ze heen gaat." zegt Bartimeüs."Pas een beetje op." zegt Kritoias, "wij zullen niet te snel eten."Bartimeüs volgt de vrouw, die de kap van haar mantel over haar hoofd heeft getrokken tegen de regen. Ze volgt een trapachtige weg naar boven. Ze kijkt één keer achterom, maar lijkt Bartimeüs niet op te merken en loopt door. Boven op de heuvel doet ze deur van het huis met de stenen fundering open en gaat naar binnen. Bartimeüs verstopt zich langs het pad en wacht tot ze weer naar buiten komt.
Na twintig minuten gaat de deur open en komt er geen vrouw, maar een man naar buiten. Hij is ook al wat ouder en draagt gewone, maar duurdere kleding. Hij heeft geen gewaad aan zoals de vrouw. Bartimeüs volgt de man naar beneden. Als hij bij de weg komt blijft de man een paar minuten staan alsof hij in zichzelf iets overdenkt en loopt dan verder naar de herberg. Bartimeüs gaat even later ook de herberg binnen, gaat weer bij Bartimeüs en Kritoias zitten en vertelt over de man die verderop aan een tafeltje zit en iets te eten besteld.
Als meeste aanwezigen de herberg hebben verlaten om weer aan het werk te gaan vraagt de herbergier of zij nog iets willen drinken. Kritoias vraagt of hier nog iets in de buurt te doen is, maar het uitzicht op de heuvel is wel het beste. Er is nog wel een kleine kapel voor de keizer op weg naar Farhill. Daar begint ook het gebied van de tempel. De tempel heeft uitgestrekte landerijen die worden beheerd door de hogepriester."Is de weg een beetje veilig?" vraagt Kritoias."Nou , het is wel minder geworden sinds de normale patrouilles niet meer komen. Vanwaar de vraag?""Op weg van Finsterbent naar hier werden we onderweg lastig gevallen door een groepje mannen die tol wilden heffen bij een tolhuis.""Er is toch geen tolhuis tussen Finsterbent en Hilham?""Nee, en de kar die ze als tolhuis gebruikten is nu kapot.""Jullie hebben ze weggejaagd?""Ja zeker.""Dat is goed, dat gespuis willen we hier niet. Bij Farhill gaat dat niet gebeuren. Daar zijn de elite-soldaten van de keizer. Nou, als je die tegenkomt dan maak je gen kans. Ik heb gehoord dat ze in hun eentje wel tien man aankunnen.""Heeft u ook bij Olcadaïr gevochten?" vraagt Ruarc."Nee, John wel, maar ja die kreeg een pijl in zijn knie en daarom loopt hij nu raar. Via hem ben ik aan deze herberg gekomen. Na mijn tijd in het leger ben ik met hem meegegaan naar Hilham.""Het is trouwens best fris hier." zegt Bartimeüs."Ja, dat krijg je in de winter. Hebben jullie ook zo geleden zes jaar geleden toen het heel koud was?" Er was toen geen voedsel meer te koop.""Nee, bij ons waren er geen grote problemen."
s Avonds wordt het weer wat drukker in de herberg en aan het einde van de middag komen er ook gasten die op doorreis zijn vanuit Finsterbent. De herbergier, waarvan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc nu weten dat hij Berry de soldaat heet, heeft het er met zijn vrouw Meggie maar druk mee. In ruil voor een avondmaaltijd voor de groep vertelt Ruarc nog een mooi verhaal.
Als Kritoias aan zijn wachtbeurt begint neemt Bartimeüs zich voor om in de droom van de priesteres te komen. Als hij in slaap valt loopt hij inderdaad in het dorpje. Hij zie dat de priesteres er ook loopt, maar ze reageert nergens op. Ze zwerft wat rond om de herberg heen.
Als de haan heeft gekraaid maakt Ruarc iedereen wakker."Ik ga nog even slapen." zegt hij."Slapen?""O, we moeten meteen op pad. Fuck!"Het is gestopt met regenen als ze afscheid nemen van Berry."Dank je wel voor de gastvrijheid Berry" zegt Ruarc."Gastvrijheid is mijn middelste naam." zegt Berry, "Succes in Branduïn en tot ziens."
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc stappen met de proto-Vanyana de weg op en lopen naar het oosten. Ze zijn nog geen honderd meter gelopen als ze een klein kapelletje zien waar de vrouw van gisterenavond iets aan het doen is. Bij het kapelletje stoppen ze even om hun respect te betonen, maar dan zegt Bartimeüs opeens: "Waarom was je in je dromen aan spoken rond de herberg?""Ik heb helemaal niet gedroomd."De priesteres vraagt wat ze hier doen en Ruarc vertelt het verhaal over de strijd in het noorden. Als ze dat hoort vertelt ze dat de Brangate de plaats is waar het leger zich verzamelt om naar het noorden te gaan. Ruarc zegt dat hij daar niets meer te zoeken heeft omdat zijn hele familie en ook die van zijn neven is uitgemoord door monsters."Dan moet je dat met de keizer bespreken." zegt de priesteres.Ruarc kijkt haar even vreemd aan en Bartimeüs gniffelt een beetje."Kom, kniel naast me neer."Ruarc doet wat ze vraagt en de priesteres vraagt de keizer om Ruarc de kracht te geven om het verlies van zijn familie te kunnen dragen en zij hoopt dat hij troost vindt bij de keizer. Als de priesteres uitvindt dat Bartimeüs en Kritoias de neven zijn gaat ze ook hen voor in gebed. Dan vraagt ze of Tiana niet ook troost bij de keizer wil zoeken als Bartimeüs opmerkt dat zij ook veel bekenden is verloren. Tiana kijkt verschrikt op en raakt bijna in paniek."Arm meisje, kom maar even mee." zegt de priesteres.Bartimeüs en Kritoias knikken dat het wel goed zit en Tiana gaat mee.Na een paar minuten komt ze terug."Het was zo raar." zegt ze, "ze vroeg ik ontvoerd was.""Ja, dat kan ik wel begrijpen." zegt Kritoias, "een vrouw alleen met allemaal mannen. Er zijn soms mannen die bepaalde dingen met vrouwen willen doen die die vrouwen niet willen."
Na een paar uur lopen over de nog steeds natte weg merken Bartimeüs en Kritoias op dat er een drietal ruiters op grote afstand volgt. Ze plannen het zo dat ze gaan rusten na een bocht in de weg en de drie ruiters hebben hen pas op het laatste moment door. Het zijn niet de soldaten die Bartimeüs had gezien, maar twee van hen komen uit de herberg. Ze zijn rijk gekleed en een jaar of dertig, vijf-en-dertig oud."He, zeg, kijk nou, dat is Ruarc uit het noorden.""Goedemorgen heren." zegt Ruarc."Gaan jullie ook naar Farhill?""Ja, dat klopt u ook neem ik aan.""Ja, zeker, misschien zien we jullie vanavond in de herberg daar."
Als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en de proto-Vanyana doorlopen zien ze even later de drie mannen langs de kant van de weg zitten om een eenvoudig middagmaal te nuttigen."Eet smakelijk heren." wens Ruarc hen toe."Dank u, dank u, een goede reis nog." zegt één van hen.
Aan het eind van de middag zien ze Farhill liggen. Het dorp is een stuk groter dan het dorpje Hilham, maar ligt ook op een heuvel. Er zijn een aantal straten die uitkomen op een groot marktplein. Op het plein staat niet alleen de herberg 'Het heilige zwijn', die minimaal net zo groot is als de herberg in Hilham, maar ook een gebouw dat doet denken aan de tempel van de keizer in Olcadaïr. Alleen natuurlijk niet zo groot. Het is veel drukker in Farhill. Wat direct opvalt is dat er tien paarden zijn die bewaakt worden. Een man in een keizerlijk tenue houdt duidelijk in de gaten wie er bij de paarden komt. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc komen Farhill uit het noord-oosten binnen aan de linkerkant, richting het oosten is de tempel en aan de zuidkant van het plein ligt de herberg.
Het is ook heel druk in de herberg. Naast de gewone bezoekers zijn er ook rijkere gasten die omringd en bewaakt worden door soldaten. De sfeer is goed en dit keer klinkt er goede muziek. Aan een tafel in het afgescheiden deel zitten een heer en een dame die rijk gekleed zijn. De man heeft vergelijkbare kleding als de man in HIlham die Bartimeüs zag, maar hij en waarschijnlijk zijn vrouw zijn een stuk jonger.Ruarc vraagt bij de vrouw van de herbergier om een slaapplaats voor acht personen. Ze moet het even navragen en even later komt de dikke herbergier met een schort voor zelf even praten. Hij heeft alleen twee kamers voor vier personen. Dat kost wel 35 tinstukken elk."Zijn jullie hier omdat Shalock komt? Shalock D'Orivalle?""Eh, nee, we zijn op doorreis. Wie is D'Orivalle?""Kennen jullie die niet? Dat is de hogepriester van de keizer. Hij komt naar zijn buitenverblijf. Jullie zijn zeker niet van hier? Dat is ook wel aan jullie accent te horen.""Nee, we komen uit de Prinsdommen." zegt Ruarc, "Daar hadden we helaas geen priesters van de keizer."
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en de proto-Vanyana nemen plaats aan een grote tafel en eten een goed maal. Dan komen twee van de mannen die ze op de weg zagen de herberg binnen."He! Welkom, komen jullie erbij zitten?" vraagt Bartimeüs."Ja, leuk kerel. Aangenaam. Ik ben Jean en dit is mijn collega Bertrand.""Ik ben Bartimeüs en dit zijn mijn neven Kritoias en Ruarc. Ga zitten! Zijn jullie ook op weg naar Branduïn.""Nee, nee, wij zijn op weg naar Brangâte""Brangate""Ja, Brangate, om wat papierwerk te verzorgen.""Papierwerk?" zegt Kritoias, "Wat houdt dat in, schrijven jullie iets op?""Ja, wij werken voor een handelshuis in Finsterbent. Daar verzorgen wij de registratie van transacties voor, contracten en zo.""O, wij hebben ook wel eens iets voor een handelaar gedaan. Een pakhuis bewaakt.""Ja, dat is vaak ook nodig. Wij werken op kantoor.""Kantoor? Wat is een kantoor? Een soort werkplaats?""Ja, je kan het een werkplaats voor het papierwerk noemen."
Vanuit hun ooghoeken zien Bartimeüs en Ruarc dat er twee priesters de herberg binnenkomen en naar de tafel met de man en de vrouw gaan. Daar worden ze vriendelijk ontvangen. Vervolgens wordt er een zeker twee meter grote en brede man de herberg binnengeleid. Je ziet de soldaten even opschrikken en even op gaan letten. De man loopt niet heel stevig en lijkt wat verward, misschien wel een beetje dronken.De priesters beginnen druk te praten. Bartimeüs stoot Kritoias aan, die met een spreuk ervoor zorgt dat hij beter kan luisteren. Hij vangt wat flarden van het gesprek op."...veel meer om te trainen...""... supersoldaten..."Bartimeüs kijkt meewarig naar de grote man."Dit gaat problemen opleveren. Ik zweer het je.""Het lijkt erop dat de keizer zijn eigen samenvoegingsexercitie is gestart." zegt Ruarc.Dan wordt de man weer voorzichtig weggeleid.
De derde man die met Jean en Bertrand had meegereisd komt ook de herberg in en gaat op een andere plaats zitten."Hé, is dat niet die man die met jullie meereisde." zegt Bartimeüs tegen Jean."Ja, verrek, he, kerel, kom er gezellig bij zitten." roept Jean naar de man en gebaart naar hem.De man heeft niet veel keus en loopt naar de lange tafel toe waar de groep aanzit.Hij heet Sean en hij komt uit Hilham."Zeg ken ik u niet ergens van? Wat deed u ook alweer?" zegt Bartimeüs."Ik ken u niet...Of wacht, was u niet in Hilham gisteren?""Ja, dat klopt, wat brengt u hier naar toe?""Niets bijzonders. Ik moet met belangrijke personen spreken.""Bent u boodschapper van beroep?""Ja, onder andere, ik ben dienaar van Katlin Daskin.""Wie is Katlin?" vraagt Ruarc."De priesteres in Hilham."Kritoias doet Sean een suggestie om te vertellen wat voor boodschap hij moet overbrengen. De man zegt dat hij moet vertellen dat er mensen rondlopen die iets met de godin te maken hebben, maar probeert daar daarna snel overheen te praten. Hij neemt al snel afscheid en gaat ergens anders zitten.Jean en Betrand gaan op tijd naar bed en BKR, Tiana, Miolar en de overige proto-Vanyana volgen hun voorbeeld.
Bartimeüs heeft de eerste wacht, maar het blijft dit keer niet rustig. Nog geen drie kwartier nadat de herberg is leeggelopen hoort hij buiten: "Pas op, au, au."Het komt van het plein. Bartimeüs maakt snel Kritoias, Ruarc en Tiana wakker die met zijn vieren op één kamer liggen."Volgens mij is die supersoldaat losgebroken en is hij aan het hakken." zegt Bartimeüs en hij begint zijn leren pantser aan te trekken. Ruarc volgt zijn voorbeeld, terwijl Kritoias het raam opendoet. Op het grotere donkere plein is iets aan de hand. Aan deze kant liggen een tweetal mannen op de grond en in het midden zijn vaag de contouren van een grote man te zien. Af en toe glinstert er iets in het licht."Hij is los!" roept iemand.Een soldaat komt naar voren met een getrokken wapen."Hij heeft een zwaard." zegt de soldaat en wordt vrijwel direct door de grote kerel aangevallen. Ze zien dat hij het been van de man er bijna afhakt.Bartimeüs pakt zijn boog en wil schieten, maar dat lukt op deze afstand vanuit het raam niet. Kritoias schiet een shock bolt op de man af. Die raakt, maar leidt hem alleen maar een beetje af."We moeten die man helpen!" zegt Tiana verschrikt."Is dat wel een goed idee?" vraagt Kritoias."Anders bloedt hij dood, kom!" en Tiana doet de deur open.
Als ze buiten komen zien ze dat de man in het centrum van het honderd meter grote plein staat. Hij heeft niet alleen een zwaard in zijn hand, maar is ook gekleed in een maliënkolder die zijn hele lichaam bedekt."Dit gaat geen makkie worden." zegt Ruarc."Ik schiet wel op hem." zegt Bartimeüs."Zal ik hem niet eerst kalmeren?" vraagt Ruarc."Dan heeft hij het door. Ik kan beter eerst schieten." zegt Bartimeüs."Ik ren wel achter Tiana aan." roept Kritoias als hij doorloopt, "Als hij in de buurt komt verzin ik wel iets dat niet te veel opvalt."Tiana snelt vooruit, met haar blik gericht op de zwaargewonde soldaat die op nauwelijks vijf meter van de grote soldaat op de grond ligt.
Bartimeüs spant zijn boog en schiet een pijl in het been van de man. Dit gromt even en kijkt naar de pijl in zijn been. Bartimeüs's tweede pijl raakt de man in zijn zij en gaat door de maliën heen. Al snel stroomt er bloed over zijn tuniek. Ruarc vertelt een kalmerend verhaal. De man staat nog steeds en loopt met kleine stappen op Bartimeüs af.Intussen is Tiana met de man bezig wiens been er bijna af ligt. Ze raakt hem aan en Kritoias ziet met zijn power perceptie dat zij direct kracht krijgt van de godin om de man te redden. Hij ziet bijna voor zijn ogen dat Tiana het been van de man er weer aanzet. Ze gaat verder om hem nog verder te genezen als Kritoias ziet dat de man nog steeds vooruit waggelt. Een volgende pijl raakt hem, maar ketst merendeels af op het pantser. Kritoias gebruikt een ijspijl, maar ook daar lijkt de man weinig last van te hebben. Een volgende pijl van Bartimeüs doorboort ergens onder zijn ribben, maar nog steeds waggelt de man naar voren. Nog zeker een minuut blijft Bartimeüs pijlen afschieten en Kritoias ijspijlen afvuren voordat de grote man uiteindelijk neervalt.
De zwaargewonde man blijkt niet heel erg gewond meer."Snel kan jij hem de laatste paar minuten doen vergeten?" zegt Kritoias tegen Ruarc."Goed idee!" antwoordt Ruarc.Hij gebruikt zijn krachten om de man te laten vergeten wat er is gebeurt nadat hij de herberg uitkwam."Daar liggen er nog een paar" zegt Tiana en gaat op weg om de twee andere soldaten die op de grond lagen te helpen."Wat is er gebeurt?" vraagt een soldaat die net is aan komen lopen aan de man die eerst met een half afgehakt been op de grond lag."Ik weet het niet. Hij was losgebroken. Ik dacht dat hij mij raakte, maar dat was toch niet zo.""Hoe komt je broek dan zo bebloed en gescheurd?"
Bartimeüs en Kritoias staan bij de grote soldaat die niet meer beweegt. Langzamerhand komen er nog meer mensen om te kijken wat er is gebeurd."Haal de meester" horen ze roepen."We moeten maken dat we wegkomen." zegt Kritoias"Goed idee." zegt Bartimeüs."O, nu moeten we alleen hem nog helpen." horen ze Tiana zeggen die aankomt lopen."Ik weet niet of dat een goed idee is." zegt Kritoias, "straks weet iedereen wat hier is gebeurd.""Maar, maar, ik kan hem redden."Bartimeüs, Kritoias en Ruarc kijken elkaar even vertwijfeld aan, maar tegen de wil van Tiana ingaan is moeilijk.Tiana knielt bij de man neer, raakt hem aan en even later begint hij te hoesten. Bartimeüs trekt snel de pijl uit zijn lichaam."Nu moeten we maken dat we wegkomen voor de officieren komen." zegt Kritoias en hij trekt haar mee richting de herberg.
"Wat is er aan de hand?" roepen verschillende mensen als ze met zijn vieren de herberg in komen."Och meisje wat is er gebeurd? Je zit helemaal onder het bloed!" roept de herbergierster verschikt uit."Ze is zelf niet gewond hoor!" zegt Kritoias snel, "Er waren wat gewonden gevallen en die heeft ze geholpen."Bartimeüs, Kritoias en Ruarc maken dat ze met Tiana weer op hun kamer komen voordat de soldaten gaan uitzoeken wat er aan de hand is."Ik hoop dat het rustig blijft." zegt Bartimeüs, "nog een paar uurtjes en dan maak ik je wakker Kritoias.""Kan je er minimaal drie uur van maken? Dan ben ik weer voldoende uitgerust om een volgende situatie het hoofd te kunnen bieden.""Prima."
Een half uur nadat de anderen weer zijn gaan slapen hoort Bartimeüs buiten hoorngeschal. Het komt vanaf de markt. Hij doet voorzichtig het luik op een kier en ziet dat er buiten een opstootje is. Een groep mannen dagen een paar soldaten uit."Dat is niet heel handig van ze." denkt Bartimeüs die de bewapening en de bepantsering van de soldaten en de mannen vergelijkt, "die soldaten zien er getraind uit. Ze zijn niet met genoeg om ze te overrompelen."Dat blijkt ook al snel. Een van de mannen gooit een steen en een paar anderen bukken zich om ook stenen op te raken, maar bedenken zich als de soldaten hun zwaarden deels uit de gevesten trekken. Schielijk trekt de groep mannen zich terug in het donker.Tijdens de wachtbeurt van Kritoias probeert Bartimeüs in de droom van de grote soldaat te komen, maar dat lukt hem niet. Hij heeft wel het gevoel dat hij niet alleen in zijn droom is.
"Ik ga even kijken of ik andere kleding voor Tiana kan vinden." zegt Ruarc nadat hij de anderen heeft wakker gemaakt, "Ze heeft gelukkig geen wit gewaad aan, maar die bloedvlekken op haar shirt gaan zeker de aandacht trekken.""Ok, hier is het geld." zegt Kritoias en gooit hem de buidel met munten toe.Na een kwartier gaat de deur weer open en komt Ruarc binnen met een eenvoudig bruin bovenstuk."Hier moeten we het maar mee doen." zegt hij, "Ik blijf me verbazen dat je voor de prijs van zo'n kledingstuk zeven dagen in twee kamers kan overnachten in een herberg."Tijdens het ontbijt vraagt Kritoias aan de herbergier wat het volgende dorp is op weg naar Branduïn."Het volgende dorp is Crown's rest, maar dat is twee dagreizen. Halverwege is er nog wel een herberg, de oude molen."De herbergier vraagt waarom ze naar Branduïn gaan en Bartimeüs vertelt dat ze uit het noorden gevlucht zijn en dat ze hopen dat de keizer hen hier kan beschermen tegen de druïden die er achter zitten."Ik hoop dat je gelijk hebt." zegt de herbergier."Hoezo?""Ik heb gehoord dat het slecht gaat met de druïdejagers. Hun leider zou zijn gedood in het noorden.""Dat is slecht nieuws.""Ja, zeker, want," en hij gaat fluisteren, "ze zeggen dat de druïden het bloed van kinderen drinken en van gedaante kunnen veranderen.""Dat klinkt niet best!"
Wanneer ze bijna klaar zijn met eten komen er een jonge man en vrouw naar de groep toe."Pardon, ik ben Steward en dit is mijn vrouw Alfrida. We hoorden dat jullie naar Crown's rest gaan. Klopt dat?""Ja, daar gaan we naar toe." zegt Kritoias."We hebben gehoord dat het gevaarlijk kan zijn op de weg en we willen graag met jullie meereizen. Kan dat?""Waarom gaan jullie naar Crown's rest?" vraagt Bartimeüs."We zijn overhaast vertrokken uit Finsterbent om naar de begrafenis van mijn grootvader in Crown's rest te gaan.""Gecondoleerd met uw verlies." zegt Kritoias, "Ik heb jullie gisteren niet aanzien komen.""Nee, het was pas laat in de middag toen we hier aankwamen. Jullie zijn zeker vroeg weggegaan?""Ja, dat klopt wel." zegt Bartimeüs."Volgens mij is het geen probleem." zegt Kritoias, "Hebben jullie bezwaren?" vraagt Kritoias richting Bartimeüs, Kritoias, Tiana en Miolar en die schudden hun hoofd."We gaan over een minuut of twintig op pad. Er reizen denk ik nog twee mensen uit Finsterbent met ons mee Jean en Bertrand. Bartimeüs vraag jij even of zij ook meereizen vandaag?"Bartimeüs loopt naar de twee boekhouders die zitten te ontbijten en die willen graag de reis gezamenlijk voortzetten.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc komen de trap afgelopen nadat ze de spullen van hun kamer hebben gepakt en zien dan dat er soldaten in de gelagkamer bezig zijn om mensen te ondervragen. Kritoias probeert nonchalant langs de soldaten te lopen, maar de leider houdt hem tegen."Niet zo snel. Ik wil jullie even wat vragen stellen." zegt de man."O, waar gaat het over?""Er is gisteren onrust geweest op het marktplein. Weten jullie wie daar bij zijn geweest?""Bedoelt u die situatie met die dorpelingen die de soldaten hebben belaagd?" vraagt Bartimeüs."Eh ja, heeft u dat gezien?""Ik heb iets gehoord en toen heb ik even tussen de luiken doorgegluurd, maar het was best donker, dus ik heb alleen maar gezien dat een aantal dorpelingen ruzie zochten en dat er is gevochten.""Ja, het is een bloederige situatie geworden.""O echt? Daar heb ik niets van gezien.""Vertelt u de waarheid?""O, mag ik dan ook niet de waarheid vertellen?" zegt Bartimeüs."Waar komt u vandaan?""Ik kom uit de prinsdommen" zegt Bartimeüs."Dat is ver weg, wat brengt u hier?""We zijn op de vlucht voor de lopende lijken en de demonen. Het is echt vreselijk daar.""En heeft u die zelf gezien.""Nee, gelukkig niet, dat hadden we niet overleefd. Ik heb het alleen van horen zeggen.""Moet u uw familie dan niet beschermen?""Mijn familie is omgekomen. Het is vreselijk.""Heeft u zich niet tot de keizer gewend?""Uiteraard. Leve de keizer!""Leve de keizer!"De man kijkt hen nog even aan en wenkt dan dat ze door kunnen lopen."Ik hoop niet dat iemand gaat vertellen dat wij op het marktplein waren." fluistert Kritoias."Ik denk het niet." zegt Bartimeüs, "die de meeste mensen zeggen dat ze laten te slapen en niets hebben gezien."
Met enige vertraging zet de grote groep zich in beweging. Steward en Alfrida hebben een kleine handkar bij zich waar voedsel en spullen op liggen die ze hebben meegenomen voor hun familie in Crown's rest."Willen de dames soms achterop?" vraagt Jean die net als Bertrand een paard aan de hand voert."Nee hoor dank je wel." zegt Alfrida."Wat is dat voor dier?" vraagt Tiana."Dit is een peerd." zegt Bertrand, "nog nooit gezien? Dat zou je wel verwachten als je van het platteland komt.""Ik wil wel achterop hoor." zegt Tiana. Jean helpt haar plaats te nemen achter Bertrand en de stoet zet zich in beweging richting Crown's rest.
Het is vandaag gelukkig droog, maar nog niet echt zonnig. Het is al een stuk frisser dan het rond deze tijd in de Prinsdommen zou zijn. Er vliegen wat vogels onder het wolkendek, maar geen van hen lijkt zich bijzonder in de groep te interesseren. Ze komen aan het begin van de reis behoorlijk wat boeren tegen die met hun producten op weg zijn naar Farhill. Onderweg vertelt Steward dat hij timmerman is. Het zijn moeilijke tijden en eigenlijk moet hij doorwerken, maar met de begrafenis van opa moet hij wel naar Crown's rest gaan. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen waar ze vandaan komen en over de situatie in het noorden. Steward kent de verhalen over de terugkeer van de druïden niet, waarop Ruarc dat verhaal nog een keer in geuren en kleuren vertelt.
In de verte verschijnen zes ruiters vanachter een heuvel in de weg. Het zijn soldaten die een banier voeren. Vier van hen blijven op een paar honderd meter staan en de twee anderen rijden naar voren."Goedemiddag. U bent hier met een groot gezelschap.""Ja, mag dat niet?" zegt Bartimeüs."Deze weg is keizerlijk bezit en op dit moment nog meer dan anders. Dat betekent dat jullie er niet op mogen lopen.""Wat moeten we dan doen?" zegt Kritoias."Jullie moeten honderd meter van de weg af gaan.""Moeten we dan door de velden gaan lopen?" vraagt Kritoias."Dat kan, maar je kan ook wachten tot zijne heiligheid voorbij gereden is."Bartimeüs, Kritoias en Ruarc geven met de anderen gehoor aan het bevel van de soldaat en lopen ongeveer honderd meter het veld in.
Na ongeveer twintig minuten wachten verschijnt kolonne soldaten met drie wagens. In totaal zijn het zo'n 50 man, inclusief twee van die grote soldaten die ook op een heel groot paard zitten. In het midden van de stoet rijdt een rijkgedecoreerde en volledig geblindeerde kar. Dan komt er een teken van de middelste kar en de kolonne stopt. Een aantal mannen lopen naar de middelste kar en hebben daar een korte conversatie. Dan geeft één van de mannen een bevel en twee soldaten rijden het veld in richting Bartimeüs, Kritoias en Ruarc.
"Goedemiddag. Is er onder jullie iemand die meer contact heeft met de god?""Eh, wat bedoel je?" vraagt Bartimeüs."Een verhalenverteller. Is er een verhalen verteller onder jullie?""Ja, ja, dat ben ik." zegt Ruarc, "Hebben jullie hier al gehoord van Ruarc de Grote? Dat doet mij deugd. Ik dacht dat ik alleen in het noorden bekend was.""Ik nodig u dringend uit mee te komen."Ruarc kijkt even naar Bartimeüs en Kritoias en zegt dan."Dat is een fantastische kans. Mag ik meerijden?"De soldaat knikt en Ruarc springt achterop het paard waarna de soldaat het paard de sporen geeft.
Ruarc komt bij de middelste koets aan en ziet dat een bediende de koetsdeur al open houdt. Hij klimt het trapje op naar binnen en ziet daar een uiterste rijkelijk aangeklede koets met daarin een oudere, gezette man die in de beste kledij is gehuld."Treedt binnen" zegt de man."Dank u heiligheid.""Neemt u plaats" zegt de man en gebaart naar een zitgelegenheid tegenover hem."Dank u, dank u. Ik had nooit gedacht u geïnteresseerd zou zijn in mijn verhalen. Dat zijn repertoire genoeg zou zijn om uw feesten op te luisteren. Werkelijk het is fantastisch dat u mij uitnodigt om u ontmoeten.""Mijn zoon, want een spraak waterval. Wat doe je hier?""Ik reis hier rond en vertel verhalen.""Als een dienaar van de keizer?""Zijn wij niet allen dienaren van de keizer?""Zeker, maar wat doe jij hier? Spreekt de god wel eens met je?""Spreekt de god niet tot ons allen?""Wat is je naam?""Ruarc""Die naam heb ik nog nooit gehoord.""Dat valt me dan weer tegen. Ik had gedacht dat mijn roem mij wel vooruit was gesneld."
"Wat is je doel? Wat ga je doen als je klaar bent me je verhaal?""Dat hoop ik nog lang niet te zijn. Ik ben nog jong. Daar heb ik nog niet over nagedacht. Nu ben ik op zoek naar faam en erkenning. En waar kan ik dat beter bereiken dan in Branduïn? Heb ik uw vraag nu beantwoord.""Nee. Wat betekent Ulam?""Ah, u kent dat woord.""Jij ook mijn zoon.""Ja, dat is iets dat de Olcar mij noemde nadat ik ze een verhaal had verteld. Weet u wat Ulam betekent?""Het betekent verlosser.""Verlosser van wat?""Van de Olcar.""Wat betekent dat?""Wat denk je zelf?""Voor mij is het een compleet raadsel. De Olcar zijn voor mij vriendelijke wezens die ik tegen ben gekomen.""Zijn de Olcar een bedreiging of een kans? Wat doe jij hier?""Dat weet ik niet. Waarom heeft u de koets laten stoppen?""Wat ga je doen als Ulam? Wie ga je verlossen? Welke rol speel jij hierin?""Ik weet het hiet niet. Gaan wij niet allen mee in de stroming van de tijd?""Sommigen zijn als stukjes hout, die op de stroom meedrijven. Anderen zijn een boomstam die de stroom blokkeren. Mag ik je hoofd aanraken om je de zege van de keizer te geven."Ruarc aarzelt even, maar knielt dan voor de hoge priester neer."Uiteraard."De hoge priester geeft hem de zege."Goed Ulam, ik had gehoopt dat je me iets wijzer kon maken. Maar dat wil je niet, of je weet het niet. Ik laat je gaan. Gegroet""Gegroet en ik hoop dat ik in de toekomst één van uw feesten mag opluisteren met mijn verhalen."
Aan het eind van de middag komen ze aan bij een grote herberg die aan een klein riviertje ligt. Een kleine watermolen die betere tijden heeft gekend is nog in bedrijf. Ook hier zijn een aantal keizerlijke troepen aanwezig. De herbergier heeft voor veertig tinstukken een kamer voor de acht reizigers beschikbaar. Het is gezellig in de gelagkamer en die stroomt in de loop van de middag en avond vol met reizigers. Het geheel wordt opgeluisterd door een muzikant met zijn luit.
De nacht verloopt rustig totdat Ruarc wakker wordt gemaakt."Kritoias? Is het alweer tijd?""Mijn zoon sta op."Ruarc ziet een jonge man."Waar ben ik?" vraagt Ruarc en hij kijkt om zich heen."Je bent veilig"Hoe moet ik u addresseren?""Mijn naam is Bran.""Dat is een prachtige naam.""Het is fijn dat ik je zo makkelijk kon vinden. Ik heb veel over je gehoord, Ruarc.""Alleen goede dingen hoop ik.""Verwarrende dingen. Je bent een trouw onderdaan, maar je houdt je ook bezig met duistere krachten.""Mijn neef Bartimeüs wel, die heeft een reputatie op dat gebied. We proberen het onder controle te houden.""Doet hij dat uit eigen wil? Of voert hij de wil van iemand anders uit?""Hij is zo eigenwijs, ik kan me het twee eigenlijk niet voorstellen.""Ik weet heel weinig van je. Maar in het noorden is het ook niet goed doorgedrongen hoe de keizer voor jullie zorgt.""Men vindt dat de keizer dat niet heel goed doet. Want het is een puinhoop in het noorden.""Het noorden krijgt wat het verdient.""Gaat een zorgzame keizer dan zo om met zijn onderdanen?""Probeer je mij de les te lezen? Ga je mij vertellen hoe om te gaan met zo'n groot rijk dat helemaal van het noorden naar het zuiden loopt. In het noorden heulen ze met de vijand."
"Wat vindt jij er van? Heeft de keizer het noorden in de steek gelaten?""Ik kan alleen zien wat ik in Izendael heb meegemaakt. De keizer heeft zijn mond gestuurd, maar zij is helaas vernietigd.""Was dat niet in opdracht van de Prinsdommen in het noorden?""Ik was daar in de buurt en degenen die dat hebben gedaan hadden vrijbrieven van de keizer. De echtheid van die documenten is aangetoond.""Weet tegen wie je spreekt. Ik ben de keizer.""De keizer is boven alle twijfel verheven.""Betekent dat dat ik iedereen moet wantrouwen? Zo naief ben ik niet. Iemand uit het noorden heeft me over je verteld.""O, was dat de koningin van Vandalus, uw nicht? Is ze veilig aangekomen?""Ze is er, h'm, dus jij was daar ook bij. Waar ben je nu?""In de buurt van Branduïn, op ongeveer een week reizen.""Wie neem je mee?""Mijn neven.""Je neven? Maar die nemen ook iets mee. Iets dat beter niet kan arriveren.""Ik weet niet of dat zo is.""Over een week? Is dat goed? Of neem je een leger mee?""Dat lijkt me niet gepast.""Er gaan namelijk verhalen over je rond.""U bent de tweede vandaag. Ik heb ook de hogepriester gesproken.""Hij had een visioen.""Weet u wat de Ulam zou zijn?""Hij is degene die de Olcar hun rechtmatige gebied teruggeeft.""Is dat goed of slecht?""Ik hoop goed. Zullen de Olcar met of tegen ons strijden?""Ik denk dat ze aan onze kant staan.""Wat heb je ze beloofd?""Niets, ik heb ze alleen een oud verhaal verteld.""Ze staan niet aan de kan van Balbar? Sta jij aan de kant van Balbar?""Nee, zeker niet.""Goed. IK zal uitkijken naar het vriendelijke leger on de leiding van de Ulam."Dan maakt Kritoias Ruarc wakker voor zijn wachtbeurt.
Vlak voor het donker wordt hoort Ruarc in de verte het geschal van een hoorn. Het doet hem vaag denken aan de hoorns van de Olcar. Ruarc maakt iedereen wakker en na het wassen en aankleden lopen ze naar beneden om te ontbijten.
"Hebben jullie Alfrieda gezien?" vraagt een nerveuze Steward."Nee, hoezo?""Haar bed is leeg.""Ik ga wel kijken." zegt Bartimeüs en loopt de trap weer op naar boven, "In welke kamer zitten jullie?"Aangekomen bij de juiste kamer onderzoekt hij met een spreuk wie er in de gang heeft gelopen en hij ziet dat Alfrieda alleen de gang is afgelopen naar de trap. Het lijkt erop dat ze naar buiten is gegaan.Steward gelooft daar niets van. Bartimeüs gaat verder met zijn onderzoek en zorgt ervoordat hij met de planten voor de herberg kan praten. Nieskruid kom het meeste voor. Intussen passeren Kritoias en Ruarc hem om bij de watermolen te gaan zoeken."Heb je hier een vrouw gezien?" vraagt Bartimeüs aan de plant."Au, pas op""O, sorry, doet het pijn? Ik zal voorzichtiger zijn"."Kijk waar je staat! Nu sta je op mijn broer!"Bartimeüs let even goed op waar hij zijn voeten neerzet.De plant vertelt Bartimeüs dat hij vannacht wel iemand langs de herberg heeft voelen lopen.
Bartimeüs loopt naar de plek toe die de plant heeft aangeduid en vindt daar na goed zoeken wat bloed op de bladeren onder het raam van de kamer waar hij met Kritoias, Ruarc en Tiana heeft geslapen. Aan de sporen te zien lijkt het ook wel of er is gevochten. Hij kijkt opnieuw wie hier langs is gekomen en ziet een persoon gehuld in donkere kledij waarvan alleen de ogen zichtbaar zijn."Die heeft Alfrieda van achteren beslopen en de keel doorgesneden zo te zien." denkt hij.Bartimeüs volgt het spoor naar de achterkant van de herberg waar de watermolen staat. Hij ziet net dat Kritoias in het water wijst. Daar drijft met het hoofd naar beneden het lichaam van Alfrieda."Ze stond onder ons raam te luisteren en toen heeft iemand haar keel doorgesneden." zegt Bartimeüs."Weet je wie? Zou die ons gunstig gezind zijn?""Nee, iemand in donkere kleding.""Laten we naar binnen gaan en Steward het slechte nieuws brengen."
"En? Hebben jullie iets gevonden?" zegt Steward met angst in zijn ogen."Ja, maar het is niet goed. Ze is dood.""Wat waar?" Ze lag in de beek. We hebben haar op de kant getrokken."Steward loopt snel de herberg uit. Gevolgd door Bartimeüs, Kritoias en Ruarc, Tiana en veel andere aanwezigen."Wat is er aan de hand?" vraagt Tiana."Alfrieda is dood""Dat is toch niet erg?""We moeten oppassen dat we niet opvallen. Het is niet gebruikelijk dat iemand weer levend wordt."Als ze bij het lichaam aankomen ziet Steward met eigen ogen wat er is gebeurd. Hij draait zich om en wijst naar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc."Jullie hebben haar gedood!""Wat? Hoezo? Waarom zouden wij dat doen?""Jullie hebben haar gezien onder jullie raam."Kritoias denkt dat Steward meer weet en gebruikt zijn magische overredingskracht."Vertel eens wat zij daar ging doen?""Wij moeten jullie in de gaten houden. Wat? Nee"In tussen is Tiana neergeknield bij Alfrieda die na enige tijd plotseling weer langzaam overeind komt."Het was toch minder erg dan we dachten!" zegt Ruarc."Ze was dood. Jij hebt het toch ook zelf gezien?""Ik had het kennelijk verkeerd. Ik ben geen genezer.""Maar jullie zitten hierachter."Kritoias gebruikt nu een spreuk om Steward te laten gehoorzamen."Van wie moesten jullie ons in de gaten houden?""Van de priesteres van de tempel in Farhill. In Crown's rest neemt iemand het van ons over.""Goed, ga dan nu maar voor je 'vrouw' zorgen in de herberg."Steward neemt Afrieda mee, die voetje voor voetje naar de herberg loopt. Als ze in de herberg komen kijkt Kritoias of er nog iemand is die heel erg verbaasd is dat Alfrieda zelf de herberg in komt lopen, maar dat is niet het geval.
Daarna zorgen ze ervoor snel te vertrekken voordat Steward nog meer trammelant gaat maken. De ochtend verloopt rustig. Het is iets beter weer geworden en af en toe breekt het zonnetje door. Een paar uur na de lunch ziet Kritoias plotseling rookwolken in een veld langs de kant van de weg. Het zijn zwarte rookwolken, dus er staat iets te branden."Zullen we even kijken wat dat is?" vraagt Bartimeüs."Goed, misschien heeft iemand hulp nodig." zegt Ruarc.Tiana en de proto-Vanyana gaan met ze mee, want het is ongeveer een kilometer van de weg. Jean en Bertrand wachten op de weg tot ze weer terugkomen.
Als ze over de heuvels komen zien ze dat er een stuk bos in brand staat. Een groot deel is al zwart geblakerd en het vlamfront heeft de rand van het stuk bos bereikt. Als ze langs de kant van het verbrande stuk lopen zien Bartimeüs en Kritoias dat er zes lichamen liggen."Het zou me niet verbazen als dat Olcar zijn." zegt Ruarc, "Ik hoorde vanmorgen een Olcarhoorn.""Misschien handig als je dat ook zegt." zegt Kritoias.Ze lopen door de smeulende resten van het bos naar de verkoolde lichamen. Aan de hoorns is is duidelijk te zien dat het Olcar waren. Er liggen ook wapens naast hen, dus het lijkt erop alsof ze zijn aangevallen.Bartimeüs concentreert zich even."Ja, ze zijn aangevallen door een groep mensen. Goed bewapend, geen uniformen. Het lijken wel huurlingen."Op dat moment horen ze wat gekraak en komen er even verderop vier Olcar over een heuvel gelopen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zien duidelijk dat de Olcar schrikken. Ruarc probeert ze op hun gemak te stellen."Spreekt u onze taal?" roept hij, terwijl hij zijn hand uitstrekt.De Olcar stoppen en één van hen trekt zijn speer, maar één van de anderen houdt hem met zijn hand tegen."Wat zijn dit?" vraagt Tiana."Dit zijn Olcar. Wij noemen ze vaak geitemannen." zegt Ruarc, "ze komen van een andere wereld hier naar toe. Over het algemeen zijn ze niet agressief."Ruarc loopt een meter of tien naar voren en probeert de Olcar gerust te stellen."De Olcar noemen Ruarc de Ulam." vertelt Kritoias aan Tiana en Miolar, "dat betekent zoiets als verlosser.""Let op" roept Ruarc, "Ik hoor paarden vanaf de weg komen. De Olcar komen onze kant op.""Wat? Waar?" zegt Kritoias wiens mantel net in zijn gezicht is gewaaid."Van rechtsvoor. De Olcar rennen naar de web, o nee, nu draaien ze om en rennen terug naar het bos.
Ze zien een groep van tien ruiters gekleed in maliën en groene, soldaatachtige kledij de heuvels vanaf de weg over galloperen. Twee man stijgen af en schieten met hun lange boog op de Olcar. Twee van de Olcar worden geraakt en vallen op de grond. Twee van de Olcar zijn snel genoeg en verdwijnen in het bos voor de ruiters ze bereikt hebben. Twee van de ruiters zijn afgestegen en steken op de Olcar in die op de grond liggen.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc overleggen even of ze de Olcar gaan redden. Tiana reageert in ieder geval niet zo dat ze de neergeschoten en gestoken Olcar wil redden.Kritoias loopt vooruit om te kijken wie deze mannen zijn. Hij ziet dat de mannen een boommotief op hun kleding hebben. Als de mannen zien dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en de proto-Vanyana hun kant oplopen stijgen drie van hen op en komt op hen afrijden."Halt, wat doen jullie hier?" zegt één van hen."Waarom schieten jullie die wezens neer?" zegt Kritoias."Het zijn gevaarlijke monsters. Hebben jullie ze wel eens eerder gezien?""Ja, heel vaak. Ze zijn ongevaarlijk.""Is dat zo?""Wie is jullie opdrachtgever?" zegt Bartimeüs."Nou, de keizer." zegt de man."Wie zijn jullie dan? Soldaten?""Wij zijn de compagnie van de heilige eik.""Een compagnie? Van het leger?" vraagt Kritoias."Van het leger? Nee, wij werken voor onszelf.""O, net zoiets als de Swords of the West!""Wie zijn dat?""O, huurlingen die we in het noorden zijn tegengekomen, maar daar is het niet zo goed mee afgelopen.""Wie is dan jullie opdrachtgever? De keizer?" vraagt Bartimeüs."Ja, dat kan je wel zeggen. De mond van de keizer.""De nieuwe mond van de keizer? Hoe heet die?""Fergus."
"Zijn jullie ook gaan kijken waar die rook vandaan kwam?" vervolgt de huurling."Ja, waarschijnlijk gebeurt bij het kamp van die wezens. Er liggen er daar verderop nog zes.""Hebben jullie dat gedaan?""Nee, dat hebben anderen gedaan. Die waren een stuk efficiënter dan jullie." zegt Bartimeüs."Hebben jullie nog gehoord waar er nog meer van die wezens zijn?""Ik heb wel iets gehoord toen we in Farhill waren." zegt Kritoias, "Een van de boeren daar had ze 's ochtends in de velden gezien.""In Farhill? Dat is best wel een eind weg. Wat deden jullie daar?""We zijn op doorreis.""Waarheen? Naar Crown's Rest?""Ja.""Ok. Kom we gaan terug."Intussen zijn vijf van de huurlingen het bos in gegaan.
Als de huurlingen wegrijden spreekt Bartimeüs de paarden aan."Kom gooi je ruiter af. Wij behandelen jullie veel beter.""Wat is dat voor boer?" zegt één van de paarden."Geen idee kom mee snel verder rijden." zegt een ander paard.Het derde paard zegt tegen Bartimeüs: "Nee, dat doen we niet. We zijn netjes opgevoed.""Die Olcar zijn wel vreemde wezens" zegt Tiana terwijl ze teruglopen naar de weg."Hoe bedoel je?" vraagt Bartimeüs, "Tegennatuurlijk?""Zoiets ja."Van een afstand zien ze dat Jean en Bertrand met een boer staan te praten. Het is Sjon van een boerderij in de buurt. Hij vraagt naar de brand en is blij dat het niet zijn kant op komt. Als hij hoort dat ze naar Crown's rest gaan vertelt hij dat ze daar op moeten passen omdat de varkens daar door de straten lopen.
Aan het einde van de middag komen ze over een heuvel en zien ze op een kilometer afstand het stadje Crown's Rest in een komdal liggen. Het ziet er groter uit dan de dorpjes waar ze de afgelopen tijd zijn geweest, maar het is nog niet zo groot dat het een volledige stadsmuur heeft. Op een aantal plaatsen zijn er wel palissades gebouwd om rovers of wilde dieren op een afstand te houden.Het is behoorlijk druk in Crown's rest. Niet alleen maar varkens, maar ook met reizigers. Als ze op het marktplein komen zien ze dat de weg hier eindigt en uitkomt op de hoofdweg tussen Branduïn en Brangate. Het meest imponerende gebouw op het marktplein is het tempelgebouw met zijn kenmerkende zuilengallerij. Als ze rondkijken zien ze dat er drie herbergen aan het marktplein staan: De Ronde Lepel, die er best aardig uitziet, De Loden Schedel, die er niet zo goed uitziet en De Laatste Dag, waar allerlei handelaren in en uit lopen."Zullen we maar voor De Laatste Dag gaan?" vraagt Kritoias."Goed, ik vraag me alleen af voor wie het de laatste dag is." zegt Ruarc, "voor ons, voor de herberg of voor het stadje.""Of voor alle drie." zegt Bartimeüs monter.
Ze gaan naar binnen en vragen bij de barmeid om twee kamers, die er gelukkig nog zijn. Met een prijs van 8 koperstukken is het ook niet overdreven duur."Waarom heet deze herberg eigenlijk De Laatste Dag" vraagt Bartimeüs."Omdat dit de laatste plaats was waar de keizer heeft gerust voor hij weer in Branduïn terugkeerde."Ze bekijken hun kamers en keren dan naar de gelagkamer terug om wat te gaan eten.Ruarc is opnieuw niet onder de indruk van de geboden zangkunsten. Tijdens het avondeten komt een priesteres van de tempel met haar bodyguards binnen en gaat verderop aan een tafel zitten.Kritoias let goed op, maar er lijkt niemand te zijn die op hen let.
Een man gekleed in de kleding van een rijke handelaar benadert hun tafel."Goedenavond. Nieuw in Crown's Rest?" vraagt hij."Ja, dat klopt.""Mijn naam is Methonie, komen jullie uit het noorden?""Ja dat klopt." zegt Bartimeüs."Mijn naam is Kritoias en dit zijn mijn neven, Bartimeüs en Ruarc."De man neemt plaats en vraagt; "Is het echt zo erg?""Dat is afhankelijk van wat u erg vindt." zegt Kritoias, "alleen dan kan ik bepalen of het minder erg, even erg of nog veel erger is. Hoewel ik het laatste vermoed.""Ze zeggen dat een leger van willozen uit de Prinsdommen naar het zuiden komt.""O, dan had ik gelijk. Het is nog veel erger.""Wat is er veel erger Methonie?" vraagt de priesteres die naar de tafel is komen lopen."O, niets, ik was nieuwsgierig naar onze gasten.""O, dat ben ik ook.""Neem plaats." zegt Kritoias, "wil u wat drinken?""Channe.""H'm wat?" vraagt Kritoias."Dat is mijn naam.""Aha." zegt Kritoias.De vrouw van de herbergier komt snel aanlopen en Channe bestelt haar favoriete wijn.
"Wat is er nu veel erger?" vraagt Channe."De situatie in het noorden." zegt Kritoias, "Methonie had haar over een leger van willozen, maar dat is nog het minste probleem met de demonen die rondlopen."Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen over de algemene situatie in het noorden.Channe benadrukt dat het niet nodig is om bang te worden omdat de keizer iedereen hier zal beschermen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zeggen dat dat ook de reden is dat ze naar het zuiden zijn gekomen."Misschien dat ik dit toch aan mijn superieuren moet rapporteren. Kunt u morgenochtend na zonsopgang bij de tempel langskomen?""Uiteraard, het is ons een genoegen." zegt Kritoias, "een uur na zonsopgang?""Prima, zie ik u dan."
Tijdens Bartimeüs' wacht gebeurt er niets bijzonders. Ook bij de wachtbeurt van Kritoias blijft het rustig.Ruarc wordt wakker en zit in de gelagkamer. Hij heeft trek in melk en hij ziet dat er een beker melk staat.Als hij voor zich uit kijkt ziet hij een figuur volledig in een mantel gehuld."Ruarc, vertel eens, waarom heb je die verhalen verzonnen?""Vind je dat een prettige gedachte?""Het zou me geruststellen als je tegen me zegt dat het verzonnen is. Ga je dat tegen iedereen zeggen?""Pardon, ik begrijp niet precies wat je bedoelt.""Volgens mij begrijp je precies wat ik bedoel. Je gaat terug naar het oosten en vertelt tegen iedereen dat alles is verzonnen.""Maar dat zou een grote leugen zijn.""Dus je hebt niet gelogen?""Nee, natuurlijk niet. Jullie hebben echt geen idee hier in het zuiden he?""We hebben genoeg ideeën. Drink je melk maar op.""Ik houd het liever bij wijn." zegt Ruarc en hij pakt de beker met goede wijn die voor hem staat en drinkt die leeg.Als hij weer voor zich uitkijkt is de figuur verdwenen.
Ruarc maakt Bartimeüs en Kritoias al vroeg wakker omdat ze al snel na zonsopgang bij de tempel moeten zijn. Ze besluiten dat het verstandiger is als Tiana en de proto-Vanyana in de herberg blijven.Na een keizerlijk ontbijt lopen ze naar de tempel die aan de andere kant van het marktplein ligt.Voor het gebouw staan Channe en twee potige kerels op hen te wachten."Goedemorgen, volgt u mij maar."Channe neemt hen mee naar een deur aan de zijkant van het gebouw."O, gaan we niet door de hoofdingang nar binnen?" als ze door een kleedkamer van de priesters en bedienden lopen."Nee, we gaan naar een plaats waar we goed kunnen praten.Normaal ontvangen we daar geen lekenbroeders."Kritoias krijgt er niet een heel goed gevoel bij als ze een stenen trap aflopen en in een koude kelder terechtkomen waar fakkels branden. Ze komen in een ruimte waar een aantal deuren zijn en Channe loopt naar de tegenover liggende deur. Ze doet de deur open en loopt naar binnen.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc volgen haar en zien een soort altaar met daarom heen een aantal brandende braziers."Lijkt precies op die plaats waar we met Beolin hebben gesproken" denkt Kritoias."Wachten jullie buiten." zegt Channe tegen de bodyguards en ze sluit de deur. Ze knielt voor het altaar en Kritoias ziet dat ze een channeling toverspreuk gebruikt.
Er verschijnt een beeltenis van een man op het altaar. De man is niet heel oud, dus het zal geen aartsdruïde zijn. Ze herkennen de man niet."Dank jullie wel voor jullie komst. Mijn naam is Darmoth.""Aangenaam, ik ben Kritoias en dit zijn mijn neven. Bartimeüs en Kritoias.""Jullie weten veel over de situatie in het noorden.""Ja, daar komen we vandaan. Bent u daarin geïnteresseerd.""Zeker, zeker. Het is mijn functie om informatie te vergaren.""O, werkt u dan voor de ogen en oren van de keizer?" vraagt Kritoias, "wij zijn weleens hun agenten tegengekomen.""Daar heb ik wel eens van gehoord, maar nee." zegt Darmoth."Wat weten jullie precies van de situatie daar?""In ieder geval dat de lopende lijken het minste probleem zijn." zegt Kritoias, "de demonen die opgeroepen worden zijn een veel groter probleem. Dat wist Stilvan trouwens ook al, die persoon van de ogen en oren van de keizer.""En wie zitten daar achter volgens jullie?""Volgens de profetie zouden de druïden na 355 jaar terugkomen. Dus die zullen daar wel achter zitten.""Hebben jullie daar aanwijzingen voor?""Wij denken dat Beolin daar achter zit. Zeker niet alle druïden.""En weten jullie waar die druïden zijn? Er zou er ook één in het zuiden zijn.""Ja, ziet u dat is een beetje ons probleem. Want waar is Ulwin? Het gerucht gaat dat hij zich in de buurt van de keizer ophoudt en wij hebben aanwijzingen dat er iets gaande is in de keizerlijke hallen. Dat hebben we ook gezien met Beolin in de Prinsdommen en Theollin in Vandalus. Misschien bent u het wel, maar aan de andere kant hadden we u dan wel als oude man gezien."
"Hoe bedoel je?""We hebben Beolin ook een keer via zulke magie gesproken, maar toen zag hij er zeer oud uit.""En welke aanwijzingen hebben jullie dat Ulwin een belangrijke positie in Branduïn heeft?""U weet natuurlijk van de moord op de mond van de keizer." zegt Bartimeüs.Darmoth knikt, "een aanslag beraamd door de Prinsdommen.""Als vergarer van informatie bent u toch slecht geïnformeerd." zegt Bartimeüs, "wij waren in Lodepoort toen dit gebeurde en de daders zijn gepakt. Maar toen de Baron ze wilde berechten toonden ze een keizerlijke vrijgeleide. De authenticiteit van die papieren is bevestigd door iemand van een geheime organisatie van de keizer. Helaas hebben wij deze persoon moeten beloven daar verder niets over te vertellen.""Dat is dan ernstig." zegt Darmoth."Ja, ik zou maar goed kijken wie er nu de nieuwe mond van de keizer wil worden. Die Fergus?"
"Wat weten jullie verder over de druïden? Als jullie ze kennen, waarom hebben ze jullie dan nog niet gedood?""Ja, dat is voor ons ook een raadsel." zegt Kritoias, "Beolin hebben we gezien, Theolin ook, die wilde dat we Beolin zouden vermoorden.""De druïden werken niet allemaal samen?""O, nee" zegt Bartimeüs, "Beolin heeft zich aangesloten bij Balbar en de anderen lijken hem tegen te werken.""Hoe weten jullie dat?""Ik heb wel eens met Balbar gesproken? Die heeft dat verteld.""Wat? Hoe moet ik jullie dan vertrouwen?""Ik zeg alleen maar hoe het is. Ik ga me toch niet bij Balbar aansluiten? Leve de keizer.""Leve de keizer.""Ja, Silvoa hebben we ook gezien. Die probeerde ons aan te vallen, maar werd door de keizer gestopt." zegt Kritoias, "en we hebben er één waarschijnlijk permanent of voor langere tijd uitgeschakeld.""Maar jullie werken niet voor de druïden?""Nee, waarom zouden we?""Zij hebben jullie geen opdracht gegeven om hier naar toe te komen?""Zeker niet." zegt Kritoias."Waarom komen jullie naar Branduïn? Om iets te bezoeken? De boom?""We zijn hier omdat het in het noorden een puinhoop is." zegt Bartimeüs, "Als we in de buurt zijn willen we best wel de boom bezoeken.""Ja, ik ben benieuwd hoe deze er uit ziet."
"En als ik jullie vertel dat iemand de poort naar de boom aan het sluiten is. Wat zeg je dan?""Dan zeg ik van welke kant? Alleen van hier, of van alle andere kanten waar vandaan deze boom die in het centrum staat benaderd kan worden.""H'm, wat weten jullie daarvan?""Wij weten dat er verschillende werelden zijn waar Olcar, Vanyana en Demonen leven en dat je via magie de zogenaamde poorten kan openen om naar die andere werelden te stappen.""Jullie weten wel heel veel dingen. Ik wil graag verder met jullie praten. Wellicht kunnen wij elkaar helpen.""Dat is goed.""Jullie zijn nu op zo'n drie dagreizen van Branduïn. Als jullie aankomen, ga dan naar de herberg De Verdwaalde Raaf en vraag naar Nymarcse witte wijn.""Dat spul is echt niet te drinken." zegt Kritoias."Ik denk niet dat ze het scheken. Het is een codewoord en brengt jullie in contact met mij. Hebben jullie nog een escorte nodig om veilig in Branduïn aan te komen?""Dat valt heel erg op en we hebben gemerkt dat het veiliger is om in een klein gezelschap te reizen.""Goed, dan zie ik u binnen een paar dagen."De man verdwijnt en Channe brengt hen weer terug naar het marktplein.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen over het al drukke marktplein naar de herberg waar Tiana en de proto-Vanyana al klaar zijn om op weg te gaan."Nog iets bijzonders?" vraagt Tiana."We praten je onderweg wel bij." zegt Ruarc, "Hier in de herberg zijn wel veel oren."Het lijkt wel of Ruarc een voorgevoel had, of zich terecht ongerust maakt, want hij ziet dat een man in kleding van een ambachtslied de groep in de gaten houdt als ze de weg naar het oosten in slaan."Ik vertrouw het niet." zegt Bartimeüs als Ruarc de anderen heeft ingelicht, "Als we over die heuvel zijn zoek ik wel een plek om te kijken of hij of iemand anders achter ons aankomt.""Ok, wij lopen een paar uur door en nemen dan een pauze zodat je ons in kunt halen. Is een uur genoeg?" zegt Kritoias."Ja, ik denk niet dat ze veel langer zullen wachten."Op de weg zijn er zo vroeg op de dag nog behoorlijk wat boeren op weg naar Crown't Rest om hun oogst te verkopen. Er gaan niet veel mensen dezelfde kant op als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc. Ze zien alleen af en toe in de verte een groepje van vier mensen, waarvan één vrouw op een paard.
Na ongeveer drie kwartier ziet Bartimeüs vanuit het bosjes waarin hij verstopt is dat twee stedelingen, beide gewapend met een zwaard, ook naar het oosten lopen. Bartimeüs verwacht niet dat er nog meer mensen zullen komen, dus hij wacht een paar minuten en loopt dan achter de twee mannen aan. Na een paar uur lopen ziet hij Kritoias en Ruarc en de rest van de groep uitrusten langs de kant van de weg. Bartimeüs vertelt wat hij heeft meegemaakt en nadat hij ook een half uurtje rust heeft gepakt gaan ze weer op weg.
De weg slingert steeds meer door de heuvels en het wordt lastiger om een groot deel van de weg te kunnen zien. Na een half uur horen ze het geluid van een hoorn over de heuvels schallen."Waar komt dat vandaan?" vraagt Kritoias."Van voren." zegt Ruarc die met zijn goede oor feilloos doorheeft waar het vandaan kwam."Dat klonk niet echt als een Olcar hoorn." zegt Bartimeüs.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen wat voor de groep vooruit via de weg de heuvel op. De twee stedelingen die ze eerder hebben gezien komen de heuveltop overrennen en gebaren wild dat ze weg moeten gaan.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen wat sneller de heuvel op."Weg! Ga weg!" zegt één van de mannen."Monsters, ze hebben die jonkvrouwe en haar gevolg aangevallen."De mannen wachten niet en rennen verder.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc aarzelen niet en rennen naar de top van de heuvel. Als ze boven komen zien ze dat er ongeveer 60 meter verder gevochten wordt. Het paard waar de jonkvrouwe op zat is weg. Ze ligt zelf op de grond, zoveel mogelijk beschermd door haar bodyguard die een viertal ratmensen probeert te verjagen. Haar twee andere bediendes liggen op de grond, maar twee van de ratmensen hebben hen in het vizier. Op een paar meter afstand staan twee menselijke wezens met een soort geitenkoppen, maar ze zien er niet uit als Olcar. Kritoias concentreert zich en schiet een pijl van vuur op één van de twee geitenkoppen af, want het risico is te groot dat hij de jonkvrouwe of iemand uit haar gevolg raakt. De vuurpijl treft doel en de nep-geiteman is even van zijn stuk gebracht. Bartimeüs pakt zijn boog en schiet op de andere geiteman, maar de pijl gaat over hem heen. Ruarc pakt zijn schild en rent naar voren. Hij ziet tot zijn afgrijzen dat twee van de ratmensen de keel van de twee bedienden doorbijten. De bodyguard slaagt er gelukkig wel in de andere ratmens van zich af te houden. De laatste zit bij de jonkvrouwe, maar valt haar niet verder aan.
Kritoias probeert een volgende pijl van vuur te schieten, maar wordt danig afgeleid door Tiana die opeens roept: "Hé, dat zijn weer die beesten." Ruarc laat een enorme lichtflits ontstaan waar alle ratmensen en de bodyguard door verblind raken. Bartimeüs sprint naar voren en stopt even om op de andere geiteman te schieten. Dit keer raakt hij wel en de man krimpt ineen van de pijn. Ruarc rent naar voren en begint op de ratman in te slaan die bij de jonkvrouwe staat. Ondanks zijn blindheid is de ratman best snel en duurt even voor hij de ratman man een klap van zijn strijdhamer in zijn gezicht heeft uitgeschakeld. Bartimeüs heeft in de tussentijd met een tweede pijl de tweede geiteman ter aarde doen storten. De andere geiteman gaat er helaas rennend vandoor. Bartimeüs schiet vervolgens op één van de overgebleven ratmensen en schiet hem in zijn buik. De ratman stort ter aarde en beweegt niet meer. Vlak daarop schiet Kritoias die ook aan is komen rennen een vuurpijl op de vierde ratman af die hem in zijn gezicht krijgt en naar ademhappend rondstrompelt tot hij neervalt. Ruarc loopt naar de laatste ratman die nog steeds verblind bij de bodyguard staat en slaat met de strijdhamer in zijn nek zodat hij direct neergaat.
"Er is er eentje weggerend." zegt Bartimeüs, "Ik ga kijken of ik hem te pakken krijg.""Zorg wel dat we hem kunnen ondervragen." zegt Ruarc."Oooo" horen ze Tiana verschrikt zeggen als ze ziet dat de ratmannen in gewone mensen zijn veranderd, "Wat erg, het zijn er te veel!""Nee hoor, we konden het prima aan!" zegt Kritoias.Tiana kijkt Kritoias boos aan en loopt boos weg."Wat, wat" stamelt de bodyguard die bijkomt van de lichtflits en de tweede bedienden onder het bloed ziet liggen."Je bent veilig." zegt Ruarc, "We hebben de monsters en de mensen verslagen.""Hoe is het met de jonkvrouw?".De bodyguard kijkt rond en loopt direct naar de jonkvrouwe die even verderop bewusteloos op de grond ligt met een schaafwond op haar hoofd."Dat ziet er wel goed uit." zegt Ruarc."Gelukkig Maeve gaat het wel halen, maar voor Peter en Noëlla is het zo te zien te laat. Ik en Lou trouwens.""Ruarc, en dit is mijn neef Kritoias. Mijn andere neef Bartimeüs zit achter de laatste man aan.""Maar, het waren monsters?""Ja en nee." zegt Kritoias, "Deze vier zijn mensen die ratmensen veranderen. Dat hebben we in het noorden wel vaker gezien. Die andere twee waren verklede mensen.""Het waren agressieve beestmannen." zegt Lou."Nee, dit zijn echt mensen. Kijk maar bij die ene is zijn masker afgevallen. Als je refereert aan de geitemannen als agressieve beesten, dan is dat een misvatting. Wij zijn hen in het noorden wel vaker tegengekomen en ze zijn vriendelijk. Met sommigen kun je zelfs praten."
Bartimeüs kan het spoor dat de weggerende man heeft achtergelaten makkelijk volgen. Hij kan natuurlijk niet met dezelfde snelheid vooruit, maar hij maakt goede vorderingen. Bartimeüs vindt al snel een afgeworpen hoofdtooi en na een tijdje hoort hij in de verte wat gehijg. Hij sluipt heel voorzichtig vooruit en ziet dat een man met zijn rug naar hem toe tegen een boom staat uit te hijgen. Bartimeüs neemt nog een paar stille passen voorwaarts en slaat de man in zijn nek. Dit weet niet wat hem overkomt en voor hij het weet heeft hij een mes op zijn keel."Meelopen." zegt Bartimeüs."Ja, ja" stamelt de man, "maar je hebt de verkeerde te pakken. Ik zag net een beestman voorbij rennen.""Ja, die had zeker ook zulke schoenen aan, net als jij, met een gat in één van de zolen. Waarom hebben jullie de jonkvrouwe aangevallen? Geef antwoord, als je dat niet doet kunnen we ook met je lijk praten hoor.""Eh, wat? Ja, ja, er was iemand in Eastgate, die heeft betaald om mensen te overvallen op de weg.""Verkleed als beestmannen?""Ja""En die ratmensen?""Die waren hier al, die ken ik verder niet.""Moesten jullie iedereen doodmaken?""Nee, één of twee en de rest wegjagen.""Om de geitemannen in een slecht daglicht te stellen zeker.""Wie heeft jullie betaald?" zegt Bartimeüs, waarbij het het mes iets meer op de keel van de man drukt."Dillen! Hij heeft Dillen. Ik kwam hem tegen tegen over de tempel.""Waarom heb je die opdracht aangenomen?""Ja, je moet toch ergens van leven? Ik heb een verleden.""Als overvaller?""Ja""Nou dat geld heb je in ieder geval niet meer nodig, dat gaat naar de slachtoffers."
Kritoias en Ruarc onderzoeken de lichamen van de ratmensen, die nu weer als mensen met kleding op de grond liggen, en het lichaam van de man met het geitenmasker. Ze vinden niets bijzonders, geen amuletten, briefjes of zelfs maar iets van geld."We moeten ze begraven." zegt Loe en hij wijst naar Peter en Noëlle."Ja, tenzij je ze nog wil helpen?" vraagt Ruarc aan Tiana."En die anderen dan?" zegt Tiana."Of kan je het niet?" vraagt Ruarc."Nou, ok, dan. Hen kan ik wel helpen. Jullie hebben die anderen zomaar vermoord.""Nee, niet vermoord. We wilden de jonkvrouwe, Lou, Peter en Noëlla redden.""Ze zijn dood, vermoord." zegt Tiana."Dat lijkt misschien hetzelfde, maar er is een juridisch verschil. Wij wilden hen redden, dat wilden die ratmensen niet.""Hmpf" zegt Tiana en ze loopt eerst naar Noëlla. Ze concentreert zich en even later komt Noëlla bij.Die kijkt verschrikt op als ze ziet dat haar kleding helemaal onder het bloed zit. Peter vergaat het precies hetzelfde en Lou kijkt met grote ogen naar wat er gebeurt.
Bartimeüs komt uit het struikgewas met zijn gevangene en vertelt wat die heeft gezegd. Als hij ziet dat de jonkvrouw en haar gezelschap in goede doen zijn stopt hij de buidel met tien zilverstukken bij zich.Ze besluiten de man mee te nemen naar Eastgate en daar over te dragen aan de autoriteiten. Bartimeüs gaat nog op zoek naar het paard van de jonkvrouwe, maar dat is spoorloos verdwenen. Omdat ze nog steeds niet is bijgekomen geneest Bartimeüs haar met een spreuk zodat ze zelf verder kan lopen.
De rest van de reis naar Eastgate verloopt rustig. Het terrein wordt steeds bergachtiger, wat het lopen vermoeiender maakt, maar het is gelukkig aangenaam weer, hoewel wat frisjes voor de neven uit het warme noorden.Aan het einde van de dag lopen ze een vallei binnen waar Eastgate ligt. Aan beide zijden van de vallei zijn torens opgericht die verbonden zijn met een stenen muur. De weg leidt naar een stevig poortgebouw in het midden van de muur. Als ze bij de wachters aankomen die bij de poort staan. Loopt Lou naar hen toe en vertelt het verhaal van de overval. De wachters nemen de gevangene over."Kennen jullie een Dillen?" vraagt Bartimeüs aan hen, "Hij zou deze man betaald hebben.""Dillen, Dillen? Ja, ik ken wel een Dillen, dat is een lekenbroeder bij de tempel.""O, nou, dan zal dat hem dan wel niet zijn." zegt Kritoias.De wachters laten hen de stad binnen en de groep loopt verder de weg af tot ze op het centrale marktplein komen waar de welbekende tempel staat. Na wat discussie besluiten ze voor de herberg De Gouden Hamer te kiezen.
De prijs voor twee kamers op de begane grond met avondeten is vier koperstukken wat Kritoias graag betaalt. Ze staan op het punt om naar hun kamers te gaan als een jonge man hen benadert."Bent u Ruarc?" vraagt hij aan Ruarc."Ja, dat klopt, ik ben Ruarc de Grote." zegt Ruarc."Ik heb dit perkament voor u." zegt de man."Geef hem iets voor de moeite." zegt Ruarc tegen Kritoias, die de man een koperstuk geeft.Ruarc herkent het zegel van de druïdenjagers dat op de perkamentrol zit en leest de inhoud aandachtig."H'm lees dit ook even." zegt hij tegen Bartimeüs en Kritoias, "Moest je wachten op antwoord?""Ja."
Bartimeüs en Kritoias lezen waterop de perkamentrol staat: "Het is niet veilig om te dromen. Jullie weten wie ik ben. Vertrouw niemand. Degene die jullie hebben helpen vangen is de sleutel tot het volgende: De vlag staat op de molen. De koopman en de bakker gaan naar het heiligdom. Ze verkopen de wijn aan de raaf. De jager heeft de prooi gevonden. Doodt de brenger van deze brief. Hij zal jullie verraden.""Ik kan hem naar Olcadaïr proberen te sturen." fluistert Kritoias. Het wordt lastig hem hier iets aan te doen. Hij regelt iets om op te schrijven en schrijfgerei bij één van de gasten en schrijft een onzin verhaal aan koopman Aldepoort in Olcadaïr. Vervolgens probeert hij de jonge man op een queeste te sturen."Breng deze brief naar koopman Aldepoort in Olcadaïr.""Wat? Ben je gek? Dat is heel ver weg. Ik moest eerst verslag uitbrengen in Branduïn en dan ga ik daar wel heen. Sterker nog. Het is donker. Ik ga eerst naar mijn herberg." zegt de jonge man en hij beent de herberg uit.
Het eten in de herberg is prima, maar het muziakele entertainment is van matige kwaliteit. Na het eten gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc nog even langs bij een edelman in de stad om hun beloning op te halen die de jonkvrouw hen had beloofd. Met één zilverstuk extra keren ze weer in de herberg terug.
De wacht van Bartimeüs verloopt dit keer rustig, maar als hij gaat slapen wordt hij al snel weer wakker. Het is koud en buiten waait het hard. Het luik klappert in de wind."Bartimeüs doe eens open!" hoort hij."Nee, dat kan ik niet doen hoor." zegt Bartimeüs.Balbar blijft nog een tijd doorzeuren of Bartimeüs toch niet het luik open wil doen en Bartimeüs probeert weer allerlei informatie uit Balbar te krijgen. Helaas wil Balbar niet vertellen of hij Dillen uit de tempel kent. Balbar zegt dat hij zich daar niet mee bezig houdt. Als Bartimeüs zegt dat hij zich toch niet als loopjongen wil laten gebruiken zegt Balbar dat hij bij hem een kruipjongen mag zijn.Terwijl Bartimeüs droomt lost Ruarc Kritoias af.Ruarc zit een tijdje op wacht als hij plotseling ziet dat het luik open is en dat het haakje losbungelt. Hij trapt Bartimeüs wakker, die uit zijn droom ontwaakt. Als er niets gebeurt maakt hij daarna ook Kritoias wakker.Bartimeüs pakt zijn boog en mikt op het raam. Kritoias staat op en probeert vanuit het duister de steeg in te kijken."Je bent nog steeds even lelijk Kritoias!" klinkt de bekende stem van Metla uit de steeg.
"Laten jullie mij hier zo staan?" vraagt Metla nadat het vanuit de herberg stil is gebleven."Nee, kom binnen." zegt Kritoias.Metla klimt naar binnen en doet het luik dicht."Dat is lang geleden!" zegt Bartimeüs."Ja, het voelt bijna als een vorig leven." zegt Metla, "wie is dat in bed?""Dat is Tiana" zegt Kritoias."Is dat de vriendin van Ruarc?""Dat mocht hij willen." zegt Bartimeüs."Het was een grapje.""Hoe ben je ons op het spoor gekomen?" vraagt Ruarc."Ik was een boodschapper aan het volgen en die heeft iets bij jullie afgeleverd. Zijn jullie nog lastig gevallen?""Nee, vannacht niet. Door wie?" vraagt Bartimeüs."Door de Mano Tinto, je weet wel die ook de staart hebben gestolen uit de kelders van het paleis.""Ik heb niets gemerkt." zegt Kritoias, "waarom zouden die achter ons aan willen zitten?""Ze zaten achter de boodschapper aan en ik ook.""Wie zijn die Mano Tinto eigenlijk?" vraagt Bartimeüs, "Zijn het Balbar-aanhangers of criminelen.""In ieder geval het laatste."
"Waarom volgde jij die boodschapper dan?" vraagt Ruarc."Volgens mij heeft hij een connectie met Theolin en daar heb ik nog een appeltje mee te schillen.""Jullie zitten toch achter ze aan. Heb je geen hulp van je collega's?" vraagt Kritoias."Nee, die heb ik in Branduïn niet gezien. Nadat we in Bandesdor aan boord waren gegaan van een schip bleek Fahzuhl niet heel betrouwbaar te zijn. De koning is veilig." zegt Metla snel als ze zie dat Bartimeüs en Kritoias enigszins verschrikt kijken."Er kwam iemand aan boord en die was in gesprek met Fahzuhl. Ik had het idee dat het een boodschapper van Theolin was. Ze hadden het erover dat ik te veel wist en moest verdwijnen. Toen ben ik overboord gesprongen en ben ik de man gevolgd."
"Hoe lang was dat geleden?" vraagt Bartimeüs."Ongeveer tien dagen. Het verbaast me dat jullie al hier zijn. Was de situatie in het noorden te gevaarlijk?""Ja, zo'n beetje wel.:" zegt Kritoias, "toen zijn we met een omweg naar het zuiden gereisd.""Wat komen jullie dan doen in Branduïn?" vraagt Metla."Het is hier veiliger dan in het noorden." zegt Ruarc."En we willen de boom wel eens zien." zegt Bartimeüs, "waar staat hij?""Geen idee. Je hebt de hoge stad, waar de edelen, waaronder Elisa zitten.""Wie?" vraagt Kritoias."De koningin van Vandalus! Dan heb je de loden stad waar de keizer woont en de gewone stad.""En vandaag heb je iemand gevolgd waarvan je denkt dat hij van Theolin komt?" vraagt Ruarc."Ja, jullie hebben de boodschap gelezen, dus klopt dat.""Ja, dat klopt wel." zegt Kritoias, "Het was een cryptisch verhaal over een vlag op een molen, een koopman en een bakker die naar een heiligdom gaan, een raaf met een voorkeur voor wijn en een jager die zijn prooi heeft gevonden. Alleen weten we pas wat dat betekent als de de druïde bevrijden die we in het noorden gevangen hebben genomen.""Hoe heette die ook al weer?" vraagt Bartimeüs."Vendolin" zegt Kritoias."Maar het was dus echt een boodschap van Theolin?" vraagt Metla."Ja, daat kan je wel zeker van zijn." zegt Bartimeüs.
Ruarc ziet opeens een wit doorschijnende geestverschijning door de muur heen op hem afkomen. Het is een mens met een dierenkop. Hij herkent direct dat het om een Olcar gaat. Kritoias ziet alleen een wat groenig licht dat op Ruarc afkomt. Het lijkt op magie, maar hij kan de stroming niet bepalen. Ruarc ziet dat er nu van alle kanten Olcar-geestverschijning op hem afkomen die zit in hem lijken te vestigen. Dan wordt hij uit zijn lichaam getrokken en ziet een grote baan wit licht richting het zuiden, waar Branduïn ligt. Tegelijkertijd vangt Bartimeüs het lichaam van Ruarc op dat inelkaar zakt. Ruarc zweeft boven Eastgate en ziet van alle kanten geestachtige Olcar naar het zuiden zweven. Hij probeert terug te keren naar zijn lichaam, maar een onzichtbare kracht houdt hem tegen. In de verte ziet hij een helder licht een grote boom. Hij vliegt met hoge snelheid naar de boom en wordt verblind door het enorme licht.
Metla ziet dat het lichaam van Ruarc een soort licht begint uit te stralen."Wegwezen. Hij gaat uit elkaar spatten." zegt ze en ze rent door de deur.Bartimeüs probeert Ruarc wakker te schudden, maar die reageert nergens op. Hetzelfde is aan de hand met Tiana, die al door de conversatie tussen Metla en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc is doorgeslapen en nu niet reageert als Kritoias haar wakker probeert te maken.Bartimeüs springt door het raam naar buiten, terwijl Kritoias probeert om Tiana te laten zweven zodat hij haar mee kan nemen naar buiten. Bartimeüs klimt net weer naar binnen om Kritoias te helpen als er een enorme explosie plaatsvindt alsof er een vuurbal afgaat, maar dan zonder het vuurt. Bartimeüs wordt door de schokgolf het raam uitgegooid en belandt op zijn rug in de steeg, gelukkig zonder erge verwondingen. De klap gooit Kritoias door de deur van de kamer waarbij hij zijn linkerarm breekt. Zeker de helft van de herberg is verwoest.
Ruarc wordt wakker onder een grote balk, die hij optilt. Dat is ook het enige van de herberg dat hem nog scheidt van de buitenlucht, want de bovenliggende verdieping en het dak zijn weg. Hij hoort van alle klanten gekerm en gekreun. Tot zijn verbazing is hij niet gewond.Wel ziet hij een been van Tiana onder de brokstukken van herberg uitsteken. Het bed waarin ze lag ligt in gruzelementen. Snel tilt hij de stukken hout van haar af en ziet dat er iets aan de hand is. Of niets, ze ligt te slapen en ze heeft een kleine splinter op haar wang waar een klein beetje bloed aan zit. Ruarc veegt de splinter weg en keert zich om naar Kritoias die de restanten van de kamer in komt lopen terwijl hij met zijn rechterhand zijn linkerarm vasthoudt."Wat is er gebeurt?" vraagt Ruarc."Ik denk dat ik mijn arm heb gebroken doen ik die deurpost raakte." zegt Kritoias, "Tiana zal wel in orde zijn?""Ja, zij wel, maar als ik in de ruïne hiernaast kijk denk ik dat het met haar vrienden niet zo goed is afgelopen."Miolar en één van de proto-Vanyana zijn ernstig gewond. De twee anderen hebben zulke verwondingen opgelopen, waaronder een balk in een gezicht, waardoor ze zijn overleden.Al snel komen er van alle kanten mensen aanrennen om hulp te verlenen.
Bartimeüs gaat naar de tempel, waar hij ziet dat die er nog staat, maar schade heeft aan één van de zijvleugels. Niet zo erg als in de herberg, maar toch lijkt er ook hier niets te zijn ontploft. Tegen de zijmuur zit een man stil voor zich uit te staren. Er staan een paar mensen omheen."Komt hij uit de tempel?" vraagt Bartimeüs."Ja, we konden hem redden. Gelukkig is hij niet gewond, maar hij is nog wel verward."Bartimeüs loopt naar de man toe, gebruikt een spreuk om zijn verwarring wat weg te nemen en hoort hij dan uit."Wat is er gebeurd?""Ik sliep, droomde van beestmannen en toen, toen was de kamer ingestort.""En daarvoor, wat heb je gezien?""Een licht en een boom.""Ja, een eik.""Hoe weet je dat?""Oscar, het is ook in de herberg gebeurt." roept iemand die aan is komen lopen, "Wat doe jij hier. Laat hem met rust.""Misschien is de keizer dan in gevaar!" zegt Oscar, "Maar ja, het was maar een droom.""Dromen kunnen richting geven." zegt Bartimeüs."Je ehbt gelijk. Ik weet alleen niet of dat nu ook zo is. De zuil! Ik moet kijken of het daar allemaal goed is."Oscar staat op en waggelt de verwoeste kamer in."De sleutel, de sleutel moet hier ergens liggen.""Oscar kom je niet even mee naar de centrale hal om even bij te komen." zegt één van de omstanders, "daar brengen we alle slachtoffers heen. Wie bent u eigenlijk dat u hem ondervraagt?""Ik, eh, ik maak me zorgen over de situatie." zegt Bartimeüs, "Ik wil graag helpen.""Maak je dan liever nuttig in de centrale hal."
Bartimeüs gaat naar de tempel, waar hij ziet dat die er nog staat, maar schade heeft aan één van de zijvleugels. Niet zo erg als in de herberg, maar toch lijkt er ook hier niets te zijn ontploft. Tegen de zijmuur zit een man stil voor zich uit te staren. Er staan een paar mensen omheen."Komt hij uit de tempel?" vraagt Bartimeüs."Ja, we konden hem redden. Gelukkig is hij niet gewond, maar hij is nog wel verward."Bartimeüs loopt naar de man toe, gebruikt een spreuk om zijn verwarring wat weg te nemen en hoort hij dan uit."Wat is er gebeurd?""Ik sliep, droomde van beestmannen en toen, toen was de kamer ingestort.""En daarvoor, wat heb je gezien?""Een licht en een boom.""Ja, een eik.""Hoe weet je dat?""Oscar, het is ook in de herberg gebeurt." roept iemand die aan is komen lopen, "Wat doe jij hier. Laat hem met rust.""Misschien is de keizer dan in gevaar!" zegt Oscar, "Maar ja, het was maar een droom.""Dromen kunnen richting geven." zegt Bartimeüs."Je ehbt gelijk. Ik weet alleen niet of dat nu ook zo is. De zuil! Ik moet kijken of het daar allemaal goed is."Oscar staat op en waggelt de verwoeste kamer in."De sleutel, de sleutel moet hier ergens liggen.""Oscar kom je niet even mee naar de centrale hal om even bij te komen." zegt één van de omstanders, "daar brengen we alle slachtoffers heen. Wie bent u eigenlijk dat u hem ondervraagt?""Ik, eh, ik maak me zorgen over de situatie." zegt Bartimeüs, "Ik wil graag helpen.""Maak je dan liever nuttig in de centrale hal."
Kritoias en Ruarc overleggen op dempte toon wat er is gebeurt. Het lijkt erop dat Ruarc het focal point was van de krachten van de Olcar. De grote vraag is ook of het alleen hier is gebeurd, of ook in de rest van de land, zoals in Branduïn. Na ongeveer dertig minuten onderbreekt een ijselijke kreet van Tiana hun bespreking."Waar, waar ben ik?""In de centrale hal van Eastgate. De herberg is voor het merendeel uit elkaar gespat." zegt Ruarc."Wat erg, o, er zijn ook allerlei mensen gewond." zegt Tiana, "Wat is er met je arm Kritoias?""Ik denk gebroken toen ik door een deur werd gelanceerd.""Wacht, maar." zegt Tiana en raakt Kritoias' arm lichtjes aan."Dank je wel." zegt hij."Waar zijn Miolar en de anderen?" vraagt Tiana opeens verschrikt."Miolar ligt verderop. Ze denken dat hij het wel redt." zegt Ruarc."Wel redt? Waar is hij." ze springt op en wil weg lopen als een helper in de hal haar tegen wil houden."Rustig aan meisje, je hebt een behoorlijke klap gehad. Ga maar weer even liggen.""Ik voel me prima." zegt Tiana, die om de vrouw heenloopt op Miolar af, die er uitziet alsof zijn laatste uur heeft geslagen.Tiana concentreert zich even en raakt Miolar en de andere proto-Vanyana aan."Waar zijn de anderen?" vraagt ze."Die zijn gedood door het neervallende puin." zegt Ruarc."Waar zijn ze? In de herberg?" roept Tiana en ze snelt de hal uit op zoek naar de herberg.
Daar aangekomen ziet ze dat er zes lichamen op de grond liggen. Gezien de verwondingen moeten de twee proto-Vanyana moeten op slag dood zijn gegaan door de neerstortende balken."Rustig maar meisje, we kunnen niets meer voor ze doen." zegt iemand die bij de lichamen staat.Tiana negeert hem en even later staan de proto-Vanyana weer op. De aanwezige mensen zien dit gebeuren, beginnen te gillen en rennen weg."Pff, die anderen dat gaat nu niet hoor, ik moet eerst even uitrusten."Ze gaat op haar zij de grond liggen, trekt haar benen op en valt in slaap.Ruarc kijkt de twee proto-Vanyana aan, wijst naar de centrale hal en pak Tiana op.
In de centrale hal vertelt Ruarc aan Bartimeüs, Kritoias en Metla wat er is gebeurd."Volgens mij moeten we zo snel mogelijk maken dat we wegkomen." zegt Bartimeüs, "ik ga wel op zoek naar een kar. Ga je mee Metla?""H'm, o, ja dat is goed.""Hier, neem het geld mee." zegt Kritoias en hij gooit Bartimeüs de buidel met hun geld toe.Even later lopen ze door Eastgate op zoek naar een kar."Wat is er nu precies gebeurd, Bartimeüs?""Iets met goddelijke energie.""Niet zo algemeen. De heele wereld stort in. Ik eis een verklaring!""De helft van die vreemdelingen was dood, maar nu lopen ze weer rond!""He, kijk er zoeken mensen rond in de restanten van het slaapvertrek van de priester.""Pas op, dat zijn mannen van de Mano Tinto! Bartimeüs?"Bartimeüs is snel achter wat stenen gedoken om de mannen te observeren. Metla duikt ook snel weg."Ze zoeken iets"Even later lopen de mensen weg."Gaan we er achteraan?" vraagt Metla."Ja, dat is verstandig.""Volgens mij is het heel onverstandig."
In de hal is wat rumoer ontstaan omdat de twee proto-Vanyana die eerst dood bij de herberg lagen weer rondlopen. Ruarc houdt een goede toespraak waarin hij vertelt dat ze zulk goed werk doen en hoe erg het is en hij leidt de aandacht van de twee proto-Vanyana af. Een van de mensen, een burger zo te zien gaat wel actie ondernemen."Ik ga de magistraat waarschuwen!" zegt hij en hij beent boos weg.Kritoias gaat hem achteraan en slaat hem op zijn schouder."Mijnheer, waarschuw de magistraat toch niet. Dat is toch helemaal niet nodig. Laten we terug gaan naar de hal en iedereen helpen.""Ja, ja, je hebt misschien wel gelijk" zegt de man onder de invloed van een suggestiespreuk.
Bartimeüs volgt de twee mannen de herberg in. Ondanks het vroege uur is het druk in de gelagkamer. De herbergier en zijn vrouw zijn bezig om ontbijt te maken, ook voor de slachtoffers van de ingestortte herberg. Hij ziet dat de twee mannen een deur aan de achterkant van de gelagkamer ingaan. Hij zoekt een plaatsje aan een tafel."Kan ik wat te eten krijgen?" vraagt hij als één van de serveersters langs komt."Ja hoor, geen probleem.""U overnacht hier niet he?" vraagt een andere gast van de herberg die een verderop aan de tafel zit."Nee, ik zat in de andere herberg, maar daar krijg ik voorlopig geen ontbijt. Ik wil hier trouwens geen dag langer blijven. Kan ik hier ergens een kar kopen?""Een kar? Dat weet ik niet hoor. Misschien dat één van de boeren die straks komen zijn kar wil verkopen. Anders moet je ze speciaal laten maken."
Metla komt de herberg binnen lopen en neemt tegenover Bartimeüs plaats."Waar blijf je nou? Ik sta zeker een half uur buiten en jij zit hier gewoon te eten.""Ze zitten achter. Ik wacht tot ze weer komen.""Tjonge, jonge. Nou, dan bestel ik ook maar wat. Wat hebben jullie in de tussentijd meegemaakt? Hebben jullie die staart nog?""Nee, die is weg. Ik ben blij dat we er vanaf zijn.""Wat wil je eigenlijk van de Mano Tinto?""Weten wie het zijn.""Misschien dat we ze nog nodig hebben.""Ja?""Het is een machtige club in de stad en als je die druïde wil bevrijden..."
"En, hoe groot is de kar?" vraagt Kritoias als Bartimeüs en Metla terugkomen."Nee, die hebben we niet." zegt Bartimeüs."Dan moeten we maar gaan lopen als Tiana wakker is, want we trekken iets te veel aandacht." zegt Ruarc."Goed idee." overtuig jij haar even dat ze mee moet komen. Ik denk dat ze die andere vier ook nog wil redden." zegt Kritoias."Ik ga mijn best doen."
Ruarc moet praten als Brugman, maar hij slaagt erin om Tiana zo ver te krijgen dat ze meegaat naar buiten. Daar zal hij zijn verhaal gaan vertellen. Als ze het verhaal hoort ziet Tiana het eigenlijk niet zitten om naar de boom te gaan, totdat Ruarc zegt dat het toch wel de wil van de godin is."Ik denk dat er twee man te paard ons volgen." zegt Kritoias."Ja, Mano Tinto." zegt Metla, "Ze houden ons in de gaten."
Na iets meer dan anderhalf uur valt Ruarc opeens de lading van een boerenkar op die hen tegemoet komt."Heren, stop even, wat heeft u bij zich?"De anderen stoppen en lopen een stukje terug naar Ruarc toe die op de laadvloer van de kar kijkt. Daar liggen drie dode Olcar, maar ze hebben geen enkele zichtbare verwonding."Hoe komen jullie aan deze dode geitemannen?""Ze lagen op mijn land." zegt een van de boeren."En geen enkele verwonding?""Nee, ook helemaal niets gehoord. Heel vreemd. Ik ga ze naar de magistraat in East gate brengen, dan krijgen we er misschien nog geld voor.""Waarom niet naar Branduïn?""Waarom wel? Dat ligt veel verder weg en dit is het gebied van de magistraat van East gate.""O, het is heel erg." zegt Tiana."Ja, ze zijn heel erg gewond." zegt Ruarc, "Maar misschien niet het moment om...Hoe bedoel je heel erg?""Ze zijn dood""Eh, ja"."Ze zullen nooit meer leven.""Ze zijn heel dood?""Wat kan jou het schelen. Ik weet toch niet waar ik het over heb." zegt Tiana bits, nog ontstemt over de eerdere discussie."Maar dit is dus anders?" vraagt Bartimeüs, "anders is er nog iets?""Ja, iets van energie er omheen."
De boerenkar rijdt verder richting East gate en een paar uur later gaan ze lunchten. Tijdens de lunch passeren de twee mannen te paard hen. Ze groeten vriendelijk, maar lijken hen wel goed in zich op te nemen.Aan het einde van de middag zien ze in de verte Branduïn al liggen. Ze hadden al besloten om buiten de stad te overnachten, voor het geval Ruarc opnieuw zou ontploffen. Bartimeüs vindt een houthakkershutje waar ze goed kunnen overnachten. Hij gaat op zoek naar eten en vindt fruit, bessen en paddestoelen. Aangevuld met het konijn dat Metla binnen recordtijd heeft gevangen weet Bartimeüs er een lekkere maaltijd van te maken.
Tijdens de wachtbeurt van Kritoias gaat Bartimeüs op bezoek in de droom van Metla. Ze loopt door een groot weids landschap waar over konijntjes rondhuppelen die ze zo kan pakken. Bartimeüs laat merken dat hij er is en wil laten zien dat hij ook goed kan jagen. Hij probeert een konijn te schieten, maar de konijntjes springen opzij en Bartimeüs kan er geen een raken."Zie je wel, je kan het niet." zegt Metla.Teleurgesteld loopt Bartimeüs weg. Verderop ziet hij een manshoog konijn staan. Hij schiet er niet op, maar gaat er achteraan. Even later verandert het konijn in een man."Ha, Balbar." zegt Bartimeüs."Je hebt geeneens een pijl geschoten!" zegt Balbar."Nee, ik wil je toch niet neerschieten?""Gisteren was raar. Iemand heeft iets onverwachts gedaan. Weet je dat?""Wie?""De keizer. Heel raar. Heel naar.""Doet hij zijn eigen volgelingen dan pijn?""Misschien, maar ik heb wel ideeën. Alleen heeft hij iets en toegang, dat ik niet heb.""Wat dan?""Daar hoef jij je niet druk om te maken. Ik denk dat je me gaat helpen.""Goed idee eindelijk iets nuttigs."Op dat moment wordt Metla wakker.
Ze volgen de weg naar het zuiden en komen in het drukke verkeer van boeren terecht die allemaal naar Branduïn reizen. Sommige hebben karren met graan of fruit bij zich, anderen drijven schapen of koeien naar de stad. Op sommige plaatsen staan soldaten in het tenue van de keizer langs de kant van de weg.Al snel zien ze de letterlijk schitterende daken van de loden stad in het licht van de ochtendzon. De loden stad ligt op de éne heuvel van de stad. De hoge stad ligt op de andere heuvel. Aan deze kant van de stad staat het fort, aan de andere kan van de stad de toren van de tovenaars. De weg buigt en ze lopen langs de muur van de stad naar de oostpoort.Voor de poort is het druk. Ruarc ziet dat één van de mannen naar hen wijst en een andere man aanstoot. Die man kijkt ook even en loopt dat de stad in.Ze lopen naar de man toe en Kritoias stoot hem aan."Ha, vriend goed u hier te treffen." zegt hij."Eh ja, goed je te zien.""Was je naar mij aan het uitkijken?""Ja, ja, zeker. Niet naar jou specifiek, maar naar jullie.""En die andere gast moet nu iemand waarschuwen?""Ja, dat hebben ze gevraagd?""Wie de Tinto?""Sssst, spreek die naam niet uit, maar ja, natuurlijk zijn zij het.""En je weet niet waarom?""Nee, ik houd het hier gewoon in de gaten.""Ok, dank je wel. Fijne dag nog."
Ze lopen door naar poort waar een aantal soldaten de boeren doorlaten, maar anderen ondervragen."Wat komen jullie in Branduïn doen? Jullie zijn geen vluchtelingen uit het noorden toch?""Nee, zeker niet. Wij komen de successen van onze neef Ruarc meebeleven. Hij is een fantatisch verhalen verteller, met een grote reputatie in het noorden. Een fenomeen in Olcadaïr.""Jullie komen werken. Hebben jullie daar papieren voor?""Papieren? Ja, hier, nee, eh, nee, eigenlijk niet. Wat voor papieren?""Papieren dat je voor iemand werkt. Van het gilde.""Nee, dat heb ik niet, maar moet ik dan iemand zoeken die mij nog iets kan leren? Ik vraag me af of dat hier gaat lukken.""Nou, zo goed is hij echt niet. Groot gelijk dat hij eerst in de leer moet hoor!" zegt Tiana.De soldaat kijkt even naar de uitrusting van de groep en geeft hen datn toestemming om verder te gaan."Ik ben blij dat we in een echte stad zijn." zegt Tiana.
Op het plein achter de poort zit Kritoias al snel vier verdachte figuren staan. Hij denkt dat het de Mano Tinto is, maar Metla zegt dat het herbergloopongens zijn. Een van hen komt hun kant op en wil hen naar Het Vliegende Paard toekrijgen. Kritoias vraagt naar De Witte Raaf, maar die hebben ze niet. Wel de Verdwaalde Raaf, wat het natuurlijk moet zijn. Die herberg is aan de voet van de hoge stad.Ze volgen de grote staat door de stad en verbazen zich over de drukte. Er lopen hier veel meer mensen rond dan in Olcadaïr. Ze komen bij een brug waar ze één van de takken van de rivier over kunnen, maar het is onduidelijk of De Verdwaalde Raaf op de linkerover of de rechterover van de rivier ligt. Kritoias vraagt het aan een voorbijganger en hij hoort dat De Verdwaalde Raaf in de schaduwstad ligt. Het gebied tussen de twee heuvels waar weinig direct zonlicht is.
Aan de overkant van de brug zien ze een tempel van de keizer, die niet ontploft lijkt. De brug is best hoog zodat er boten onderdoor kunnen. Deze tak van de rivier is ongeveer 30 meter breed. Er varen niet veel boten, want het water is stroomt een stuk lager dan de kade. Bartimeüs ziet gelukkig het uithangbord van De Verdwaalde Raaf in een zijstraat. De lay-out is ongeveer gelijk aan de stadsherberg in Olcadaïr, met een binnenhof waar kamers omheen liggen. Ze boeken twee kamers voor drie nachten wat 18 koperstukken kost. De herbergier is zeer geïnteresseerd als Ruarc zegt dat hij een meesterverhalenverteller is. Kritoias heeft alleen maar een visioen van een uitgeroeid verhalenvertellersgilde. Het wordt tijd om te gaan lunchen en wat wijn te bestellen.
Naast Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en hun gezelschap zijn er nog maar twee mannen in de herberg. Het is dus niet een hele gewilde plaats om te lunchen. De herbergier, Feolan, vraagt wat ze willen drinken bij het eten."Heeft u ook van die heerlijke Nymarcse witte wijn?" vraagt Kritoias."Nymarcse wijn? Daar heeft al lang niemand naar gevraagd. Komt u uit het noorden?""Ja, misschien heeft u nog een fles van die wijn staan, want ik ben bang dat de druivenoogst de komende jaren niet zo best zal zijn.""Ik ben bang dat ik die niet op voorraad heb, maar ik zal eens rondvragen, misschien dat ik het vanavond heb bij het avondeten. Is een beker witte huiswijn ook goed?""Ja hoor, doet u dat."De rest van de middag blijven ze in de herberg om geen aandacht op zich te vestigen. Grote kans dat de Mano Tinto of anderen graag willen weten wat ze hier doen.
Ook 's avonds is het niet druk in de gelagzaal. Er zijn nog negen andere gasten, maar de twee man die kwamen lunchen ontbreken. Het is een eenvoudig, maar goed gekookt maal en ze genieten van een echte stadse maaltijd. De laatste keer was in Olcadaïr.Een man komt wat schuchter de herberg binnenlopen, kijkt even om zich heen en loopt dan naar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc toe."Pardon, u bent op zoek naar Nymarcse witte wijn?""Ja, ja, dat klopt. Iemand heeft me die aangeraden." antwoordt Kritoias."Mooi, mooi. Ik heb op dit moment niets bij me, maar als u morgen naar het tempelkwartier komt, dan kunt u daar iets kopen. Vraagt u daar na de ochtendhandel naar de smid Diarmat, dan komt het helemaal in orde.""Prima, dank u wel."Kritoias verwacht dat de man weggaat, maar die houdt zijn hand op. Kritoias pakt een koperstuk en geeft dan aan de man."Dank u wel, heer." zegt de man en loopt naar buiten.
De man is nauwelijks de deur uit of Kritoias ziet uit een ooghoek dat een gast van de herberg een andere gast aanstoot en met een hoofdgebaar naar de deur wijst. De andere gast staat op en loopt ook naar buiten."Bartimeüs en Ruarc, iemand volgt die boodschapper. Gaat één van jullie er achteraan?""Ik ga wel. Hoe ziet hij er uit?" zegt Bartimeüs."Eh, ik heb hem niet heel goed gezien." zegt Kritoias, maar hij volgt de boodschapper, dus dan moet je hem wel kunnen vinden."Bartimeüs pakt zijn bijl en loopt naar buiten. Hij voelt zich wel wat bloot zonder zijn leren pantser en boog, maar in de stad lopen maar weinig mensen bepantserd en zwaar bewapend rond. Dat zijn meestal de wachters.
Bartimeüs kijkt buiten rond en ziet al snel waar de boodschapper en zijn achtervolger heen zijn gelopen. Hij volgt hen op geruimte afstand. De boodschapper loopt naar het noorden, richting het tempelkwartier. Daar staat een groter gebouw met een toren. Als de boodschapper daar in de buurt komt versnelt de achtervolger zijn pas. Bartimeüs ziet dan en loopt er ook sneller achteraan. Voor de boodschapper het tempelkwartier kan bereiken trekt de achtervolger de boodschapper een steeg in. Bartimeüs rent er nu heen en trekt zijn bijl te voorschijn. Vlak bij de steeg gaat hij langzamer lopen om niet gehoord te worden. Als hij de steeg in kijkt ziet hij dat de achtervolger de boodschapper heeft beetgepakt en bedreigt. Hij aarzelt niet en plant zijn bijl in de rug van de achtervolger die de boodschapper loslaat en bij Bartimeüs uit de buurt probeert te komen."Laat je mes vallen vriend." zegt Bartimeüs, "Waarom val je deze man lastig?"De man laat inderdaad zijn mes vallen als hij de grote bijl van Bartimeüs ziet."Ik had alleen wat vragen voor hem.""Wat voor vragen?""Waar hij heen ging, met wie hij heeft gesproken.""En wie wil dat weten?""Kijk je moet je niet bemoeien met zaken die je niet aangaan.""Je beantwoordt mijn vraag niet. Ik heb graag dat je mijn vraag beantwoordt, anders wordt het vervelend voor je."Op dat moment valt de man flauw vanwege bloedverlies.
"Wat vroeg hij?" vraagt Bartimeüs aan de boodschapper."Nou, wat hij zij.""En? Wie heeft je gestuurd?""De wijnhandelaar natuurlijk.""En als ik je een koperstuk geef?""Dit is niet hoe het gaat.""Twee dan? Of drie?""Kijk, ik werk voor de tempel, dat weten jullie toch? De tempel is dat grote gebouw in het tempelkwartier. Zorg er nu maar voor dat jullie er morgen zijn."Met die woorden schiet de boodschapper de steeg uit en loopt snel door het donker naar het tempelkwarter.Bartimeüs pakt het mes en steekt een tiental keren in op de achtervolger om er zeker van te zijn dat hij dood is. De achtervolger heeft ook nog een kort zwaard bij zich dat Bartimeüs laat liggen en een ring die hij meeneemt.Met een kleine omweg loopt hij terug naar de herberg."En?" vraagt Ruarc."Van die achtervolger hebben we geen last meer. Gevaarlijk toch zo'n grote stad. Ik heb alleen niet kunnen achterhalen waar hij vandaan komt.""Vast Mano Tinto." zegt Kritoias."Ja, dat zit er wel in." zegt Ruarc."Zit die andere man er nog?" vraagt Bartimeüs."Nee, die is iets van vijf minuten voordat jij terugkwam vertrokken. Hij lijkt ons niet verder in de gaten te houden."
Na het avondeten neemt Metla Bartimeüs, Kritoias en Ruarc even apart."Ik blijf vannacht niet slapen, ik ga proberen contact te leggen met de Mano Tinto om te polsen of zij ons kunnen helpen die druïde uit te breken."Dat vinden Bartimeüs, Kritoias en Ruarc prima, wat kan er nu helemaal gebeuren in Branduïn?
Tijdens de wacht van Bartimeüs wordt Ruarc wakker uit een onrustige droom."Wat is er aan de hand?" vraagt Bartimeüs."Ik weet niet, onrustig gevoel." zegt Ruarc, "En een beetje vreemde smaak in mijn mond.""Niet gewend aan het eten in de grote stad?""Nee, dat is het niet, het is vies, zwavelachtig."
Tijdens de wacht van Kritoias wordt Ruarc opnieuw wakker. Dan hoort hij buiten geroep en gepraat in de taal van de Olcar: "Onze god heeft ons verlaten!""Wat is er Ruarc?" vraagt Kritoias, "Het is gewoon wat geschreeuw buiten.""Het zijn Olcar!" zegt Ruarc, "Ik herken hun taal."Kritoias maakt snel Bartimeüs wakker."We moeten kijken wat er aan de hand is." zegt Ruarc."Ik ga wel mee." zegt Bartimeüs, die zijn leren rusting aan wil trekken."Dat duurt te lang, kom mee!" zegt Ruarc.Hij neemt nog wel even de tijd zodat Kritoias hem nachtzicht kan geven, want het is wel heel donker buiten.
Bartimeüs en Ruarc gaan op het geschreeuw van de Olcar af, maar ze lijken niet snel dichterbij te komen."Hier, deze steeg in." zegt Bartimeüs, "volgens mij kunnen we dan afsnijden."Ze lopen door de rommelige steeg waar zich gelukkig geen bandieten of zwervers ophouden. Als ze bij het einde van de steeg komen horen ze mensen roepen."Wat? Nee? Ah""Terug! Terug! Terug""Oeh!"Als ze de hoek omkomen zien ze dat er wachters. Twee van hen staan te kijken naar grote wolf die op het lichaam van een derde wachter staat. De wolf kijkt naar de twee wachters en heeft zijn bek open zodat zijn grote scherpe tanden te zien zijn.Dat is voor de twee wachters te veel en ze rennen weg."Pas op, dat is een weerwolf!" zegt Bartimeüs."Ja, dat weet ik." zegt Ruarc, "Ik probeer hem te stunnen."Ruarc begint een verhaal te vertellen, maar de wolf lijkt niet onder de indruk.Bartimeüs heeft zijn bijl al in zijn hand en is blij met de magische bezwering die er op zit."Nee, wacht nog even." zegt Ruarc en hij houdt Bartimeüs met een gebaar tegen."Rustig maar, kalmeer, laat je niet zo gaan."De wolf lijkt te luisteren en blijft rustig staan, maar het is duidelijk te zien dat elke vezel in zijn lichaam gespannen is om aan te vallen als daar ook maar enige aanleiding voor is."Wat is er aan de hand? Heeft de god jullie verlaten?" vraagt Ruarc.De wolf kijkt Ruarc aan en doet een stapje achteruit.Dan klinkt er in de verte geroep. Het lijken veel meer mensen te zijn dan de twee die wachters die weggerend waren."Je moet nu gaan!" zegt Ruarc.De wolf draait zich om en rent weg."Wij moeten er ook vandoor voor ze hier zijn." zegt Bartimeüs."Ja, laten we snel teruggaan naar de herberg."
Terug in de herberg doen Bartimeüs en Ruarc verslag aan Kritoias."Er gebeuren allerlei vreemde dingen met de keizer." zegt Kritoias, "Zou hij dat zelf doen, of zit Balbar daar achter?""Geen idee, misschien horen we morgen meer van die priester."
In loop van de ochtend, hopelijk na afloop van de ochtendhandel, vertrekken Bartimeüs, Kritoias en Ruarc naar het tempelkwartier. Ze letten goed op of ze niet in de gaten worden door de Mano Tinto of anderen, maar dat lijkt niet het geval te zijn. Ze gaan op het geluid van hamers op staal af en vinden snel de smidse van Diarmat.Ruarc evalueert de smidse met een kennersoog."H'm geen slechte opzet." zegt hij, "Mijn vader zei altijd dat je altijd een extra emmer water neer moet zetten voor het geval dat, die zie ik hier niet. Ik zou zelf trouwens ook nog iets aan de positionering van het aambeeld doen, maar dat is misschien ook persoonlijke smaak.""Leuk dat je zo geïnteresseerd bent, maar daar zijn we hier niet voor." zegt Bartimeüs."Goedemorgen jonge heren, hoe kan ik u helpen?" vraagt een van de smeden die zijn werk even laat liggen."Wij hebben bericht gekregen dat wij hier Nymarcse witte wijn konden kopen." zegt Kritoias."Nymarcse witte wijn? Ik zal even binnen vragen, een ogenblikje."De smid loopt naar de achterkant van de smidse en verdwijnt door een deur.
Na ongeveer vijf minuten komt een andere man uit de deur."Goedemorgen, u bent op zoek naar Nymarcse witte wijn?""Ja, dat klopt." zegt Kritoias."En ik begreep dat u net gearriveerd bent in de stad?""We zijn gisteren aangekomen.""Heeft u een goede reis gehad?""Mwah, nogwel wat last gehad van bandieten." zegt Bartimeüs."O ja? Gelukkig beschermt de keizer ons hier van de bandieten.""Leve de keizer!" zeggen Kritoias en de man tegelijkertijd."Volgt u mij."
De man neemt hen door het magazijn van de smederij mee naar een kantoor dat zich aan de achterkant bevindt. Het kantoor is spaarzaam ingericht met een groot bureau waar een stoel achter staat. Voor het bureau staan een drietal stoelen."Gaat u zitten, er komt zo iemand om u te helpen."Bartimeüs en Ruarc gaan zitten, maar Kritoias loopt eerst nog even naar het bureau waar wat papieren op liggen."Dit lijkt de administratie van de smederij te zijn." zegt Kritoias, "Afwachten maar."
Na een minuut of tien verschijnt Darmoth, de man die ze ook via het altaar in de tempel in Crown's Rest hebben gezien. Hij vertelt dat hij een bezorgde priesters is in de tempel. Hij is een lid van de academie en ziet een aantal dingen gebeuren waar hij niet blij over is. Hij vermoedt dat er duistere machten aan het werk zijn in de tempel of aan het hof, maar hij weet niet precies wat er aan de hand is. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc beamen dat er wellicht een aartsdruïde in het spel is die probeert de keizer te beïnvloeden. Dat past bij de aanpak die ze altijd hanteren om zich als vertrouweling aan het hof te nestelen. Een aanwijzing daarvoor is de aanslag op de mond van de keizer waar de daders een, geverifieerde, brief van de keizer bij zich hadden.
Darmoth is ongerust dat zijn vermoedens deels worden bevestigd. Volgens Kritoias kan dit allemaal een plot zijn geweest om iemand op de positie van de mond van de keizer te krijgen. Beolin adviseerde de Prinsdommen, Theolin Vandalus en daardoor is er een conferentie in het noorden belegd waardoor de mond van de keizer is afgereisd. Darmoth vraagt hoe Bartimeüs, Kritoias en Ruarc aan die informatie komen, maar die blijven daar wat vaag over. Kritoias vraagt naar de hoge priester, d'Orivalle en die van de nieuwe mond van de keizer. Het gerucht is dat de hoge priester naar zijn buitenverblijf is vertrokken na een niet nader omschreven incident. Hij is al meer dan 25 jaar hoge priester en daarvoor had hij een hoge positie in de tempel. De mond van de keizer was wel een nieuwe naam aan het hof.
Ruarc brengt het gesprek op de weerbeesten die ze vannacht hebben gezien in Branduïn, maar ook al eerder in Olcadaïr. Hij wil weten wat de relatie met de keizer is. Darmoth vertelt dat Bran zich in elk wezen kon transformeren. Het gerucht is dat afstammelingen uit die lijn ook die gave hebben. Ruarc vertelt dat hij vannacht gehoord heeft dat de wezens zeiden dat de god hen had verlaten en dat ze dat in het Olcar zeiden. Dat wekt wel enige ongerustheid bij Darmoth op. Hij vraagt hoe ze aan die kennis over de wezens en de Olcar komen. Ruarc zegt dat hij in een droom wel eens met Bran heeft gesproken. Darmoth trekt even de wenkbrouwen op, maar reageert verder niet.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen dat een druïde die vast zit in de kerkers wellicht kan helpen om meer licht op de zaak te schijnen. Ze hebben zelf meegeholpen om hem gevangen te nemen, maar nu Balbar iedereen tegen elkaar uitspeelt en hij de grote tegenstrever lijkt te zijn wil hij misschien helpen. Volgens Bartimeüs, Kritoias en Ruarc heeft hij informatie die belangrijk is.
Ze nemen afscheid van Darmoth en vertrekken via de smidse. Ruarc merkt nog even op dat het aambeeld zo echt niet goed staat. Ze zijn nauwelijks een paar meter van de smidse als ze door een magere stadsgeklede man van middelbare leeftijd worden aangesproken. Twee potige types stellen zich achter de man op."Goedemorgen heren, mag ik u een vraag stellen?""Waarom? Waar is het voor?" vraagt Ruarc."Wat heeft u bij de smid gedaan?""Wat gaat u dat aan?" zegt Kritoias."Ik wil graag weten welke zaken u met de smid heeft gedaan. Heeft u iets gekocht?""Ik heb mijn hamer laten slijpen." zegt Ruarc, "Waarom wilt u dat weten?""Ik ben van het gilde en ik ben bezig met een steekproef.""Een steekproef? Wat is een steekproef?" vraagt Kritoias."Een steekproef? Dat doen we altijd met speren. Die steken we door stropoppen heen om te kijken of ze goed werken." zegt Ruarc."Ja, ja, zoiets. Om te kijken of de smid zijn werk goed doet.""Nou, daar heb ik nog wel wat op aan te merken." zegt Ruarc."O? Bent u niet tevreden?""Ach, dat gaat wel, maar met de veiligheid in de smidse is het treurig gesteld.""Bent u een kenner?""Ja, mijn vader was smid in Izendael. Zelf was ik in een ver verleden ook smid, maar nu ben ik artiest.""U bent niet uit Branduïn?""Scherp opgemerkt."
"Waarom bent u zo'n steekproef aan het doen?" vraagt Kritoias."We moeten van het gilde zeker weten dat iedereen zich netjes aan de regels houdt." zegt de controleur.Kritoias gaat in discussie over met de controleur over het wel of niet afleggen van een formele verklaring over de werkzaamheden van de smid. Ondertussen gebruikt Ruarc zijn mentale gaven om het geheugen van de controleur te onderzoeken. Hij leert dat de controleur vermoedt dat de smid een geheim agent is. Hij ontvangt mensen en zou het middelpunt zijn van illegale wapenhandel. Bovendien heeft hij een hond die Bello heet.Kritoias zegt dat ze niet mee gaan werken en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen bij de smidse weg. Even verderop druikt Bartimeüs een steegje in om de controleur te observeren.Teleurgesteld over het gebrek aan medewerking zet de controleur een tafeltje op straat neer en schrijft een verslag over zijn ontmoeting met Bartimeüs, Kritoias en Ruarc.
Terug in de herberg zien ze dat Metla in de gelagkamer zit. Ze schuiven bij haar aan en vragen of ze contact heeft kunnen leggen. Ruarc gebruikt een spreuk om te zorgen dat niemand hen kan horen. Metla vertelt dat ze contact heeft gehad met de Mano Tinto. Die hebben wel een reden om te helpen bij het bevrijden van de druïde. Een belangrijke persoon van de Mano Tinto is gevangen gezet in dezelfde gevangenis als de druïde. Dat is een fort achter de loden stad, dat zwaar wordt bewaakt. Ze zijn natuurlijk bang dat die iets gaat vertellen, dus willen ze Bartimeüs, Kritoias en Ruarc helpen om het fort binnen te gaan in ruil voor een wederdienst. Metla gaat een afspraak met het schaduwhoofd Crumin maken om een plan op te zetten.Na ongeveer een uur verschijnt Bartimeüs ook in de herberg en praten ze elkaar bij.
Na de lunch gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc naar het fort om de omgeving te verkennen. Ze lopen om de loden stad heen en komen via de zuidbrug in het militair kwartier. Het fort staat op een heuvel en lijkt in het verleden in connectie te hebben gestaan met de loden stad. Het fort bestaat uit twee gebouwen omgeven door een hoge muur met een poortgebouw. De steile heuvel maakt het lastig om de muur van het fort ongezien te benaderen. Bij de ingang staan er allerlei winkels en huizen. In het militair kwartier wonen en werken niet alleen militairen, maar er is ook burgerpersoneel aanwezig. Ze spreken een schoenlapper aan die vertelt dat het fort eigenlijk alleen maar een gevangenis is en dat er zowel militairen als burgers naar binnen gaan. Die laatste om goederen af te leveren.
Ruarc wordt wakker in een lege ruimte waar het donker is. Hij luistert en hoort wat gemompel. Hij loopt er heen en ziet een tweetal mensen op de grond zitten. Hij spreekt ze aan, waarop het stel zich omdaait. Hun gezicht is bedekt."Nee, ben jij niet de Ulam?" zegt de een."Nee, de Ulam heeft gefaald." zegt de ander. Het is Bran die op Ruarc afrent. Ruarc wordt hoestend wakker.Tegen de ochtend komt Metla via het raam naar binnen. Zij heeft voor vanavond een afspraak met Crumin gemaakt.
"Gaan we nog iets doen hier?" vraagt Tiana tijdens het ontbijt, "Ik verveel me dood.""Nee, we moeten nog even wachten." zegt Kritoias."Nou, ik ga wel wat doen. Ik ga de stad in." zegt Tiana."Ok." zegt Bartimeüs, "Dan ga ik mee."Na het ontbijt lopen Bartimeüs en Tiana naar buiten."Wat is hier leuk?""Eh, dat weet ik niet. Ik kom hier ook niet vandaan." zegt Bartimeüs."Ik weet het! De loden stad.""Weet je dat zeker.""Ja, joh, daar is de boom toch?""Eh, ja, eh.""Goed, gaan we daarheen."
Na een kwartier lopen komen Bartimeüs en Tiana bij de poort naar de loden stad aan, op afstand gevolgd door Kritoias en Ruarc, want dit kan natuurlijk niet goed gaan."Stop!" zegt één van de twee wachters bij de poort."Dag meneer. Mogen we naar binnen?""Nee!""Waarom niet?""Heeft u een afspraak?""Ja.""Mag ik uw uitnodiging even zien.""Moet dat dan? Dat wist ik niet. We komen voor de boom.""Welke boom?""De grote boom die midden in de stad staat.""Er groeit hier helemaal niets.""Heb je me nu voor de gek gehouden?" vraagt Tiana aan Bartimeüs.Bartimeüs maakt ondertussen een draaiende beweging met zijn vinger bij zijn hoofd om aan de wachter aan te geven dat volgens hem Tiana ze niet helemaal op een rijtje heeft."Laat me erdoor!:" zegt Tiana tegen de wachter."Ok." zegt de wachter."Maar." wil de andere wachter zeggen, maar Tiana en Bartimeüs zijn al doorgelopen.
De loden stad is precies wat de naam zegt. Alle oppervlakken van de stad zijn bekleed met lood, dat zo te zien regelmatig wordt opgepoetst. Tiana is nog geen honderd meter de straat doorgelopen of ze wankelt naar een muurtje."Wat is er aan de hand?" vraagt Bartimeüs."Lood is niet goed." zegt Tiana en ze valt flauw.Vrijwel meteen komen er allerlei mensen die in de buurt aan het werk waren kijken wat er aan de hand is. Ze zijn heel behulpzaam en helpen Tiana naar de herberg te dragen. Bartimeüs loopt mee en ziet dat het vroeger een hele dure herberg was, maar het is echt vergane glorie.Inmiddels is een chrirurgijn gehaald om Tiana te verzorgen. Hij wil haar gaan aderlaten, maar Bartimeüs is het daar niet mee eens."Wat is er dan gebeurd?" vraagt de chirurgijn."Ze is flauw gevallen. De overweldigende schoonheid van de stad is haar teveel geworden."Bartimeüs zorgt ervoor dat ze met haar voeten op de grond komt, waar geen lood is en na een tijdje komt ze weer bij."Het was niet zo slim om de loden stad in te gaan." zegt Bartimeüs tegen haar."Ja, ik was het vergeten." zegt Tiana.Ze vertrekken snel uit de loden stad zodat Tiana niet opnieuw flauw valt.
Toen Kritoias en Ruarc zagen dat Bartimeüs en Tiana de loden stad ingingen besloot Kritoias om ook de loden stad in te gaan. Hij maakte zich onzichtbaar en gebruikte een toverspreuk om langs de wachters te komen. Toen hij zag dat Tiana en Bartimeüs een herberg ingingen maakte hij een rondje door de loden stad. Daar blijkt de hofhouding voor het paleis te wonen dat via een volgende poort bereikt kan worden. Na even rondgekeken te hebben keert hij ook terug naar de Verdwaalde Raaf.
Na het avondeten gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc met Metla naar het havengebied voor het gesprek met Crumin. Crumin is een grote rijzige man, want nog meer benadrukt wordt door het kleine kantoortje waarin hij hen ontvangt. Metla blijkt wat opgeschept te hebben, want Crumin denkt dat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc in het noorden een half leger hebben verslagen. Zij laten hem maar in die waan.Een lid van de Mano Tinto is opgepakt en zit in het fort in de cel. Een cel ernaast zit Vendolin. Normaal zitten mensen niet lang in de cel, maar Vendolin zit er al een paar maanden. Daar moet dus wel iets bijzonders mee aan de hand zijn. Crumin wil Bartimeüs, Kritoias en Ruarc helpen om het fort in te komen, maar dan moeten zij het Mano Tinto-probleem oplossen."Wij zullen een steekproef doen." merkt Ruarc op.Kritoias ondervraagt Crumin over de details van het fort. Binnen is er nog een extra muur. Als je binnenkomt zijn er vier wachters. Dan is er een tweede poort om naar beneden te gaan. Deze poort heeft lood in de muren die twee tot drie meter dik zijn. Ook gaat er een alarm af als je daar magie gebruikt. In de poort is een trap naar beneden die uitkomt voor twee stalen hekken. De ondergrondse cellen zijn uitgehouwen in de rots. Er zijn in totaal acht cellen die op tien meter diepte liggen. Er zijn nog twee personen beneden, een vrouw en Connor van Branduïn, die te veel wist. Crumin heeft één persoon die binnen kan komen, die levert eten af voor de wachters beneden. Als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc nog verdere hulp nodig hebben, bijvoorbeeld in de vorm van een afleidingsmanoeuvre, dan wil Crumin dat snel weten. De tijd is sowieso beperkt, want elke dag kan hun man doorslaan.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zeggen dat ze direct aan de slag gaan met een plan en dat ze zo snel mogelijk iets laten weten.
"Laat die kaart nog eens zien." zegt Bartimeüs."Ok, we hebben dus een voorterrein en een hoofdterrein." zegt Kritoias, "Toegang tot het fort is via de poort hier en dan moet je door deze poort hier om van het voorterrein op het hoofdterrein te komen. Op dat hoofdterrein staan een toren en een keep en er staan ook nog twee lagere gebouwen.""En in die keep zitten de gevangenen." zegt Ruarc."Ja" zegt Kritoias, "Hier lijkt een hek te zitten, maar wat staat daar nou?""Guards?" zegt Bartimeüs."Nee" zegt Kritoias, "Kijk dit lijkt niet op een g.""Stairs!" zegt Ruarc."Ja, natuurlijk." zegt Kritoias, "Is het handig om daar vanavond nog even rond te vliegen om de werkelijke situatie te bekijken?""Ja, dat is een goed plan." zegt Bartimeüs, "Dan weten we ook of die Crumin ons niet wil belazeren.""Ok, dan ga ik daar onzichtbaar vliegend heen met dark vision aan. Ik merk vanzelf wel of er een magisch alarm afgaat."
Nog geen uur later is Kritoias weer terug in de herberg. Hij brengt verslag uit aan Bartimeüs en Ruarc in een hoekje van de gelagkamer."Ik heb geen problemen gehad. Het ziet er ongeveer zo uit als op de tekening staat. Alleen die houten gebouwen staan iets anders en hebben een iets ander formaat. Tussen het voorterrein en het hoofdterrein zit een poort met een valhek, geen deuren. Dat valhek kan je natuurlijk vanaf het hoofdterrein openen. Deze toren heeft twee verdiepingen. De onderste verdieping is opslag. Op de verdieping daarboven zitten de bewakers. Toen ik er was, maar eentje. Die kijkt af en toe door de schietgaten over het voorterrein uit. Deze barak zijn de slaapvertrekken en hier is de eetzaal. De deur naar de keep is van buitenaf gesloten met een grote balk. De keep zelf heeft een dicht houten dak en alle schietgaten zijn dichtgemetseld. Het steenwerk ziet er nog redelijke uit, maar daar mag wel eens onderhoud aan gepleegd worden.""Waarom lopen we niet naar binnen en zeggen we niet dat we met de gevangenen moeten spreken?" vraagt Bartimeüs."Dat is een optie." zegt Ruarc, "Als je zelf ook snel beneden vast wil zitten. We moeten wel een geloofwaardig verhaal hebben.""Ik zou die sergeant kunnen dominaten, dan laten ze ons wel binnen." zegt Kritoias, "Als we eenmaal op het hoofdterrein zijn en het valhek is dicht, dan kunnen ze van buiten niet zoveel meer doen. Het is tenslotte een fort dat mensen buiten moet houden.""Dan moeten we die vier bewakers daarbinnen overmeesteren." zegt Bartimeüs."Dat kunnen we met een slaapspreuk doen." zegt Ruarc, "Maar ik vind het toch nog wel risicovol. Is er geen andere optie? Kan je ons niet over de muur laten vliegen?""Ja, dat wel, dat heb ik net ook gedaan, maar dan moeten we eerst uitrusten, anders heb ik niet veel energie over om ons daar ook nog weg te halen en op onvoorziene omstandigheden te reageren." zegt Kritoias."Als we onzichtbaar zijn is dat geen probleem toch?" zegt Bartimeüs."Nee, we hebben ook een keer een paar dagen rond een rift gezeten, toen werden we ook niet ontdekt." zegt Ruarc."En die hadden nog een paar goede trackers." zegt Bartimeüs."Hebben we al een idee hoe we de keep binnen gaan?" zegt Ruarc."Ik kan ons naar binnen verplaatsen of een gat in de deur maken. Misschien lukt het ook wel om de balk er af te halen en de deur gewoon open te doen. Ik denk wel dat dan het alarm afgaat, dus dan moeten we snel reageren." zegt Kritoias."Dat klinkt als een plan." zegt Bartimeüs."Morgenochtend na het ontbijt daarheen gaan?" vraagt Ruarc, "Dan kunnen we ook nog kijken wat er overdag allemaal gebeurt.""Prima." zegt Kritoias.
Ondanks de waarschuwingen van Theolin gaat Bartimeüs na zijn wachtbeurt weer in iemands droom zitten grutten. Dit keer is Crumin het nietsvermoedende slachtoffer. Bartimeüs stapt zijn droom binnen net als hij aan een tafel een grote stapel gouden munten aan het tellen is."Zo, hoeveel heb je gekregen om je baas te verraden?" vraagt Bartimeüs."Hè, wat? Hé, ik ken jou, jij zou die moordaanslag doen.""Ja, dat klopt.""Die is mislukt. Je hebt gefaald.""O, was dat je baas in die toren?""Hoezo? Jullie hebben het niet gedaan!""Ja, omdat jij de verrader was.""Jullie zijn helemaal nooit in die toren geweest, daarom moest ik de stad uit en heb ik hier een nieuw leven opgebouwd.""Daar heb je genoeg voor betaald gekregen."Crumin trekt een zwaard en richt dat op Bartimeüs."Ga weg, ik betaal je niks!""Ik kom er nog wel voor.""Valt deze man je lastig?" hoort Bartimeüs plotseling een bekende stem achter zich zeggen.Bartimeüs ziet dat Crumin wegdeinst."Misschien kan ik er iets aan doen?""Nee, dit is een zielepiet.""Ja, daar lopen er veel van rond. Waar ken je hem van?""Van het plaatselijke dievengilde. Het is een kleine crimineel. Ik wilde hem alleen bang maken.""Dat is dan goed gelukt. Zit hij nu in zijn broek te plassen.""Ik geef je nog één kans om eerlijk te zijn." zegt Bartimeüs, "Waarom heb je je baas verraden."Maar er komt geen zinnig woord meer uit Crumin en Bartimeüs gaat weer slapen.
Aan het einde van de nacht, als het al wat licht begint te worden hoort Ruarc een stem onder aan het venster."Bij dit luik is het denk ik."Ruarc aarzelt niet en maakt Kritoias wakker."Er staat iemand onder het venster." zegt hij."Wil je buiten een kijkje nemen?" vraagt Kritoias."Ik kan je aan de overkant van de steeg neerzetten.""O, dat is goed. Als ik hulp nodig heb roep ik wel."Kritoias gebruikt een toverspreuk om Ruarc te verplaatsen naar de overkant van de steeg.Ruarc verschijnt op een paar meter afstand van een man en een vrouw die net zijn kant op staan te kijken en volledig verrast zijn. Ze willen snel weglopen, maar Ruarc houdt ze tegen."Blijf maar even staan! Hier is het inderdaad.""Wie bent u?""Dat is niet belangrijk. Wat deden jullie bij het luik?""We liepen hier rond en hier lag iets buiten bij het luik." zegt één van hen."Zeker weten?""Ja, ja.""H'm, nou scheer je weg en laat ik jullie hier niet meer zien."
Tijdens het ontbijt bespreken ze de droom van Bartimeüs en de twee types die duidelijk bij het luik aan het snuffelen waren, maar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc worden er niet veel wijzer van. Als ze gegeten hebben gaat Kritoias als eerste op weg naar een klein weggetje bij het fort waar ze zich onzichtbaar kunnen maken. Hij let goed op of iemand hem volgt. Bartimeüs volgt hem even later en Ruarc is als laatste. Ook zij controleren of iemand hen in de gaten houdt, maar geen van allen lijkt gevolgd te worden.In de buurt van het fort maakt Kritoias ze allemaal onzichtbaar en zorgt hij dat ze allemaal een klein kwartier kunnen vliegen."Ok, we vliegen naar die ronde toren daar. Als we aan de binnenkant zijn neemt Bartimeüs de hoek tussen de ronde toren en de zuidelijke muur, richting het voorplein. Ruarc, jij neemt de hoek tussen de ronde toren en de noordelijke muur. Dan vlieg ik naar het midden van de ronde muur van de toren. Op die manier lopen we niet het risico om tegenelkaar aan te botsen.Kort na elkaar vliegen ze onzichtbaar over de muur en nemen ze hun positie in. Ze zitten dicht genoeg bij elkaar om op zachte toon met elkaar te fluisteren. Het hoofdterrein ziet er leeg uit.
Als ze er even zitten zien Bartimeüs, Kritoias en Ruarc twee soldaten van het de poort naar de keep lopen. Ze kijken naar de deur waar de balk voor staat en praten daar met elkaar. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zitten net te ver weg om te horen waar ze het precies over hebben. De ene wijst even naar boven. Een tijdje later lopen er twee man naar de barakken toe.Rond het middaguur lopen er twee wachter naar de eetzaal. Daar blijven ze een tijd en na ongeveer een uur komen ze weer naar buiten.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc hebben het idee dat er hier maar vier wachters zijn. Twee zijn aan het slapen en de andere twee lopen rond en zitten waarschijnlijk in de toren.
Om vier uur horen ze lawaai van staal op staal en als Ruarc even opzij gaat ziet hij dat het hek tussen het voorterrein en het hoofdterrein omhoog gaat. Vijf mannen lopen het hoofdterrein op en gaan naar de keep. Het zijn vier wachters en een onbewapende man met kleding die hen doet denken aan de tovenaar in Nymarc. Kritoias ziet dat de man een Essence-toverspreuk op de deur doet. Daarna halen twee van de soldaten de balk er af. De tovenaar gaat met twee van hen de keep binnen. De twee anderen blijven buiten op wacht staan."Wat zou hij met die deur hebben gedaan?" fluistert Bartimeüs."Ik heb gezien dat het een Essencespreuk is, maar ik heb geen idee welke. Ik ken hem in ieder geval niet.""Kan het een alarm zijn?" vraagt Ruarc."Ja, goed mogelijk." zegt Kritoias.
Na veertig minuten komt de tovenaar weer met zijn begeleiders naar buiten. Ze blijven met zijn vijven staan wachten.Na ongeveer twintig minuten komen twee bewakers van het valhek naar de deur van de keep lopen. Ze hebben allebei een grote mand bij zich. Een van de wachters bij de keep doet de deur voor hen open en ze gaan naar binnen. Na een kwartier komen twee andere wachters naar buiten. Ze hebben lege manden bij zich en zijn ongeschoren. Deze twee wachters lopen naar de eetzaal toe. De tovenaar doet opnieuw een Essence-toverspreuk op de deur en daarna doen twee van de wachters de balk erop. Het valhek gaat open en de vijf mannen verlaten het hoofdterrein, waarna een andere wachter het valhek dicht doet."Die twee gasten hebben daar beneden opgesloten gezeten." zegt Ruarc."Ja, betekent dus dat er niet meer beneden zijn." zegt Bartimeüs, "Dat is goed nieuws.""Zouden ze hier blijven?" vraagt Kritoias."Nee, vast niet, die gaan straks ook weg." zegt Ruarc.Ruarc's verwachting klopt, want na een goede maaltijd gaat het valhek opnieuw even open om de twee ongeschoren wachters met hun lege manden naar buiten te laten.
Als het tijd is voor het avondeten komen de twee wachters die vanmorgen waren gaan slapen de barak uit en lopen naar de eetzaal. Een van hen roept iets naar de wachters in de toren en een paar minuten later gaan die twee wachters ook de eetzaal binnen. Ze nemen de tijd voor het avondmaal. Daarna gaan de twee bewakers die de dagshift hadden slapen en nemen de twee anderen de bewakingsroutine over."Ok, zodra die twee slapen kunnen we van start gaan." zegt Bartimeüs."Goed, ik verwacht niet dat er nog iemand komt vanavond." zegt Kritoias."Hoe pakken we het aan?" vraagt Ruarc, "In slaap toveren en dan vastbinden?""Prima plan." zegt Kritoias, "Als ik er een paar moet doen, moeten we misschien even rusten tussendoor, maar als we deze vier te pakken hebben zijn we voorlopig veilig. Die wachters in de slaapzaal eerst?""Die slapen toch al?" zegt Bartimeüs, "Ik denk eerst die twee in de toren.""Ja, dat lijkt mij ook." zegt Ruarc, "Ik kan er voor zorgen dat ze ons niet horen. Die twee in de toren en ook die twee hier beneden.""Mooi. Hebben we voldoende touw bij ons?" vraagt Bartimeüs."Ja, dat hebben we wel. In die opslagplaats staan ook nog zakken die we kunnen gebruiken om over hun hoofden te trekken zodat ze ons niet herkennen, want zodra we ze aanvallen worden we zichtbaar." zegt Kritoias."Laten we gaan." zegt Ruarc, "Ik ben dat wachten wel beu."
Ruarc concentreert zich en zorgt dat het geluid dat binnen drie meter bij hem vandaan komt niet verder weg gaat. Bartimeüs gaat voorop en opent de deur naar de toren. Beneden is het wel wat donker, maar hij kan het licht van de kaars zien in het trapgat. Hij sluipt naar boven en ziet twee mannen aan een tafel zitten. Ze zitten wat met elkaar te kletsen over de leuke nacht in de herberg verleden week en kijken af en toe door een schietgat naar het voorterrein. Kritoias en Ruarc lopen ook de trap op, terwijl Bartimeüs zijn boog pakt om er één naar te schieten als de slaapspreuk van Kritoias mislukt. Kritoias sluipt naar de mannen toe, raakt ze allebei aan en tovert ze in slaap. Vervolgens maken ze beneden zes zakken leeg voor in totaal zes bewakers. Bartimeüs is een specialist met touw en samen met Kritoias trekt hij eerst bij de ene een zak over zijn kop, stopt een prop in zijn mond en bindt hem vast en dan bij de andere.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc laten de mannen boven liggen en lopen naar de slaapbarak. Bartimeüs opent de deur en daar zien ze twee bewakers op vier bedden liggen. Omdat deze mannen al slapen is het geen probleem om ook deze twee mannen te knevelen.Voor de zekerheid tovert Bartimeüs twee vallen. Een op de buitendeur van de barak en de andere op de buitendeur van de toren.
"Hoe gaan we naar binnen?" vraagt Ruarc als ze aan het rusten zijn."Ik heb een aantal opties." zegt Kritoias."Weer door de muur naar binnen, net als in Nymarc?" vraagt Bartimeüs."Dat kost zeker drie spreuken, want deze muur is twee tot drie meter dik." zegt Kritoias, "Ik heb nog wel wat andere opties. Een, ik verplaats ons allemaal naar binnen net als ik vanmorgen met Ruarc heb gedaan toen ik hem in de steeg heb gezet. Dat kost ook best veel energie. Tweede optie is om niet een gat in de muur, maar in de deur te maken. Ik weet alleen niet wat voor toverspreuk die tovenaar op de deur heeft gedaan. De laatste mogelijkheid is om de stenen om de deur heen in aarde te veranderen.""Kunnen we de deur dan zo intrappen?" vraagt Bartimeüs."Ik denk het eigenlijk niet, want het is best dichte aarde, dan moeten we graven ben ik bang.""Ik ben voor de tweede optie." zegt Ruarc, "Alleen als er een alarm afgaat, dan is dat een probleem.""Ok, proberen we dat." zegt Kritoias.Hij concentreert zich en maakt een gat van 90 bij 180 centimeter in de deur. Er lijkt niets anders te gebeuren en Bartimeüs kruipt onder de balk door naar binnen. Kritoias en Ruarc volgen hem.
Op de begane grond van de toren is het al behoorlijk donker. Ruarc sluipt de trap naar beneden, want hij is de enige die nog onzichtbaar is.Hij kijkt eerst naar het rechter ijzeren hek. Daar ziet hij de wenteltrap naar beneden en het flikkeren van een kandelaar aan de linkerkant. Hij loopt naar de andere kant en ziet daar een bewaker op een stoel aan een tafeltje zitten. In het ijzeren hek zit hier een ijzeren deur. Die zit met een grendel op slot en de grendel is op haar beurt vastgezet met een hangslot. Bartimeüs en Kritoias wachten op de trap, klaar om in te grijpen als het misloopt. Ruarc loopt naar de man toe, raakt hem aan en tovert hem in slaap. Daarna krijgt de man de knevelbehandeling. Ruarc doorzoekt de kleding van de man en vindt een sleutel waar hij het hangslot mee openmaakt en de deur opent."Nuttig zo'n hangslot." zegt Kritoias, "Als je hier al eenmaal bent kan je gewoon met je wapen dat hangslot kapot slaan. Wie kan daar dan nog iets aan doen?"
Ruarc laat een straal licht uit zijn hand schijnen en licht Bartimeüs bij die als eerste de wenteltrap afsluipt. Na een aantal windingen hoort hij beneden een harde klap. Als hij een paar stappen extra doet hoort hij iemand continu achter elkaar raaskallen."De prooi! De prooi! Ja, de prooi, die is in het zuiden. De jager is Theolin. De vlag, o, de vlag, die is het afscheid. De molen is de steen, de steen, de grote steen. De koopman en de bakker dat zijn de vrouwelijke druïdes, ja, ha, ha, die vrouwelijke druïdes. De raaf is de nieuwe god, de nieuwe god! De raaf! De raaf! De wijn is hun trouw. Het heiligdom, ja, het heiligdom is in het noorden."De man die dit zegt blijft al deze termen steeds in andere volgordes herhalen, kennelijk tot grote ergernis van één van de andere gevangenen."Houd daar nou mee op!" hoort Bartimeüs.
Na nog een paar windingen komt Bartimeüs beneden aan waar het pikdonker is. Kritoias en Ruarc volgen op afstand en Ruarc gaat achter Bartimeüs staan om de gang te verlichten. Het gegil van de man, wat niet anders dan Vendolin kan zijn komt bij een deur aan de linkerkant vandaan. Rechts zit de man die zich ergert. Zodra hij het lichtschijnsel ziet roept hij "Wachter!"Bartimeüs aarzelt niet en sluipt de gang door. Vanuit de andere cellen is niets te horen. Aan het einde van de gang is nog een deur. Daar loopt Bartimeüs heen, omdat hij denkt dat daar de wachter zit. Als hij bijna bij het einde is hoort hij "Help me Bartimeüs." uit de cel aan de rechterkant komen. Bartimeüs voelt dat iemand hem met magie probeerde te beïnvloeden, maar hij schudt de magische kracht van zich af. Hij opent voorzichtig de deur en ziet in het vage lichtschijnsel een drie bij drie meter groot kamertje waar het best wel stinkt. Op een van de twee bedden ligt iemand te slapen. Bartimeüs pakt het kussen van het andere bed en smoort de man totdat hij niet meer beweegt. Zo kan hij hem makkelijk vastbinden.
Bartimeüs loopt terug naar het begin van de gang en overlegt met Kritoias en Ruarc."Die dwaas is Vendolin." zegt Bartimeüs, "Die tegenover hem is die gast van de Mano Tinto, want die was bang. Toen ik aan het einde was probeerde iemand me te betoveren.""Dat is dan die man of die vrouw." zegt Ruarc."Ik probeer wat Vendolin zegt goed te onthouden." zegt Kritoias, "Ik denk niet dat hij nog andere dingen gaat vertellen. Ik zal hem straks nog proberen aan te spreken, maar ik denk dat daar niets zinnigs meer uitkomt.""Wat doen we met die MT gast?" zegt Bartimeüs, "Nemen we hem mee?""Dat is voor het eerst." zegt Kritoias, "Normaal ben je er altijd kien op om iemand om te leggen. Dit is gewoon een gevalletje schele Hugh.""Ik ga met hem praten." zegt Bartimeüs.Hij loopt naar de deur tegenover die van Vendolin en doet hem open. In de kleine cel zit een man die afwerende gebaren maakt vanaf één van de tegenoverliggende hoeken."Nee, nee." zegt hij."Je angst is terecht." zegt Bartimeüs, "Wij zijn extreem goed betaald om je om te leggen.""Ik betaal meer. Echt. Ik kan het waarmaken. Haal me hieruit en ik maak jullie rijk. Heeft MT jullie gestuurd?""Ja, maar niet om je te bevrijden.""Spaar me, ik beloof jullie dat het heel profijtelijk voor jullie kan zijn."Bartimeüs kijkt even naar Kritoias en RuarcRuarc haalt zijn vinger met een snijdende beweging over zijn hals."Sorry, het is gewoon business." zegt Bartimeüs.Hij pakt zijn bijl en slaat op de man in. Die weert nog af met zijn arm met als gevolg dat Bartimeüs zijn hand afhakt en de man in afgrijzen naar het bloed kijkt dat uit zijn arm gutst. Niet veel later zakt hij in elkaar."Kijk, dat komt mooi uit." zegt Bartimeüs en hij pakt de hand op om hem als bewijs aan Crumin te kunnen even.
"Nu op naar de volgende." zegt Bartimeüs. Hij loopt naar het einde van de gang en geeft een klap op de deur waar de stem vandaan kwam."Zeg wie je bent!"Het blijft stil in de cel, waarop Bartimeüs de deur opendoet. In de verre hoek van de cel zit iemand opgekruld. Het blijkt een jonge vrouw te zijn."Wie ben je?" vraagt Bartimeüs op strenge toon."Silee.""Waarom zit je hier?""Dat weet ik niet?""Wat deed je hiervoor dan?""Ik bedelde.""En daarom ben je opgepakt?""Ja""Zo, hier weten ze wel raad met bedelaars." zegt Ruarc."Boze mensen hebben me meegenomen. Ik werd zo van de straat geplukt.""En je weet niet waarom?""Nee, echt niet."
"Wat denken jullie?""Ik denk dat ze middel voor Balbar is of zo, hoe weet ze anders je naam?""Ja, waarom sprak je mij aan met mijn naam?""Aanspreken?""Dit gaat niet echt helpen. Laat mij maar even." zegt Ruarc.Hij loopt naar de vrouw toe en raakt haar aan."Ik krijgt er alleen maar uit dat ze bedelde in het tempelkwartier. Meer niet.""Halen we haar eruit?" vraagt Bartimeüs."Waarom?" vraagt Kritoias, "Ik denk dat ze hier niet voor niets zit. Misschien is ze wel een priesteres van Balbar!""Ok, op zoek naar de laatste gevangene."
Schuin tegenover Silee zit de vierde gevangene. Bartimeüs opent de deur."Wie ben je?" vraagt hij.De man kijkt Bartimeüs lang aan en zegt dan "Connor van Branduïn."Hij lijkt niet heel bang te zijn."Hoe lang zit je hier al?""Een paar dagen.""Waarom zit je hier?""Politiek. Mijn opvolger vond het beter om mij hier op te sluiten.""Wat deed je hiervoor?""Ik was het hoofd van de oren en ogen van de keizer.""Aha!" zegt Ruarc, "Wij vertrouwen het nieuwe hoofd helemaal niet.""Als je wil mag je met ons mee." zegt Bartimeüs."Ik zou gek zijn als ik dat niet zou doen." zegt Connor."Nemen we hem ook nog mee?" vraagt Ruarc aan Kritoias en wijst naar de cel waar Vendolin zit."Nee, dat heeft niet veel zin. Met de boodschap van Theolin en zijn geraaskal kunnen we de boel wel ontcijferen denk ik."
"Weet jij waarom Silee hier zit?" vraagt Bartimeüs aan Connor."Nee, dat was een opdracht direct van de keizer uit. Ze moest in afzondering worden geplaatst en dat was de meest afgezonderde plaats die we zo voorhanden hebben.""Ga je met ons mee, of moet ik je verplaatsen naar een dorp in de buurt?""In de stad weet ik wie ik kan vertrouwen."Ze lopen naar boven, naar de begane grond van de toren."Ok, ik verplaats jullie naar onze kamer in de herberg." zegt Kritoias, "Daarna ga ik hier de toren uit en zorg ik dat ik ongezien ook in de herberg kom. Connor ik ga magie gebruiken om je te verplaatsen.""Ok." zegt Connor.Kritoias gebruikt een teleport-toverspreuk en Bartimeüs, Ruarc en Connor verschijnen direct in de slaapkamer in de herberg. Kritoias maakt zich onzichtbaar, zorgt dat hij kan vliegen en verplaatst zichzelf tot buiten de toren. Daar is alles nog rustig. Hij stijgt op en vliegt, om de loden stad heen, terug naar de herberg."Ah, ik heb het," denkt hij bij zichzelf. "De boodschap van Theolin is: Het afscheid staat op de grote steen. De vrouwelijke druïdes gaan naar het noorden. Ze verkopen hun trouw aan de nieuwe god. Theolin is in het diepe zuiden."
"Waar zijn we? Nog steeds in Branduïn?" vraagt Connor die de kamer van Bartimeüs, Kritoias en Ruarc in de herberg rondkijkt."Ja, ik ga zo eerst even de hand wegbrengen." zegt Bartimeüs."Wat? Een hand?" zegt Tiana verontrust die al op haar bed was gaan liggen, "Wie is die man?""Kritoias komt zo, het is niet zijn hand." zegt Ruarc."Ik zoek even een zak om die hand in te doen." zegt Bartimeüs."Wie zijn jullie?" vraagt Connor."Is dat heel belangrijk?" vraagt Ruarc, "Wij waren daar toevallig omdat de druïde Vendolin die wij gevangen hadden genomen een boodschap voor ons had.""Hebben jullie hem gevangengenomen?" vraagt Connor."Ja, maar nu had hij een boodschap voor ons. We moesten wel die man van de Mano Tinto het zwijgen opleggen." zegt Bartimeüs, "Jij bent mooie bijvangst.""Dan was dat zeker een boodschap in code, want hij bleef maar raaskallen." zegt Connor."Ben jij niet aan de kant geschoven om een handlanger van de aartsdruïdes te positioneren?" vraagt Bartimeüs."Waarom denk je dat?""Dat denk ik niet. Het is zo.""Het je daar bewijzen voor dan?""In het zuiden is het het meest veilig...""Ik denk het niet." valt Connor Bartimeüs in de rede, "In het zuiden komen de barbaren naar het noorden aangevoerd door een reus en een vrouw.""Hoe zit het dan met de bloedlijn van de keizer." vraagt Ruarc."Degene met drakenkracht? Jullie halen dingen op die niemand weet behalve dicht bij de keizer. Hebben jullie hem?""Wat?""Het boek!""Nee, we hebben geen boek. We hadden wel een zwarte staart." zegt Bartimeüs."Het boek is van dezelfde plaats gestolen als de zwarte staart. De opdrachtgever is de reden dat ik moest verdwijnen. Maar ik kan niet meer zeggen. De muren hebben oren.""Nu niet meer." zegt Ruarc.
"Goed. De functie van de mond van de keizer. Kennen jullie die?""Ja, we waren erbij toen die werd vermoord in Lodepoort." zegt Bartimeüs."De daders waren mensen met een vrijbrief van de keizer. Gevalideerd door iemand met kennis van zaken." voegt Ruarc toe."De Mond zat achter de staart en het boek. In het boek staat herinneringn van wat er is gebeurd. Die staan opgeschreven in het boek, alles wat iemand heeft meegemaakt.""Hoe zit het nu met de drakenkracht?" vraagt Ruarc."Degene met drakenkracht kan vuurspuwen. Maar die persoon is is verdwenen. De keizer heeft hem weggestuurd toen er zeventig jaar geleden iets in het zuiden is gebeurd.""Kunnen we dan niet naar de keizer om te vragen hoe het zit?""Daar kan je alleen naar toe als je door een rift gaat."
Kritoias jaagt ze de stuipen op het lijf door de kamer binnen te komen."Hoe zit het nu met die barbaren?" vraagt hij als hij is bijgepraat."De keizer heeft zijn manschappen naar het zuiden gestuurd om tegen de barbaren en demonen te vechten. De barbaren zijn aanhangers van Balbar. Ze worden aangevoerd door een reusachtige man met een kooi op zijn rug waar een vrouw in zit.""We hoorden ook dat de kroonprins daar is gedood." zegt Bartimeüs."Ja, was uitgerust met de meest krachtige wapens en pantser uit de keizerlijke schatkamer en hij heeft hem uitgedaagd tot een tweegevecht. Helaas heeft hij verloren. Daarna is de keizer vertrokken. Maar dat is al lang geleden. Nu is er een nieuwe mond en die vertrouw ik niet. Weten de Mano Tinto dat jullie hier zitten? Ze zijn namelijk ontstaan als Messen van de Keizer.""Eh, ja, dat denk ik wel." zegt Ruarc, "Vannacht stonden er twee mensen bij ons onder het raam.""Dan houden ze de herberg in de gaten." zegt Connor."We dachten niet dat ze ons waren gevolgd." zegt Kritoias."Ik ga wel even kijken." zegt Bartimeüs.
Na een kwartier keert Bartimeüs weer terug."En?" vraagt Kritoias."Ja, er zat iemand de herberg in de gaten te houden." zegt Bartimeüs, "dat zal hij nooit meer doen. Rustig maar, ik heb het lijk weggewerkt.""We moeten morgen voordat het druk wordt de stad verlaten." zegt Kritoias, "Connor ga je mee, het lijkt me hier voor jou niet veilig.""Ja, dat is goed."
Bartimeüs valt vrijwel direct nadat hij op wacht is gaan zitten in slaap. Hij komt in de droom van Ruarc terecht en Ruarc denkt dat Bartimeüs zijn hand wil afhakken om de nieuwe hand van de keizer te worden. Ruarc stuurt hem weg met een vuurstraal uit zijn mond. Ruarc ziet dat de handenhakker in rook opgaat."Bartimeüs en Ruarc worden allebei wakker."Vond je dat leuk?" vraagt Ruarc aan Bartimeüs."Ik weet niet waar je het over hebt." zegt Bartimeüs, "Ik was in slaap gevallen. Ik ben zo moe. Doe mijn wacht ook maar."Bartimeüs gaat slapen.Ruarc gaat op wacht, maar valt ook in slaap waardoor ze veel te laat wakker worden.
Ze komen niet meer bij dageraad de stad uit. Na een goed ontbijt betaalt Kritoias de herbergier. Hij maakt Connor onzichtbaar, zodat die niet opvalt.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen met Tiana, Miolar, de vier andere proto-Vanyana en de onzichtbare Connor de herberg uit richting de zuid-oostelijke stadspoort. Bartimeüs heeft oogcontact met een man die in de steeg staat waar afgelopen nacht ook iemand zat."Wacht even." zegt hij en loopt naar de man toe."Hier alsjeblieft." zegt hij tegen de verbaasde man en hij overhandigt hem de zak met de afgehankte hand, "Bewijs dat wij de opdracht goed hebben uitgevoerd."Bartimeüs loopt weg, de man verbaasd achterlatend.
Ze lopen zonder verdere incidenten naar de poort waar het een drukte van belang is met alle boeren die de stad binnen willen om hun waren te verkopen. Na wat duw en trekwerk laten ze Branduïn achter zich en lopen de rest van de dag over de niet al te drukke weg. Ze zien veel boerderijen in de omgeving, maar geen verontrustende zaken. Tegen de avond komen ze in een klein dorp aan waar ze drie kamers nemen in herberg Het Holle Vat. Er zijn wel wat reizigers, maar de meerderheid van de gasten zijn boeren uit de omgeving. Ook hier is lokaal vermaakt wat door Ruarc als 'Slecht' wordt bestempeld.
Die nacht letten degenen die wachthouden niet heel goed op, maar ze vallen in ieder geval niet in slaap.
Na een goed ontbijt gaan ze weer op weg."Hoe ver is het nog?" vraagt Kritoias aan Connor."Ongeveer een halve dag lopen." zegt Connor, "Maar ik weet niet hoe jullie daar binnen willen komen, want er is veel bewaking.""Wie komt daar dan?" vraagt Ruarc."Meestal alleen mensen die ze kennen. De enige anderen zijn mensen met de drakenkracht.""O, dat is dan geen probleem." zegt Ruarc, "Dat regelen we wel.""Maar die komen meestal niet vrijwillig en worden bewaakt door soldaten.""Daar komen we wel uit." zegt Ruarc."Ok, maar dan moet je ook nog de rift door." zegt Connor."Daar hebben we misschien ook nog wel iets voor." zegt Kritoias.
Na ongeveer vijf uur lopen zien ze aan de kant van de weg een ingestorte toren."Hier is het." zegt Connor, "Willen jullie door het bos sluipen?""Hallo? Is er iemand om Ruarc the Magnificent te begeleiden?" buldert de stem van Ruarc."Wat doet hij nou?" vraagt Connor."Ik ben de drager van de drakenkracht. De keizer verwacht mij!"Vanachter de toren verschijnt een man gekleed in een lederen uitrusting en groene kleding. "Dat heeft even geduurd. Gelukkig ben ik geduldiger dan de keizer. U komt mij begeleiden?""Wie bent u?" vraagt de man."Mijn naam is Ruarc, zoals ik net al zei. Mijn komst zou aangekondigd zijn. Het is urgent.""Graag niet zo luid.""Wat? Het is toch niet geheim. Ik ben hier op uitnodiging.""Een ogenblik ik ga even overleggen."De man verdwijnt achter de toren en verschijnt een paar minuten later met een tweede man die op dezelfde manier gekleed is."Nog even. Hoe bent u hier gekomen?""Ik ben gestuurd door de hoge priester. Kom man, er is toch geen woord Vandalus bij. Begeleidt mij naar de keizer.""De hogepriester is hier drie weken geleden voor het laatst geweest."De twee mannen overleggen even en dan spreekt de eerste man."Goed. Ik ben Ka-el. Ik zal u begeleiden. Volg mij"
De hele groep volgt de man door het bos. Ze lijken een niet vaak gebruikt pad te volgen wat eindigt in een dicht struikgewas, maar als ze doorlopen verdwijnt dat en kunnen ze het pad verder volgen naar een kleine nederzetting waar een aantal gebouwen staan waaronder een herberg. Hier zijn nog meer mannen die in het groen zijn gekleed, kennelijk de bewakers van de keizer."Wat hebben we hier?" vraagt één van hen aan Ka-el, kennelijk zijn superieur."Bezoek voor de keizer." zegt Ka-el."Ik ben gestuurd door de hogepriester, moeilijker kan ik het niet maken." zegt Ruarc."En die mensen?""Die zijn onderdeel van mijn gevolg.""Ik haal Felan." zegt de man.
Na ongeveer tien minuten keert de man terug met een andere man in priesterlijke gewaden."Welkom. Mijn naam is Felan. Er is mij niets verteld over de aankomst van iemand met drakenkracht.""Kennelijk bent u niet belangrijk genoeg. Hoe denkt u dat ik hier kom?" zegt Ruarc."H'm, deze plaats is als het goed is geheim. Loopt u even mee, heer. U bent degene met de drakenkracht? Ik wil graag iets even met u alleen bespreken.""Prima." zegt Ruarc en hij loopt met Felan mee naar een gebouw verderop in het gehucht."Uw vader, wie was dat?""Een smid uit Izendael, maar dat bestaat niet meer. Wij moeten de wereld redden van Balbar die daar verantwoordelijk voor is."Ze lopen samen het gebouw binnen wat er als een heligdom uitziet. Er staat een standbeeld van de keizer."Kniel voor de keizer!" zegt Felan."Maar dat beeld ziet er niet uit als de keizer." zegt Ruarc."Kniel voor de keizer!" zegt Felan indringender en Ruarc voelt dat hij moet gehoorzamen.Zodra hij op zijn knieën voor het beeld zit verandert het gezicht van het beeld en herkent hij Bran. Tegelijkertijd voelt Ruarc energie in zich opwellen en kriebelt er iets in zijn borstkas. Hij hoest en een vuurkolom gaat richting het beeld."Excuses! Excuses!" zegt Felan en hij rent weg.
"Dit is heel onverwachts." zegt Felan als hij terugkeert bij Ka-el, "Leidt ze naar de plek."Hij loopt terug naar het heiligdom, maar Ruarc wil nog even een moment alleen. Als hij weer buitenkomt zegt Felan tegen hem: "U weet wat u moet doen."Eerlijk gezegd heeft Ruarc geen idee.
Ka-el voert Ruarc met zijn gevolg door het bos. Bartimeüs herkent dat ze over een soort pad lopen, net iets meer dan een wildspoor. Even later komen ze op een open plek in het bos uit."Hier is het." zegt Ka-el, "Weten jullie hoe je bij de keizer kunt komen?""Ik zal even kijken, een ogenblik." zegt Kritoias.Hij gebruikt een toverspreuk en zegt daarna: "Inderdaad een rift, nu even mezelf goed alignen met de rift en dan kan ik hem openen."Na nog twee toverspreuken ontstaat er bij het openen van de rift een zelfde soort doorgang als ze zagen toen ze naar de wereld gingen waar Tiana en de pseudo-Vanyana verbleven."Uitstekend. Kom we hebben niet veel tijd, iedereen er door." zegt Kritoias.Ka-el staat nog enigszins verbaasd te kijken als Bartimeüs en Ruarc, Tiana, Miolar en de overige vier proto-Vanyana door de rift stappen."Ik blijf hier." zegt Connor, "Het gaat jullie goed.""Succes Connor." zegt Kritoias en ook hij stapt door de rift.
Aan de andere kant van de rift is het schemerig donker door het bladerdak van een enorme boom. De stam is op de grond meer dan honderd meter in doorsnede en door het woud van takken is de top niet te zien."Je zou verwachten dat het hier lekker zou ruiken met zo'n mooie eik, maar het stinkt hier." zegt Tiana."Een lijkengeur." zegt Bartimeüs, "Ik ben bang dat hier iets niet in de haak is."Richting de boom ziet Ruarc plotseling lichamen liggen. Het blijken al snel dode mensen te zijn, voor het merendeel in priesterlijke gewaden, maar er zijn ook van die grote soldaten bij."Wat vreselijk, wat kan hier gebeurd zijn?" vraagt Tiana."Kan je ze niet helpen?" vraagt Bartimeüs."Het zijn er te veel, veel te veel."Nu zien ze dat er voor de grote stam van de boom drie vijftig meter lange zalen staan en er achter, dicht bij de boom een twintig meter hoge toren. Een van de zalen lijkt ingestort te zijn. Ze lopen dichterbij en zien dan dat er vroeger een stenen brug van de toren naar een opening in de boom leidde. De restanten van de brug liggen nu tussen de toren en de boom op de grond. Vanuit de opening in de boom loopt een scheur naar beneden tot ongeveer tien meter hoogte.
"He, wat is dat? Zagen jullie dat ook?" vraagt Bartimeüs."Ja, er bewoog iets." zegt Kritoias, "Hallo, wie is daar? Laat jezelf zien!"Vanuit de toegang naar de middelste zaal verschijnt een aangeslagen grote soldaat. Als Kritoias nog een keer roept pak hij zijn zwaard en stormt naar voren.Bartimeüs raakt hem met een pijl en Kritoias met een ijspijl, maar dat schrikt de soldaat niet af. Ruarc vangt hem op en weet hem in de verdediging te dringen met een klap van zijn hamer op het met maliën gepantserde been van de soldaat. Met een volgende klap verdooft hij de soldaat. Bartimeüs heeft zijn boog laten vallen en slaat met zijn bijl de niet-wapen schouder van de soldaat kapot. Kritoias geeft hem een klap met zijn staf op zijn hoofd waardoor de soldaat bewusteloos neervalt."O, wat naar, hij was alleen maar in de war door wat er hier is gebeurd!" zegt Tiana."Ik vraag me af wat dat is geweest." zegt Ruarc, "Die lijken liggen hier nog niet al te lang. Dit zou best op hetzelfde moment gebeurd zijn toen ik zag dat iets al die Olcar naar zich toe trok.""Dat dacht ik ook." zegt Kritoias, "Ik ben bang dat we hier in die zalen nog meer lichamen aan zullen treffen."
Dat angstige voorgevoel blijkt juist. Alle drie de zalen bevatten lang tafels waar mannen en vrouwen aan het eten waren toen ze, naar het lijkt, plotseling dood neervielen. Ook in de aanpalende keuken zijn de kok en zijn knechten neergevallen tijdens het koken. Aan de tafels zitten mensen die vooral duurdere kleding aanhebben. Sommige hebben zelfs heraldiek op hun kleding wat aangeeft dat ze van adel zijn."We hebben toch geen geld meer?" zegt Bartimeüs, "Zonde om dat hier allemaal te laten liggen.""We gaan niet iedereen hier plunderen." zegt Kritoias, "Ook al hebben ze mooie sieraden, het is eenvoudiger om wat geld mee te nemen.""Ook goed." zegt Bartimeüs.Hij gaat rond en neemt een flink aantal buidels en een goed zwaard mee dat hij onderweg vond."Het lijkt erop dat hier iets van een aardbeving heeft plaatsgevonden." zegt Ruarc, "Ik zie wat scheuren en er zijn ook bekers omgevallen en zo.""Goed gezien." zegt Kritoias, "Dat verklaart misschien ook die scheur in de boom en die kapotte brug."Ook in de slaapzalen die in een afgescheiden deel van de zaal zijn gemaakt zijn geen levende mensen te vinden."Eerst maar even in die andere zalen kijken en dan de toren?" vraagt Kritoias."Laten we dat maar doen." zegt Ruarc.
Een van de andere zalen heeft iets wat op een auditorium lijkt, maar ook daar liggen alleen maar lijken. De andere zaal heeft ook grote tafels en een keuken. Daar zijn er ook Olcar onder de aanwezigen.De groep loopt naar de toren toe. Het valt direct op dat dit geen verdedigingstoren is. In plaats van schietgaten heeft het grote ramen en de toren heeft een puntdak. Twee grote geopende deuren geven toegang tot een grote ruimte waar twee trappen langs de wand omhoog cirkelen naar waar de brug ooit was. Ook hier liggen doden soldaten en mensen."We moeten de boom in." zegt Ruarc."Eens, maar misschien weet de boom wat er is gebeurd." zegt Bartimeüs.Hij zorgt ervoor dat hij met de boom kan praten en probeert te achterhalen wat zich heeft voorgedaan. Door een gebrek aan ogen blijkt dat een lastige opgave voor de boom te zijn. Die heeft namelijk nog geeneens opgemerkt dat er een scheurtje in de bast is bijgekomen. Wel kan de boom vertellen dat er kort geleden een trilling in de bodem was.
"Nou, daar schieten we ook niet veel mee op. We moeten naar boven toe." zegt Bartimeüs en hij wijst naar het begin van de scheur op tien meter boven de grond, "Dat moet niet zo moeilijk zijn.""Maar als iemand valt, dan is het wel over." zegt Kritoias, "Ik heb wel een toverspreuk waarmee iemand vanaf meer dan 200 meter hoogte naar beneden kan vallen zonder schade op te lopen, maar ik heb niet genoeg energie voor iedereen.""Kan je die spreuk doen als iemand valt?" vraagt Ruarc."Ja, dat moet wel lukken." zegt Kritoias,"Prima" zegt Bartimeüs en hij klimt zonder enig probleem omhoog.Eenmaal boven laat hij een touw zakken waardoor het voor de anderen nog makkelijker is om naar boven te klimmen. De enige toverspreuk die Kritoias gebruikt is er één om zichzelf omhoog te leviteren als de anderen veilig boven zijn aangekomen.
Na een korte gang door het binnenstand van de boom ziet Bartimeüs die voorop gaat een wenteltrap. Het zou hier heel donker zijn, maar er hangen lantaarns die een warm zacht licht verspreiden waardoor je net genoeg kan zien. De wenteltrap voert ongeveer twintig meter omhoog en komt uit op een grote ronde zaal waarvan de muren mooi bewerkt zijn. Aan de andere kant van de zaal is een bewerkte boog waarvoor twee schalen op de grond staan. Een derde schaal is omgevallen. Voor de boog zit een oude man met mooie kleding. Als ze dichterbij komen horen ze de man hoesten, niet zoals in Olcadaïr. Hij leeft nog. Ruarc kijkt hem goed aan en het lijkt op een oude versie van Bran. Als Ruarc dichterbij komt strekt de man zijn hand uit naar Ruarc, pakt die voorzichtig beet en zegt: "Mijn zoon."Tiana loopt op hem af en gaat naast hem zitten. Ze geeft hem een hand."Snel pak elkaars handen vast en vorm een kring.Op dat moment voelt Bartimeüs zich misselijk worden en er lijkt iets uit hem te ontsnappen. Tegelijkertijd is een zware lach te horen."Dank je wel!" zegt de stem van Balbar.Bartimeüs valt op de grond.
Kritoias en Ruarc Tiana en de proto-Vanyana maken met de keizer een cirkel en zij zien alles wit worden. Bartimeüs ligt er buiten en hoort gegrom van beneden."Demonen!" denkt hij en rent met getrokken bijl en schild naar de wenteltrap.Het duurt niet lang of de eerste aapdemon dient zich aan, maar hij is niet de enige. Bartimeüs hoort nog meer klauwen op de trap en ook het geblaf van vuurhonden.De eerste aapdemon slaat hij nog snel neer, maar dan staat hij oog-in-oog met twee van de snelle wezens. Het lukt hem niet om ze ongeschonden van zich af te houden en de ingang te blokkeren. Achter hem hoort hij iets van stemmen."Ik moet zorgen dat ze er niet langskomen." denkt hij.Een volgende aapdemon gaat neer, maar Bartimeüs is zelf nu ook een paar keer geraakt. Als een volgende aapdemon de plaats van zijn gevallen kameraad inneemt wordt Bartimeüs opnieuw geraakt. Hij bloed inmiddels uit meerdere wonden en is zwaar aangeslagen en versuft door de snijwonden van de messchepre klauwen van de demonen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc staan opeens tussen een grote menigte in een grote stad met witte gebouwen. Het is heel warm en ze zijn gekleed in gewaden. Overal hangen gekleurde doeken en klinkt onbekende muziek. Ze lopen mee naar een groot plein waar de tempel van Sala-ar is, de eeuwigzijnde. Voor de enorme tempel staat een grote gouden troon met daarop een wezen dat drie keer zo groot is als een mens. Tussen het wezen en de menigte staan mannen met kromzwaarden. Dan zien ze Silvoa en Gweolyn in het gevolg van Sala-ar.Een trom begint te slaan en er klinkt hoorngeschal. De menige wijkt uiteen en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zien een grote stoel met soldaten uit Vandalus het plein op marcheren. Zij begeleiden een koets met het wapen van Vandalus. De koets stopt voor de trap naar de gouden troon en de koning van Vandalus stapt uit. Hij loopt de trap op en knielt voor het wezen. De menigte juicht en roept "Sala-ar! Sala-ar!"
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen door de restanten van Klonfar. Ze hebben enorme honger en zijn gewapend met zwaarden."Er moet nog iets van eten liggen in de kelder van de herberg." zegt iemand die ook bij hen is."We moeten er bij komen anders verhongeren we." zegt een ander.Ze herkennen beide mensen als inwoners van Klonfar."Pas op!" zegt één van hen.Twee halfdemonen passeren hen op een paar meter. Ze kijken om zich heen en pakken dan plotseling iemand achter de restanten van een hut vandaan en doden hem."We moeten ze doden, anders komen we om van de honger." fluistert de eerste man.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc aarzelen niet en storten zich op de demonen. Die zijn volledig verrast door deze aanval en kunnen zich niet verweren voor ze worden gedood.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zijn zichzelf en zijn in een besneeuwd berglandschap. Ze hebben een sikkel bij zich, waarschijnlijk om een maretak te snijden en staan voor een enorm stenen fort dat zo groot is als een kleine stad. Om hen heen staan de leiders van verschillende barbarenstammen die hier met hun volkeren zijn voor de strijd. De poorten van het fort gaan open en een gigantische man met een vrouw in een kooi op zijn rug komt de stad uit, gevolgd door een enorm leger van barbaren. De strijd gaat beginnen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc ontwaken in een bos. Bartimeüs is verbonden en bloedt niet meer. Tiana staat even verderop voor zich uit te staren. Kritoias staat op."Tiana" zegt hij.Tiana schrikt en draait zich om."De godin is terug." zegt ze."Dat is goed nieuws, ook dat jij er nog bent." zegt Kritoias, "Waar zijn de anderen?"Tiana kijkt triest."Er was energie nodig. Ik heb ook niet meer de krachten die ik had. Ik heb gedaan voor Bartimeüs wat ik kon. En er is meer slecht nieuws. De god is gevlucht. Weg uit deze wereld.""Hoe bedoel je weg uit deze wereld. Is hij naar een andere realiteit gegaan? Welke dan?""Nee, helemaal weg. En er is meer nieuws. Er is een nieuwe god. In het noorden.""Sala-ar?" daar droomden we van."Ja, die zal naar het zuiden komen en de legers van Balbar vernietigen. Daar ligt niet onze opdracht."Tiana laat de sikkel zien die Kritoias nu pas opvalt."We moeten eerst de godin lossnijden van Balbar. Er is een kolonie van het keizerrijk in het zuiden. Als we het vertrouwen van de barbarenstammen winnen hebben we een kans.""We hebben in ieder geval de drakenkracht bij ons, misschien heeft de god een deel van zijn kracht doorgegeven.""Ik hoop het." zegt Ruarc, "Ik dacht dat ik ons heroïsch verhaal over het terugbrengen van de godin kon afronden, maar het is maar het eerste deel van een groter verhaal.""Op naar het zuiden!" zegt Bartimeüs.
"Weet je dat zeker?" vraagt Kritoias, "Het oosten kan ook best mooi zijn.""En die nieuwe god in het noorden klinkt ook als een goed verhaal." zegt Ruarc."De godin liet zien dat Sala-ar uit het noorden komt en het Balbar heel moeilijk gaat maken." zegt Tiana."Misschien is die reus in het zuiden ook wel een soort onderdeel van Balbar." zegt Bartimeüs."Dat is geen gek idee." zegt Ruarc, "En misschien heeft Beolin ook een deel goddelijke kracht gekregen, net als Tiana eerst van de godin.""Dan heeft hij misschien niet voldoende kracht om Sala-ar te weerstaan." zegt Kritoias, "En de godin heeft ook nog niet al haar kracht, omdat ze nog aan Balbar vastgeketend zit.""Wie heeft nu eigenlijk wie geketend?" vraagt Bartimeüs."Goede vraag." zegt Kritoias, "Op dit moment verzwakken ze elkaar en kunnen ze elk afzonderlijk Sala-ar waarschijnlijk niet tegenhouden.""Dan toch maar naar het zuiden?' vraagt Ruarc."Ja, zeker." zegt Kritoias, "Maar welke kant moeten we op?"Bartimeüs gebruikt zijn rangerkrachten en kijkt even om zich heen."We moeten die kant op lopen, daar is de dichtstbijzijnde weg. Het is wel iets van vijf mijl lopen.""Weet je ook waar we zijn? Nog steeds in de buurt van Branduïn?""Dat denk ik wel" zegt Bartimeüs, "De groene maan staat er nog steeds. Best laag aan de horizon trouwens.""Ja, nu je het zegt, veel lager dan toen we in Olcadaïr of Nymarc waren." zegt Kritoias."Is het jullie ook opgevallen dat hij altijd op dezelfde plaats staaat? Hij beweegt niet met de sterren mee zoals de andere maan." zegt Ruarc."Ja, dat had ik gezien. Het maakt het navigeren veel makkelijker." zegt Bartimeüs.
Na iets meer dan een uur door het bos lopen komen ze bij een zandpad dat in oost-westelijke richting loopt. Volgens Bartimeüs kom je in een dorpje als je naar het westen gaat en bij een weg als je naar het oosten gaat."Moeten we nog proviand inslaan bij het dorpje?" vraagt Kritoias."Ik kan ook gewoon foerageren." zegt Bartimeüs."Ik denk dat de weg alleen maar naar het dorpje loopt." zegt Ruarc, "Als we naar het zuiden willen moeten we naar de grotere weg.""Ik zie dat er regelmatig karren over het zandpad gaan, dus de weg wordt wel gebruikt.""Ok, op naar het oosten dan." zegt Kritoias.
Het oosten blijkt na een bocht in de weg het zuidwesten te worden. Ze ploeteren een uur over het zandpad en komen dan op de onverharde weg aan die in noord-zuid-richting loopt. Bartimeüs concentreert zich weer en zegt dan dat de weg in het noorden naar, hoe verrassend, Branduïn gaat. In het zuiden is volgens hem een klein stadje. Met goede moed gaan ze op weg naar het zuiden. Van wat Ruarc ooit heeft gehoord is het al een lange reis om bij de koloniën te komen en vandaaruit moeten ze ook nog de landen van de barbaren door om in het zuiden te komen waar het fort staat waar de reus woont.
Het stadje Corvar waar ze aan het einde van de zesde dag lopen aankomen ligt aan de zuidgrens van het keizerrijk. Ten zuiden van Corvar beginnen de woeste landen waar grote oerbossen het reizen bijna onmogelijk maken. In Corvar is de sfeer gemoedelijk en Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Tiana blijven vijf dagen in een goede herberg om bij te komen van de reis en de gebeurtenissen van de afgelopen tijd. Bovendien moeten ze toch wachten tot een pantsersmid een maliënkolder voor Ruarc heeft vermaakt. Ze schaffen ook direct nieuwe kleding en andere spullen aan die ze nog misten na hun wedergeboorte. Helaas is er geen tovenaarsgilde in Corvar of een andere plaats waar Kritoias runepapier kan kopen.Ze informeren ook naar de beste manier om naar het zuiden te reizen waar de oorlog met de barbaren plaatsvindt. Ze leren dat het binnenland onbegaanbaar is en dat mensen meestal per schip via de oostkust reizen waar ook een tweetal koloniën van het keizerrijk liggen: Urtir en Caladeos. Vandaaruit is het een oversteek per boot naar de plaats waar de oorlog plaatsvindt. Om aan de oostkust te komen moeten ze een week naar de kust lopen.
Ruarc vertelt zijn verhalen in de herbergen in de stad en vraagt naar informatie over de oorlog. Veel is er alleen niet bekend. Een teruggekomen soldaat vertelt dat het leger vooral strafexpedities uitvoert naar nederzetting van de barbaren. Ze hebben hun eigen taal, maar gepraat wordt er toch nooit.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc besluiten om nog een brief naar de koningin van Vandalus te sturen en daarbij een brief voor Metla. Ze waarschuwen hen allebei dat er opschudding kan ontstaan in het keizerrijk, omdat zij gehoord hebben dat er een groot aantal edelen en handelaren vermist zijn. Verder vertellen ze Metla dat twee van de aartsdruïdes in het noorden bij de Noorderlingen zijn en dat zij van plan zijn met een leger Noorderlingen naar het zuiden te komen. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Tiana gaan naar het diepe zuiden om Theolin te vinden.
"Wat veel water." zegt Kritoias als ze de laatste duinenrij passeren en de zee in volle glorie aanschouwen."Het lijkt me geen pretje om over die hoge golven heen te gaan met je boot." zegt Ruarc."Wel wat anders dan de rivier." zegt Bartimeüs, "Kijk er loopt ook nog een pad langs de duinen naar het zuiden. Dat zullen we waarschijnlijk moeten hebben.""Ik ben benieuwd of er ergens een dorpje is met een herberg." zegt Kritoias, "We zijn al weer een week onderweg."
Kritoias moet nog een week wachten voor ze het eerste vissersdorp tegenkomen. Er staan maar een paar huizen in de duinen en de vissersboten worden 's avonds gewoon op het strand getrokken. Er is ook geen palissade om het dorpje heen. Het dorp loopt uit om te kijken wie de vreemdelingen zijn die uit het noorden aankomen wandelen. Het valt Kritoias op dat één van de inwoners juist wegloopt als hij Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Tiana wat beter heeft kunnen zien."He, ik zag net iemand zich uit de voeten maken, daar bij die hut, daar verdween hij achter." zet Kritoias tegen de anderen."Dan moeten we die straks maar even opzoeken." zegt Bartimeüs.De ontvangst in het dorp is vriendelijk. Er is geen herberg, maar één van de vissers laat hen in zijn schuur slapen. Ze kunnen ook eten voor die avond en proviand voor het vervolg van de reis in slaan. Lekkere stokvis.Kritoias, Ruarc en Tiana praten wat met de vissers terwijl Bartimeüs op zoek gaat naar de verdwenen man.
De vissers vertelt hen dat er hier geen schepen aanleggen die naar het zuiden varen. Dan moeten ze verder reizen naar Urtir. Het is nog een dag of drie lopen en onderweg zijn meerdere vissersdorpen. In Urtir kunnen ze misschien een boot naar Caledeos vinden. Ruarc vraagt of iemand van de vissers hen naar het zuiden wil varen, maar de vissers laat al snel blijken dat zij dat niet zien zitten.
Bartimeüs gaat naar de plaats die Kritoias heeft aangewezen en kijkt met zijn rangergaven wie er allemaal heeft rondgelopen. Hij heeft daardoor een goed beeld van de man die hij zoekt. Hij loopt een stukje langs de hut en kijkt in het zand of hij sporen van de man ziet."Zoek je wat?" vraagt een vrouwenstem achter hem.Bartimeüs draait zich om en staat op."Ik dacht dat ik een kennis zag, maar misschien was dat niet het geval.""Wie was het? Een man?""Ja, klopt.""Waarom zoek je hem?""Ik wil hem graag leren kennen."De vrouw kijkt Bartimeüs heel achterdochtig aan."Waarom?""Het lijkt me een aardig man.""O, dat weet ik niet.""Het is je man hè?" zegt Bartimeüs."En dan?" zegt de vrouw die duidelijk schrikt."Ik wil gewoon even met hem praten. Hij maakte zich uit de voeten toen wij aankwamen.""Wat wil je van Bertus?""Niets bijzonders, alleen wat informatie. Fijn om te weten dat hij Bertus heet. Waarom was hij bang?""Hij dacht dat jullie door de keizer zijn gestuurd.""Nee zeker niet." zegt Bartimeüs, "We zijn benieuwd hoe het is in het zuiden.""Goed dan, loop maar mee."
"Nee! Ik ga niet mee." roep Bertus zodra hij Bartimeüs met zijn vrouw naar binnen ziet komen.Gelukkig kalmeert hij snel als Bartimeüs hem vertelt dat ze niet naar hem op zoek zijn en dat ze alleen willen weten wat de situatie in het zuiden is.Bertus vertelt dat hij gedeserteerd is uit het leger omdat hij niet meer mee wilde werken aan het uitmoorden van de dorpjes van de barbaren. Bovendien is het er koud en gevaarlijk. Er ligt veel sneeuw en de barbaren kunnen zomaar aanvallen. Je weet niet of je aan het eind van de volgende dag nog leeft. Hij heeft het over wezens met klauwen, tanden en vleugels die gecontroleerd worden door de barbaren.Vanuit Caladeos is het een bootreis over een baai van 50 kilometer naar de landen van de barbaren. Daar heeft het keizerlijk leger vier kampen ingericht. De soldaten noemen die vis, bloemen, sneeuw en doods. Het bloemenkamp is het beste, want daar gebeurt niet zoveel. Als je naar het doodskamp gaat weet je bijna zeker dat je niet meer terugkomt.
Bartimeüs keert terug naar de schuur en vertelt het opbeurende verhaal over de barbarenlanden."Als het zo koud is moeten we nog wel nieuwe kleding vinden." zegt Tiana, "Ik vind het nu al koud"."Misschien hebben ze iets in Ultir of Caladeos." zegt Ruarc, "Dat is nog maar drie dagen lopen."
Ultir blijkt ongeveer het formaat van Lodepoort, maar heeft geen kasteel. Het is een klein havenstadje waar soms boten aanmeren die naar het zuiden varen. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Tiana vragen aan de havenmeester of hij weet wanneer er weer een boot aanmeert die naar het zuiden vaart. Volgens de havenmeester kan dat nog wel een week of drie duren. Als ze haast hebben kunnen ze ook gaan lopen, dat is een reis van ongeveer twee weken."Gaan we hier wachten op de boot?" vraagt Tiana."Ik weet niet hoeveel tijd we hebben." zegt Bartimeüs, "Maar ik stel voor om maar weer te gaan lopen." "Ja, dat is wel de beste optie." zegt Kritoias, "Dan komen we misschien nog voor de winter in het zuiden aan. Waarom doen we dit in de winter?"Ultir heeft, behalve haar beroemde stokvispap, niet veel te bieden. Echte winterkleding is ook hier niet te vinden.
De reis langs het karrenspoor verloopt heel rustig. Af en toe komen ze een vissersdorp tegen en nergens zijn er bandieten of wilde beesten die hen lastig vallen. Het enige opmerkelijke is dat Kritoias onderweg de toverspreuk ververst om hun wapens magisch te maken. Aan het einde van de 14e dag komen ze in Caladeos aan. Het is iets groter dan Ultir en het valt direct op dat dit een garnizoensstad is. Ze zien op verschillende plaatsen in de stad soldaten rondlopen, maar die letten niet echt op de vier reizigers. De haven van Caladeos is een stuk groter dan die van Ultir en er liggen twee schepen aan de kade. Bij het havenkwartier is ook een fort en zijn barakken waar een aantal mannen bezig zijn om ze op te ruimen."Goedemiddag" zegt Kritoias, "Is het mogelijk om passage te krijgen naar de overkant?""Ja, ik denk het wel. Wie ben je? Ik heb je hier nog niet gezien? Niet per schip aangekomen?""Mijn naam is Kritoias. Wij zijn uit het noorden komen lopen. Mijn neef Ruarc the Magnificent wil graag de troepen in het zuiden een hart onder de riem steken met zijn prachtige verhalen. Misschien heeft u ooit van hem gehoord?""Ruac the Magnificent!" zegt één van de mannen, en hij hoest even, "Ja zeker, was je niet in Olcadaïr?""Inderdaad." zegt Ruarc, "En nu zie ik het als mijn taak om naar het zuiden te gaan en onze soldaten te steunen en tegelijkertijd hun verhalen te horen.""Mooi, mooi." zegt de man, "Ik denk dat jullie wel passage kunnen boeken op één van de schepen. Die gaan daar toch heen om de soldaten op te halen.""En de handelaren, smeden en hoeren." zegt een ander, "Die komen ook weer deze kant op.""Eindelijk." vult een derde aan."Is hier ook een herberg waar wij de nacht door kunnen brengen?" vraagt Ruarc."Nee, helaas niet, maar jullie kunnen vannacht hier wel in de barakken slapen. De soldaten zijn er toch nog niet.""Dank je wel, daar maken we graag gebruik van." zegt Ruarc.
Ruarc gaat een bezoek je brengen aan de tempel. Bartimeüs, Kritoias en Tiana gaan kijken of ze een schip kunnen vinden en kleding.Bartimeüs vindt de kapitein van de Blauwe Dolfijn bereidt om hen naar de overkant te varen. Het is een reis van ongeveer een dag. De kapitein noemt een stevige prijs, maar daar schrikt Bartimeüs niet van nadat hij ongeveer 85 goudstukken aan munten heeft meegenomen van de dode edelen. Goede winterkleding is schaars. De bontwerker heeft alleen nog maar wat lapjes liggen. Hij adviseert om kleding te kopen van soldaten die terugkeren naar Caladeos vanaf het front.
Ruarc loopt de kleine tempel van de keizer binnen."Goedemiddag, welkom in de tempel." zegt de priesteres die achterin bezig was en naar voren komt lopen."Dank u wel." zegt Ruarc.Hij kijkt naar het beeld van de keizer. Ze lijken allemaal op elkaar, maar niet op de beeltenis van de keizer die hij in zijn dromen heeft gezien."Wat brengt u vandaag naar de tempel? Komt u om te offeren? Ik heb u nog niet eerder gezien""Ik ben vandaag aangekomen in Caladeos." zegt Ruarc, "Het is misschien een goed idee om iets te offeren voor we aan de reis naar de overkant beginnen. Wat is gebruikelijk om te offeren?""Alles wat u maar wilt."Ruarc offert een paar zilver."Zijn er nog laatste ontwikkelingen die belangrijk kunnen zijn voor mijn reis?""Ik heb gehoord dat de witte vogels weer teruggekeerd zijn.""Witte vogels?""Ja, die hebben iets met de barbaren te doen. Het is een onheilstijding, want er verdwijnen regelmatig schepen. Er zou een groot monster zijn.""Dat klinkt onheilspellend.""Goede reis, de keizer zal u beschermen.""De keizer zal u beschermen."
Na een rustige overnachting monsteren Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Tiana aan op de Blauwe Dolfijn. Een bijna 15 meter lang schip dat regelmatig de overtocht maakt. Bartimeüs heeft de kapitein speciaal betaald om hen over te zetten.De eerste twee uur van de tien uur durende overtocht verlopen rustig. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zien bijna gelijktijdig een grote witte vogel aan komen vliegen. De vogel vliegt eerst over het schip heen, keert daarna terug en vliegt rondjes rondom het schip.Bartimeüs concentreert zich en spreekt daarna de vogel aan met voor de anderen onbegrijpelijke krijsten."Wat doe je?" roept hij naar de vogel.De witte vogel gaat op het topje van de mast zitten."Ik ben op zoek naar interessante mensen.""Waarom?""Dat willen wij weten. Mensen die met mij praten zijn heel interessant. Wie ben je?""Ik ben Bartimeüs.""Wat kom je hier doen?""Ik kom de oorlog beëindigen.""Wij hebben geen interesse in de oorlog.""Wie hebben dat niet?""De heersers in het zuiden.""Wie zijn dat?""Dat zijn wij.""Waarom zijn brengen jullie slecht nieuws?""Alleen door wat we op de boot zien. Maar wat kom je nu doen?""De oorlog stoppen.""Het was leuk je gesproken te hebben."De vogel slaat zijn vleugels uit en vliegt richting het diepste punt van de baai.
"Wat deed je nou?" vraagt de kapitein aan Bartimeüs, "Een beetje de vogelfluisteraar spelen?""Ja zoiets." zegt Bartimeüs.Hij neemt de anderen apart en vertelt wat de vogel heeft gezegd. Ze merken dat de bemanning zenuwachtig wordt en nemen opnieuw hun plaats bij de railing in om eventuele grote monsters op tijd te zien. Hoewel dat moeilijk is dat die uit het water komen.
Ze zien in de verte de kust al liggen als Bartimeüs plotseling een kreet slaat."Daar in de lucht, een aantal van die witte vogels en iets anders groots." zegt hij."Iets groots? Een draak?" vraagt Kritoias."Dat zou slecht nieuws zijn." zegt Ruarc."Ik ben bang van wel." zegt Bartimeüs die in de verte tuurt. De vogels en het vliegende monsters komen snel dichterbij.Kritoias zorgt voor een onzichtbaar schild en probeert te bedenken welke spreuk een aanstormende draak tegen kan houden.Ruarc trekt zijn maliënkolder uit voor het geval de boot zinkt. Daarop zorgt Bartimeüs dat hij over het water kan lopen en Kritoias dat hij kan vliegen. Het vliegende monster is nu nog een paar honderd meter bij de boot vandaan. Het lijkt inderdaad op een vliegende draak, maar het monster is wit, net als de vier vogels die hem of haar begeleiden.Kritoias denkt er nog even over om de draak te vertragen, maar besluit dat het monster waarschijnlijk bestand is tegen dat soort magie en besluit om zijn krachtigste aanvalsspreuk te doen. Bartimeüs pakt intussen zijn boog en legt een pijl aan.
De draak vliegt niet naar beneden om met vuuradem de boot te vernietigen wat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc hadden verwacht gezien het visioen dat Bartimeüs en Kritoias hebben gehad over de draak van de keizer. In plaats daarvan probeert het monster op het achterdek te landen."Hij probeert de boot te laten zinken!" roept Ruarc.Kritoias schiet een bliksemflits af die gevolgd wordt door enorm gedonder. Hij raakt het monster wel, maar de bliksem schampt alleen maar zijn vleugel. Bartimeüs mikt en schiet zijn pijl midden in de zachte buik van het monster. Dat verslapt en stort in zee voor het op het dek kan landen. Snel rennen Bartimeüs, Ruarc en Tiana samen met de bemanning naar de railing en daar zien ze het monster in de diepte verdwijnen. Dan volgt er een enorme knal in de lucht en vier grote witte vogels storten bevroren ter aarde, gedood door een koudebal van Kritoias."Zo, die zullen de barbaren niet waarschuwen over wat er is gebeurd." zegt hij.
"Het is maar goed dat het nog maar een paar uur varen is." zegt de kapitein, "We maken wat water. Niet erg genoeg om de boot te laten zinken, maar het moet wel gerepareerd worden.""Wat is eigenlijk de naam van het havenstadje waar we aankomen?" vraagt Kritoias."Dat is Tosduvas, een klein stadje met een grote haven. Alle goederen voor de strijd tegen de barbaren worden daar naar toe gebracht.""Is daar ook iets waar we kunnen overnachten?" vraagt Ruarc."Ja, zeker, de herberg.""De herberg? Heeft die ook een naam?""Nee, het is gewoon de herberg.""Is er ook iets van een kasteel met iemand van adel die de baas is? Een baron van Tosduvas?" vraagt Ruarc."Er is wel een soort fort. Burggraaf Moldredd is opperbevelhebber van het leger, daar valt Tosduvas eigenlijk ook onder."
Tegen de avond passert het schip de kleine eilanden die de toegang tot de haven van Tosduvas markeren. Ze passeren het houten fort waar een vuur op brandt om de schepen de weg naar de haven te wijzen. De kapitein legt het schip aan bij een houten steiger. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Tiana bedanken de kapitein en gaan van boord. Ze zijn nauwelijks vijf meter gelopen als een man hen aanspreekt."Goedenmiddag, u bent net aangekomen?""Ja, zoals u kunt zien." zegt Kritoias."Kunt u mij alstublieft volgen. U moet zich aanmelden voordat u aan land kan gaan.""We zijn toch al aan land?" vraagt Kritoias."U staat op de steiger. Volgt u mij."Kritoias volgt de man naar een klein kantoor op de kade en wordt naar een klein kamertje gebracht."Zo, wat is uw naam?""Kritoias.""En de naam van uw medereizigers?""Bartimeüs, Ruarc en Tiana""Wat brengt u naar Tosduvas op dit ongebruikelijke tijdstip?""Mijn neef Ruarc the Magnificent is een vermaard verhalenverteller en wil de troepen in de komende harde wintertijd een hart onder de riem steken met zijn inspirerende verhalen.""En wat doet u dan?""Tja, eh, ik help hem.""Assistent.""Hoe lang zijn jullie van plan te blijven.""Dat weten we niet precies. Een paar maanden of zo.""Goed, dank u wel, loopt u mee terug."Na Kritoias worden Bartimeüs, Ruarc en Tiana ieder op zijn of haar beurt ook meegenomen. Ruarc praat met luide stem waardoor Bartimeüs, Kritoias en Tiana hem kunnen horen. Gelukkig hadden Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Tiana hun verhaal al op elkaar afgestemd toen ze de kapitein van de Blauwe Dolfijn benaderden waardoor ze nu allemaal hetzelfde verhaal vertellen.
Het is helemaal donker als Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Tiana verlof hebben gekregen om aan land te gaan. Ze lopen over de kade naar de wal als Bartimeüs plotseling opvalt dat iemand hen volgt. Hij draait zich om en wil net iets gaan zeggen als hij Kritoias plotseling naar beneden ziet verdwijnen gevolgd door een luide plons.Een paar seconden later stijgt een bibberende Kritoias uit de zee omhoog."Wat doe je nu? Je moet wel uitkijken." zegt Ruarc."Gaat het wel?""Dit pad loopt hartstikke krom en in het donker was het echt niet te zien.""Iemand volgt ons." zegt Bartimeüs."Welnee, deze pier loopt volkomen recht Kritoias. Je moet gewoon beter uitkijken.""Brrr, dat water is hartstikke koud." zegt Kritoias."Ik zorg wel dat je beter tegen de kou kan." zegt Bartimeüs en inderdaad heeft Kritoias het even later iets minder koud, maar dat houdt maar een beperkte tijd aan."Laten we dan maar snel de herberg opzoeken." zegt Ruarc, "Ik ben trouwens solidair."Ruarc ziet er nu ook uit alsof hij in het water is gevallen, hij laat alleen geen natte voetsporen achter.Bartimeüs kijkt regelmatig om, want hij verwacht nog steeds dat er iemand achter ze aan zit, waardoor hij bijna tegen iemand aanloopt.
Na een paar minuten lopen komen ze aan bij de enige herberg van het stadje. In de gelagkamer zit een drietal groepjes, een vijftal potige kerels, waarschijnlijk sjouwers in de haven, twee mannen en een vrouw die eruitzien als bedienden en twee man van in de veertig.De herbergier komt hen al tegenmoet."Goedenavond, o, jullie zijn helemaal nat. Wat is er gebeurd?""In de haven gevallen." zegt Bartimeüs."Tja, dat komt wel eens vaker voor.""Zie je wel." zegt Kritoias, "Dat komt door dat rare kromme pad.""Hmmm, wilt u soms een warm bad?""Ja, graag." zegt Kritoias."Wat brengt u naar Tosduvas?""Ik ben verhalenverteller en illusionist." zegt Ruarc en op hetzelfde moment is hij weer droog, "Ik ben hier om de mensen en soldaten te inspireren en vermaken met mooie verhalen en kunsten.""Dat is mooi. Wilt u ook een kamer?""Ja, laten we dat maar doen." zegt Kritoias."Voor hoe lang?""Doe maar een week.""Een of twee kamers?""Een kamer is goed."Bartimeüs betaalt de herbergier"Jullie willen zeker ook vast wat eten en drinken?""Ja, graag, maar eerst een warm bad."
Na het eten leren ze van de herbergier dat Tosduvas een logistiek centrum is waar alle schepen uit het keizerrijk aankomen met voorraden voor de soldaten en nieuwe soldaten. Het hoofdkamp is Didanbeh en is ongeveer 100 kilometer naar het zuiden. Vandaaruit zijn de vier kampen vis, bloemen, sneeuw en dood te bereiken. Burggraaf Moldredd heeft daar zijn intrek genomen en voert daarvandaan het leger aan. Als Bartimeüs informeert of het veilig is om daar naar toe te reizen vertelt de herbergier dat het de laatste maanden onveiliger is geworden. Niet door de barbaren of monsters, maar door mensen uit het keizerrijk die zich tegen de aanwezigheid van de soldaten keren. Ze overvallen af en toe een karavaan. Er gaat het gerucht dat ze samenwerken met de barbaren.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc houden wacht en opnieuw is het een rustige nacht.
Na het ontbijt vragen ze de herbergier naar een goede kleermaker en lopen daarheen. Ze bestellen warme kleding en laarzen voor hen allemaal. Dat kost wel 2 goudstukken en is over vier dagen klaar.Bartimeüs wil weten wie de man is die hen in de gaten hield. Kritoias, Ruarc en Tiana weten niet waar hij het over heeft, omdat ze veel te druk waren met Kritoias die in de haven was gevallen om naar Bartimeüs te luisteren. Kritoias oppert om dan maar met zijn gaven te kijken wie het is geweest. Daar had Bartimeüs even niet aan gedacht. Hij gaat naar de kade en gebruikt eerst een spreuk om in het donder te kunnen kijken en onderzoekt dan wie er de afgelopen veertien uur allemaal langs zijn gekomen. Daardoor kan hij nu het gezicht herkennen van de man die hen in de gaten hield. Intussen merkt Kritoias op dat er een witte vogel in de lucht vliegt die het stadje in de gaten houdt.
Bartimeüs heeft wel genoeg van alle vis die ze de laatste tijd hebben gegeten en wil het stadje uit om in de wildernis te gaan kijken of er iets is om op te jagen. De houten poort staat open en ze lopen een paar kilometer de stad uit. Bartimeüs heeft al snel de sporen van een hert te pakken en volgt het door het bos. Hij sluipt op het hert af en schiet het met één gemikt schot dood. Samen met Ruarc bindt hij het hert vast aan een kleine boomstam zodat ze het hert naar het stadje kunnen dragen.Even buiten het stadje zitten drie man langs de kant van de weg. Als ze dichterbij komen herkent Bartimeüs de middelste man als degene die hen de avond tevoren achtervolgde. Hij kijkt goed of de man een Balbarkettinkje draagt, maar dat ziet er niet naar uit. Ze zijn wel bewapend.
"Mag dat wel?" vraagt de middelste man."Wat?" zegt Bartimeüs."Op herten jagen? Heb je toestemming van Matthew.""Waarom is dat nodig?""Om zeker te weten dat het hert niet drachtig is of zo.""Wees maar niet bang, dat weet ik echt wel.""Wie ben je?""O, sorry, mijn naam is Karan en dit zijn Stille Sean en Dirduk. En wie zijn jullie? Ik heb jullie nog niet eerder gezien.""Dat lieg je, want je liep gisteren achter ons aan op de kade.""O, waren jullie dat? Dat had ik niet gezien. Ik moest zo hard lachen toen hij in het water viel.""Doen julie zulk gevaarlijk werk dat jullie een wapen moeten dragen?""Ja, dat heeft iedereen hier. Jullie toch ook? Maar ik kan niet wachten weer naar huis te gaan.""Waarom ga je dan niet? Jullie zitten toch niet in het leger aan je tuniek te zien." zegt Kritoias, "In Corvar is het rustig.""Nee, dat is wel waar, maar je moet toch ergens je geld verdienen. We zijn hier nu twee jaar sinds het begin van de strijd. Ze zeiden dat de barbaren een invasie aan het voorbereiden waren.""Is er dan een koning van de barbaren of zo? Een grote reus?" zegt Bartimeüs."Er zijn allemaal barbarenclans. De ene is belangrijker dan de andere. Door goed te vechten wordt je belangrijker waardoor je in een belangrijkere clan wordt opgenomen. Daardoor vechten al die barbaren als gekken."
"Zijn ze dan zo georganiseerd?" zegt Bartimeüs, "Ze moeten toch wel iets plannen om over de bergen heen te komen naar Branduïn heen.""De barbaren hebben allemaal verschillende clans. De belangrijkste clans zitten diep in het zuiden. Als je je onderscheidt in het gevecht, dan kan je opklimmen van de ene clan naar de anderen. Daarom beuken die barbaren er altijd als gekken op los.""Dat klinkt niet heel fijn. Heeft Burggraaf Mordredd een plan om de barbaren aan te pakken.""De Burggraaf? Die ziet hier niet perse om zijn goede militaire vaardigheden. Dat is allemaal politiek.""Hoezo?" vraagt Ruarc."De Burggraaf is het stamhoofd van de OTR, de belangrijke stammen aan de noordkant van Branduïn. Veel van de soldaten hier komen daarvandaan. Ook van andere gebieden die om Branduïn liggen. Dat komt de hovelingen natuurlijk goed uit. Kennen jullie trouwens een Gwynneth?""Gwynnethe?" vraagt Bartimeüs, "Nee, ik denk het niet.""Heette die huurlinge in Nymarc niet zo?" vraagt Kritoias."Nee," zegt Ruarc, "Dat was Ketlijn" "O ja," zegt Kritoias."Wij gaan op weg naar de slager." zegt Bartimeüs."O, als jullie interesse hebben in mijn verhalen kom dan vandaag of morgenavond naar de herberg." zegt Ruarc.
Na een goede deal met de slager te hebben gemaakt, ze kunnen het vlees over drie dagen ophalen, keren Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Tiana terug naar de herberg. Ruarc vraagt om toestemming om vanavond verhalen te kunnen vertellen. De herbergier vindt dat een prima plan, maar niet vanavond, maar morgenavond. Dan heeft hij nog voldoende tijd om het woord rond te laten gaan en zo veel mogelijk mensen te laten genieten van de verhalen van Ruarc. Bartimeüs vraagt of de herbergier iemand kent met de naam Gwynneth. De herbergier wil graag weten waarom Bartimeüs daar in is geïnteresseerd en Bartimeüs zegt dat Karan daar naar vroeg. De herbergier vindt dat bijzonder, want Gwynneth is de naam van de leidster van de deserteurs die de karavanen overvallen.
De volgende dag is er niet veel te doen in Tosduvas. Ruarc doet wat aan promotie om de herberg gevuld te krijgen. Dat is behoorlijk succesvol want als hij aan zijn optreden begint zit de herberg helemaal vol. Het is wel opvallend dat de drie mannen die ze gisteren bij de poort hadden gezien er niet zijn. Het optreden van Ruarc is, zoals gebruikelijk, overweldigend. Het publiek luister aandachtig naar de prachtige verhalen van Ruarc over soldaten die ondanks onmogelijk lijkende tegenstand toch de overwinning behalen opgeluisterd met prachtige beelden en lichteffecten. Halverwege het optreden ziet hij een witte vogel bij een venster bovenin zitten. Hij seint Kritoias met zijn ogen in. Die ziet de vogel ook en probeert hem in slaap te toveren, maar de vogel vliegt weg.
De volgende ochtend horen ze bij het ontbijt dat er consternatie in de haven is. Ze eten snel hun stokvispap op en spoeden zich naar de kade. Vandaaruit zien ze een lichaam in de haven drijven. Een paar mannen zijn bezig het lichaam uit het water te trekken. Het is Karen en zijn keel is doorgesneden."Dat verklaart waarom hij gisteren niet naar het optreden kwam." zegt Ruarc."Waarom doet iemand zoiets?" vraagt Tiana."Ik denk dat het iets te maken heeft met Gwynneth." zegt Bartimeüs, "Het zou me niets verbazen als de herbergier hier iets mee te maken heeft.""Ja, maar is de herbergier een opstandling of wil hij ze bestrijden?" zegt Kritoias."Of heeft Karan aan iemands vrouw gezeten." zegt Ruarc, "Die vrouwen hier in de vrouwenstad moeten het voor een groot deel ook maar zonder hun man doen.""Tijd om uit te vissen wie hem heeft gedood." zegt Bartimeüs, "De haven is alleen veel te groot om te kijken wie het heeft gedaan.""Dan moeten we het gebied verkleinen. Als hij hier is aangespoeld, dan denk ik dat we die oostzijde kunnen afschrijven. Hij zal ergens aan deze kan in het water zijn gegooid." zegt Kritoias."Dan moeten we daar gaan zoeken naar sporen. Ik denk bloedsporen." zegt Bartimeüs."Goed, aan de slag." zegt Ruarc.Kritoias checkt nog even of hier een rift is, maar dat is niet het geval.
Na een goede tijd zoeken vindt Bartimeüs een bloedspoor aan het einde van de kade aan de rand van de vrouwenstad. Hij kijkt wie er de afgelopen tijd is geweest en ziet twee man die met iets aan het sjouwen zijn. Bartimeüs onderzoekt de kade en vindt een vaag spoor van bloeddruppels dat hij volgt naar de omheining van het vrouwendorp. Kritoias, Ruarc en Tiana lopen met Bartimeüs mee. Bij de ingang naar het vrouwendorp ziet Bartimeüs één van de mannen die bij de plaats stonden waar het lichaam van Karan in zee is gegooid."Goedemorgen, wie ben je?" zegt Bartimeüs."Eh, Peter, waarom wil je dat weten. Wie ben je?""Omdat jij degene bent die Karan heeft vermoord. Ik heb je gezien bij de haven.""Ik werk in de haven.""Met lijken erin gooien?""En wat dan nog?""Maak je niet ongerust. Wij willen alleen weten waarom je dat hebt gedaan.""Ja, dat ga ik niet zeggen."Kritoias gebruikt een spreuk en zegt "Waarom vertel je niet waarom je het lichaam van Karan in zee hebt gegooid.""Dat moest ik doen van sergeant Stefan.""Dank je wel." zegt Bartimeüs, "Dat wilden we weten."
Na enig rondvragen vinden ze sergeant Stefan bij de barakken."Goedemorgen sergeant." zegt Bartimeüs, "Jij hebt Peter een klusje gegeven he?""Waar heb je het over?""Dat klusje om het lichaam van Karan in de haven te gooien.""Wat moet je daarmee?"Intussen komen een aantal mannen die in de barakken aan het opruimen waren om hen heen staan."Ik wil graag weten waarom je hem hebt vermoord.""Dat lijkt me duidelijk. Hij is een verrader die met de vijand heult. Hij werkt samen met Gwynneth om de strijd tegen de barbaren te saboteren. Dat vinden jullie toch ook vreselijk? Leve de keizer.""Leve de keizer, ja natuurlijk.""Ik moet jullie bedanken dat jullie tegen de herbergier hebben gegezegd dat hij naar Gwynneth vroeg, anders had het nog langer geduurd voor we hem doorhadden.""Ja, ok, nou, graag gedaan." zegt Bartimeüs."Nou, ik moet weer verder." zegt de sergeant."Moeten wij nog iets doen?" vraagt één van de soldaten die om hen heen is komen staan."Ja, opruimen!" zegt de sergeant bars.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Tiana lopen een stukje verder en gaan dan aan de haven zitten om te zien wat de sergeant gaat doen nu ze hem geconfronteerd hebben met de moord op Karan. Terwijl ze aan het observeren zijn trekt de wind wat aan en verschijnen er donkere wolken aan de horizon."Het ziet er naar uit dat het gaat regenen." zegt Ruarc."Ja, zo te zien wel." zegt Kritoias."O, maar ik weet het zeker." zegt Bartimeüs, na zich geconcentreerd te hebben, "Over een half uur gaat het regenen.""Wat een verrassing." zegt Ruarc, "En het gaat zeker stormen ook?""Ja, dat klopt." zegt Bartimeüs.De sergeant ziet de donkere wolken ook aankomen en loopt richting de vrouwenstad, althans de straat in het dorpje waar de vrouwen van de officieren wonen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc volgen hem op enige afstand en zien dat hij het laatste huis aan de rand van het dorp binnengaat."Wil je luisteren wat hij daar gaat doen?" vraagt Kritoias."Natuurlijk!" zegt Bartimeüs.Kritoias zorgt ervoor dat Bartimeüs heel goed kan luisteren."Wij gaan ondertussen schuilen bij de haven, want hier worden we zeiknat." zegt Kritoias."Ok" zegt Bartimeüs, "Ik zie jullie straks.""Dan kunnen we ook kijken wat er met dat schip gebeurt." zegt Ruarc.Hij wijst naar de zee waar in de verte een donker zeil aan de horizon is verschenen.
Bartimeüs loopt zo naar het huisje dat de aanwezigen hem niet door het venster kunnen zien. Hij gebruikt een spreuk om minder op te vallen en probeert bij het huisje uit de regen en wind te blijven. Tussen het suizen van de wind door hoort hij de sergeant met een vrouw praten."Er is storm op komst." zegt de sergeant."Je kan hier blijven schuilen." zegt de vrouwenstem."Ik weet het niet.""Neem een kopje koffie en vertel.""Ik wil weten wie die gasten zijn.""Je bedoelt die Broerk van het optreden in de herberg? Hoezo?""Ze hadden iets door. Ik weet niet hoe ze erachter zijn komen.""Waar achter? Drink wat.""Dank je.""Ben je gisterenavond iets te weten gekomen?""Niet echt. Hij hield zijn mond flink gesloten. Het enige is dat hij zei dat ze iemand verwachten die hierheen zou komen. Misschien die gasten?""Zoek het uit.""Ze zijn gevaarlijk. Maar waarom klappen ze ui de school. Om van hem af te zijn? Om niet de aandacht op zichzelf te vestigen?""Je weet wat je te doen staat als zij het zijn.""Ik heb meer geld nodig. Heb je ze gezien? Dat meisje is ook raar.""Ik heb alleen die Broerk gezien die aan het zingen was. De rest is me niet opgevallen.""Peter is ook zo'n lul.""Als hij niet voldoet weet je wat je moet doen. Ik pak wel wat."Bartimeüs staat nu in de striemende regen tegen de zijkant van het gebouwtje. Het lawaai van de wind en de regen maken het onmogelijk om verder iets te horen. Hij twijfelt of hij Stefan zal opwachten om hem een bijl in zijn nek te planten, maar hij besluite toch om terug te gaan naar de haven.
"En?" vraagt Ruarc, "Zijn het de rebellen? Of zijn het eerbare aanhangers van de keizer?""Ik weet het niet." zegt Bartimeüs, "Ze verwachten iemand in het dorp, maar of dat nu een rebel is of een agent van de keizer is mij niet duidelijk. Misschien moeten we maar gewoon langs gaan.""We gaan er naar toe, nemen ze gevangen en horen ze uit?" vraagt Ruarc."Dat kan ook, maar misschien is het eenvoudiger om het gewoon te vragen." zegt Bartimeüs."Dat vind ik niet echt iets voor jou." zegt Kritoias."Ik leer soms iets bij." zegt Bartimeüs."Het voordeel is wel dat we dan weten waar we aan toe zijn." zegt Ruarc, "Dus een goed plan. Dat schip heeft zijn zeil laten zakken en loopt voorlopig de haven niet binnen. We hebben genoeg tijd om langs te gaan."
Het kost in het kleine dorp maar een paar minuten om het huis aan het einde van de vrouwenstraat te bereiken. Bartimeüs klopt op de deur."Ja, wie is daar?" zegt een andere mannenstem na korte tijd achter de deur."Ik kom Stefan halen." zegt Bartimeüs met verdraaide stem."Een schip wil de haven inlopen.""Eh, wie ben je?""Snel, het is belangrijk. Is Stefan daar?""Eh ja, maar, eh."Een man doet de deur open en Bartimeüs dringt gelijk naar binnen."Waar is Stefan?""Binnen"
De luxe van het huis staat in schril contrast met de eenvoud van het dorpje. Iemand van stand heeft zijn best gedaan de luxe van thuis hier mee naar toe te brengen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen naar de woonkamer. Stefan staat daar met getrokken zwaard naast een goedgeklede vrouw die hen rustig aankijkt."Wie zijn jullie? Wat willen jullie?" vraagt de vrouw."Wij zijn de mensen waarvoor je net geld aan Stefan hebt gegeven om te laten vermoorden." zegt Bartimeüs."Is dat zo?""Jazeker. Dus wij komen even vragen wat hier aan de hand is. Het zou zonde zijn als jullie dood zouden moeten.""Is dat een bedreiging?" vraagt de vrouw."Nee, ik dreig nooit." zegt Bartimeüs, "Waarom zitten jullie achter ons aan?"."Stefan doet dat zwaard even weg. We willen geen ongelukken. Mijn naam is Fionne d'Arville.""Ah, u bent de vrouw van bevelhebber d'Arville." zegt Ruarc."Inderdaad.""Mijn naam is Kritoias zegt Kritoias."Ruarc de grote, the maginifent. Die Brork is echt van een klasse minder.""Bartimeüs""Ik ben Tiana.""En wat brengt jullie naar deze gebieden nu het tegen de winter loopt?""Mijn neef Ruarc is op zoek naar goede, heroïsche verhalen die hij weer verder kan vertellen.""Ja" zegt Ruarc, "Het is in het noorden te gevaarlijk om nog verhalen te verzamelen. Vandaar dat we naar het zuiden zijn gegaan.""En hier is het niet gevaarlijk?""Jawel, maar het lijkt minder erg dan in het noorden.""Genoeg over ons. Waarom zitten jullie achter ons aan?" vraagt Bartimeüs."Ga eerst even zitten. Willen jullie iets drinken? Bier?"Bartimeüs, Kritoias en Ruarc knikken en Fionna geeft haar bediende opdracht een kan bier te halen.
"Zoals jullie inmiddels wel weten hebben we in geen tijden voorraden kunnen versturen naar de kampen. Die worden steeds overvallen door afvallige soldaten, misschien geholpen door de barbaren of andersom. Stefan is daarbij al een aantal goede maten verloren. Het is ons er alles aan gelegen om dat probleem op te lossen. Dus toen jullie gingen rondneuzen wilden we daar wel meer over weten.""We hebben inderdaad over de problemen met de bevoorrading gehoord." zegt Kritoias."Dus toen wij hoorden dat een prominent figuur zou arriveren die de afvalligen zou gaan helpen vermoedden we dat jullie het zouden zijn.""Ja, ik kan me voorstellen dat het opvallend is als er tegen de winter mensen uit het keizerrijk verschijnen.""Zeker. Het zou gaan om een machtig persoon die hen zou kunnen helpen."
"Het zou ons oude bekende kunnen zijn." zegt Kritoias."Wie bedoelt u?" vraagt de vrouw."Het is misschien een vreemd verhaal, maar het verklaart wel wat er aan de hand kan zijn." zegt Kritoias, "Het gaat om de aartsdruïdes en de god Balbar.""Wie is dat?""U kent het oorsprongsverhaal? Daar is sprake van de man, vrouw en de vreemdeling of handelaar. De man is dan de god, de keizer, de vrouw is de godin die de keizer voor ons aanbidt en de vreemdeling is deze derde god Balbar.""Stefan, laat ons ons even allen."Stefan kijkt niet blij, maar verlaat de kamer.Kritoias doet een kort verslag van een aantal gebeurtenissen in het noorden en de dreiging van Balbar. Hij vertelt ook dat ze denken dat Theolin de machtige persoon is die zou zijn gekomen. Hij hoeft niet per boot te komen, maar kan zich eventueel in een vogel veranderen en op die manier naar de barbarenlanden komen. Hij heeft ook controle over vogels en dat is wat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc hier nu ook zien.
Fionne vraagt hen of ze vertrouwen in de keizer hebben. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc, die weten dat keizer inmiddels is verdwenen, zeggen dat ze dat op zich wel hebben, maar voelden zich in het noorden in de steek gelaten omdat hun gebieden werden overlopen, terwijl de keizer zijn troepen naar het zuiden stuurde. Zeker gezien de grote afstand naar de barbarenlanden, die ze nu ook persoonlijk hebben ervaren, vinden ze het bijzonder dat de keizer daar zijn schaarse middelen heeft ingezet. Fionne vertelt dat het doel van de keizer de reus is. Sommige barbarenstammen volgen hem, maar anderen niet. Het lijkt erop dat die barbarenstammen verdreven zijn of schatting moeten betalen waardoor ze te weinig eten hebben. Dat zijn ze nu van het keizerrijk aan het stelen. Ze worden geholpen door afvallige soldaten omdat die er problemen mee hebben dat onschuldige vrouwen en kinderen ook worden gedood.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc verzekeren Fionne dat zij mee willen helpen de ontstane situatie met de bevoorrading op te lossen. Als de afvallige barbaren inderdaad tegen de reus zijn, dan moet wij met hen samenwerken. Als Theolin daar zit kan dat misschien wel lukken, maar eerst moeten ze met hen in contact komen. Fionne stelt voor om Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Tiana gevangen te nemen en dan te wachten tot de afvallige soldaten hen komen bevrijden. Dat vinden Bartimeüs, Kritoias en Ruarc geen goed idee. Helaas zijn er weinig schepen met voedsel aangekomen en gaan er dus ook geen karavanen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc denken dat ze via de twee vrienden van Karan wel bij de afvallige soldaten kunnen komen. Misschien dat ze dan ook Gwynneth te spreken krijgen. Die blijkt echter niet te bestaan. Het is een codewoord voor de afvalligen om elkaar te herkennen. Ze spreken af om via Stefan contact te houden.
De storm is inmiddels wat gaan liggen en Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Tiana zien dat het schip haar zeil weer heeft gehesen. Het zal nog wel een uurtje duren voor het de haven binnenloopt, dus ze besluiten om in de herberg wat te gaan eten.Als ze terugkomen in de haven zien ze dat het schip net aanlegt. Het is de wulpse zeemeermin."Die hebben we niet in de haven zien liggen toch?" vraagt Kritoias."Nee, ik dacht het niet." zegt Bartimeüs."Die moet dan uit het noorden zijn gekomen en bijna direct zijn doorgevaren." zegt Ruarc.De zeelieden beginnen om de lading te ontschepen. Het is echter geen bevoorradingsschip, want een groepje passagiers, vijf mensen met donkere huidskleur, waarvan drie zwaarbewapende mannen, één vrouw met een sierdolk en een vierde man met een kort zwaard die een kist bij zich draagt."H'm Zonneeilanders." zegt Ruarc."Ken jij die?" vraagt Bartimeüs."Alleen van horen zeggen." zegt Ruarc. Het Zonneeiland ligt aan de westkust onder de Prinsdommen. De inwoners hebben allemaal zo'n donkere huidskleur en ze spreken een andere taal. Die lijkt wel wat op onze taal, maar je kan hem niet zomaar verstaan."Ook de Zonneeilanders worden ondervraagd in het kantoortje bij de haven voordat ze het dorp in mogen. Daarna lopen ze naar de herberg, de enige overnachtingsmogelijkheid voor bezoekers in het dorp. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Tiana wachten even met naar binnengaan, maar als ze binnenkomen zijn de Zonneeilanders nergens te zien. Ze nemen plaats in de gelagkamer en bestellen wat te drinken.
Niet lang nadat ze van de herbergier hun bier hebben gekregen verschijnt de donkere man met het korte zwaard. Hij loopt naar de deur en gaat naar buiten. Bartimeüs gaat achter hem aan. Buiten blijkt de man een bijzondere attractie te zijn, want iedereen kijkt wat hij gaat doen. Bartimeüs loopt op geruime afstand achter hem aan. De man gaat naar het kantoortje in de haven waar hij iets vraagt aan de havenmeester. Bartimeüs kan niet verstaan wat hij zegt. Dan loopt de man door de kade af. Bartimeüs loopt naar de havenmeester."He, ik heb een vraagje. Wat wilde die Zonneeilander van je weten?"Ondertussen geeft hij de man een koperstuk."O, hij wilde weten of hij de vuurtoren in mocht, maar daar ga ik niet over.""Ok, dank je wel."
Bartimeüs volgt de Zonneeilander naar de vuurtoren. Vanuit de verte ziet hij dat de man de deur probeert open te doen, maar die lijkt op slot te zijn. De man pakt iets uit zijn buidel en prutst iets bij het slot van de vuurtoren, dan doet hij de deur open en gaat naar binnen. Bartimeüs gaat ook naar de vierkante vuurtoren. Hij doet de deur stilletjes open. De onderste verdieping is leeg. Bartimeüs denkt dat de man boven is en sluipt heel zachtjes de trap op. Die komt bij een luik uit waarmee je naar buiten gaat waar ook het vuur brandt. Sport voor sport gaat hij omhoog en voor hij boven is ziet hij al dat de Zonneeilander over zee aan het uitstaren is. Bartimeüs sluipt weer naar beneden en verstopt zich tussen alle goederen die daar zijn opgeslagen. Even later komt de Zonneeilander weer naar beneden. Hij gaat door de deur en doet hem daarna weer op slot! Bartimeüs zit opgesloten.
Bartimeüs kijkt even naar het slot, maar komt al snel tot de conclusie dat hij het slot niet open gaat krijgen. Hij loopt naar boven en klimt door het luik naar de top van de vuurtoren. Daar brandt een groot vuur. Zo te zien houdt het vuur het nog een uurtje vol, dus Bartimeüs zal niet al te lang hoeven wachten voor er iemand komt. Vanaf de vuurtoren heb je een goed uitzicht over de zee, maar ook over het land. Naar wie of wat was de Zonneeilander op zoek? Naar een ander schip, of toch naar de rebellen? Bartimeüs verstopt zich weer om naar buiten te kunnen gaan als de vuurtorenwachter naar boven gaat om hout op het vuur te gooien.
Kritoias, Ruarc en Tiana vinden het wel vreemd dat de Zonneeilander de herberg binnenkomt, maar Bartimeüs achterwege blijft. Ze wachten nog een half uur en maken dan een rondje door het dorp."Waarschijnlijk is hij iemand anders aan het volgen." zegt Kritoias."Ja, dat zal het zijn." zegt Ruarc.Bartimeüs weet waar ze zaten dus ze gaan weer terug naar de herberg, waar hij nog niet is gearriveerd, en wachten op zijn komst.Nadat hij uit de vuurtoren is ontsnapt gaat Bartimeüs direct terug naar de herberg. Zijn opsluiting in de vuurtoren wordt met enig gelach ontvangen.
De Zonneeilanders eten net als Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Tiana in de gelagkamer en blijven daar hangen. Ruarc wil toch weten wie het zijn en knoopt een gesprek met ze aan. Een van hen, Tondall, blijkt de taal van de Prinsdommen te spreken."Zo dat was wel spannend met die storm." zegt Ruarc."Ja, zeker. Wij zijn heelhuids overgekomen, maar één van onze medereizers is overboord geslagen. Hij heeft nog gekeken of hij hem kon vinden op zee, maar tevergeefs.""Hoe kan een passagier nu overboord slaan?""Hij stond erop om tijdens de storm het dek op te gaan om de golven van dichtbij te zien. De bemanning probeerde hem nog tegen te houden, maar hij liet zich niet ompraten.""Ik ben bang dat hij het niet lang uithoudt met die koude zee.""Nee, dat denk ik ook niet. Toch vreemd. Het was een diplomaat uit Branduïn.""Hoe heette hij?""Dhurwal, maar wat brengt u hier naar toe?""Ik ben verhalenverteller. In het noorden is het heel gevaarlijk geworden, dus wilde ik hierheen, maar hier is oorlog met de barbaren.""Ja, het zijn slechte tijden. Wist u dat niet?""Jawel. De oorlog hier levert voor mij minder gevaar op dan de situatie in het noorden. Wat is de reden van uw bezoek?"
"Wij zijn hier voor de handel. We zijn via Branduïn hier naar toe gereisd. Wij gaan verder naar het zuiden.""Ik heb gehoord dat dat niet veilig is. Er zijn veel overvallen op karavanen. Zullen wij anders met u meereizen?""Dat is wel veiliger ja.""We wachten nog wel twee dagen op betere kleding. We hadden geen winterkleding meegenomen. Die was ook niet te koop in het noorden."De man overlegt even met zijn medehandelaren."We hebben wel wat tijd. We nemen uw uitnodiging graag aan om gezamenlijk verder naar het zuiden te reizen."Ruarc vertelt Bartimeüs, Kritoias en Tiana wat de Zonneeilanders van plan zijn. Na nog een paar uur in de gelagkamer te hebben overlegd gaan ze naar hun kamer.
Bartimeüs probeert wacht te houden, maar valt in slaap. Als hij wakker wordt zit hij aan het strand. Hij ziet boven zicht de sterrenhemel. Het lijkt op de kustlijn die hij vanuit de vuurtoren heeft gezien. Hij heeft het gevoel bekeken te worden. De sterren beginnen te draaien en dan valt hij weer in slaap.
"Je bent helemaal gek." zegt Kritoias aan de ontbijttafel.Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Tiana zitten 's ochtends in de verder lege gelagkamer"Ja, waarom ga je met dit weer naar buiten Bartimeüs? Het stormt en het regent. Je wordt helemaal nat en koud.""Onze kleding is daar helemaal niet geschikt voor. Die winterkleding kunnen we morgen pas halen." zegt Kritoias."Daar kan ik prima tegen." zegt Bartimeüs, "Ik wil kijken wat er op dat strand is. Ik had het gevoel bekeken te worden en ik denk dat daar iemand is.""Dat kan toch ook wel wachten tot het droog is?" vraagt Kritoias."Laat hem maar." zegt Ruarc, "Als Bartimeüs eenmaal iets in zijn hoofd heeft.""Precies, ik ga even een stukje wandelen. Ik zie jullie straks."
Bartimeüs gebruikt een spreuk om de koude te weerstaan en loopt via de vuurtoren naar de plaats op het strand die hij in zijn droom heeft gezien. Het afdalen over de stenen is nog best lastig, maar hij komt zonder kleerscheuren beneden aan. Bartimeüs kijkt goed rond, maar vindt geen sporen van een aangespoelde drenkeling."Misschien zit er iemand in de duinen die aan het kijken was." denkt hij en loopt voorzichtig naar de heuvels naast het strand. Hij kijkt goed om zich heen en wordt niet gevolgd.Ook in de duinen vindt Bartimeüs geen sporen. Dan valt hem op dat er twee mensfiguren op het strand staan bij de plaats waar hij stond te kijken. Een van hen wijst in zijn richting. Bartimeüs laat zich vallen en verstopt zich. De mensfiguren lopen niet direct naar hem toe, maar gaan richting de vuurtoren die achter hem is. Bartimeüs maakt een omtrekkende beweging en slaagt erin achter ze te komen. Hij klimt de stenen weer vanaf het strand richting de vuurtoren en volgt de mensfiguren. Als ze blijven staan verstopt hij zich. De in dikke kleding gehulde figuren overleggen even en lopen dan richting het dorp. Bartimeüs volgt hen tot één van hen stopt en de ander aanstoot. Deze figuur wil duidelijk niet verder gaan. De ander schudt zich los en sluipt verder richting het dorp. Degene die achterblijft verschuilt zich achter een boom.
Bartimeüs sluipt naar de figuur toe en tikt de persoon op zijn schouder. Bartimeüs ziet de man opschrikken, zich omdraaien en zijn zwaard trekken. Het is duidelijk een barbaar die niet het beste met Bartimeüs voor heeft, want hij loopt met zijn zwaard in de aanslag op Bartimeüs af, die inmiddels zijn bijl en schild gereed heeft. De barbaar is voorzichtig, maar Bartimeüs weet hem meesterlijk te misleiden. Bartimeüs raakt hem goed met zijn bijl en de barbaar wordt in de verdediging gedwongen. Bartimeüs probeert zijn voordeel uit te buiten, maar de barbaar is een goede strijder die zich prima verdedigt. Bartimeüs weet hem nog één keer te raken, maar merkt dan dat de barbaar zich voorzichtig terugtrekt richting het dorp, waar zijn maat moet zijn. Bartimeüs ziet dat hij dit niet kan winnen en breekt het gevecht af. Hij loopt ook voorzichtig achteruit. De barbaar volgt hem niet en Bartimeüs gaat er snel vandoor. Hij komt weer in de herberg aan en vertelt Kritoias, Ruarc en Tiana, die nog steeds in de gelagkamer zitten, wat er is gebeurd. Hij trekt zijn kleding uit om bij het vuur te drogen en gaat dan een dutje doen.
Even na het middaguur gaat de storm wat liggen. Dat is het sein voor Tondall en één van zijn brede reisgenoten om naar beneden te komen en naar buiten te gaan."Zullen we er achteraan gaan?" vraagt Ruarc."Ga jij maar, dan blijf ik hier met Tiana om op de kleding van Bartimeüs te letten. Bovendien valt dat zo op.""Ze zullen mij ook wel zien." zegt Ruarc, "Zo druk is het hier nu ook weer niet.""Ik kan je wel minder zichtbaar maken?""Ja, goed idee.""Kom lopen we naar de deur, anders valt het zo op."Kritoias en Ruarc lopen naar de deur en als Ruarc buiten staat is het gelukkig nog niet druk.Kritoias maakt Ruarc snel onzichtbaar en Ruarc loopt vlot achter de Zonne-eilanders aan die richting de haven lopen.
Tondall en zijn reisgenoot slaan voor de haven af richting de vrouwenstad op vijf meter gevolgd door Ruarc. Zij lopen de hele straat door en kloppen aan bij het huis waar Fiona woont."Hoe ga ik daar nu binnenkomen?" vraagt Ruarc zich af, "Ik hoor natuurlijk van buitenaf niets om dat de luiken dicht zijn."De bediende doet de deur open."Goedemiddag heren.""Excuses voor het late tijdstip, maar door de storm konden we niet eerder komen.""Begrijpelijk, komt u binnen, ik zal de vrouwe verwittigen."De twee Zonne-eilanders gaan het huis binnen en de bediende sluit de deur.
Ruarc wacht even en probeert dan de deur open te doen. Die blijkt gelukkig niet op slot, maar kraakt toch wel. Ruarc gebruikt een spreuk om even een grotere cirkel waaruit geen geluid om hem heen kan ontsnappen te maken en doet de deur open, ziet dat er niemand in de hal is, stapt naar binnen en sluit de deur. Hij zorgt weer voor een kleine stiltecirkel en loopt de gang in naar de ontvangstkamer van de vrouw van één van de commandanten."Het was een barre tocht." hoort hij Tondall zeggen, "dat zijn we niet echt gewend.""Dat begrijp ik." zegt Fiona.Ruarc wordt afgeleid omdat hij in de hal een deur hoort open gaan. De bediende komt de gang in lopen met een dienblad met warme dranken voor de gasten. Ruarc drukt zich tegen de wand aan en glipt achter de bediende aan nadat deze de kamer is binnengegaan om de drank te serveren. Omdat hij toch zo weer weggaat sluit hij de deur gelukkig niet achter zich. De kamer is ruim, maar niet het is geen balzaal. Ruarc weet een goede plaats te vinden waar hij het gesprek kan afluisteren."Dank je." zegt Fiona tegen de beidende, die een kort knikje geeft en teruggaat naar de gang. Met een zachte klik sluit hij de deur.
De eerste tijd wisselen Fiona en de Zonne-eilanders de gebruikelijke vriendelijkheden uit, dan komt Fiona ter zaken."Ik heb begrepen dat er iets is wat u met mij wilt bespreken?""Ja" zegt Tondvall, "Wij zijn op een diplomatieke missie en het is voor ons belangrijk om de burggraaf te spreken. Dat is natuurlijk wat lastig als wij ons als handelaren voordoen, maar ik heb vernomen dat u voor ons een introductie zou kunnen verzorgen.""Ik heb de nodigde connecties, u bent goed geïnformeerd. Als ik u met hem in contact breng moet dat voor mij natuurlijk ook voordelig zijn.""Uiteraard, wat denkt u van een vergoeding in goud?""Dat klink aantrekkelijk. Wat is uw voorstel?""200 goud, zonder verdere vragen.""Dat lijkt me een goede deal."Fiona en Tondvall schudden de hand. Tondvall kijkt dan recht in het gezicht van Ruarc, die nog steeds onzichtbaar is en staat opeens op. Ruarc verschuift een beetje, terwijl Tondvall een beker met water pakt en met zijn vingers op een aantal plaatsen water rondsprekelt.
"Die andere mensen die in de herberg logeren, die avonturiers, kent u die?" vraagt Tondvall aan Fiona."Nee, die ken ik niet.""Vindt u ze niet verdacht?""Nee. De leider is Borac, een rontrekkende verhalen verteller. De rest loopt met hem mee.""Vertrouwt u ze voor de volle honderd procent?""Nee, ik ken ze verder niet, maar ik zie niet dat ze een gevaar vormen. Bent u angstig dat ze uw plannen in de wielen zullen rijden?""Nee, maar ik vind het wel heel toevallig dat ze er zijn nu wij er ook zijn. Wie komt er aan als het winter wordt? Weet u wat ze hier komen doen?""Nee, maar ik kan ze laten natrekken. Moet ik ze soms laten verdwijnen? Voor de afgesproken soms is dat geen probleem.""Nee, dat hoeft niet. We gaan er vanuit dat ze zijn wat ze zijn. Zullen we vanavond afspreken? In de herberg?""Ja, maar waarom niet hier? Ach, het is prima. Het is een tijd geleden dat ik daar ben geweest.""Goed, dan kunnen wij de herberg prepareren. Dank u wel voor uw tijd, dan gaan we maar."Tondvall zegt iets tegen zijn mede Zonne-eilander die ook opstaat.Fiona roept de bediende en laat hem de beide mannen naar buiten begeleiden.
Ruarc kan niet zomaar weg en dat wil hij ook niet. Hij blijft even om te kijken wat Fiona gaat doen. Die trekt zich al snel terug naar de privévertrekken die achter een tweede deur in de kamer liggen. Als de bediende binnenkomt om af te ruimen loopt Ruarc door de openstaande deur naar de gang en de hal. Hij ziet dat de keukendeur openstaat en loopt via de keuken naar de achterdeur waar hij het huis verlaat.
Hij blijft nog even buiten zodat het niet opvalt dat hij vlak na de Zonne-eilanders de herberg weer binnenkomt. De Zonne-eilanders vertrouwen het inderdaad niet helemaal, want Tondvall vraagt aan Kritoias en Tiana waarom ze zo alleen in de herberg zitten. Kritoias vertelt naar waarheid dat Bartimeüs nog even aan het uitrusten is en Ruarc een ommetje maakt nadat de storm is gaan liggen. Waarschijnlijk op zoek naar goede verhalen.Na enige tijd komt Ruarc de herberg binnen met een soort vogel op zijn schouder. Kritoias en Tiana kijken hem even vreemd aan als hij een gedeelte van een act opvoert waarbij de vogel iets zegt voor ze doorhebben dat die weer één van Ruarc's meesterlijke illusies is. Helaas voor Ruarc kennen ze dit soort vogels niet.
Niet veel later komt Bartimeüs naar beneden en doet zijn inmiddels droge kleding weer aan. Ruarc zorgt voor een volgende afgeschermde geluidszone en vertelt waarom de Zonne-eilanders hier zijn."Zou Fiona het menen om ons te laten verdwijnen?" vraagt Kritoias."Voor 200 goud? Vast wel." zegt Bartimeüs."Ik ben ook wel benieuwd wat ze voor voorbereidingen gaan treffen." zegt Kritoias, "Misschien ook iets met toverspreuken?""Zou kunnen." zegt Ruarc, "Maar ze wilden het niet bij Fiona thuis doen, dat is wel bijzonder."Als Ruarc klaar is met zijn verhaal komt Tondvall met twee van de bewakers vanuit de slaapvertrekken en neemt plaats in de gelagkamer."Ik wil nu nog wel op het strand gaan kijken." zegt Bartimeüs, "Ik wil weten waar die barbaren vandaan komen.""Dat is een goed idee." zegt Kritoias, "Misschien zijn ze op zoek naar de drenkeling, maar dat hoeft natuurlijk niet. Het kan ook een verkennerspost zijn."
Het weer is nu een stuk beter, maar het waait nog steeds wel behoorlijk. Daardoor blijkt het voor Tiana moeilijk om over de stenen naar het strand te klimmen."Wacht, ik zorg wel dat je kan vliegen." zegt Kritoias."Hoe dan?""Met magie, dat heb ik bij mezelf ook gedaan." zegt Kritoias die nu een klein stukje heen en weer vliegt."Hoe gaat dat dan?""Dat merk je vanzelf. Het is niet moeilijk."Kritoias betovert Tiana die eerst kleine stukjes vliegt en daarna met uitgestrekte vleugels een soort hops aan het maken is."Het duurt trouwens bijna een kwart uur." zegt K] voor de zekerheid.
Bartimeüs leidt ze naar de plaats waar hij stond en waar de barbaren ook naar toe zijn gelopen."Hier was het." zegt hij, "Ik zal kijken of ik sporen kan vinden, blijf even op afstand."Bartimeüs zoekt lang rond maar kan niets vinden."Het is hier veel te rotsig." zegt hij."Maar hoe hebben ze je hier dan gezien?" vraagt Kritoias."Misschien dat ze een schuilplaats in de duinen hebben." zegt Bartimeüs."Die kan jij toch wel vinden?" vraagt Ruarc."Ik ben al bezig." zegt Bartimeüs, "Ja, daar verderop is een goede plek.Bartimeüs leidt ze naar de duinen naar een plek met uizicht op de rotspartij. Na enig zoeken vindt hij een spoor van de barbaren. Hij zorgt er met spreuken voor dat hij het spoor goed kan volgen en loopt met zijn neus naar de grond langzaam weg van het dorp."Ruarc, hoe verdelen we de uitzichttaken?""Ik houd de direct omgeving in de gaten." zegt Ruarc, die bij Tiana in de buurt blijft."Ok, dan kijk ik in de verte.""En ik dan?" vraagt Tiana."O ja, natuurlijk." zegt Kritoias, "Als jij de rechterkant in de verte in de gaten houdt, dan doe ik de linkerkant.""Goed, dat doe ik." zegt Tiana.
Ze lopen meer dan anderhalf uur, maar hebben nog geen verder sporen van de barbaren gevonden."Ze zitten hier niet in de directe omgeving." zegt Tiana."He? Hoe weet je dat?" vraagt Kritoias."Ik zie meer? Jullie blunderen overal maar doorheen?""Fair point." zegt Kritoias.Even later is het toch raak."Daar!" zegt Tiana.Ze kijken waar ze naar toewijst en daar zien ze in de verte drie vogels rondcirkelen.Ze lopen een stukje die kant op en en dan valt het Kritoias op dat ze over een pad lijken te lopen."Aha, een pad." zegt Bartimeüs, "Daar kan ik wel wat mee."Hij concentreert zich en komt met verontrustend nieuws."Dit pad is onlangs gebruikt." zegt hij, "En niet alleen door barbaren, dat was een groep van acht. Ik zie ook tien lopende lijken.""Dat kan alleen maar Theolin zijn." zegt Ruarc.
"Zal ik een stukje vooruit lopen langs de linkerkant van het pad?" vraagt Bartimeüs, "Dan kan ik zien wat er aankomt en eventueel vanuit de bosjes een ambush doen.""Ja, dat is goed." zegt Ruarc, "Dan lopen wij daar twintig of dertig meter achteraan. Hoe ver is het nog denk je?""Dat zal wel even lopen zijn." zegt Bartimeüs.
Het pad loopt na een paar honderd meter wat steiler omhoog naar de kust. Bartimeüs probeert stil door het bos naast het pad te lopen, terwijl Kritoias, Ruarc en Tiana rustig aan doen op de weg. Na een tijdje komen Kritoias, Ruarc en Tiana een zijweg die er meer gebruikt uitziet en ook het pad dat ze volgen ziet er verderop meer begaan uit.."Deze weg gaat het binnenland in." zegt Ruarc, "Zo te zien wordt die vaker gebruikt en gaan ze vandaaruit naar de kust.""Ik zie verder niemand, dus laten we maar doorlopen richting de vogels." zegt Kritoias.
Even later ziet Bartimeüs een overwoekerde kar langs de kant van de weg staan. Hij sluipt erheen, maar ziet al gauw dat er geen schatkist met goud in staat. Eén van de wielen is kapot, dus de wagen is door zijn eigenaar hier achtergelaten.Daarna loopt het pad slingerend naar beneden, de bomen verdwijnen en maken plaats voor lage struiken, kennelijk hebben ze de stop van het duin bereikt. Ze ruiken de zeelucht al en niet veel later zien ze de oceaan en de rand van de klif. Het pad loopt naar de rand van de klif en maakt daar een bocht. Als Bartimeüs daar als eerste aankomt ziet hij dat er een pad is gemaakt dat langs de klif naar beneden gaat. Beneden zien ze de golven en nog een klein zandstrandje.
"Als je me onzichtbaar maakt kan ik naar beneden gaan en verkennen." zegt Bartimeüs."Je denkt zeker dat ik oneindig veel magische energie heb." zegt Kritoias, "Helaas moet ik je dan teleurstellen. Als we straks nog tegen tien lopende lijken en vijftien barbaren moeten vechten moet ik daar zuinig meeomgaan.""H'm, ok, dan ga ik wel voorzichtig verder."Bartimeüs sluipt langs het pad verder dat de klif volgt en een ronding begint te maken meer landinwaarts. Vanaf deze hoogte ziet Bartimeüs na een tiental meters een inham met een kleine baai waar het pad naar toe loopt. Deze baai is vanuit zee bijna niet te zien en perfect geschikt om ongezien goederen of mensen aan land te brengen. Een meter of vijftig voorbij de inham vliegen een aantal witte vogels bij een groot gat in de rotswand. Onder het gat is geen strand en slaan de golven tegen de rotswand.
Bartimeüs zorgt ervoor dat hij beter in de schaduwen te zien is en gaat terug naar Kritoias, Ruarc en Tiana om te vertellen wat hij heeft gezien. Als hij uitleg staat te geven zien ze dat een vogel hun kant op is gevlogen. Bartimeüs vertrouwt het niet en schiet een pijl op de vogel maar mist. De vogels is daardoor ontdaan en vliegt snel terug de grote grot in de rotswand in."Wat gaan we nu?" vraagt Bartimeüs."Gewoon verder?" zegt Kritoias, "Als jij voorzichtig verder gaat komen wij achter je aan. Er was toch nog niemand te zien?""Nee, ik heb nog niemand kunnen ontdekken." zegt Bartimeüs.Bartimeüs sluipt voorzichtig het pad naar beneden op ruime afstand gevolgd door Kritoias, Ruarc en Tiana.
Achter de baai blijkt een klein kiezelstrand met grote rotsblokken te liggen. Die rotsblokken zijn zo opgestapeld dat de opening in de rotswand die erachter ligt bijna niet opvalt. Bartimeüs ziet dat er vier figuren doodstil voor de grotopening staan. Hij heeft het idee dat dit wel eens lopende, of in dit geval stilstaande, lijken kunnen zijn en sluipt naar de rotsblokken op ongeveer dertig meter afstand. Van hieruit is het duidelijk, dit zijn onvrijwillige Balbaraanhangers die betere tijden hebben gekend. Het verbaast Bartimeüs wel dat het geen voormalige barbaren zijn, maar voormalige zeelieden. Terwijl hij bedenkt wat hij gaat doen hoort hij een luide dierlijke kreet uit de vogelgrot komen."H'm daar zit misschien nog zo'n beest." denkt hij en sluipt terug om te overleggen.
"H'm lopende lijken." zegt Ruarc, "Onnatuurlijk wezens. Die heb je niet eerder gezien toch?" vraagt hij aan Tiana."Nee, wat zijn dat?""Het zijn mensen die dood zijn gegaan en waarvan het lichaam nu opdrachten uitvoert. Meestal voor een druïde.""Bah, dat klinkt walgelijk. Vinden die mensen dat niet erg?""Die zijn dan al dood." zegt Kritoias, "We zijn er in een realiteit een aantal tegengekomen.""Die vonden het wel vreemd, maar hadden niet door dat ze dood waren." zegt Ruarc, "Kan de macht van de godin hier iets tegen doen?""Ik kan ze misschien wel wegjagen." zegt Tiana, "Een of twee, niet allemaal.""Dan kan ik ze beter van afstand beschieten met mijn boog en kijken wat er gebeurt." zegt Bartimeüs."Ja, goed idee." zegt Kritoias, "Wij staan klaar om in te grijpen."
Bartimeüs sluipt weer naar beneden met zijn boog in zijn hand. Hij schuilt achter één van de rotsblokken en buigt er voorzichtig omheen. Hij mikt op het dichtstbijzijnde lijk en schiet hem in zijn nek. Het lijk geeft geen krimp. Bartimeüs wacht niet en schiet met een volgende pijl in het hoofd van het lijk, dat direct neervalt. Bartimeüs kijkt naar de andere lijken, maar die reageren niet. Hij pakt een volgende pijl en schiet het tweede lijk in de nek, gevolgd door een schot in de zij van het lijk, dat ook neervalt. Het derde lijk staat een beetje van hem afgewend met zijn hoofd gedraaid. Bartimeüs mikt zorgvuldig en schiet het lijkt door beide oren, waarop het neervalt. Door dit fantastische schot zit hij vol energie. Hij legt aan voor het volgende schot op het laatste lijk als zijn oog valt op een glinstering van metaal in de grot. Daar zou wel eens een barbaar kunnen zitten. Daardoor is hij toch wat afgeleid en hij schampt het laatste lijk. Ook dit lijkt reageert niet en een tweede schot in het been van het lijk velt het.
Bartimeüs sluipt terug naar Kritoias, Ruarc en Tiana."Ik zag net glinstering in de grot. Ik wil nu wel onzichtbaar naar binnen gaan, anders valt het teveel op." zegt hij."Ok, dan wachten wij hier." zegt Kritoias, die vervolgens een toverspreuk gebruikt en Bartimeüs onzichtbaar maakt.
Bartimeüs sluipt over het kiezelstrand naar de ingang van de grot. Van hieruit ziet hij dat de rotsen inderdaad expres zo zijn neergelegd dat de grotingang niet vanuit zee te zien is. Hij gaat via de zijkant de grotopening binnen en laat zijn ogen even aan het donker wennen. Het is een vochtige grot waar houten balken en planken zo zijn neergezet dat je via een schans de grot verder naar boven kan volgen. Kennelijk bedoeld om goederen over te transporteren. In het schemerlicht is er geen teken van een barbaar. In de verte ziet Bartimeüs wel een glinsterend licht. Hij loopt voorzichtig zo'n twintig meter omhoog en komt in een grotere grot. Daar zijn een aantal donkere plekken in de wand te zien die op zijgangen wijzen, maar zijn aandacht wordt getrokken door het licht dat verderop schijnt. Bartimeüs sluipt verder en komt in een grotere grot uit waar barricaden zijn opgestapeld aan de linkerkant en rechterkant. Achterde linker barricade is een lantaarn op een stok tegen de wand geplaatst, naast een opening. Bartimeüs bekijkt op magische wijze wie hier de laatste veertien uur zijn langsgelopen. Dat zijn de vier lichamen geweest die buiten staan en vijftien barbaren. Een paar gewapende, waarschijnlijk ook degene met wie hij heeft gevochten, een aantal minder zwaar bewapende en dan nog één met een dieren schedel op zijn hoofd."Fijn, ook nog een shamaan of zo." denkt hij.Bartimeüs gaat terug om de anderen te informeren en op te halen.
Kritoias, Ruarc en Tiana volgen Bartimeüs de grot in en komen zo ook bij de barricade aan. Bartimeüs ziet dat er geen barbaren achter zitten en klimt erover heen, gevolgd door Kritoias, Ruarc en Tiana. Ze lopen naar de opening waar de lantaarn naast staat en zien een brede gang, waar zes lopende lijken in staan. Bartimeüs valt natuurlijk niet op, maar Kritoias, Ruarc en Tiana wel en de lopende lijken zetten zich in beweging."Kan jij ze stoppen?" vraagt Kritoias."Ik weet niet, het duurt wel even." zegt Tiana.Als de lopende lijken tot op drie meter zijn genaderd wacht Kritoias niet langer en schiet een vuurbal op ze af. Met een harde klap ontploft de vuurbal en hult de zes lijken in rode vlammen. Voor hun ogen verteert het vuur de lijken die verkoold op de grond vallen. Een geur van verrot verbrand vlees vult de gang."Zo, nu weet iedereen dat we er zijn." zegt Ruarc.
"Ik ga verder het gangetje in." zegt Bartimeüs.Nog steeds onzichtbaar sluipt hij verder tot hij in een kleine grot komt met twee uitgangen. Rechtdoor en naar rechts, waar een zacht lichtschijnsel uitkomt. Kritoias, Ruarc en Tiana lopen langzaam achter Bartimeüs aan en blijven op ongeveer vijf meter van de zijgang staan, terwijl Bartimeüs poolshoogte gaat nemen. Als hij het gangetje inkijkt ziet hij een paar meter verder twee barbaren staan met getrokken wapens. Achter hen is een grotere grot zichtbaar. Gelukkig is het gangetje groot genoeg zodat Bartimeüs langs ze heen kan sluipen.De barbaren hebben niets door en Bartimeüs komt vrijwel direct in een grotere grot waar een houten stellage het mogelijk maakt om via ladders naar boven te klimmen naar een gat bovenaan de wand van het einde van de grot. De twee barbaren zijn niet de enige, want op de stallages staan nog zes barbaren die staan met speren in de hand afwachten wat er gaat gebeuren. Daar hoeven ze niet lang op te wachten. Bartimeüs sluipt terug naar de twee barbaren in het gangetje. Zijn ene hand legt hij van achteren op de mond van de barbaar en met zijn andere hand hakt hij op zijn been in. De kreet van de barbaar wordt gesmoord door Bartimeüs's hand. Met zijn volgende klap splijt hij de schedel van de barbaar. Die valt zonder kreet neer, maar het gerinkel van zijn vallende zwaard laat de andere barbaar omkijken.
Bartimeüs valt hem direct aan, maar het heft van zijn bijl is glad geworden van al het bloed dat uit het hoofd van de vorige barbaar is gespat. Het lukt hem niet aan te vallen, maar met zijn gejongleer met zijn bijl weet hij de klappen van de barbaar nog enigszins af te weren. Toen de eerste barbaar op de grond viel is Ruarc ook direct in actie gekomen. Hij ziet de barbaar Bartimeüs raken en breekt de wapenarm van de barbaar met de punt van zijn bijl. De barbaar draait zich enigszins naar Ruarc om en krijgt vervolgens de hamer vol in zijn gezicht waardoor hij direct dood neer valt. Ruarc pakt de bijl uit de waar Bartimeüs mee aan het fumbelen is en zegt. "Hier joh, is je bijl.'
De andere barbaren op de stellage zijn nu in rep en roer. Degene op het dichtstbijzijnde platform trekt snel de ladder op en pakt zijn speer om die naar Bartimeüs te gooien. Die heeft nu zijn pijl en boog klaar en raakt de barbaar in zijn zij. Daardoor mist zijn speer volledig. De barbaar draait zich om en loopt naar de volgende ladder maar wordt gestopt door een volgende pijl van Bartimeüs die hem in zijn achterhoofd raakt en direct doodt. De barbaren zijn nu in paniek en gaan door met het optrekken van ladders. Bartimeüs gaat ook door met schieten en schiet de volgende ook in zijn zij waardoor een bloedende wond ontstaat. Deze barbaar klimt zo goed en zo kwaad als het gaat naar boven en passert een barbaar die de volgende ladder optrekt. Met zijn hoofd komt hij daardoor boven het platform uit in het zicht van Bartimeüs die er een pijl in schiet waardoor de barbaar dood neervalt. De barbaren verdwijnen nu snel door het gat bovenin en er zijn geen doelwitten voor Bartimeüs meer om op te schieten.
"Ze gaan vast nog meer versterking halen." zegt Ruarc."Ja, dat denk ik wel." zegt Bartimeüs."Ruarc, als jij naar boven klimt kunnen Bartimeüs en ik het gat in de muur in de gaten houden en er eventueel een pijl of bolt in schieten." zegt Kritoias."Ok, dat is goed." zegt Ruarc.Stuk voor stuk klimmen ze de platforms omhoog. Als ze bij het derde platform zijn steekt een barbaar zijn hoofd uit het gat en begint met zijn bijl een touw kapot te snijden dat het houten platform stabiel houdt.Bartimeüs is net naar boven aan het klimmen en Kritoias houdt het gat in de gaten. Direct tovert hij de man in slaap. Met een zachte klink valt de bijl uit zijn hand op het platform. Het slap worden van de man heeft nieuwe kreten vanuit de gang of grot achter de man tot gevolg.
Ruarc maakt zichzelf minder goed zichtbaar als hij langs de barbaar de grot binnen stapt. Daar is het heel donker, er valt alleen licht uit de grot waar de houten stellage was. Bartimeüs pakt een touw uit zijn rugzak en bindt de barbaar vast die daar natuurlijk wakker van wordt en een korte kreet geeft voor hij een deel van zijn kleding in zijn mond krijgt gepropt.Kritoias laat een lichtstraal uit zijn hand schijnen en ze zien dat er meubilair en lantaarns in de deze grot staan. Ruarc voelt aan de lantaars en de warmte van het glas geeft aan dat ze net gedoofd zijn. Een snelle sweep van de grot laat geen andere uitgangen zien. Bij nadere inspectie blijkt er een gat in het plafond te zitten."Als ik je nu night vision geef." fluistert Kritoias tegen Bartimeüs, "Ga jij dan boven kijken?""Goed." fluistert Bartimeüs, "maar hoe komen we boven?"Kritoias schijnt even met zijn licht naar het gat."Er zit niets waar ik een touw aan vast kan maken. Wacht, zijn die ladders uit de grot hiernaast ook niet een meter of vier hoog? Die passen vast wel.""Ik pak er wel één." zegt Ruarc.
Bartimeüs klimt in het donker met zijn bijl in zijn hand de ladder op en steekt zijn hoofd voorzichtig naar boven. Hij ziet dat het gat aan het einde van een gangetje uitkomt. Stilletjes klimt hij omhoog en volgt het slingerende gangetje dat omhoog loopt. Aan het einde van de gang, ongeveer een meter of 30 verderop ziet hij dat de gang uitkomt in een verlichte grot. Bartimeüs gaat terug en laat de anderen ook omhoog komen. Ze lopen met zijn vieren zachtjes richting de opening van de grot.Bartimeüs vertrouwt het niet helemaal, maar steekt toch zijn hoofd om het hoekje van de grot. Dat had hij beter niet kunnen doen, want hij krijgt een klap op zijn hoofd die hij gelukkig voor het grootste deel nog kon afweren. Twee barbaren springen het gangetje in en de voorste dringt Bartimeüs terug. Die probeert zich nog te verweren, maar deze barbaar, dezelfde waar hij al eerder tegen heeft gevochten, weet van wanten. Na een paar schijnaanvallen slaat hij Bartimeüs met de platte kant van zijn zwaard in zijn gezicht en breekt zijn neus. Bartimeüs laat zich terugvallen en Ruarc neemt zijn plaats in. Kritoias probeert intussen de barbaar af te leiden door in zijn gezicht te schijnen. Dat werkt goed, want de barbaar weet Ruarc niet te verwonden. Helaas slaagt Ruarc de goede verdediging van de barbaar ook niet te omzeilen."Doe iets." zegt Ruarc, terwijl Bartimeüs nog steeds bijkomt van de klap in zijn gezicht."Ja, dat kan wel, maar dan kan ik hem niet afleiden." zegt Kritoias."Doe maar." zegt Ruarc.Kritoias moet een energie verzamelen en de barbaar kan Ruarc die uit alle macht verdedigt gelukkig niet raken. Even later tovert Kritoias beide barbaren in slaap.
"O, hij heeft je neus gebroken." zegt Tiana, terwijl Kritoias en Ruarc de grot nalopen en geen verdere bedreigingen zien."Ja, kan je er wat aan doen?" vraagt Bartimeüs, "Het doet best zeer.""Ik denk het wel, even wachten."Tiana pakt Bartimeüs's neus en zet hem recht, terwijl ze de kracht van de godin gebruikt."Au!" zegt Bartimeüs."Zo, dat is beter. Het blijft nog wel een dagje dik, maar daarna is het weer in orde.""Fijn, dank je wel." zegt Bartimeüs. Hij gaat op de grond zitten en gebruikt zelf de kracht van de godin om zijn blauwe plekken te genezen.
Bartimeüs bindt ook deze twee barbaren vast en daarna kunnen ze de grot aan een ander onderzoek onderwerpen. De barbaren stonden op een houten platform dat zo'n vier meter boven de bodem van de grot is vastgemaakt. Verderop op het platform is nog een opening naar een gangetje en er loopt een ladder naar beneden. Op de bodem van de grot staan bedden en direct onder hen is een grotere gang. In het midden van de grot staat ook nog een meer dan zeven meter hoge ladder die naar een gat in het plafond leidt."Wat ben je aan het zoeken?" vraagt Ruarc aan Kritoias die met het licht uit zijn handpalm naar de grond aan het kijken is.""Bloedsporen, we missen nog steeds een barbaar, maar ik kan hier niets vinden.""Hij kan drie kanten op zijn gegaan." zegt Ruarc."Ik heb al in dat gangetje gekeken aan het einde van dit platform en dat loopt dood. Daar staan alleen wat voorraden." zegt Kritoias."Dan moet hij naar boven of beneden zijn gegaan." zegt Ruarc, "Bartimeüs, kan jij beneden met je boog die grote gang in de gaten houden? Dan kunnen wij boven kijken. Het is trouwens best hoog die ladder.""Geen zorgen, als je valt kan ik je opvangen met een spreuk." zegt Kritoias.
De grote gang lijkt beneden leeg te zijn, in ieder geval voorzover Kritoias en Ruarc kunnen zien. Ruarc klimt de ladder op, terwijl Kritoias klaarstaat met een spreuk mocht hij vallen. Dat gebeurt natuurlijk niet en Ruarc steekt voorzichtig zijn hoofd door het gat. Tot zijn geluk is het gangejte waar hij in uitkomt leeg. Hij ruikt wel direct frisse zeelucht. Ruarc trekt zich op naar het gangetje en geeft Kritoias een teken dat hij ook naar boven kan komen. Samen lopen ze het gangetje door en komen dan bij een paar bosjes uit die deze opening verbergen. Ze staan nu boven op de klif. Ze kijken om zich heen, maar ze zien geen sporen van barbaren of van bloed. Wel vliegen er wat witte vogels boven hen."Die zullen de shamaan wel informeren." zegt Ruarc."Ja, laten we maar terug gaan en bedenken wat we met die barbaren gaan doen." zegt Kritoias.
"Tiana, jij kan toch goed mensen vinden?" vraagt Bartimeüs aan Tiana die een beetje verveeld naast hem staat."Wat bedoel je daarmee?""Nou toen we een keer op de weg liepen kon jij vertellen waar de mensen waren.""O, dat, ja hoor.""Nou, wijs alle mensen dan eens aan die hier zijn."Tiana wijst naar de twee barbaren en kijkt daarna Bartimeüs aan, die wel doorheeft dat ze hem expres niet aanwijst.
Kritoias en Ruarc klimmen de ladder weer af gaan voorop als Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Tiana de grote gang verkennen. Die is breed en loopt naar beneden. Ze horen in de verte geluid van de zee en na ongeveer vijftig meter eindigt de gang met een bochtje bij een grote grot waar het licht is. De grot is bezaaid met resten van dieren."Ah, we zijn in de vogelgrot." zegt Bartimeüs."Ja, daar lijkt het wel op." zegt Ruarc, "Gelukkig is dat beest er niet.""Die moet even wachten tot ik niet zo'n hoofdpijn heb, dan wil ik wel op hem schieten." zegt Bartimeüs, "Wat gaan we met die barbaren doen? We hebben er toch maar één nodig?""Ik denk dat Tiana het niet prettig vindt als je de rest zomaar de keel doorsnijdt." zegt Ruarc.Tiana knikt dat ze het daar helemaal mee eens is."We zagen net boven dat het donker wordt, dus we moeten toch hier blijven." zegt Kritoias, "Als ik energie gebruik om ze naar boven te laten zweven dan heb ik niets meer over en er moeten nog meer barbaren in de buurt zijn. Laten we eerst de boel zoveel mogelijk beveiligen, wat eten en dan hier de nacht doorbrengen. Dan kunnen we morgen bepalen hoe we die barbaren meenemen naar het dorp.""Dat lijkt me een zinnig plan." zegt Ruarc.
Bartimeüs gaat naar de uitgang waar Kritoias en Ruarc net zijn geweest en kuntselt daar een val waarmee hij een scherpe speer in iemands lies kan schieten als die langs een draadje loopt. Dan loopt hij terug de grot in en maakt een magische val bij het gat waar de trap staat. Ruarc zoekt intussen naar schatten in de grot. Hij vindt een aantal oorringen en kettingen met een totale waarde van vijfenveertig zilverstukken. Kritoias trekt intussen de trappen omhoog van de houten stellage zodat eventuele barbaren neit snel omhoog kunnen komen. Terwijl ze wat aan het eten zijn in de gang die tussen de grot met de houten stellage en de woongrot van de barbaren ligt zien ze dat er een dichte mist in de woongrot ontstaat."Dat is niet natuurlijk." fluistert Bartimeüs."Nee, dat denk ik ook niet, misschien probeert er iemand naar binnen te sluipen." zegt Ruarc."Is het niet gewoon mist?" vraagt Tiana, "We zitten toch aan zee?""Die shamanen kunnen iets met mist denk ik." zegt Kritoias, "Maar ik ook."Kritoias maakt wat gebaren, prevelt wat en de mist lost op.
Ze zien een groot katachtig wezen door de woongrot lopen."Die is hier vast niet uit zichzelf ingekomen." zegt Ruarc."Nee, dat denk ik ook niet." zegt Bartimeüs, "Ik zal proberen hem te kalmeren."Bartimeüs doet zijn best om de leeuw onder controle te krijgen, maar dat lukt niet omdat iemand anders dat al heeft gedaan."Het lukt niet echt." zegt hij."Ik kalmeer de leeuw wel." zegt Ruarc, die zijn kalme stem inzet om de leeuw tot rust te brengen."We hebben de ladder weggehaald. Hoe hebben ze die leeuw hier gekregen?" vraagt Kritoias."Gewoon gegooid." zegt Bartimeüs, "Dat kunnen ze prima hebben. Ik ga boven kijken."
Bartimeüs gaat naar boven, maar daar is het leeg. De val bij de ingang is onschadelijk gemaakt. Hij kijkt om zich heen, maar ziet geen barbaren in de buurt. Hij checkt de grot van het vliegende beest vanaf de waterkant, maar die lijkt ook leeg. Om toch wat informatie te krijgen gebruikt Bartimeüs een goddelijke gave om te kijken wie bij de ingang van de grot heeft gestaan. Dat is inderdaad de shamaan, met een paar andere barbaren, die de leeuw wat vlees heeft gegeven. Bartimeüs gaat terug en praat wat met de leeuw die nu ook van Ruarc wat vlees heeft gekregen en genoeg heeft gegeten. Hij is inderdaad naar beneden gegooid.
"Misschien kan Tiana leeuwen controleren." zegt Bartimeüs."Waarom?" vraagt Tiana."Nou, de godin kon dat ook." zegt Bartimeüs."Bah, ik hoor elke keer wat de godin wel kan en ik niet." zegt Tiana en ze loopt boos weg.
Tijdens zijn wachtbeurt wordt Bartimeüs wakker en ziet dat Kritoias er ook is. Ze staan in een open veld waar een aantal barbaren aankomen lopen. Een van hen ziet er niet echt als een barbaar uit."Dat is raar, die ene lijkt wel wat op Donogb." zegt Kritoias."Ja, zullen we hem aanspreken?" vraagt Bartimeüs."Ja, goed, wel raar dat hij met de barbaren rondloopt." zegt Kritoias."Ach het is een droom." zegt Bartimeüs.Bartimeüs probeert een conversatie aan te gaan met Donogb, maar die reageert daar niet echt op en raakt geïrriteerd als Bartimeüs blijft aandringen. Het lijkt erop alsof hij Bartimeüs helemaal niet verstaat. Dan is Donogb het zat, trekt zijn wapen en komt op Bartimeüs en Kritoias af. Kritoias probeert een paar slaap- en charmspreuken, maar Donogb lijkt daar immuun voor te zien. Bartimeüs een ondertussen grote moeite om Donogb van zich af te houden verdedigt zich met bijl en schild. Kritoias pakt uit arrenmoede maar zijn staf en begint Donogb ook aan te vallen. Heel veel effect heeft het allemaal niet, maar kennelijk heeft iemand er wel last van."GENOEG!" roept een harde stem en Bartimeüs en Kritoias worden wakker."Hij herkende ons niet volgens mij." zegt Kritoias."Of wel..." zegt Bartimeüs.
Als ze 's ochtends vroeg wakker zijn ontbijten ze en geven de gevangen barbaren ook wat te eten."Wat gaan we met ze doen?" vraagt Bartimeüs."We moeten ze uithoren, maar we kunnen ze niet verstaan." zegt Ruarc."Als we ze meenemen naar het dorpje, dan zal daar wel iemand zijn die kan helpen." zegt Kritoias."Ik heb niet veel zin om die twee gasten op sleeptouw te nemen." zegt Bartimeüs."Ik kan ze naar het dorp teleporten." zegt Kritoias."Jij altijd met je teleporten." zegt Bartimeüs, "Kan je dat niet met ons allemaal doen.""Ja, dat kan wel, maar ik ben nog niet zo lang in de herberg geweest dat ik zeker ben dat het ook gaat lukken." zegt Kritoias."Maar met die barbaren wil je het wel proberen?" zegt Ruarc."Jawel, de kans is niet zo heel groot dat het misgaat." zegt Kritoias."Laten we eerst maar eens kijken hoe de stand er voor staat." zegt Ruarc, "misschien staat er wel een leger barbaren boven."
Kritoias en Ruarc klimmen de ladder weer op en gaan naar de ingang van de grot. Ze kijken omhoog en zien dan witte vogels vliegen."H'm die shamaan moet nog in de buurt zijn." zegt Kritoias."Of het is Theolin." zegt Ruarc.Ze kijken nog goed om zich heen, maar zien geen barbaren.Terug bij de anderen teleporteert Kritoias de barbaren naar het dorpje en daarna gaan ze met zijn allen naar de ingang om via de bovenkant van de klif terug te lopen.
Wanneer ze buiten zijn zien ze een stuk verderop een groot draakachtig wezen naar beneden duiken en laag achter de rotsen verdwijnen. Kort daarop volgt een donderslag bij heldere hemel."Lightningspreuk" roept Kritoias, "Dat is een magician of één van de aartsdruïdes.""Kom" zegt Bartimeüs en hij loopt richting de plaats waar de draak is verdwenen.Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Tiana komen al snel bij de rand van de klif waar ze vijftien meter beneden in het zand het grote wezen zien staan bij een shamaan die op de grond ligt. Om hem heen liggen nog een aantal barbaren in het zand. Een meter of tien verderop staat een tweede groep van tien barbaren waar een voor Bartimeüs, Kritoias en Ruarc bekende man tussen staat, Donogb! Richting de zee staat een man in een enigszins gescheurd en vuil net pak, net een ambassadeur uit Branduïn.
"Hoe ben jij hier gekomen en waarom Kalkaris?" vraagt de ambassadeur aan Donogb."Ik heb mijn beste pak aangetrokken. Wat een verrassing dat je bent gekomen. Ik voelde je al, een goed vertrouwd gevoel." zegt Donogb."Kalkaris heeft Donogb overgenomen?" vraagt Kritoias, "Hoe is die uit de meester van Cathal gekomen?""En hoe is Donogb weer teruggekomen?" vraagt Bartimeüs, "die is verdwenen toen de groene maan kwam.""En die ambassadeur is natuurlijk Theolin." zegt Ruarc."Waar hebben jullie het over?" raagt Tiana."Het gaat je niet lukken!" zegt Theolin, "Je hebt geen idee wat er gebeurt.""Ik weet veel meer." zegt Kalkaris in het lichaam van Donogb."Ik zie wat je doet. Het gaat je niet lukken.""Echt niet?"Donogb loopt naar het lichaam van de shaman dat voor het draakachtige wezen op de grond ligt.Theolin blijft niet afwachten, verandert in een vogel en vliegt weg.
"Wat gaat hij nou doen?" vraagt Kritoias.Op dat moment staat de liggende shaman op. Donogb kijkt verbaast om zich heen."Ik ga hem neerschieten." zegt Bartimeüs."Wacht even, dan leid ik je pijl." zegt Kritoias.Bartimeüs legt aan en schiet van bovenaf de klif een pijl naar de shamaan. Mede gestuurd door Kritoias raakt de pijl de shamaan, maar die lijkt daar weinig van te merken. Hij stijgt op het draakachtige wezen op en vliegt weg. De barbaren en Donogb in opperste verwarring achterlatend."Nu snel naar beneden." zegt Bartimeüs, "Kan jij daarvoor zorgen?" vraagt hij aan Kritoias."Ja hoor, ik zal ieder van jullie een toverspreuk geven waarmee je één keer vanaf deze hoogte kan springen zonder te pletter te vallen. Let wel op dat je niet op weg naar de rand van de klif per ongeluk een stukje springt of valt."Tiana vraagt zich nog even af of dit wel veilig is, maar springt ook als Bartimeüs en Ruarc al over de rand van de klif zijn verdwenen.
"Donogb! Donogb!" roept Bartimeüs terwijl hij snel over het natte zand naar hem toe rent.De barbaren praten in een onbekende taal tegen Donogb."Ja? Wat moeten jullie? Wie zijn jullie? Geef normaal antwoord man!""Ze verstaan je niet." zegt Bartimeüs, "Hoe ben jij hier verzeild geraakt?""Geen idee, iets van een bootreis kan ik me nog herinneren, maar verder eigenlijk niets sinds die avond bij de Olcar.""Dat is wel een paar maanden geleden." zegt Kritoias, "Er is wel het nodige gebeurt in de tussentijd."De barbaren gebaren intussen druk naar Donogb dat hij mee moet gaan, maar die heeft daar geen zin. Na enige aarzeling druipen de barbaren af."Waar zijn we hier?" vraagt Donogb."In het diepe zuiden waar de legers van de keizer tegen de barbaren vechten." zegt Ruarc."Wat doen jullie hier dan? Jullie waren toch op zoek naar een zwaard?""Ja, dat klopt, dat is een lang verhaal. Dat hebben we gevonden, samen met het andere deel van die gast die hier net wegvloog op die draak.""Die shamaan?""Nee, één van de aartsdruïden, Kalkaris." zegt Ruarc.
"Volgens mij kennen wij elkaar nog niet." zegt Donogob tegen Tiana."Tiana." zegt zij."Mijn naam is Donogb. Heb je het niet koud? Hier neem mijn mantel.""Dank je wel. Kan jij een beetje vechten met dat zwaard? Dat wil ik wel leren, want voor de rest kan ik toch niets." zegt Tiana en kijkt Bartimeüs een beetje vuil aan."Eh ja, dat kan wel, maar niet hier.""Nee, we moeten terug naar het dorp." zegt Kritoias, "Voordat er nog meer barbaren op komen dagen.""Ik kijk eerst nog even wat die anderen bij zich hebben." zegt Bartimeüs, die de in het rond liggende lijken plundert en voor 150 bronzen stukken aan steentjes vindt.
Onderweg terug naar het dorpje vertellen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc delen van uit avonturen aan Donogb die het allemaal heel ongeloofwaardig vindt. Vooral het deel over de keizer en de manier waarop Ruarc "Leve de keizer" zegt.De reis verloopt rustig en ze komen weer in de herberg aan waar de herbergier verbaasd is dat ze nog terugkomen. Bartimeüs verklaart hun afwezigheid doordat hij gevallen was en ze niet voor het donker terug konden keren na een tocht in de omgeving, maar dat ze gelukkig een goede schuilplaats konden vinden. De herbergier is wel verbaasd dat Donogb bij ze is en vraagt waar hij vandaan is gekomen. Bartimeüs blijft daar vaag over en zegt hij een vriend van hen is en dat ze hem op hun wandeling tegen het lijf zijn gelopen.
Nadat ze een kamer voor Donogb hebben geregeld en even zijn bijgekomen in de gelagkamer maken Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Tiana nog een kleine wandeling door het dorp. Kritoias is toch wel nieuwsgierig waar de vastgebonden barbaren zijn gebleven. Als ze langs de haven lopen ziet hij hun lichamen onder de steiger drijven. Hij houdt wijselijk zijn mond en het blijft voor altijd een mysterie waar de barbaren zijn gebleven.
Terug in de herberg komen ze de Zonne-eilanders tegen die benieuwd zijn of ze nog mee willen reizen naar kamp Sean, het hoofdkamp. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc bevestigen dat en stellen voor dat Donogb ook meereist. Tondvall is daar eerst wat huiverig voor, maar Bartimeüs staat volledig voor hem in. De Zonne-eilanders hebben een ossenkar geregeld voor de reis, dus ze hoeven niet al hun spullen te dragen.Die middag bereiden Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Tiana zich voor door pijlen te maken en vlees op te halen bij de slachter.
Aan het begin van de avond zitten ze in de gelagzaal te eten. Niet alle Zonne-eilanders zijn er. Tondvall is er met twee mannen, de vrouw en de andere twee mannen ontbreken. Het is tijdens de maaltijden en de avond altijd vrij druk in de herberg. Tegen het einde van de maaltijd komt een man de herberg binnenlopen die bij Tondvall aanschuift."Volgens mij liep hij rond in de vrouwenstad" zegt Ruarc."Ik zal proberen te horen wat ze zeggen."Kritoias gebruikt een toverspreuk om beter te horen zodat hij ze kan afluisteren."Morgen wordt het slecht weer." zegt de man tegen Tondvall, "willen jullie dan vertrekken?""Wat voor slecht weer?""Er is een kans op sneeuw."Tondvall buigt zich voor over en spreekt. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Tiana aan."Hebben jullie alles geregeld om morgen te vertrekken?""Ja, wij zijn gereed." zegt Kritoias."Goed, ik wil even iets bespreken. Onze gids, Guillevan, zegt dat het morgen kan gaan sneeuwen.""Dan moeten we nu gaan." zegt Bartimeüs."Het is hartstikke donker, dan zien we niets." zegt Kritoias, "Morgenochtendvroeg is dan beter.""Ok, dan vertrekken we bij het ochtendgloren." zegt Tondvall.
Voor dat ze gaan slapen controleren ze hun uitrusting. Tiana wil graag een schild hebben, maar dat kunnen ze nu niet meer kopen. Ze kan af en toe wel het schild van Donogb lenen, dan kan ze vast oefenen. Donogb heeft een eigen kamer gehuurd, maar blijft bij de anderen op de kamer. Er moet toch steeds iemand wakker zijn om wacht te houden.
Als Kritoias wacht houdt hoort Ruarc een stem: "Bekeer je""To wie?""De god is dood!""Zo makkelijk kan dat niet zijn.""Bekeer je tot de nieuwe god, anders heb je niemand meer!""In mij brandt de vlam van de oude god. Ik zal god worden in plaats van de god!"Daarna slaap Ruarc weer verder.
Donogb gaat als eerste van de groep naar de gelagzaal waar de Zonne-eilanders al zitten te eten. Dit keer zijn de vrouw en de andere Zonne-eilanders er ook bij."Goedemorgen, eet smakelijk" zegt hij."Goedemorgen" zegt Tondvall."Hoe land duurt de reis eigenlijk naar het hoofdkamp?""Zo'n zeven dagen als het weer geen roet in het eten gooit.""Het weer?""Ja, ken je sneeuw niet? Je ziet niets en het is hard ploeteren door de sneeuw."Even later komen de anderen ook naar beneden en genieten ze nog even van een normaal ontbijt voor de reis."Sneeuw is niet fijn volgens de Zonne-eilanders." zegt Donogb."Dan moeten we maar snel gaan lopen." zegt Bartimeüs, "Ik denk dat het over vier uur flink gaat stormen."
Zodra het licht is laden ze de ossenkar in en gaan op weg. Bartimeüs loopt voorop, Tiana zit op de kar met de vrouwelijke Zonne-eilander, de mannelijke Zonne-eilanders lopen links en rechts van de kar en Kritoias en Ruarc willen eerst achter de kar gaan lopen maar bedenken dan dat ze dan door het prut van de kar lopen en gaan tussen Bartimeüs en de kar lopen.
"Hier" zegt Donogb tegen Tiana en geeft haar zijn schild, "Dan kan je alvast oefenen. Begin maar met boven je hoofd te houden."Tiana pakt het grote schild aan en voelt hoe zwaar het is."Heb je geen kleinere?""Die zijn er wel, maar die hebben we niet."Tondvall versnel even en komt naast Kritoias en Ruarc lopen."Ik zag dat jullie niet veel bagage hebben. Hebben jullie een tent bij je?""Nee, eigenlijk niet." zegt Kritoias, "Die is in beslag genomen door het leger van Vandalus toen ze ons hebben ingelijfd. Sinds die tijd doen we het zonder tent. Bartimeüs is heel goed in het vinden van droge schuilplaatsen.""Het zou geen groot probleem moeten zijn. We reizen via de pleisterplaatsen waar een hut is waar je kan overnachten.""O, dat is fijn." zegt Ruarc."We moeten wel oppassen want die plaatsen zijn bekend, dus er is het risico op een overval.""Wij zijn wel vaker overvallen in herbergen en dat is altijd goed afgelopen.""O ja? Waar dan? Door wie?""Een keer in Nymarc door wat bandieten en op weg van Nymarc naar Herenhal door lopende lijken.""Lopende lijken?"Kritoias vertelt aan Tondvall wat er in het noorden is gebeurd. Die heeft daar wel verhalen over gehoord, maar nog niet uit de eerste hand.
Aan het einde van de middag komen ze in de buurt van de pleisterplaats. Bartimeüs en Donogb gaan vooruit en verkennen de hut. Ze zien dat de hut nog overeind staat, maar dat het dak gedeetelijk is ingestort. Het lijkt erop dat je het met een beetje handigheid wel weer omhoog zou kunnen tillen.Ruarc gaat het dak repareren, terwijl de anderen hout gaan sprokkelen. Dan klinkt er geraas uit de hut en lopen de anderen terug."Wat is er gebeurd?" vraagt Bartimeüs."De hut is een beetje instabiel." zegt Ruarc die de hut uit komt lopen. Achter hem is te zien dat het dak nu volledig is ingestort.Bartimeüs zoekt naar sporen of er iemand de afgelopen dagen is geweest, maar dat is niet het geval."Zeg Bartimeüs" zegt Donogb, "wordt het nog droog?""Voorlopig niet, wel wat droger. Ik ga nog even voedsel in de omgeving zoeken. Misschien zijn er nog wat bessen of knollen te vinden.""Dan kunnen wij wel wat oefenen, Tiana." zegt Donogb."Goed." zegt Tiana en pakt een zwaard van Donogb aan."Pff, wat is dat zwaar." zegt ze."O, wacht maar even, dan is het ook veiliger." zegt Kritoias die het metalen zwaard in een houten zwaard veranderd, "Nu heb je een kwartiertje om veilig te oefenen."Tiana doet haar best, maar het maakt geen indruk op Donogb."Harder slaan, je bent toch geen meisje!" zegt hij.Na een kwartier is het voor Tiana wel even genoeg.Na het eten van het vlees dat ze hebben meegenomen en het voedsel dat Bartimeüs heeft verzameld. gaan ze slapen rond het vuur dat ze in de hut hebben gemaakt. De Zonne-eilanders slapen in hun tenten.
"Ruarc, Ruarc, kom dichterbij." hoort Ruarc die lag te slapen."Wat wil je?" vraagt Ruarc."Bekeer je! Kom! Kom! Het is je lot. Voel je het niet?""Nee!""Echt niet? Die leegte die gevuld moet worden.""Het zijn de Zonne-eilanders" en Ruarc valt weer in slaap.Tijdens de laatste wachtbeurt ziet Donogb een groot wit hert in de bosrand staan. Het is een groot mannetjeshert."Bartimeüs? Bartimeüs?""Ja, wat is er zegt Bartimeüs die net wakker is geworden.""Er stond daar net een groot wit hert in de bosrand. Kan jij eens gaan kijken wat dat is?""Ja hoor."Bartimeüs loopt naar de bosrand, maar ziet geen wit hert. Hij zoekt naar sporen, maar vindt niets."Ik weet niet wat je hebt gezien, maar het was geen hert. Ik heb ook nog verder gekeken. Er was wel iets, maar wat kon ik niet bepalen. Een wit hert, dat is ook wel vreemd.""Waarom?" zegt Donogb, "Het was een albino hert. Mijn oom had een varken dat wit was. Dat heeft hij voor drie keer zoveel geld verkocht."Bartimeüs vraagt Gullivan of hij het witte hert kent en of de Zonne-eilanders het hert hebben gezien, maar bij geen van beide heeft hij succes.
Als ze twee uur onderweg zijn gaat het een beetje regenen, wat Bartimeüs al had voorspeld. Na de lunch vraagt Tiana Donogb's schild om verder te oefenen.In de loop van de middag zien ze verderop achter de heuvels een rookpluim opstijgen."Is dat een kampvuur?" vraagt Ruarc."Nee" zegt Bartimeüs, "daar heeft iets in brand gestaan.""Ik ben bang dat het bij de pleisterplaats is." zegt Kritoias."Ik hoop niet dat het de rebellen zijn." zegt Ruarc."Dat is toch mooi?" vraagt Donogb."Nee, dat is niet mooi." zegt Bartimeüs, "Ik ga wel vooruit om te kijken."Bartimeüs gaat op verkenning en de rest wacht tot hij terugkomt."Donny, je mag je schild weer even." zegt Tiana en geeft Donogb zijn schild terug.
Een half uur later is Bartimeüs weer terug."Ik heb de oorzaak gevonden van de rook." zegt Bartimeüs."Nou verras me." zegt Ruarc."Zeker, het is een smeulend lijk. Verder is er niemand te zien. De hut staat er nog.""Gaan wij dan een stukje vooruit om zeker te stellen dat de daders weg zijn?" zegt Kritoias."Goed." zegt Tondvall, "Dan volgen wij een minuut of tien later."
Aangekomen op de plaats des onheidls onderzoekt Bartimeüs de grond op sporen, terwijl Kritoias, Ruarc en Donogb de omgeving in de gaten houden. Er staan niet heel veel struiken en bomen, dus eventuele barbaren zouden ze goed moeten kunnen zien."Deze man was een soldaat." zegt Bartimeüs als hij weer teruggelopen is naar de anderen, "Maar niet uit het hoofdkamp. Verder zie ik ook nog een stuk of tien barbaren. Die hebben hem waarschijnlijk gedood en in brand gestoken.""Als waarschuwing?" vraagt Ruarc."Of om hem te beroven." zegt Donogb."Ik ga sporen zoeken." zegt Bartimeüs.Intussen zijn de Zonne-eilanders en de kar ook aangekomen. Tondvall informeert bij Kritoias, Ruarc en Donogb wat de situatie is en is enigszins ongerust over de overval."Gaan we nog zwaardvechten, Donny?" vraagt Tiana."Nee, vandaag niet. Je kan straks oefenen op barbaren.""Ik heb sporen gevonden, we kunnen achter ze aan." zegt Bartimeüs."Hoeveel tijd hebben we nog?" vraagt Kritoias."Nog zo'n twee uur." zegt Bartimeüs."Dan stel ik voor om ze maximaal een uur te volgen zodat we weer voor het donker terug zijn." zegt Kritoias."Ok, doen we." zegt Donogb, "Kom Tiana, een beetje beweging is goed voor je."
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Tiana volgen het spoor van de barbaren dat parallel aan de weg loopt. Na ongeveer twintig minuten verlaten ze de weg en trekken de heuvels in waar het makkelijker is om je te verstoppen."Als we verder gaan lopen we misschien in een hinderlaag." zegt Kritoias."Ik wil wel verder gaan." zegt Bartimeüs."Ik kan beter even omhoog vliegen en kijken hoe de situatie is." zegt Kritoias."Ook een plan." zegt Ruarc.Kritoias maakt zich onzichtbaar en vliegt ongeveer tweehonderd meter de lucht in. Hij kijkt een paar minuten in de verte en daalt dan weer."En?" vraagt Bartimeüs."Een paar kilometer verderop lijkt een kamp te zijn. Ik zie een aantal tenten en er kringelt rook omhoog. De schuilplaats ligt in de heuvels. Ik schat dat het nog wel een uur lopen is.""Laten we erop af gaan." zegt Bartimeüs."Dan zijn we niet voor het donker thuis." zegt Ruarc."Maar anders overvallen ze ons morgen." zegt Bartimeüs, "anders ga ik wel zelf kijken. Maak jij mij onzichtbaar?""Is goed." zegt Kritoias, "dan gaan wij alvast terug naar de hut."
Na ongeveer een uur, Kritoias, Ruarc, Donogb en Tiana zijn dan al terug bij de hut, komt Bartimeüs in de buurt van het kamp. Hij sluipt zo stil als een sneeuwkat door de struiken en hoort dan boven zich een takje kraken. In de boom boven hem zit een barbaar in de boom. Vanuit die positie heeft hij een goed uitzicht op de weg. Dan ziet Bartimeüs een pad dat van de boom verder loopt. Hij volgt het pad en hoort na korte tijd gepraat en gezang. Hij sluipt onzichtbaar verder en komt aan de rand van het kamp dat uit een stuk of tien tentjes bestaat. Elk van de tenten is groot genoeg voor drie of vier man om in t slapen. Dan ziet Bartimeüs dat er twee mensen met een noordelijk uiterlijk in het kamp zijn. Ze praten in de taal van de barbaren met ze. De barbaren maken zich zo te zien klaar voor de nacht en plannen geen nachtelijke overval. Bartimeüs sluipt terug langs de wachtpost en gaat op weg terug. Onderweg wordt het donker en gebruikt hij zijn gave om in het donker te kunnen zien.
"Ik heb goed nieuws en slecht nieuws." zegt Bartimeüs als hij terug is bij de hut en de Kritoias, Ruarc, Donogb en Tiana en Tondvall naar hem toe zijn gekomen."Eerst maar het goede nieuws." zegt Ruarc."Ik heb ze gevonden.""En het slechte nieuws?" zegt Donogb."Ze zijn met dertig.""Dat zijn er best veel." zegt Tondvall."We kunnen ze vannacht in hun slaap overvallen." zegt Bartimeüs."Dat is best gevaarlijk." zegt Kritoias, "Dan moet alles goed gaan.""We moeten ze in leven houden om ze te berechten." zegt de gids."Komen ze vannacht?" vraagt Kritoias."Daar ziet het niet naar uit." zegt Bartimeüs."Dan is het handiger om goed voorbereid te zijn." zegt Kritoias, "Misschien als we snel zijn zijn we ze al gepasseerd en moeten ze achter ons aan. Voor ons is het twintig minuten naar de weg, voor hen een uur."
Ruarc voelt iets buiten, iets nieuws. Hij loopt de warme hut uit en ziet daar de twee tenten en de ossenkar. In één van de tenten, die van Onda, ziet hij een gele gloed."Sluit je aan, vul je leegte.""Wat is het voordeel?""Het maakt je compleet.""Wie ben je?""Je redding.""Ben je door Onda meegenomen?""Ik ben overal. Stel je open en ontvang de kracht van de nieuwe god."Bartimeüs wordt wakker en hoort ook een stem."Kom, sluit je aan."Hij ziet dat Tiana naar buiten loopt en volgt haar. Ruarc staat daar ook.
"Ruarc, wat ben je aan het doen?""Hoor je die stem?""Ja, dat is Balbar.""Maar waarom in die kist?""Daar zit de staart in. Tiana, wat voel je hier.""Wie zijn jullie?" vraagt Tiana."Bartimeüs en Ruarc." zegt Bartimeüs, terwijl hij dat zegt ziet hij in de verte het witte hert aan komen lopen.Tiana loopt naar het hert. Bartimeüs wil volgen, maar iets houdt hem tegen."Nee, Bartimeüs, dat is niet jouw richting." hoort hij.Bartimeüs wil volgen, maar het hert springt over Tiana heen en positioneert zich tussen Bartimeüs en Ruarc en Tiana om haar te beschermen.
"Ruarc dit is Balbar." zegt Bartimeüs."Grappig ik heb nooit met je gepraat." zegt Ruarc."Dat kan nu je kracht is weggevallen." zegt Bartimeüs."Ah, Bartimeüs de filosoof." zegt Balbar, "Geef maar op. De godin wil je niet.""Waarom wil je ons altijd erbij?" zegt Bartimeüs."Jullie zijn er al bij." zegt Balbar.""Tiana, gaat het goed?" zegt Ruarc."Ik moet hiervandaan." zegt Tiana.Ze loopt naar het hert en stijgt op."Volg me niet." zegt ze en rijdt weg.
Ruarc test zijn hoestje, maar er komt niet veel vuur uit."Je wil het! Probeer ht nog een keer en vole hoe het moet voelen. Laat je adem stromen." zegt Balbar."Misschien morgen, ik ben moe en moet nu gaan." zegt Ruarc."Het was interessant om met je te spreken, welterusten." zegt Balbar.Dan wordt Ruarc wakker gemaakt door Kritoias omdat het zijn wachtbeurt is.
Bartimeüs en Ruarc praten Kritoias, Donogb en Tiana bij tijdens het ontbijt."Waar ben je heengegaan op het witte hert?" vraagt Bartimeüs."Ik weet niet. Ik kan me er niets van herinneren." zegt Tiana."We kunnen de Zonne-eilanders vragen wat er in de kist zit." zegt Bartimeüs, "Ik loop er wel even heen."Bartimeüs loopt naar Tondvall die net klaar is met zijn ontbijt."Tondvall, ik heb een vraagje. Ik heb elke nacht een droom en dan komt er een licht uit kistje. Hebben jullie er geen last van?""Nee, ik niet.""Wat zit er in de kist?""Het is een geschenk van ons opperhoofd. Een oud artefact uit de tempel. Ons opperhoofd heeft ons gevraagd het hier naar toe te brengen.""Is er soms een wijze die het stamhoofd adviseert?""Dat kan je beter aan Onda vragen. Zij spreekt ook jullie taal."Bartimeüs loopt terug naar de anderen en vraagt Tiana om mee te gaan om Onda iets te vragen."Ik ben benieuwd wat er in de kist zit." zegt Bartimeüs, "en in de droom leek jij er ook doro aangetrokken.""Jij hebt wel hele rare verhalen nu." zegt Tiana."Ga even mee om het te vragen." zegt Bartimeüs."Ok, maar dan moet Donny ook even mee. Donny?""Ja, ik kom eraan. Waar is mijn zwaard?""Op de mantel in de hut."Donogb pakt zijn zwaard en Bartimeüs, Donogb en Tiana lopen naar de tent van Onda om haar wat te vragen. Kritoias en Ruarc bekijken het van een afstandje.
Als Onda de tent is uitgekomen en het verhaal van Bartimeüs heeft gehoord is ze geïnteresserd."Dus jij droomt van de kist?""Ja." zegt Bartimeüs."Dat zullen niet veel mensen zomaar doen.""Weet ik niet. Er komt iets uit. Heb jij dat ook?""Nee.""Je staat er niet gek van te kijken.""Juist wel. Waarom heb je dat?""Geen idee. Wat zit er in de kist?""Het is een geschenk van ons stamhoofd.""Heeft het iets met de god te maken?""Nee, het heeft niets met de god te maken.""Het heeft alles met de god te maken. Niet van de god wel, wel van een god.""Zijn er meer dan?" vraagt Onda."Ja, goden en godiennen.""Is dat goed of slecht?""Ik ken maar één andere god." zegt Bartimeüs."Balbar, die bedoel je toch?""Nee, ben jij?""Nee!""Ik dacht dat jij dat was."Onda maakt een paar gebaren, deinst terug en kijkt verschrikt naar Tiana.Kritoias die zijn power perceptie aanzetten toen Onda toverspreuk begon ziet Tiana groot groen oplichten en een stroom groene channeling energie naar Onda lopen.
Onda kijk met grote ogen langs Bartimeüs heen naar Tiana."Ja, je weet wie we bij ons hebben. Eer de godin maar." zegt Bartimeüs."Wat?" zegt Tiana, "Wat is er aan de hand.""Meisje wie ben je?" vraagt Onda."Jij weet alles." zegt Bartimeüs."Begin je nu alweer?" zegt Tiana."Mag ik je handen aanraken?" vraagt Onda en loopt langzaam op Tiana toe."Eh, ok?" zegt Tiana.Onda raakt haar handen aan."Ik voel veel energie." zegt Onda en gaat op haar knieën voor Tiana zitten.De andere Zonneeilanders volgen haar voorbeeld. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Donogb staan er een beetje vreemd bij te kijken.Tiana neemt iets meer afstand en weet zich niet goed raad met de situatie."Zullen we nog gaan trainen?" vraagt Donogb"Wacht, wacht." zegt Onda."Wat is dit allemaal?" vraagt Tiana, "Waarom zitten ze op hun knieën?""Ik denk omdat ze voelen dat er een stukje van de godin in je zit." zegt Kritoias."Maar dan kunnen ze toch ook gewoon normaal doen. Wat willen ze van me?""Geen idee." zegt Bartimeüs."Mag ik je even spreken in de tent?" vraagt Onda aan Tiana.Tiana stemt ermee in. De Zonne-eilanders staan weer op en Tiana gaat met Onda mee de tent in.
"We moeten een plan hebben." zegt Bartimeüs, "Ik zeg ik sluip erheen en schakel die uitijk uit.""Maar als er nu meer zijn? Of als er iets misgaat?" vraagt Donogb."Wat kan er nu misgaan? Ik ben heel stil, onzichtbaar. Even de boom inklimmen en klaar.""Het lijkt mij vrij onverstandig." zegt Ruarc."Ja, we kunnen beter met zijn allen gaan." zegt Kritoias, "Anders lopen we het risico dat de uitkijk er nog zit als de kar langskomt. Bovendien weten we dan niet dat het mis is gegaan.""Hoe komen we daar eigenlijk zonder dat ze ons zien?" vraagt Donogb, "Waar we de vallei daar binnengaan zijn er geen bomen en zo kunnen we niet direct bij het hoge struikgewas komen. Dat is sowieso nog iets van een kilometer van de weg af.""Ik kan ons wel onzichtbaar maken. Als we allemaal dichtbij elkaar blijven, een meter of drie, dan moet dat wel lukken." zegt Kritoias."Hoe regelen we dat dan?" vraagt Donogb."Met een paar stukje touw." zegt Ruarc."Ok, dan sluip ik naar voren en schakel hem uit." zegt Bartimeüs."Eerst kijken of er nog andere barbaren in de boom zitten." zegt Donogb, "We kunnen hem ook uit de boom schieten, maar dat geeft wel wat lawaai als hij valt.""Als ik in de buurt ben hoort niemand hem vallen." zegt Ruarc, "Moeten jullie hem wel gelijk doodschieten, als hij gaat gillen voor hij de grond raakt gaan ze dat horen.""Ok, dat klinkt als een plan." zegt Kritoias, "Het lijkt me toch lastig om die twee gasten die wel onze taal spreken te pakken te krijgen.""Ja, er zullen er nog wel meer zijn." zegt Bartimeüs."En waar verzamelen we ons als het misgaat?" vraagt Donogb."He? Is dat iets uit het leger of zo? Volgens mij kunnen we teruggaan naar de bosrand en vandaar uit naar de kar als die langskomt.""Ok" zegt Donogb, "Dan moeten we nog even afspreken met de Zonne-eilanders wanneer ze kunnen vertrekken.
Ze spreken af dat de kar een uur en kwartier zal wachten voor ze gaan vertrekken. Als het onverhoopt toch misgaat zal Kritoias voor een donderslag op de heuvel zorgen. Die is zeker bij de hut te horen. Tiana blijft bij Onda achter om verder te praten. Bartimeüs, Ruarc en Donogb gaan om Kritoias heen staan, met een touw in hun hand dat aan Kritoias' riem is vastgemaakt en dan maakt Kritoias iedereen onzichtbaar. Ze lopen de weg over tot ze de ingang naar de volgende vallei zijn gepasseerd, dan gaan ze van de weg af richting de bosrand waar ze gisteren ook het spoor van de barbaren hebben gevolgd. Ze gaan minder snel vooruit als ze gehoopt hadden en de kar gaat al bijna vertrekken als Bartimeüs het kamp van de barbaren ziet."We zijn iets te ver richting het kamp uitgekomen." zegt hij."Check jij waar de uitkijk zit?" vraagt Donogb"Ok" zegt Bartimeüs en wil wegsluipen."Let op, dat je dan wel zichtbaar wordt." zegt Kritoias."Komt goed." zegt Bartimeüs en ze zien hem zichtbaar worden terwijl richting de uitkijk sluipt.
Even zien ze Bartimeüs terugsluipten door het struikgewas."En? Heb je ze allemaal gevonden." vraagt Donogb."Ja, hij zit nog op dezelfde plek." zegt Bartimeüs.Ruarc maakt een zone van stilte om hen heen."Ze kunnen ons niet meer horen." zegt Ruarc."Ok, jullie schieten hem uit de boom en Ruarc en ik gaan onzichtbaar onderaan de boom staan om het geluid van het vallende lichaam binnen de stiltezone te houden. Dan werken we het lichaam weg en dan kunnen we teruggaan." zegt Kritoias."Ok" zeggen de anderen.
Ze sluipen door de struiken naar de plaats waar de uitijk in de boom zit, op nog geen vijftien meter van het kamp . De boom staat iets later op de helling waardoor de voet van de boom niet direct zichtbaar is vanuit het kamp. Kritoias en Ruarc lopen in stilte naar de stam van de boom en gaan zo staan dat Kritoias zicht heeft op het kamp en de plaats waar de uitkijk op de grond terecht zal komen.Bartimeüs en Donogb pakken allebei hun boog, Bartimeüs zijn korte boog en Donogb een lange. Vanuit de bosjes leggen ze aan en schieten vrijwel gelijktijdig hun pijlen op de nietsvermoedende uitkijk. Beide pijlen raken en de uitkijk tuimelt uit de boom op de grond. Hij beweegt niet meer. Toch heeft iemand de aanval opgemerkt, want uit een boom even verderop klinkt geroep in de barbaarse taal.Bartimeüs en Donogb besluiten om naar het kamp te gaan en sluipen door de bosjes omhoog."We moeten het lijk wegwerken." zegt Kritoias tegen Ruarc, "Snel erheen."Ze lopen naar het lichaam van de uitkijk. Kritoias verplaatst het lichaam met een toverspreuk honderd meter verder naar een stel bosjes die verderop staan. Op de grond blijft nog wel een zichtbaar bloedspoor achter. Dat is alleen niet het enige dat zichtbaar is."Shit, die man was niet dood." zegt Kritoias, als hij plotseling Ruarc naast zich ziet staan, "Snel zoek dekking achter de boom. Ik hoorde net geroep van boven, straks komt hier iemand heen. Gelukkig zitten Bartimeüs en Donogb hier in de bosjes om ze uit te schakelen. Hopelijk schieten ze dan wel beter."Kritoias en Ruarc rennen terug naar de stam van de dikke boom waar de uitkijk in zat en wachten op wat komen gaat.
Bartimeüs en Donogb zien de twee barbaren niet die vanuit het kamp naar beneden gaan omdat ze een kleine omtrekkende beweging maken en het kamp van de andere kant naderen met de boog in hun hand. Door de stilte die nog steeds rondom Ruarc hangt horen ze ook niet wat er beneden gebeurt. Ruarc ziet als eerste een barbaar om de boom heen komen. Die ziet Ruarc niet, maar wel de plek in het zand waar de uitkijk is gevallen. Zodra hij Ruarc passert komt die vanachter de boom tevoorschijnt en begint met zijn strijdhamer op de barbaar in te slaan. Die blijkt echter over een goed reactie- en incasseringsvermogen te beschikken. Hij weet net op tijd te draaien zodat de strijdhamer niet op zijn hoofd land en neemt een verdedigende houding aan waardoor Ruarc hem niet uit kan schakelen. Kritoias probeert de andere barbaar die om de andere kant van de stam langsloopt in slaap te toveren zodra hij hem ziet, maar de barbaar weerstaat de magie en haalt uit met zijn zwaard. Kritoias komt nog bij van het gebruik van de magie en weet nog net het blad met zijn rechterarm te stoppen zodat niet zijn hoofd wordt geraakt. Een diepe snee in zijn rechterarm is het gevolg. De man lijkt verder te willen slaan en Kritoias besluit om net te doen alsof hij is uitgeschakeld en laat zich, bloedend, op de grond vallen. Het gevecht loopt voor Ruarc ook niet goed. De barbaar heeft zich hersteld en slaagt erin het pantser van Ruarc te omzeilen en bezorgt hem ook een bloedende wond. Ruarc heeft nu een barbaar aan beide kanten en de barbaar die Kritoias heeft neergeslagen richt zijn wapen op hem. Hij roept iets in het barbaars, kennelijk een bevel om zijn wapen te laten zakken. Ruarc stopt met vechten en laat zijn wapen vallen. Hij begint wel een verhaal waarmee hij de twee barbaren in slaap tovert. Kritoias en Ruarc wachten niet af. Kritoias springt op, Ruarc pakt zijn hamer van de grond en beide rennen een eind het bos in. Daar moeten ze halt houden om het bloeden met hun magie te stoppen.
Bartimeüs en Donogb krijgen niets mee van het gevecht, maar zien wel dat de barbaren uit hun tenten willen komen. Ze schieten allebei twee barbaren in hun rug waarvan er één direct dodelijk getroffen ineen zakt. De barbaren zoeken meteen dekking. Donogb gaat er snel vandoor, verder om het kamp heen. Bartimeüs schiet nog een tweede pijl en schiet daar een volgende barbaar mee in zijn zijde. De pijl gaat daar dwars doorheen, maar de man lijkt er geen last van te hebben. Bartimeüs gaat er nu ook snel vandoor. Zodra hij op afstand is gebruikt hij magie om eruit te zien als een wolf en loopt ook terug naar de weg.
Bartimeüs komt als eerste bij de kar aan die inmiddels door de vallei rijdt. De Zonne-eilanders zijn opgelucht als ze hem zien en Bartimeüs vertelt dat het niet gelopen is zoals verwacht, maar dat er weinig kans is dat de barbaren een overval gaan plegen. Donogb zit dan al een stuk verderop in de bosrand te wachten. Als hij ziet dat Bartimeüs bij de kar is steekt hij ook het terrein met de lage begroeiing over om bij de kar te komen. Kritoias en Ruarc doen het door hun verwondingen nog even rustig aan, maar zijn onherkenbaar door de onzichtbaarheidsspreuk die Kritoias weer heeft gebruikt. Tijdens het wandelen valt het hem op dat er weer op grote hoogte witte vogels rondvliegen. Een aantal cirkelen boven de kar en een aantal anderen vliegen boven waar het kamp van de barbaren zou moeten zijn.
"Zo, Tiana, hier heb je het schild om te oefenen." zegt Donogb als hij ook weer veilig terug is bij de kar."Nee, nu even niet Donnie, ik ben met andere dingen bezig." zegt Tiana die nog steeds druk in gesprek is met Onda, "Waarom waren jullie zo lang weg?""Het liep niet zoals we gepland hadden, maar de barbaren gaan ons niet lastig vallen." zegt Donogb."Dat is mooi. Goed gedaan hoor.""Nou zo mooi was het helemaal niet." zegt Kritoias die er wel is, maar nog steeds onzichtbaar."Waarom hebben jullie die twee barbaren niet neergeschoten die naar beneden kwamen?""Bartimeüs zei dat we ze in het kamp moesten gaan beschieten en toen hebben we ze niet gezien." zegt Donogb."Luister jij naar Bartimeüs?" vraagt Tiana."Ja, is dat geen goed idee?" zegt Donogb."Nee!" zegt Tiana.
De rest van de dag verloopt de reis rustig. De barbaren zitten zo te zien niet achter ze aan en aan het einde van de zien ze in de verte een rookwolk achter een heuvelrug vandaan komen."Daar is de volgende hut." zegt de karrendrijver, "Het lijkt erop dat er al iemand is.""Ik ga wel even kijken." zegt Bartimeüs.Als hij weer terugkomt rapporteert hij dat er een groep keizerlijke soldaten gelegerd is. De sergeant zit in de hut en er staan een paar tenten waar de manschappen in slapen. Hij schat dat het er tussen de 30 en 40 zijn. Het stinkt er trouwens behoorlijk.Op hun hoede gaat de karavaan verder. Als ze in de buurt komen worden ze staande gehouden door een wachtpost. Als ze vertellen dat ze op reis zijn naar de burggraaf worden Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Donogb, als vertegenwoordigers van de groep, naar de sergeant gebracht. Als hij hoort dat een diplomatieke missie van Zonne-eilanders naar de burggraaf gaat is hij wel verbaasd over het tijdstip, maar geeft ze toestemming om in de buurt hun tent op te zetten. Kritoias praat even op de sergeant in zodat Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Tiana in de hut mogen slapen.Zij waarschuwen de sergeant ook voor het barbarenkamp op een uur lopen van de weg en het barbarenkamp bij het havenstadje. De sergeant is verbaasd en enigszins ongerust dat de barbaren er kennelijk in zijn geslaagd om ongezien door de linies van de keizerlijke soldaten heen te sluipen.
Voor ze gaan slapen vraagt Kritoias of Tiana nog iets aan de snee in zijn rechterarm kan doen. Bartimeüs heeft ervoor met magie voor gezorgd dat de ergste pijn weg is, maar het is nog steeds lastig om zijn arm te gebruiken. Tiana concentreert zich even en dan trekt de pijn helemaal weg.
Bartimeüs houdt zoals gebruikelijk de eerste wacht. Hij is extra alert, omdat de Barbaren misschien een overval komen plegen. Die hoort hij niet. Wel gekerm uit één van de tenten van de soldaten. Voor de zekerheid maakt Bartimeüs Kritoias wakker. Even later komt er een soldaat uit de tent en loopt naar de greppel. Daar lijkt hij op zijn hurken te gaan zitten."O, hij gaat gewoon zitten schijten." zegt Kritoias."Nee, dat is Balbar die in hem is gevaren." zegt Bartimeüs.Dan zien ze dat de soldaat langzaam verandert in een weerrat en wegrent."Nou, die zijn hier dus ook." zegt Kritoias.Niet veel later horen ze het geluid van wolven. Misschien zijn er ook nog weerwolven?Kritoias neemt de wachtbeurt over en Bartimeüs gaat slapen.
Bartimeüs wordt midden in de nacht wakker. Hij ziet dat zijn neven allebei slapen. Hij loopt naar buiten en voelt dat het daar koud is. Er ligt ook overal een soort wit poeder. Buiten de hut staan nog steeds de tenten van de soldaten, maar de soldaten zijn liggen overal in de sneeuw, die rondom hun lichamen rood is gekleurd. Even verderop staat een in dierenhuiden geklede man met een gewei op zijn hoofd. Hij kijkt op als Bartimeüs naar buiten komt en kijkt hem recht in het gezicht, maar Bartimeüs herkent hem niet. Het is in ieder geval niet één van de aartsdruïden. De man is duidelijk verbaasd dat Bartimeüs hier rondloopt en trekt zijn wapen, een grote knots. Hij roept iets naar Bartimeüs, maar die verstaat daar niets van. Omdat Bartimeüs het niet vertrouwt pakt hij zelf zijn bijl. De man pakt nu wat sneeuw bij elkaar en gooit een sneeuwbal naar Bartimeüs die op zijn schouder uiteen spat. Bartimeüs kijkt even wat het is, pakt dan zelf wat sneeuw, maakt er een bal van en gooit die tegen de man aan. Dan wijst de man dat Bartimeüs terug moet gaan de hut in. Op dat moment wordt Bartimeüs wakker.Kritoias vraagt wat eraan de hand is en als Bartimeüs zijn verhaal heeft gedaan zegt hij dat de soldaten nog steeds liggen te slapen. Bartimeüs gaat weer slapen.
Ruarc wordt ook wakker en is alleen in het hutje. Hij roept Bartimeüs, Kritoias, Donogb en Tiana, maar niemand reageert. Wel ruikt hij een lichte zwavelgeur. Als hij zelf wat hoest spuugt hij een steekvlam uit."Voelt goed hè?" zegt een stem, die niet anders dan van Balbar afkomstig kan zijn, "De glorietijden kunnen herleven!""Net als vroeger!. Vertel eens, hoe ging dat voeger?" vraagt Ruarc."Ze waren heer en meester over de lucht en daarmee over de hele wereld!""Dat zijn alleen maar verhalen en legendes.""Legendes zijn de waarheid van het verleden. Waar is je vader?""Die is op een sabbitcal.""Dat kan je wel zeggen, met zijn staart tussen zijn benen. Zo lopen ze, de laffe honden.""Maak geen vijand van mij!""O, nee, Ruarc de wereldverbrander? Wat is er beangsitend aan jouw als vijand.""Ik ga de wereld verlossen van Balbar."Ruarc wordt bang wakkeren het ruikt naar brand, maar er lijkt niets aan de hand te zijn.
Hij is net weer gaan slapen als Tiana met een kreet wakker wordt. Kritoias ziet dat er allerlei plantjes uit de planken zijn gegroeid."Slecht gedroomd?""Ja, zoiets, denk ik.""Is het belangrijk voor ons om te weten?""Nee, ik denk het niet." zegt Tiana en draait zich weer om om te gaan slapen.
De wachtbeurt van Ruarc verloopt rustig om het gesnurk van Donogb na. Donogb is zeker nog niet uitgeslapen, want hij sukkelt in slaap tijdens zijn wachtbeurt en wordt pas weer wakker als één van de soldaten de hoorn blaast als reveillesignaal. Donogb kijkt verschrikt om zich heen. Een van de sergeanten die in de hut sliep loopt langs hem heen en zegt zachtjes.: "Snurk jij altijd zo als je wacht loopt?"Beschaamd kijkt Donogb om zich heen. Dan vallen hem opeens de plantjes op die in de hut groeien."Wat doen die planten daar?" vraagt hij."Die planten? O dat heeft Tiana gedaan." zegt Kritoias."Wat? Hoe?""We hebben zoiets al een keer eerder gezien. Toen deden de aartsdruïden dat en ik vermoed dat Tiana wel ongeveer dezelfde krachten zal hebben als een Theolin of zo.""Wat deden ze dan?""Ze gebruikten de planten om mensen te wurgen. Nare situatie. Dat was ook iemand die op wacht zat, Derdrich, toen we beneden kwamen was hij helemaal omslingerd door planten die ook zijn keel hadden dichtgeknepen.""Ok, dat klinkt niet heel prettig."
Derdrich gaat op zoek naar de sergeant en vraagt hoe de weg naar het kamp er gisteren uitzag. Daar bleken geen problemen te zijn. De weg is nog steeds goed begaanbaar.Bartimeüs gaat langs bij de soldaat wiens maat 's nachts in een weerrat was vertrokken. Die maat blijkt nog niet teruggekeerd te zijn. Bartimeüs zoekt naar sporen. Die vindt hij wel, maar hij kan ze alleen maar volgen tot de bosjes waar hij in verdween.De soldaten gaan vertrekken en ze laten de soldaat achter.Bartimeüs kijkt ook nog wat voor weer het wordt. De bewolking zal niet oplossen, maar het blijft gelukkig wel droog.Ze vertrekken op tijd en vandaag gaat Ruarc de saga van de koningin van Vandalus vertellen. Een meestervertellen als Ruarc kan dat verhaal werkelijk de hele dag uitspinnen.
Na ongeveer twee uur lopen zien Bartimeüs en Kritoias een tweetal donkere vogels rechts boven de heuvelrug. Het valt Kritoias op dat er ook witte vogels boven hen vliegen. Drie van die vogels maken zich los van de anderen en vallen de twee donkere volgens aan. Bartimeüs vertrouwt het niet en gaat poolshoogte nemen."Is dat wel verstandig dat hij dat in zijn eentje gaat doen?" vraagt Donogb."Dat doet hij altijd en hij is tot nu toe altijd teruggekomen." zegt Kritoias, "Ik zou me daar geen zorgen over maken."De donkere volgels blijken roofvogels te zijn en in de strijd die zich tijd de heuvelrug afspeelt maken de witte vogels weinig kans. Bartimeüs ziet dat één van de donkere vogels achter een heuvel op zo'n 300 meter afstand landt en gaat daarheen.
Wanneer hij voorzichtig de heuvelrug over gaat ziet hij daar een zevental barbaren staan. Een van hen is een vrouw die een grote zwarte vogel op haar arm heeft zitten. Alle barbaren kijken naar Bartimeüs die een beetje schaapachtig naar hen zwaait. Dan merkt hij dat er ook nog barbaren links en rechts van hem de bosjes uitkomen. De barbaren dringen hem met zachte hand naar beneden, waar één van hen wijst dat hij zijn wapens af moet doen en op zijn buik moet gaan liggen. Tegen deze overmacht maakt Bartimeüs weinig kans en hij doet wat ze zeggen. Een van de barbaren stapt nog even op zijn hand om zijn positie duidelijk te maken en dan krijgt hij een klap op zijn achterhoofd die hem even van zijn stuk brengt. De barbaren binden hem stevig vast.
Na verloop van tijd zien Kritoias, Ruarc en Donogb een groot wezen uit het westen aan komen vliegen en dalen achter de heuvelrug waar ook de vogels zijn verdwenen. Ondanks de afstand horen ze een ijselijke kreet en daarna nog wat geschreeuw."Wat is dat voor beest?" vraagt Donogb."Dat is zo'n zelfde soort beest wat we op de boot hebben gezien volgens mij." zegt Kritoias."Ja, zou Bartimeüs zo in paniek raken? De vorige keer schoot hij hem in één keer dood." zegt Ruarc."Hij is vast in orde, laten we nog even wachten. Als we hem niet snel zien ga ik wel even kijken." zegt Kritoias."Hoe dan?" vraagt Donogb."Dan vlieg ik er onzichtbaar heen, dan ben ik er met een paar minuten." zegt Kritoias.
Na vijf minuten zien ze het beest weer opstijgen. Ze wachten nog even, maar Bartimeüs laat zich niet zien. Die is gelukkig niet gewond geraakt in de aanval van het beest en ligt nog steeds vastgebonden op de grond, maar nu in een laagje sneeuw omringd door lichamen van barbaren."Ok, dit heeft lang genoeg geduurd. Ik ga poolshoogte nemen." zegt Kritoias.Hij maakt zich onzichtbaar en vliegt naar de heuvelrug. Hij ziet al van grote afstand dat er in een grote cirkel sneeuw ligt en dat die bezaaid is met lijken van barbaren. Hij wordt even ongerust, maar ziet dan de bekende vorm van Bartimeüs lopen."He, Bartimeüs, zegt hij van een afstandje.""Hè? Wat?" zegt Bartimeüs en kijkt om zich heen.Als hij niemand ziet zegt hij."Ha, Kritoias, ik ben gelukkig ok.""Wat is er gebeurd?""Een groep barbaren heeft me gevangen genomen, maar dankzij die aanval van dat vliegende monster kon ik ontsnappen. Ik ben nu op zoek naar een vrouw. Heb jij die gezien?""Nee, ik zal even opstijgen, dan kan ik verder kijken."Een vrouw ziet hij niet, wel nog een lichaam van een barbaar op zo'n 100 meter. Een paar honderd meter verderop ziet hij wel wat bosjes bewegen."Nee, niet te zien, maar verderop zie ik beweging. Het lijkt wat veel voor 1 vrouw, misschien zijn er nog meer barbaren.""Laten we dan maar teruggaan naar de kar.""Ok, doen we."Kritoias loopt, nog steeds onzichtbaar, achter Bartimeüs aan richting de weg en maakt zichzelf weer zichtbaar voordat ze dicht bij de kar in de buurt komen.
Tegen het einde van de middag horen ze in de verte paardehoeven. Het is een groep van vier soldaten te paard die uitwaaieren zodra ze de reizigers zien."Goedemiddag. Wie zijn jullie en waar gaat de reis naar toe?" vraagt de korporaal."Kritoias.""Bartimeüs.""Ruarc de Magnificent.""Donogb"Ook de Zonne-eilanders stellen zich voor."Wij brengen geschenken voor de Burggraaf van de Zonne-eilanden." voegt Onda toe."Wat voor geschenken?" vraagt de korporaal."Dat moet ik met de Burggraaf zelf bespreken.""Goed, hebben jullie nog bijzondere dingen gezien onderweg?""Ja," zegt Kritoias, "vanmorgen zagen we barbaren op de westelijke heuvelrug. Zij werden aangevallen door een vliegend monster dat uit het westen kwam.""Waar was dat?""Op ongeveer twee uur reizen van de vorige pleisterplaats."Ok, goed, mag ik het geschenk nog even zien.""Nee!" zegt Onda, "Dat is alleen bestemd voor de Burggraaf.""Nou, ze zullen in het kamp wel weten hoe ze daar mee om willen gaan. Jullie mogen verder reizen."
De karavaan zet zich weer in beweging en als ze over de volgende heuveltop rijden zien ze in de verte een klif liggen waar houten barricades omheen staan. Verder staan er gebouwen en tenten. Ze schatten dat er ongeveer 300 soldaten aanwezig zijn. Achter dit kamp is ook een poortgebouw te zien waar wachters staan. Ze rijden door het kamp naar het poortgebouw waar ze staande worden gehouden en de poortwachter vraagt wat ze komen doen. Ruarc zegt dat ze de bezoekers van de Zonne-eilanden begeleiden en Onda zegt dat ze worden verwachte. Zij rommelt in haar bagage en haalt er een brief uit die ze aan de poortwachter geeft. Die maakt de brief open, kijkt er even naar en vraagt dan of ze even willen wachten. Hij loopt naar achteren en een andere poortwachter neemt zijn plaats in.
Na een half uur mogen ze binnenkomen. Ze volgen een pad dat naar een grote hal leidt en daarvoor in tweeën splitst. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Tiana worden verzocht in de hal te wachten, terwijl de delegatie meegenomen wordt links om de hal heen."Ik wil weten wat ze daar gaan doen." zegt Kritoias, "Maar het wordt best lastig hier uit te komen.""Ik kan wel even een illusie van je maken." zegt Ruarc."Ik maak me zo onzichtbaar en ga ik er vliegend heen." zegt Kritoias.Hij voegt de daad bij het woord, maakt zich onzichtbaar, zorgt dat hij kan vliegen en semi-teleporteert door een raam in de achterkant van de hal. Achter de hal staat een ander gebouw van zo'n tien bij vijftien meter groot en zes meter hoog. Kritoias vliegt er een rondje omheen en landt aan de achterkant. Daar ziet hij dat er een grot achter dit gebouw staat. Kritoias gaat naar de zijkant van het gebouw waar een luik is waar hij waarschijnlijk iets door kan horen. Tegerlijktijd houdt hij ook een beetje de grot in de gaten en niet voor niets, want een rijk geklede man, geflankeerd door twee zwaar bewapende soldaten komt daaruit lopen. De man stopt even als hij bij het gebouw aankomt en kijkt om zich heen., ook richting de plek waar Kritoias zit. Die houdt zich muisstil en hoopt dat de Burggraaf geen tovenaar is die gebruik van magie kan zien.
Kritoias zorgt dat hij heel goed kan horen en luistert het gesprek tussen de Burggraaf en Onda af. Die doen de gebruikelijke plichtplegingen en dan komt het gesprek op het geschenk dat Onda heeft."Dank voor het geschenk.""Het is zoals het is afgesproken.""Zeker, het zijn duistere tijden. Ik zal dit gebaar niet vergeten.""Het zijn zeker duistere tijden.""Ik hoorde dat jullie niet alleen reisden. Je had een gezelschap bij je.""Ja, inderdaad, is dat belangrijk.""Misschien. Heb je niets gemerkt?""Nee?""Ik zou het vervelend vinden deze diplomatieke missie een valse start te geven. Iets bijzonders?""Ja, toch, misschien één. Een van hen heeft bijzondere gaven, misschien wel de hoop van de wereld, maar ze is zo jong en onervaren voor de taak die haar te wachten staat.""Interessant."Dan hoort Kritoias de Burggraaf zachtjes praten. Hij hoort voetstappen, zorgt dat hij weer kan vliegen en stijgt op zodat een eventuele soldaat hem niet kan vinden. Maar de soldaat gaat niet naar de zijkant van het gebouw, maar loopt naar de hal, waarschijnlijk om de anderen op te halen.Kritoias maakt dat hij terugkomt door weer door het raam te teleporteren en zichtbaar te worden achterin de zaal waar, hopelijk, niemand op hem let. Hij loopt rustig naar de tafel waar de anderen zitten.Even later komt een soldaat in chainmail de hal binnen en loopt naar Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Tiana."Ik wil jullie graag uitnodigen. De burggraaf is persoonlijk geïnteresseerd in jullie verhalen. Volg mij."
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Tiana lopen achter de soldaat aan links om de grote zaal heen. Ze gaan door een barricade waar een groot tentenkamp achter ligt. Ze lopen door het tentenkamp en komen bij een ommuurd deel van het fort waar een groot gebouw achter staat. De soldaat gaat hen voor naar de hal, waar de burggraaf en de Zonne-eilanders in gesprek zijn. Er staat ook nog een andere man bij die aandachtig luistert."Ah, daar is het gezelschap dat met u is meegereisd." zegt de burggraaf. "Welkom in het fort, ik ben burggraaf Moldredd. Ik ben ook benieuwd naar uw verhaal."Ze stellen zich allemaal aan de burggraaf voor waarbij Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen dat ze uit de prinsdommen komen, Donogb dat hij uit de omgeving van Olcadaïr komt en Tiana blijft daar een beetje vaag over. De burggraaf is uiteraard geïnteresseerd in wat ze in de winter in het zuiden komen doen, zeker nu de strijd hier zo'n beetje is gestreden. Ruarc vertelt het vertrouwde verhaal dat hij op zoek is naar barbaarse mythes en dat hij die uit de eerste hand wil krijgen van de barbaren.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Donogb zijn wel verbaasd dat burggraaf meldt dat de strijd is gestreden, ze hadden daar in het noorden nog niets over gehoord, ook niet in de havenstadjes. Volgens de burggraaf zijn de barbaren verslagen en zijn ze geen gevaar meer voor het keizerrijk. De barbaren die ze onderweg hebben gezien zijn alleen maar kleine groepjes, die geen groot gevaar vormen. Donogb is blij dat het leger teruggaat, want dan kunnen ze orde op zaken stellen in het keizerrijk zelf. Nu is de burggraaf verbaasd en laat zich informeren over de gebeurtenissen waar Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Tiana getuige van zijn geweest. Die beperken hun verhaal tot de situatie in het noorden met de ondoden en demonen en koppelen dat aan de profetie van de druïden die terug zouden keren. De burggraaf kan moeilijk geloven dat de keizer hier niet goed op heeft ingegrepen en heeft nog steeds vol vertrouwen in zijn leiderschap.
Hij vindt het wel moedig, waarschijnlijk volstrekt onverantwoord, om in de winter naar het zuiden te reizen om de barbarenstammen te vinden en daar verhalen van te gaan overnemen. Hij trekt dan ook zijn wenkbrouwen op als Ruarc hem vraagt waar ze een goede tolk kunnen vinden. Daar heeft hij niet zo snel een antwoord op, want praten doen ze niet met de barbaren. Wel geeft hij hen een kaart waarop de routes naar het zuiden staan ingetekend, maar dat zijn wel gevaarlijke routes."Ik kan ook met een zwaard vechten!" zegt Tiana geruststellend.Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Tiana hadden echter niet verwacht dat hun reis nog wel honderden mijlen lang zou kunnen zijn, dat is waar ze volgens de burggraaf rekening mee moeten houden. Vanavond zijn ze in ieder geval veilig en warm in het fort. De burggraaf laat een gastenverblijf voor acht personen voor hen klaarmaken die in hetzelfde gebouw liggen, van de grote hal gescheiden door gangen. De burggraaf vertrekt natuurijk niet zonder een goed verhaal van Ruarc. De kist die de Zonne-eilanders hadden meegenomen hebben ze niet meer gezien.
Tijdens de wachtbeurt van Kritoias begint het hard te waaien. Hij vindt dat wel vreemd en gaat even bij de buitendeur kijken, maar constateert alleen dat de wind uit het zuiden komt.Vijftien minuten nadat Ruarc de wacht van Kritoias heeft overgenomen begint de grond plotseling heel hard te trillen. Dat houdt ongeveer een halve minuut aan. Ruarc ziet dat Tiana opstaat. Ze lijkt wakker, maar is dat niet echt. De anderen worden wel wakker en horen dat Tiana in een vreemde taal een soort incantatie aan het doen is. Ruarc herkent het als Vanyana en het lijkt op iets met het einde van de wereld, het zuiden, de winter en demonen. Kritoias ziet enorme hoeveelheden energie via Tiana lopen. Bartimeüs en Donogb kunnen dat niet aan en vallen flauw. Voor Ruarc voelt het niet goed en hij rent weg naar buiten. Hij voelt iets opkomen verslikt zich en ontstaat een grote vuurstraal waarmee hij ook zichzelf verwondt.Een soldaat hoort lawaai en komt aanlopen."Pas op, er is brand hier!" zegt Ruarc, die inderdaad tussen wat brandend gras staat."Wat is er gebeurd?""Een spontane bal van vuur."Dan gaat de wind liggen.
Ruarc gaat terug naar binnen waar Bartimeüs en Donogb bij zijn gekomen. Bartimeüs voelt zich uitstekend. Hij ziet dat Ruarc een brandwond heeft en gebruikt zijn gaven om die te genezen. Dat gaat heel gemakkelijk."Kijk eens aan." zegt Ruarc, "Bartimeüs is een groot heler!""Dat kan wel zijn, maar wat is hier nu aan de hand?" vraagt Kritoias, "Ik vertrouw het niet.""Gaat het goed met Tiana?" vraagt Ruarc."Ja, die slaapt nu, of is bewusteloos." zegt Donogb, "He, hoorde jullie dat ook?""Ja, een vreemde kreet ergens buiten." zegt Bartimeüs, "Balbar heeft dankzij mij deze plaats gevonden."De kreet wordt even later gevolgd door hoorngeschal."Het is wel serieus." zegt Donogb, die zijn wapen pakt, "We moeten kijken wat er aan de hand is.""Ok, ik ga mee." zegt Bartimeüs, die een aantal gaven gebruikt om zich beter te beschermen en in het donker iets te zien."Dan blijf ik met Kritoias hier om Tiana te beschermen." zegt Ruarc.Kritoias zorgt ervoor dat Donogb ook in het donker iets kan zien.Bartimeüs en Donogb spoeden zich naar buiten om te kijken wat er aan de hand is.
Al snel zien ze dat er gevochten wordt in het kamp. Het zijn inderdaad demonen, aapdemonen, maar dan wel witte."Het zijn witte apen!" zegt Bartimeüs."We moeten die soldaten helpen." roept Donogb.Bartimeüs en Donogb raken in gevecht met de apen, waarbij Bartimeüs eerst aan wapenjongeleren doet, en slagen erin een aantal van de demonen te doden. De soldaten weren zich ook hevig, maar een aantal van hen overleven het niet. Dan zien ze dat er nog meer demonen aankomen en moeten ze zich terugtrekken in de hal.
Ruarc heeft de toegang tot hun kamer beveiligd door een illusie op de deuropening te zetten. Daardoor lijkt die een paar meter meer naar links te zitten. Dat geeft allerlei rare effecten, want iemand die op de nepdeur toeloopt is natuurlijk niet te zien. Daardoor is het lastiger om de deur door te gaan. Ook zorgt hij ervoor dat bijna het hele gebouw magisch verlicht is.
Bartimeüs en Donogb trekken zich met een aantal soldaten terug in het gebouw. De soldaten barricaderen de deur en Bartimeüs en Donogb trekken zich terug in het gangetje."Open de deur!" horen ze een zware stem zeggen, daarna volgen harde klappen op de deur. Kritoias klimt het raam uit om te kijken wie erop de deur aan het slaan is. Hij kijkt goed of er geen demonen buiten staan, maar die zijn allemaal bij de voorkant van het gebouw. Hij gluurt om de hoek en ziet dat er een grote ijskristallen massa staat, twee dunnen ijsdemonen en een groep witte apen. Hij vliegt het dak op, uit het zicht van de demonen als de deur met groot gekraak doorbreekt. De aapdemonen stormen naar binnen en in het gangetje ontstaat een gevecht waarbij de soldaten en Bartimeüs, Ruarc en Donogb de aapdemonen tegen weten te houden.Kritoias begint intussen een magisch offensief tegen de demonen. Met vuurballen, vuurpijlen en verplaatsingsspreuken weet hij de demonen wel te raken, maar niet goed te verwonden. Als hij bijna al zijn magische energie heeft gebruikt verschijnt een wezen dat verandert in een mens. Het lijkt Theolin wel."URWIN!" schreeuwt Theolin en de ijsdemonen draaien zich om.
Binnen slaagt Ruarc erin om twee van de aapdemonen die de soldaten aanvallen te vertragen. De monsters hebben moeite om snel te reageren en daardoor kunnen Bartimeüs en Donogb van plaats wisselen met de soldaten. Zij hebben wel schilden en zijn beter in staat om de stroom van aapdemonen te weerstaan. Ze horen achter zich in de gang geschreeuw in de taal van de Zonne-eilandanders, die zijn door alle gebeurtenissen ook wakker geworden."Onda? Onda?" hoort Ruarc die iets achter het strijdgewoel staat."He, hebben jullie Onda gezien?" hoort hij Tondvall zeggen."Nee, alleen maar demonen." zegt Ruarc.
Kritoias ziet dat Theolin planten uit de grond laat komen die de drie demonen die voor de deur staan omslingeren en vastgrijpen waardoor ze niet veel meer kunnen doen dan proberen zich los te wringen. Van verderop in het kamp komen nog steeds aapdemonen en vuurhonden aanrennen. De meeste begeven zich naar de ingang, maar vijf van hen komen op Theolin afgestormd. Kritoias tovert vier van hen in slaap. De vijfde aapdemon doet een soort nepaanval op Theolin waardoor Kritoias even denkt dat hier een complot aan de gang is, maar hij beseft al snel dat onzin is. Hij schiet een vuurpijl op de grote ijsdemon af die daardoor verstuft raakt. Theolin verandert in een vogel en vliegt naar het dak van de hal."Waar is Urwin?" roept hij naar Kritoias."Geen idee, hoe ziet hij eruit?""Welke vorm hij maar wil nemen.""Misschien is het de adviseur van de burggraaf""Dat kan.""Misschien dat hij in de grot is, daar is de kist heengebracht.""Dan moeten we daarheen.""Ok"Kritoias rent om het gebouw heen om het luik open te maken van hun kamer waar Tiana nog steeds moet zijn. Als hij langs de grot komt, die tegenover de achterkant van de hal ligt, ziet hij daar lichtgevende rookflarden uitkomen. Hij rondt de laatste hoek en ziet dat er een groep aapdemonen op het luik aan het slaan zijn. Hij duikt snel terug naar de achterkant van de hal en ziet daar ook een luik. Theolin springt naast hem van het dak op de grond.
"Urwin!" roept hij, "Ging jij de andere niet halen? Waar zijn ze?""Binnen!""Fuck! En het meisje?""Ook binnen.""Fuck!""We moeten door het raam naar binnen, help me ik probeer dit luikt met mijn staf open te wrikken."
Bartimeüs en Donogb weten de aanvallen van de aapdemonen af te weren en slaan er af en toe eentje kapot. Bartimeüs geeft zich net te veel bloot en een aapdemon geeft hem een bloedende kras op zijn rechterbeen. Veel plezier heeft hij daar niet van want Bartimeüs schakelt hem daarna uit.
"We moeten hier weg, naar de grot!" roept Kritoias nadat hij via een gastenverblijf de gang in is gerend waar gevochten wordt, "Doe zo een stap terug, dan zet ik een muur neer. O, en er bonken ook aapdemonen op het luik van onze kamer."Bartimeüs en Donogb doen een uitval waardoor de aapdemonen even teruggedrongen worden waarna Kritoias een stenen muur uit het niets laat verschijnen. Ruarc doet de deur open en ziet al een klauw van een aapdemon door het hout van het luik komen."Ik neem Tiana wel mee!" zegt Donogb, die ziet dat Tiana nog steeds versuft voor zich uitkijkt."Snel kom mee." zegt Kritoias, "We moeten verder op het raam uit.""Ik moet mezelf eerst genezen!" zegt Bartimeüs, "Anders bloed ik dood.""WRAAAAH" horen ze bij de deur naar de hal vandaan komen, gevolgd door groot gebonk op de houten muur."Schiet wel op." zegt Ruarc.Als Bartimeüs klaar is met zijn gave hoort hij een aapdemon op de vloer van de kamer landen.
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Tiana, Theolin en de soldaten klimmen het raam uit."Waar is de grot?" vraagt Theolin."Daar!" zegt Kritoias en wijst naar de grot die zichtbaar is in de lichtcirkel van 15 meter die rondom Ruarc hangt."Ok, snel daarheen. Zit er een hoofd in dat kistje?""Een hoofd? Geen idee, ik heb er niet in gekeken, het zou wel kunnen. Het stonk in ieder geval niet."Ze rennen de grot in en Ruarc zet snel een illusie neer van een rotswand zodat de demonen even moeten zoeken."We moeten snel verder." zegt Theolin."Bewaak ze!" zegt Theolin tegen de soldaten,"Dien je land!""Leve de keizer!" roept Ruarc."Leve de keizer roepen de soldaten.Ruarc gaat voorop, gevolgd door Bartimeüs en Theolin, Donogb begeleidt Tiana die nog steeds niet helemaal lekker is en Kritoias dekt de achterkant met zijn staf, want zijn magische energie is bijna op. Ze lopen een in steen gebouwen trap af en komen in een grot. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zien daar elk hun ouders staan, niet gezamenlijk, maar ieder voor zich."Jullie leven nog?" vraagt Ruarc aan zijn ouders."Wat is er aan de hand?" vragen zij."Ik dacht dat jullie dood waren?""Nee, we zijn ontsnapt. Gaat het wel goed met je?""Goed met mij?""Kom, kom, rustig aan Ruarc."
"Wat doen jullie hier?" vraagt Kritoias aan zijn ouders."Wij zijn uit het noorden gevlucht.""Hier naar toe? Helemaal naar het zuiden? Hoe zijn jullie hier dan gekomen? Met de boot?""We zijn er nu toch, het is allemaal goed.""Maar we zagen dat het hele dorp was overlopen.""We zijn op tijd weggekomen."
"WAAAAGH" roept Tiana plotseling en de beelden van hun ouders verdwijnen en iedereen ziet weer dat ze met elkaar in de grot staan."Wat is er?" vraagt Donogb."Wat was dat?" vraagt Kritoias."Zag jij ook je ouders?" vraagt Bartimeüs."Voelde jullie niet dat het in je hoofd probeert te komen?" vraagt Tiana."Ik zag ook mijn ouders." zegt Kritoias."Wat zit er in de kist?" vraagt Theolin."Niet naar de kist." zegt Tiana."Wat? Waarom niet? Wat zit erin?" vraagt Kritoias."Ik bloed dood!" zegt Bartimeüs met enige urgentie in zijn stem, "Tiana, kan jij er iets aan doen?"Tiana is veel te druk bezig met de dreiging van de kist. Theolin zucht en raakt Bartimeüs aan. Zijn wond geneest direct."Dank je wel." zegt Bartimeüs."Er zit een verschijning in de kist die mij wil pakken." zegt Tiana, daarom wil ik er niet naar toe."We kunnen hier ook niet wachten, want die muur en de illusie gaan de demonen niet erg lang tegenhouden.""Ok, dan, maar waar gaan we heen?" vraagt Tiana en wijst naar de twee uitgangen uit de grot."Ik zie wat van die rook uit de linkergang komen." zegt Ruarc, "Daar moeten we heen."
"Die gangen zijn niet natuurlijk." zegt Kritoias, "Ik denk dat de soldaten het hebben uitgehakt."Het gangetje komt in een kleine grot uit."Een verschijning, pas op!" zegt Ruarc die weer voorop loopt, "Het is een geest!"Hij richt zich tot de geest en zegt "Ga weg, je bent geen partij voor mij. Verdwijn!""Wie ben je?" vraagt de geestverschijning en lacht.Ruarc blijft stil en de geestverschijning herhaalt de vraag: "Sterveling, wie ben je?""Ik ben Ruarc the Magnificent!""Die naam zegt mij niets.""Wie is dat?" vraagt Theolin die nog niet helemaal de grot in kan kijken.""Wie ben je?" vraagt Ruarc."Je mag me Mira noemen." zegt de geestverschijning."Lijkt ze op Mira van Beolin?" roept Kritoias van achteren."Nee, zo te zien niet." zegt Ruarc."Pas op Ruarc, ze is gevaarlijk.""Ik verwachtte je niet." zegt Mira.Tiana laat een snik los en daar reageert Mira direct op."Ah ,daar is ze, laat haar door." en Mira wijst naar de linkergang."Lopen we door?" vraagt Ruarc."We hebben weinig keus." zegt Bartimeüs.Ze lopen de linkergang in en Mira verdwijnt in de muur.
De gang loopt een meter of tien verder met een flauwe bocht en komt in een grotere grot uit waar overal kisten en tonnen staan."Wie zat er ook alweer in de grot, Kritoias?" vraagt Theolin."De burggraaf.""He, iemand verstopt zich aar achter die kist." zegt Bartimeüs, "He jij daar achter die kisten! Kom tevoorschijn."Er komt geen reactie."Op die manier waarop dat been licht kan het best zijn dat die gast bewusteloos is of erger." zegt Kritoias."Ok, ik ga even kijken." zegt Bartimeüs.Hij sluipt naar de kist en ziet dat het één van de bedienden is die dood achter de kist ligt. Zijn ogen zijn opengesperd."Het is een bediende en hij is dood." roept Bartimeüs naar achteren."Er is daar aan de rechterkant nog een uitgang." zegt Ruarc, "Laten we daar maar doorheen gaan."
Ze lopen opnieuw door een gangetje en komen in een grote opslagruimte uit. Ook hier staan overal kisten en tonnen. Aan de linkerkant is iets wat op een klein gangetje lijkt, maar een scheur in de rotswand blijkt te zijn waar mensen niet doorheen kunnen."Waar is de burggraaf gebleven?" vraagt Ruarc."Ik ga wel zoeken." zegt Kritoias."Ik kijk wie hier de afgelopen zestien uur is geweest." zegt Bartimeüs.Even later komt hij met het antwoord: "Het waren alleen de burggraaf en twee van zijn bedienden.""He, kijk hier eens." zegt Kritoias, die bij een grote kist aan de achterzijde van de grot staat, "De kist is leeg en kan je makkelijk verschuiven. Er zit hier een gangetje achter."Daar zal hij naar toe zijn gegaan." zegt Theolin, vooruit."Moet dat echt?" vraagt Tiana."Ja, kom." zegt Donogb.
Ruarc gaat gebukt voorop het anderhalve meter hoge gangetje in, gevolgd door de anderen. Het kronkelige gangetje loopt een meter of vijf door en komt dan in een vierkante, vijf bij vijf meter grote kamer uit waar je normaal in kan staan. Er ligt een tapijt op de grot en tegen de rechterwand staan drie kisten. Tegenover de ingang staan een open boekenkast en een schrijftafel met stoel tegen de muur. Aan de muren hangen schedels van verschillende wezens."De studeerkamer van de burggraaf." zegt Ruarc en stapt de kamer in."Maar waar is de burggraaf?" vraagt Donogb."Ik ben benieuwd wat er in de kisten zit." zegt Bartimeüs."Dan kijk ik naar de boeken in de kast." zegt Ruarc.De kisten bevatten allemaal een soort van verkleedspullen. Zowel goede als minder goede kleren in de eerste twee kisten en allerlei kostbaarheden zoals munten en sieraden in de derde kist."Nou, laten we daar dan maar gebruik van maken." zegt Bartimeüs en steekt wat van de munten bij zich.Kritoias ziet dat de boeken over de politiek en de geschiedenis van het keizerrijk gaan. Ook is er een foliant dat over de genealogie van de adel gaat. In dat boek zijn ook aantekeningen gemaakt met plaatsnamen en jaartallen.
"En nu?" vraagt Ruarc."Er moet hier toch ergens een uitgang zijn." zegt Bartimeüs, "Hij zal toch in rook zijn opgegaan.""Waarom ligt hier eigenlijk een tapijt?" vraagt Kritoias."Omdat daar misschien iets onder ligt?" zegt Donogb.Ze rollen het tapijt vanaf de linkerkant van de kamer op en er komt een luik ondervandaan."Kijk, daar is hij doorheen gegaan." zegt Bartimeüs."Maar hoe heeft hij het tapijt dan zo netjes teruggekregen?" vraagt Donogb."Er ziet hier een touwtje." zegt Ruarc.Ze maken het luik open en zien ongeveer vier meter diepe schacht met ijzeren beugels in de wand.
"Ok, ik ga naar beneden om te kijken." zegt Ruarc."Ik wil niet." zegt Tiana, "Iemand wil in mijn hoofd kruipen.""We kunnen hier niet wachten." zegt Kritoias, "Ik heb niet meer voldoende magische energie om een muur neer te kunnen zetten.""Ik blijf hier!" zegt Tiana."Ok, dan kijken we of het veilig is." zegt Kritoias, "Donogb, blijf jij bij Tiana.Donogb knikt. Ruarc is intussen veilig beneden aangekomen en ziet een gangetje verder lopen."We kunnen hier verder." zegt Ruarc, "Komen jullie?""Ja, we komen eraan." zegt Bartimeüs.
Zodra ze allemaal veilig beneden zijn aangekomen loopt Ruarc de gang in. De gang loopt rechtdoor, maakt een bocht naar links, dan een bocht naar rechts en dan weer een bocht naar links. Dan ziet Ruarc in de verte licht en hoort hij een zacht gezoem alsof er instekten verder op in de gang of in een grot zijn."Wat is dat?" vraagt Ruarc."Dat moet je aan Bartimeüs vragen." zegt Kritoias, "ik heb geen verstand van levende dingen.""Ok, ik loop voorzichtig door." zegt Ruarc.
De gang mondt uit in een grot die verlicht wordt door een tweetal branders. In het midden staat de burggraaf die een gouden schedel voor zich houdt. Voor hem staat de kist waarin de Zonne-eilanders deze schedel in mee hebben genomen. Van deze afstand is de loden bekleding duidelijk te zien."Urwin idioot! Bij de godin!" zegt Theolin."Ik kan met een pijl die schedel uit zijn handen schieten." zegt Bartimeüs."Ik zie veel channeling magie." zegt Kritoias."Wat is het?" vraagt Ruarc."Wat ik vreesde. De Zonne-eilanders hebben die hier naar toegebracht? Waarom?" vraagt Theolin."Die opdracht hadden ze gekregen. Als de groene maan verscheen moesten ze de kist naar het zuiden brengen." zegt Kritoias."Het is het hoofd van de eerste druïde." zegt Theolin."We moeten het hoofd uit zijn handen halen." zegt Kritoias, "Ik heb alleen niet voldoende energie om dat met telekinese te doen, dan moet ik eerst rusten. Maar daar hebben we misschien niet genoeg tijd voor.""Ik ga proberen het zijn handen te slaan." zegt Ruarc.Maar als hij dichterbij komt ziet Kritoias dat channeling energie zijn, voor hem, groene tentakels naar Ruarc uitslaat.""Blijf uit de buurt." zegt Kritoias, "Anders raak je ook beïnvloed. Misschien toch een pijl schieten?""Waar is ze?" vraagt plotseling een stem."Ja, schiet die pijl maar." zegt Theolin, "Maar schiet wel van opzij zodat je hem niet raakt!"Bartimeüs stapt naar voren en blijft ver genoeg weg om niet in de invloedssfeer van de schedel te komen. Hij legt aan en schiet met een perfect schot de schedel uit de handen van Urwin. De schedel valt met gekletter op de grond terwijl Urwin nog steeds roerloos met uitgestoken handen blijft staan.
"Nou, haal het meisje dan!" zegt Theolin."Ja, dat is misschien wel handig." zegt Kritoias en klimt naar boven."Tiana, we denken dat je toch naar beneden moet komen. Het moet wel veilig zijn, want het komt van de godin vandaan.""Nee, Donny. Wat zagen jullie beneden?"Kritoias vertelt wat er beneden is gebeurd."Maar hoe weten we dat het goed is?" vraagt Tiana."Ik denk dat de godin ervoor heeft gezorgd dat de schedel hier naartoe is gekomen. Toen de kist is geopend kwam de wind. Balbar is daarachter gekomen en heeft een poort geopend, dat was de trilling, en daar zijn alle demonen doorheen gekomen om ons te stoppen. De godin heeft daarna via jou ons kracht gegeven om de demonen te bestrijden en hier naartoe te komen. Die visioenen die we boven in de grot kregen waren ook niet vervelend. Het was wel vreemd, maar het waren onze familieleden. Ik denk dat het iets van de godin is waar jij iets mee moet doen.""Ok." zegt Tiana met tegenzin en begint naar beneden te klimmen.
Beneden in de groot loopt Tiana naar de gouden schedel die op de grond ligt. Die begint te gloeien als ze dichterbij komt en Urwin zakt in elkaar. Ze pakt de schedel beet en er is een ijselijke kreet te horen. Tiana brengt de schedel naar haar hoofd en die verdwijnt helemaal in haar hoofd! Dan zakt ze in elkaar, maar niet voordat een geestachtige verschijning ook in haar hoofd verdwijnt. Vrijwel meteen staat Tiana weer op. Ze ziet er plotseling een stuk meer volwassen uit."Zo tijd om orde op zaken te stellen." zegt ze, "Volg me."Tiana loopt terug naar het gangetje."Hoe heten jullie ook alweer?" vraagt ze."Wat?" zegt Theolin."Eh, ik ben Kritoias, ben je dat nu vergeten?""Dit werkt zo niet. Ik moet iets doen dat uiterste concentratie vergt. Kunnen jullie die andere man daar ook weghalen?""Ok Tiana, maar waarom dan?" vraagt Bartimeüs."Ik ben Mira, hogepriesteres van de godin. Een beetje meer respect graag.""Nou, rustig aan hoor." zegt Kritoias, "We hebben ook al met de godin, god en Balbar gesproken, dus."Mira kijkt Kritoias geïrriteerd aan."Zorg nu maar dat die man naar boven komt."Ze taken Urwin met elkaar omhoog en rusten uit in de werkkamer van Urwin
Na ongeveer een half uur horen ze in de verte het geluid van beweging en kreten."Shit, de aapdemonen komen eraan." zegt Kritoias, "Ik heb maar heel beperkt energie.""We moeten naar beneden, daar kunnen we ze beter tegenhouden." zegt Donogb."Dan moet Urwin weer naar beneden." zegt Bartimeüs."Ok, kom op.""Gaan jullie voor, dan zorg ik dat het tapijt weer op zijn plaats komt." zegt Ruarc en begint aan het tapijt en het touw te prutsen.Even later komt hij ook beneden en steekt zijn duim omhoog. Een paar minuten later is het geluid van aapdemonen te horen in de kamer boven hen.
Het duurt nog best lang voor de aapdemonen het valluik ontdekken."Ik maak een illusie dat de schacht veel dieper doorloopt, misschien durven ze dan niet naar beneden." zegt Ruarc."Prima idee," zegt Kritoias, "Als je klaar bent doe dan een paar passen naar achteren, dan zet ik vlak na de ingang met mijn laatste magische energie een ijsmuur neer, dat doet ze hopelijk pijn en leidt ze af.""Ik wil eerst nog even schieten." zegt Bartimeüs en loopt met zijn pijl en boog naar voren.Zodra de eerste aapdemon zich laat zich schiet hij de aapdemon door zijn rug, waarop die naar achteren struikelt en uit het zicht verdwijnt. Het volgende schot is niet zo goed. Hij raakt de aapdemon in zijn been en met een volgend schot doodt hij hem. De aapdemon aarzelt nu niet en begint naar beneden te klimmen. Bartimeüs trekt zich terug en Ruarc staat klaar met zijn hamer en schild. Hij slaat de aapdemon op zijn borst en die struikelt achteruit."Naar achteren voor de ijsmuur!" zegt Kritoias.Ruarc doet een stap naar achteren en Kritoias zegt een ijsmuur neer.
De ijsmuur heeft een desastreus effect op de aanval van de apen. Die aarzelen al omdat ze nog steeds in een diepe put kijken, maar komen uiteindelijk wel naar beneden. Sommige apen worden direct uitgeschakeld door de ijsmuur en anderen raken bevangen door de kou waardoor ze een makkelijke prooi zijn voor Ruarc. Hij slaat ze niet allemaal dood, waardoor er een grote ophoping van aapdemonen ontstaat. Die grote berg blokkeert de gang waardoor de aapdemonen er niet meer doorkomen. Er is nog steeds gegrom van de andere kant te horen, maar de aapdemonen komen niet verder.
Na in totaal een uur komt Mira de grot uitlopen."Zo, weet je wie er in mijn hoofd zit?" vraagt ze."Mira?" zegt Kritoias."Ja!" zegt Tiana."Gelukkig, je bent er nog wel." zegt Ruarc.
"Hoor jij nog iets boven?" vraagt Kritoias aan Ruarc."Nee, ik hoor alleen nog iets van rondlopen en gegrom."Daarna ontstaat een discussie tussen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en Mira/Tiana over de demonen, Balbar en de godin. De demonen in het zuiden schijnen de demonen van winter te zijn en volgens Mira betekent dat het einde der tijden. Volgens Kritoias lijkt dat inderdaad aangebroken te zijn, maar proberen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc er nog iets aan te doen. Urwin is echt dood en zijn ziel is ook weg. Balbar voedt zich met mensen die niet naar hun eindbestemming gaan, ongeveer zoals Bartimeüs, Kritoias en Ruarc ook gezien hebben op de plaats waar een deel van Kalkaris was. Na verloop ontstaat er weer rumoer van boven. Bartimeüs legt wat vallen aan, wat resulteert in een paar dode aapdemonen. Ruarc tovert vervolgens een illusie van een muur zodat de aapdemonen niet precies weten waar ze heen moeten.
"Zou er nou toch geen andere uitgang zijn?" vraagt Bartimeüs."Wij hebben niets gevonden." zegt Ruarc, "Misschien wil je zelf nog even zoeken. Jij bent de natuurexpert.""Ja, laat ik dat maar doen."Bartimeüs doorzoekt de grot grondig, maar kan geen andere uitgangen ontdekken. De enige manier om hier weg te komen is door de aapdemonen heen.Kritoias besluit te gaan slapen en Theolin zegt dat hij wel in de gedaante van een vleermuis boven wil gaan verkennen.
Na verloop van tijd komt Theolin weer terug."Het kamp is verlaten, de grot ook" meldt hij aan Ruarc die wacht houdt, "Er zijn veel doden. Maar het lijkt erop dat ze verdwenen zijn naar waar ze vandaan zijn gekomen. Het is vreemd.""Heel verdacht.""Dan zal het toch het meisje moeten zijn geweest.""En de Zonne-eilanders? Hebben ze het overleefd? Zijn ze gevlucht?""Het is nog steeds donker, maar ik heb geen lijken gezien. We moeten maar even rustig hier blijven. Ik ga ook slapen.""Ok, ik maak je wel wakker als er iets vreemds gebeurd.""Maar hoe wilden jullie de godin nu bevrijden?"
"Ze zit vast op de rug van een reus. Een Balbar aspect. Ze zit in een kooi op zijn rug. We hebben een sikkel om haar los te snijden." zegt Ruarc."Waar is die?" vraagt Theolin."Op een veilig plek.""Weten jullie waar de reus is?""Ergens in het zuiden, maar we weten niet precies waar.""Dat heb je zeker aan de godin gevraagd.""Hoe?""In je hart. Die reus is dezelfde als die de prins heeft gedood. En de prins was een verschijning van de god.""Wij hoopte dat jij ons kon helpen. Maar nu je er toch bent. Spreek je barbaars?""Nee."
Bartimeüs wordt wakker in een lege grot. Hij kijkt om zich heen en dan ziet hij nog iemand liggen, het is Urwin. Dan voelt hij dat iemand hem in zijn nek grijpt."Wie ben jij?""Bartimeüs! We moeten hier weg.""Het is te laat.""Het is niet te laat. Waarom?""Onze heer komt nog niet.""Kan je even loslaten?""Ik had het mis dat we hem konden weerstaan. Zij heeft ons verraden en jullie zitten diep onder haar duimpje.""Daar leek het niet op. Hebben jullie weleens contact met haar gehad?""Ontzetttend vaak. Waarom denk je dat hij het was en niet de teef? Ik dacht dat we konden winnen.""Nou, er is ook een nieuwe god.""Dan zitten we tussen hamer en aanbeeld.""Zijn jullie dan bang voor de godin?""Ja, ze wil meer macht aan Balbar geven.""H'm, Theolin zei dat ook al.""Nee! Nee!" roept Urwin plotseling en rent de gang in.Bartimeüs volgt hem en ziet dat het einde in vuur en vlam staat."Daar kan je niet langs!""Nee!" roept Urwin nog en ent de vlammen in.De vlammen omcrikelen hem en hij verdwijnt.
Er verschijnt een man uit de vlammen."En? Alles op schema?" vraagt Bartimeüs."Jij hier?""Ja, en jij?""Ik ben hier naar toe gelokt.""Ik niet.""Ken je het hier niet?""Ik ben hier nooit geweest in dit gangetje.""Wat doe je hier dan?""Alles wat je niet meer nodig hebt moet je wegdoen."
"Je lijkt heel tevreden.""Moet ik nog meer doen?""Voor mij?""Voor wie dan?""Ik dacht voor haar?""Nee, dat is iets gezamenlijks. De godin en ik bundelen onze krachten. Samen kunnen we de wereld aan.""En die nieuwe god in het noorden?""Dat is een verrassend bezoek. Hij komt het feestje bederven.""Sommigen verlaten het feestje al voor het afgelopen is.""Ik weet niet of jullie wereld bestand is tegen deze manier van feestvieren.""Wat is er met Urwin gebeurd?""Urwin is dood."Dan wordt Bartimeüs wakker.
Hij maakt direct Kritoias wakker, maar die is behoorlijk pissig, want eigenlijk wisten ze dit allemaal al en nu heeft hij te weinig geslapen om zijn magische energie goed aan te vullen. Het is inmiddels ochtend geworden, maar Kritoias wil nog minimaal drie uur slapen. Omdat Theolin zei dat de demonen weg waren spreekt Bartimeüs met Ruarc af dat hij boven gaat verkennen. Hij komt bij de ingang van de grot zonder demonen te zijn tegen gekomen. De gebouwen zijn groten deels afgebrand. Bartimeüs hoopt nog iets van de Zonne-eilanders te vinden en gaat buiten sporen zoeken. Met een beetje geluk vindt hij die en hij volgt de sporen richting het tentenkamp. Helaas vindt hij even later het lichaam van een Zonne-eilander. Een ander lijkt te zijn meegesleept na een gevecht. Het spoort loopt verder en is duidelijker te volgen door de vele bloedsporen eromheen. Dan houden de bloedsporen op en vindt hij een veel verkoolde lijken.
De sporen gaan verder naar de omheining. Bartimeüs probeert omhoog te klimmen, maar de omheining biedt hier te weinig uitsteeksels. Hij probeert het een stukje verder en daar lukt het hem wel op de omheining te komen. Aan de andere kant gaat het steil zes meter omlaag. Veel te hoog om te springen. Bartimeüs ziet wel dat er sporen in de sneeuw zijn gemaakt en besluit om een touw aan de omheining vast te maken en naar beneden te klimmen.Het spoort loopt verder richting de weg en dan naar de heuvels waar wat begroeiing is.
Als hij in de buurt van het groen komt ziet hij beweging achter een boom. Hij maakt een omtrekkende beweging en ziet dat het een bekende Zonne-eilander is."Tondvall!""Bartimeüs! O nee!""De anderen leven nog.""Waar?""In de grot achter het gebouw.""Zijn ze er nog?""Nee, ze zijn weg.""Wat zijn dat?""Demonen.""Waarom vallen ze aan?""Door het kistje.""Ben jij de enige?""Onda is in veiligheid gebracht.""In de grot is proviand, als jullie meekomen dan kunnen we kijken wat we doen.""Ok, ik zal de anderen halen."
Donogb is het wachten in de grot beu en besluit om ook naar boven te gaan en te kijken waar Bartimeüs is gebleven. Hij loopt langs de lichamen van de mensen die in de grot zijn gedood en ziet vanuit de grotopening dat het houten huis waar ze sliepen volledig is verwoest en op sommige plaatsen nog steeds brandt. Hij loopt door het kamp en ziet op allerlei plaatsen lichamen van soldaten liggen. Aan hun wonden te zien zijn ze gedood door apen, honden, wapengeweld en pijlen. Donogb knielt bij één van de lichamen bestudeert de pijlen. Hij concludeert dat de soldaten elkaar geraakt hebben. Als hij om de restanten van de grote hal heen loopt ziet hij Bartimeüs met drie van de Zonne-eilanders aan komen lopen, Onda, Tondall en degene die geen fighter was. Hij zwaait en ze komen op hem aflopen.
"Heb je de kist nog gezien?" vraagt Onda aan Bartimeüs."Ja, hij was open. Wat erin zat is versmolten met Tiana.""Wat?""Wist je wat erin zat?""Ja.""Dat gouden doodshoofd ging magisch in haar hoofd.""Dat moet ik zien.""Hé, deze bewoog." zegt Bartimeüs en wijst naar één van de lichamen van de soldaten."Deze niet." zegt Donogb, "Maar nu je het zegt, het lijkt alsof ze zich herstellen."Donogb pakt zijn mes en steekt het lichaam in de borst, maar het lichaam blijft bewegen."Laten we snel naar de grot gaan." zegt Bartimeüs."Hoe moeten we ze bestrijden?" vraagt Donogb, "Jullie hebben daar toch ervaring mee?""Ja, je moet ze kapotslaan."
Bartimeüs, Donogb en de Zonne-eilanders lopen en klimmen door de grotten en gangen terug naar de schuilplaats waar Kritoias nog ligt te slapen."We hebben een probleem." zegt Bartimeüs, "De soldaten worden levend gemaakt door de godin. De doden beginnen op te staan.""Wat? Hoe?" vraagt Theolin."Hoeveel zijn het er? Dat is heel veel werk. We moeten ze helpen.""Wat? Helpen?" zegt Theolin, "We moeten hier weg!""Tiana kan hun zielen terughalen."zegt Bartimeüs."Dat lijkt me een ontzettend slecht idee." zegt Theolin."We moeten Kritoias wakker maken." zegt Donogb."Nee, dat mocht niet!" zegt Bartimeüs.
"Zullen we boven gaan kijken?" vraagt Theolin, "Heb je vuur bij je?""Maar het sneeuwt." zegt Bartimeüs."Vuur kan wel tegen sneeuw." zegt Theolin."We hebben wel iemand die vuur kan spuwen." zegt Bartimeüs."Ik ben geen circusact!" zegt Ruarc.Onda wil ondertussen graag weten wat er nu precies met Tiana is gebeurd en die legt uit dat ze één is met de priesteres Mira.
"Degene die de lopende wijken aan het maken is moet hier in de buurt zijn." zegt Bartimeüs."Ja, geef je mij nu de schuld? Meestal is het het werk van sommige goden." zegt Theolin."O, kijk, ik heb hier de zegelring van Urwin." zegt Donogb, "Wil je die nog voor je verzameling?""Ja, hoor, geef maar." zegt Bartimeüs, "Wat ben je aan het doen?""Even kijken of deze ook een gouden schedel heeft." zegt Donogb en scalpeert Urwin.Hij is teleurgesteld als er een gewone schedel tevoorschijn komt.
"Zullen we Kritoias wakker maken?" vraagt Theolin."Nee, want dan kan hij niets." zegt Bartimeüs, "Hoeveel zijn er?""We moeten Kritoias wakker maken, wat als we niet meer terug kunnen komen?" vraagt Ruarc."Hij wilde niet dat we hem eerder wakker maakten." zegt Bartimeüs."Ik ga boven kijken." zegt Donogb.Bartimeüs en Ruarc gaan mee naar boven.
Ze klimmen omhoog en lopen door de grot met alle opslag als Donogb iets opvalt: "He, het lijk is weg. Daarnet lag het er nog.""Wat? Toen we net naar binnen gingen?" vraagt Bartimeüs."Ja."Ze lopen verder naar de volgende gang en zien dan een lichaam wat stram richting de uitgang lopen. Ze volgen het lichaam op een afstandje en zien dat de lichamen van de soldaten die in de eerste grot lagen ook verdwenen zijn. Ze sluipten achter het lichaam aan en zien dat er wat sneeuw naar binnen waait. Het lichaam loopt naar buiten de sneeuw in waar in totaal ongeveer 50 lichamen door de sneeuw lopen tussen de grot en het nog steeds brandende gebouw.
"Nu is het wachten op de puppet master die ze wegleidt." zegt Bartimeüs, "Of ik neem de proef op de som en kijk of ze op ons reageren.""Nee!" zegt Donogb, "Dat doen we als we weggaan. Gaan we nu weg?""Ik wacht wel als jullie de rest gaan halen." zegt Bartimeüs."Ik ga wel naar beneden." zegt Ruarc."Ik ga naar beneden om te melden dat er een verzameling lopende lijken van plan is de grot binnen te valen." zegt Ruarc.Hij loopt weer naar beneden en waarschuwt de anderen.
"We hebben een probleempje." zegt Ruarc, "Er is een verzameling lopende lijken die zich verzameld hebben en van plan zijn binnen te vallen.""Staan ze voor de grot?" vraagt Theolin."We kunnen er nu misschien nog uit." zegt Ruarc."Hebben jullie een leider gezien?" vraagt Theolin, "Er moet iemand in de buurt zijn die dit veroorzaakt. Iemand die opviel.""Ik ga weer naar boven." zegt Ruarc."Ik ga mee." zegt Theolin, "Ze kunnen niet ontstaan zonder leider.""Ik ken nog wel een legende, waar iemand bleef en niet weg wilde gaan zonder zijn geliefde. Hij wilde verenigd zijn.""Ik denk niet dat dat op deze situatie van toepassing is." zegt Theolin.
Even later staat Theolin ook in de ingang van de grot."Wat vind je ervan?" vraagt Ruarc."Kan je informatie verzamelen via je vogels?" vraagt Bartimeüs."Het sneeuwt. Dat is slecht voor de vogels." zegt Theolin, "Reageren ze op ons?""Dat mocht ik niet testen van Donogb." zegt Bartimeüs."Moeten we ze toch niet weglokken?" vraagt Ruarc."Ik ga wel kijken of Kritoias al wakker is." zegt Bartimeüs.
Kritoias wordt wakker in een lege grot. Hij kijkt om zich heen, maar ziet niemand. Dan hoort hij vrouwenstemmen. Hij loopt een stukje en ziet dan om een hoek een vrouw staan. De vrouw die hij ook gezien heeft in het noorden, omringd door alle dieren. De godin draait zich om, ziet Kritoias en knipt met haar vinger. Kritoias valt direct weer in slaap.
"Wacht even" zegt Theolin bij de ingang van de grot tegen Ruarc en Donogb, verandert in een witte muis en rent de sneeuw in.
"Er komt iemand aan." hoort Bartimeüs als hij terugkomt bij de grot."O, jij bent het." zegt Tiana tegen Bartimeüs, "Waar is de rest?""Bij de ingang.""Is er niets aan de hand?""Theolin vindt het ook verdacht, maar Kritoias moet nog even slapen. Maar er is wel discussie over of we hem wakker moeten maken.""En wat vind jij?" "Ik vind niets. Ik ben slechts een nederige dienaar van de godin.""O? De godin wil dat je je tien keer opdrukt.""Ok." zegt Bartimeüs en geeft gevolg aan de opdracht."We moeten wel weg." zegt Onda."Dan ga ik Kritoias wakker maken." zegt Bartimeüs."Niet gelijk." zegt Onda.
"Er is hier ook nog een andere gang." zegt Donogb, "Daar zijn we nog niet geweest. Ik ben benieuwd wat daar is.""Misschien wel een andere uitgang." zegt Ruarc."Dat zou mooi zijn."Ze lopen naar de gang en volgen die tot ze bij een ijzeren hek komen dat niet is afgesloten. Achter het hek is een grot wat is ingericht als een verblijf met meubels en tafels. Er is nog een gang naar links en een gang rechtdoor. Op de tafel ligt een stuk perkament. Donogb loopt erheen, terwijl Ruarc de gangen controleert."Het is een kaart." zegt Donogb, "Ongeveer gelijk aan de kaart die de Burggraaf voor ons heeft getekend. Alleen staat hier nog een eiland in het zuiden op. Ik neem hem mee.""Zullen we hier rechtdoor gaan?""Ja hoor."
Ruarc en Donogb volgen een lange gang en komen dan in een grotere grot wat eruit ziet als een vergaderzaal met een grote tafel met een aantal stoelen eromheen. Links en rechts zijn nog doorgangen naar een volgende grot. Op de tafel ligt een grotere versie van de kaart die Donogb heeft meegenomen maar hier staan pionnen op die de positie van de kampen aangeeft, met hun normale namen. De kampen vis, bloem en sneeuw hebben elk drie blokjes, maar kamp dood is leeg. Er liggen nog een twintigtal blokjes tussen de bergkam en de vier kampen. In de bergen staan ook twee posities, Scarfing en Halfung. Dat zijn waarschijnlijk kampen van de barbaren, want die sluiten de passen door het gebergte af. Daarachter is een groot achterland met ook hier het eiland. Op het eiland staat een groot poppetje."Dat is reus." zegt Ruarc, die Donogb de kaart ziet bestuderen."Ja, en dit dozijn blokjes naast de kaart zijn waarschijnlijk slachtoffers van het leger. Ik ga die blokjes intekenen op de kaart met die ganzenveer daar.""Ok, dan kijk ik in de ruimte hiernaast."
In die ruimte is het slaapvertrek van de burggraaf. Een spaarzaam ingerichte grot met een bed, een tafel en een kast met kleding. Op de tafel liggen allemaal zakjes met munten. Ruarc kijkt erin en ze zijn gevuld met zilveren munten. In totaal ongeveer 100 goudstukken in waarde. Ruarc pakt drie zakjes met munten en loopt terug naar de andere ruimte waar Donogb druk bezig is met een ganzenveer, inkt en vloeipapier."Hiernaast is het slaapvertrek van de burggraaf met het soldij van het leger.""Ok, dan ga ik daar zo ook even kijken, nog een andere gang?""Nee, ik loop alvast die linkergang in."Derdrich onderzoekt ook het slaapvertrek van de burggraaf en komt terug met drie zakjes zilveren munten en een luxe witte mantel. In de grot met de vergadertafel komt hij Ruarc weer tegen."En?""Daar is de keuken met een rookgat en nog een ander gangetje.""Ok, dan moeten we daar nog kijken."
Theolin komt in de grot aan waar Bartimeüs en de anderen ook zijn."Heb je wat ontdekt?" vraagt Bartimeüs."Ze verzamelen zich op twee plaatsen. Vlak buiten de grot voor het afgebrande gebouw en bij die grote hal.""Wat doen ze daar dan?""Ze lopen een beetje rond.""Hebben ze geen doel?""Ze zijn doelloos.""En niet iemand die ze bestuurt?""Nee, die heb ik niet gezien.""Ok, laten we gaan kijken of we er langs kunnen komen."
Bartimeüs en Theolin klimmen de ladder weer op en lopen naar de ingang. Halverwege de laatste gang komen plotseling Ruarc en Donogb uit een zijgang."Waar komen jullie vandaan? Is er nu niemand bij de ingang?" vraagt Bartimeüs."Wij hebben die andere gang verkend." zegt Ruarc."Er zijn daar een paar woonverblijven waar wat geld en kaarten lagen." zegt Donogb."En een mooi mantel." zegt Bartimeüs."Ja, en een mooie mantel." zegt Donogb."En er is nu niemand bij de ingang." zegt Ruarc."Hmpf." zegt Bartimeüs, "Laten we dan maar gaan kijken of de lopende lijken naar binnen aan het wandelen zijn."
Bij de ingang van de grot blijkt dat dat niet het geval is. De lopende lijken strompelen nog steeds doelloos rond tussen de grot en het afgebrande gebouw. Er begint zich ook een sneeuwlaag te vormen."We moeten wel gaan vertrekken, anders wordt de sneeuw te hoog." zegt Donogb."Dan moeten we nu toch echt Kritoias wakker gaan maken." zegt Ruarc, "En we moeten onze rugzakken vullen met proviand uit die voorraadkisten.""Ik ben benieuwd wat er gebeurt als ik er bij één in de buurt kom." zegt Bartimeüs, "Of hij reageert.""Waarom heb je dat dan nog niet gedaan?" vraagt Theolin."Dat mocht niet van Donogb." zegt Bartimeüs."We moeten er nu toch zo uit, dus ga je gang." zegt Donogb, "Maar lok hem wel een andere kant op als hij achter je aankomt."
Bartimeüs loopt voorzichtig naar buiten en loopt naar een lopend lijk dat aan de rand staat en met meest ver verwijderd van de andere lopende lijken. Hij nadert voorzichtig met zijn bijl en schild in de hand. Zodra hij op ongeveer een meter afstand komt lijkt het lopende lijk hem op te merken. Het draait zijn kant op en haalt uit met een van zijn armen. Bartimeüs is hierop voorbereid, wijkt uit en doet een paar passen naar achteren. Het lopende lijk volgt hem niet, blijft even staan en strompelt vervolgens een andere kant uit."Dat ziet er goed uit." zegt Donogb, zodra Bartimeüs terug is in de grot, "Pas als we in de buurt komen reageren ze op ons. Er is voldoende ruimte om weg te sluipen.""We gaan naar beneden, maken Kritoias wakker, zorgen voor voldoende provian en maken dat we wegkomen." zegt Theolin.
"H'm?" mompelt Kritoias."Wakker worden." zegt Bartimeüs, "We moeten weg.""En ook geen moment te vroeg." zegt Kritoias, "Het is nog niet ideaal, maar als het nodig is kan ik me weer enigszins nuttig maken."Kritoias staat op en pakt zijn rugzak."Pff, wat is dit ding zwaar. Wat zit erin?""Eten, dat hebben we nodig als we naar het zuiden gaan." zegt Donogb.Kritoias ziet even verderop Onda en Tiana staan en loopt op hen af."Waren jullie daarnet met de godin aan het praten?""Eh, ja." zegt Onda, "Dat doen we regelmatig.""Dat dacht ik al, in mijn droom zag ik haar volgens mij praten en ik dacht jullie stemmen te horen.""Hè? Hoe weet je dat dat de godin was?""Ze zag er hetzelfde uit als die keer dat ze aan ons is verschenen in het noorden.""Ik vind het wel merkwaardig hoor.""Dat zou trouwens ook betekenen dat ze nu in de droomwereld zou kunnen verschijnen zonder dat Balbar haar lastig valt. Dat is wel bijzonder.""Kom, we gaan!" zegt Theolin.
Bartimeüs komt als eerste bij de ingang van de grot aan."Nog iets verandert?" vraagt Donogb."Nee, het ziet er nog hetzelfde uit. We moeten één voor een langs de rotswand lopen om bij ze uit de buurt te blijven.""Wat is de volgorde?""Ik ga wel eerst, Theolin achter mij aan, dan Tiana?""Ok, dan volgt ik Tiana, dan Onda gevolgd door Tondvall.""Dan Kritoias, die andere Zonne-eilander en tenslotte Ruarc?"Iedereen knikt instemmend."Daar gaat ie." zegt Bartimeüs.Hij loopt voorzichtig de grot uit, gevolgd door de anderen. Ze komen allemaal de grot uit, maar moeten dan de lopende lijken op een paar meter afstand passeren. Bij Bartimeüs en Theolin gaat dat zonder problemen, maar zodra Tiana in de buurt komt is er een reactie van de lopende lijken. Een tiental van hen reageert en begint snel richting Tiana te bewegen."Rennen!" roept Donogb en ze rennen om het uitgebrande gebouw heen richting het grotere gebouw, gevolgd door de lopende lijken."Die gaan sneller dan ik had verwacht." zegt Donogb."Shit, we moeten ook langs die andere groep, dan komen er nog meer achter ons aan.""Ik kan Tiana laten vliegen." zegt Kritoias, "Dan kan ze over die andere groep heen.""Moet dat nou?" vraagt Tiana terwijl Kritoias haar inhaalt."Ja, anders krijgen we er nog meer achter ons aan." zegt Donogb.Kritoias stopt even verderop en gebruikt een toverspreuk om Tiana te laten vliegen. Die stijgt op volgt de anderen op grotere hoogte."Hoe lang duurt dit?""Ongeveer veertien minuten." roept Kritoias."Ja, hoe weet ik nu hoe lang dat is?"
Ze rennen langs de andere groep met lopende lijken, maar die laten hen gelukkig met rust, want niet geldt voor de tien die nog achter hen aan rennen."We moeten ze stoppen." zegt Bartimeüs, "Want ze blijven doorgaan en worden niet moe.""Ik zal een vuurbal gooien." zegt Kritoias en rent wat vooruit om voldoende tijd te hebben zijn toverspreuk te doen. De andere passeren hem en Ruarc gaat naast hem staan. Zodra de lopende lijken op de kleinst mogelijke afstand zijn, zo'n drie meter, gooit Kritoias zijn vuurbal. Met een daverende klap explodeert de bal en de lopende lijken worden omringd door vuur. Dat is echter niet genoeg om ze te stoppen. De wezens rennen door."Op zij." zegt Ruarc en trekt Kritoias achter zich.Hij ademt in en blaast een vuurstraal naar de lopende lijken. Zes van hen worden gestopt en de anderen rennen tegen hen aan. De geur van verbrand vlees stijgt op. Bartimeüs en Donogb rennen om de knisperende eerste zes lopende lijken heen en beginnen op de anderen in te slaan, geholpen door Ruarc. Het is een ongelijke strijd en ze slaan de lopende lijken in stukken, maar niet voordat Ruarc nog een klap van één van hen heeft gekregen.
Ze lopen door naar de rand van het kamp en komen op een kruising. De weg gaat terug naar het noorden en er zijn twee zijwegen naar links en naar rechts."Welke moeten we hebben?" vraagt Bartimeüs."Op de kaart kan ik dat niet echt zien." zegt Donogb, "De splitsing naar de verschillende kampen vindt aan de zuidkant van het kamp plaats.""Dan moeten we er één kiezen." zegt Bartimeüs, "Want ik zie hier alleen maar splitsingen van het pad. We willen naar kamp Floor toch?""Zullen we die naar het oosten nemen?" vraagt Kritoias."Prima, maakt niet heel veel uit."Ze lopen ongeveer een kwartier, maar er is geen splitsing naar het zuiden. Dat betekent dat hier geen zijpad naar kamp Floor loopt en dat ze terug moeten."Waarom zouden die lopende lijken op Tiana reageren?" vraagt Ruarc."Ze reageren op de kracht van de godin." zegt Bartimeüs."Vandaar dat ze niet op jou reageerden." zegt Ruarc.
Ze lopen de weg terug en komen weer langs de tenten van het kamp."Ik zag beweging." zegt Bartimeüs."Ik ook." zegt Ruarc."Ik ga kijken." zegt Bartimeüs en sluipt voorzichtig tussen de tenten naar de tent waar hij beweging zag. De flap van de tent gaat open en er komt een soldaat uit die door de sneeuw naar de volgende tent loopt en daar naar binnen gaat. Bartimeüs volgt hem, doet voorzichtig het tentdoek op zij en zegt hard:"Zoeken we iets?"De soldaat krijgt bijna een hartverzakking en draait zich razendsnel om."O, gelukkig, er leeft nog iemand.""Kom mee.""Waar naar toe?""Naar het zuiden.""Nee, we moeten naar het noorden.""Ben jij de enige overlevende?""Nee, er is nog een clubje in het noorden. De rest durfde nog niet terug, dus ik ben alleen gegaan om wat proviand te zoeken.""Wat is er met de anderen gebeurd?""De meeste zijn dood, anderen zijn lopende lijken geworden.""Wie zijn dat?""Mijn oude makkers."Bartimeüs en de soldaat, die inmiddels eten heeft verzameld, lopen terug naar de kruising waar de anderen ook zijn."Wat gaan jullie doen?" vraagt Bartimeüs."We gaan naar het noorden, maar een aantal van ons is gewond.""Moeten we die niet helpen?" vraagt Donogb."O, ja." zegt Tiana.
De soldaat neemt hen mee naar de schuilplaats van de soldaten die een minuut of tien lopen op de weg naar het havenplaatsje ligt. Een stukje vanaf de weg houden negen soldaten zich schuil, althans, zes zijn er gewond en drie bewegen helemaal niet meer. Ze hebben maar een paar zwaarden en speren en de soldaat die ze in het kamp zagen was bezig om eten en wapens op te halen."Als jullie naar het noorden willen, dan moet je jezelf wel kunnen verdedigen." zegt Donogb."Ja, want er zitten nog wel wat groepjes barbaren." zegt Bartimeüs, "Zullen we even wat wapens voor ze ophalen?""Prima." zegt Donogb."Ik ga ook wel mee." zegt Ruarc.Kritoias blijft samen met Tiana en de Zonne-eilanders achter bij de soldaten. Tiana gaat direct aan de slag om de gewonde soldaten te verzorgen. Kritoias vermoedt dat ze daarvoor de krachten van de godin gebruikt. Hij kijkt met zijn speciale blik en ziet dat er energie uit de grond komt. Onda kijkt toe. Na enige tijd lijkt Tiana klaar te zijn. Twee van de soldaten blijven liggen, maar lijken nu wel te bewegen. Tiana gaat ook liggen.
Bartimeüs, Ruarc en Donogb lopen de weg terug naar het kamp en benaderen de tenten die er net buiten staan voorzichtig via de zijkant. Bartimeüs en Donogb zijn heel stil, maar Ruarc let niet op, struikelt en valt voorover in een kuil. Gelukkig is het tentenkamp en stil en verlaten en wordt zijn kreet van verbazing niet gehoord. Ze verzamelen wat wapens en wat voedsel en lopen terug naar de schuilplaats van de soldaten.
"Wat is er gebeurd?" vraagt één van de soldaten als Bartimeüs, Ruarc en Donogb teruggekomen zijn."Er was een aanval van monsters." zegt Bartimeüs."En de Markgraaf? Hebben jullie die gezien?""Helaas, de Markgraaf is gesneuveld in de strijd.""O, dat is tragisch. Gaan jullie mee terug naar de haven?""Nee, wij zijn op een geheime missie naar het zuiden." zegt Kritoias, die erbij is komen staan."We moeten de barbaren overwinnen die achter deze laffe aanval zitten." zegt Bartimeüs."Jullie liever dan wij." zegt de soldaat.
"Wat weten jullie van de barbaren?" vraagt Ruarc, "Wij hebben gehoord dat er overgelopen soldaten met hen meevechten.""Ja, die willen de wereld verbeteren en waren het niet zo eens met de oorlog.""Hebben jullie gepraat met de barbaren?" vraagt Donogb."Nee, daar valt niet mee te praten.""Hebben jullie geld bij je?" vraagt Kritoias."Niet veel, wij zouden nog soldij krijgen.""Kunnen jullie hen niet een zakje geld geven?" vraagt Kritoias, "Die gaan wij in het zuiden toch niet nodig hebben, en zij wel.""Hmpf, ok, ja, is goed." zegt Donogb, en geeft de soldaat één van zijn zakjes met zilveren munten.Dan hoort Ruarc een stem, het lijkt of die in zijn hoofd zit: "Daar ben je."Hij kijkt om zich heen, maar hij ziet niemand die dat gezegd kan hebben en zo te zien heeft niemand anders die stem gehoord.
De soldaten nemen afscheid en vertrekken met hun gewonden kameraden naar het noorden. Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Donogb vertrekken met Tiana, Theolin en de Zonne-eilanders via de westelijke kant van het kamp naar het zuiden. Ze lopen door een verlaten rivierlandschap waar op sommige plaatsen nog wat sneeuw licht. Het pad volgt de meest gemakkelijke route door de vallei. Ze zien geen ander teken van leven die dag en Bartimeüs bepaalt in de loop van de middag dat er op het pad een schuilplaats is. Aan het einde van de dag bereiken ze inderdaad een zelfde soort schuilhut als ze eerder hebben gezien. Bartimeüs gaat voorop en ziet al snel dat de hut verlaten is. Na een eenvoudige maaltijd maken ze zich op voor de nacht. Ze besluiten om in tweetallen wacht te houden. Bartimeüs met Theolin, Ruarc met Tondvall en Donogb met Azol. Kritoias mag goed uitrusten om zijn magische energie de kans te geven te herstellen.
Dat lukt maar matig, want Bartimeüs en Kritoias worden midden in de nacht wakker en zien dat de hut vol rook staat. De anderen zijn nergens te bekennen."O, we zijn weer in de droomwereld." denkt Kritoias.Ze gaan voorzichtig de deur door en zien daar een figuur die om de hut heen ijsbeert. Natuurlijk is het Balbar."Waarom staat de hut in brand?" vraagt Bartimeüs."Ik wilde graag iets van jullie horen." zegt Balbar, "En nu?""We gaan naar de kampen, een stukje lopen." zegt Bartimeüs."Ik ben hier wel een beetje klaar mee. Morgen is er een poort, een rift. Jullie gaan daar doorheen en komen dan in het zuiden aan waar jullie je aan mij zullen onderwerpen.""O?""En kom alleen, als er iemand anders doorheen komt, dan gaan die dood.""En als we dat niet doen?" vraagt Bartimeüs."Dan maak ik jullie allemaal dood.""Dat is niet echt een heel vrijwillige keuze." zegt Kritoias."Is pa er ook?" vraagt Bartimeüs."Misschien, maar dat is niet belangrijk. Genoeg gepraat. Slaap lekker!"Bartimeüs en Kritoias vallen weer in slaap.
Ruarc wordt wakker. Hij heeft het koud en ligt in een sneeuwlandschap. Hij kijkt om zich heen, maar ziet verder niemand en voelt zich aardig alleen. Hoewel er geen maan is, is de omgeving wel verlicht. Dan gaat hij weer slapen.
De volgende ochtend is het koud en winderig. Tiana heeft wel de hele nacht geslapen, maar voelt zich niet uitgerust. Na een kort ontbijt gaan ze weer op pad. Aan het einde van de dag bereiken ze waarschijnlijk het kamp.Bartimeüs en Kritoias vertellen over de ontmoeting met Balbar en het 'aanbod' dat hij hen heeft gedaan. Tijdens de tocht discussiëren ze wat ze zouden moeten doen, want kennelijk weet Balbar dat ze eraan komen en een maandenlange tocht door de barre winter is ook niet een fijn vooruitzicht, maar het is de vraag of ze met zijn allen door de rift kunnen en wat er dan gebeurt.
Om twee uur komt een vogel van Theolin aan. Bartimeüs gebruikt zijn animal speaking om de conversatie tussen Theolin en de vogel te volgen."Zeg het maar.""Brand. Mensen. Draak. Dorp. Dorp. Mensen.""Wat voor mensen?""Nepdraak. Niets in brand.""Is het verlaten?""Nee. Barbaren.""O, dat is interessant." zegt Bartimeüs, "In Stilholm hadden we een draak die wel vuur kon spugen. Toen heb ik de keizer in zijn oor geschoten.""Wat? Heb jij het gesprek gevolgd? En hoezo waren jullie daarbij?"Kritoias vertelt het verhaal van het visioen bij de steen van de laatste slag.
In de loop van de middag zien ze rookkolommen in de verte. Als ze dichterbij komen zien ze dat er een kamp op de heuvel staat, kamp Bloem, en dat gebouwen en tenten binnen de palissade in brand staan. Ze lopen voorzichtig vooruit en letten goed op of ze iets zien, behalve Ruarc, want die valt in een kuil met sneeuw. Het kamp ligt op een heuvel en aan de andere kant van die heuvel is een tentenkamp met tenten die ze al eerder bij de barbaren hebben gezien.Bij het kamp zien ze een witte draak vliegen en landen en er zijn daar mensfiguren, waarvan twee er groter zijn. Het grote witte reptiel stijgt op, vliegt rond en ziet de reizigers, vliegt een stukje op hen af, geeft een schreeuw en vliegt naar het kamp van de barbaren toe. De groep rent snel naar het kamp toe, maar de poort blijkt dicht te zijn.
"In naam van de keizer, doe open de poort!" roept Ruarc, maar er komt geen reactie."Wat nu?" vraagt Theolin, hoe komen we nu binnen."Ik weet wel iets, let op, want iedereen moet er snel doorheen. Ik maak een tijdelijk gat in de palissade en dan kan iedereen er snel doorheen."Kritoias concentreert zich en maakt een portal in het hout. Snel gaat iedereen naar binnen, waarna de portal zich weer sluit.
Op het binnenterrein liggen overal dode soldaten, het zijn er bijna twintig. Er staan ook drie gebouwen in brand. Bartimeüs en Donogb klimmen via een ladder op de palissade om te kijken of er een reactie van het kamp van de barbaren is. Ze gluren voorzichtig over de rand en zien dat er zeker 40 tenten over een grote oppervlakte staan verspreid. In het midden staat een grotere tent, ook zijn er een aantal grotere barbaren te zien. Achter het kamp staat de witte draak, samen met een van de barbaren.
Bartimeüs loopt naar het midden van het kamp om te kijken wie er de afgelopen veertien uur in het kamp zijn geweest, dat blijken de soldaten van het keizerlijk leger en een aantal barbaren te zijn, niet de grote barbaren."Laten we overleggen." zegt Bartimeüs, de anderen verzamelen zich rondom hem."Het kan zijn dat ze hierheen komen als ze weten dat ze er zijn. Ik denk dat die barbaar die met die draak praat de baas is. Ik wil er wel heen gaan om te kijken wat er gebeurt." zegt Bartimeüs."Maar je kan ze niet verstaan." zegt Kritoias."Ja, maar dan nog. Kan je me niet onzichtbaar maken?""Jawel, maar hoe zinvol is dat?""Ik wil daar rond gaan kijken.""Ok, doe je ding." zegt Kritoias en maakt Bartimeüs onzichtbaar.Ze lopen naar de poort en Ruarc en Donogb halen de zware balk van de poort en doen hem op een kier. Bartimeüs zorgt dat hij geen sporen achterlaat en stapt het kamp uit."Eh, er staan hier op 50 meter afstand een zestal barbaren." zegt Bartimeüs.Donogb doet de poort iets verder open."Ja, wat zouden ze willen? vraagt hij en zwaait naar de barbaren."Geen idee, maar we kunnen ze toch niet verstaan." zegt Kritoias."Kan Bartimeüs dat niet? Die gebruikt toch ook gaven van de godin." zegt Theolin."Zou ik dat kunnen?" zegt Bartimeüs, "Dat is niet echt mijn ding. Ruarc is het talenwonder.""Kan jij ze dan verstaan?" vraagt Theolin aan Ruarc."Eh nee, dan moet ik een paar weken met ze optrekken.""Pff, dan zal ik wel voor jullie vertalen."
De barbaren zwaaien terug en roepen iets."Ze willen weten wie we zijn." zegt Theolin."We zijn reizigers naar het zuiden, naar het eiland." zegt Kritoias."Ze zeggen dat dat alleen voor de beste is die daar getest worden.""O, dat zijn wij."Even later is gelach van de kant van de barbaren te horen."He, in bijna elke stad waar we komen vindt een grote slachting plaats." zegt Bartimeüs."Dat ga ik niet vertalen." zegt Theolin."Ze zeggen dat de leider mensen uit het noorden verwacht voor een poort en of wij dat zijn.""Wat voor poort is het?" vraagt Kritoias."Een magische poort, gemaakt door hun leider.""Dat klinkt wel als een poort of rift van Balbar." zegt Bartimeüs."Als jullie dat niet zijn, dan moeten we in man tegen man gevechten ons bewijzen." zegt Theolin."Laten we even overleggen wat we gaan zeggen." zegt Kritoias.
"Ik vind zelf dat we gewoon met zijn allen door die rift moeten gaan." gaat Kritoias verder."Waarom?" vraagt Theolin, "Dan loop je misschien in de val en heb je geen controle over wat er gebeurd.""Ik zie het eigenlijk niet zo zitten om een paar maanden lang door een sneeuwlandschap te lopen waar ik de weg niet ken, het heel koud is en we eten moeten zoeken.""Maar jij kan toch onze kleding warm maken." zegt de nog steeds onzichtbare Bartimeüs."Ja, dat wel, maar dat is alleen maar gedoe en ga jij dan elke dag hier eten proberen te vinden?""Ja, daar heb je een punt." zegt Bartimeüs."Zeg maar tegen die barbaren dat we door de rift gaan." zegt Kritoias tegen Theolin."O? Ok."Theolin informeert de barbaren die direct wuiven dat ze mee moeten lopen, maar Kritoias houdt het even af en vraagt Bartimeüs om te vertellen dat ze er zo aankomen.
"Toen we Bartimeüs naar buiten lieten gaan stonden er wat barbaren." zegt Kritoias, "Die vroegen of wij de mensen zijn die door de rift moeten gaan. Ik heb Theolin 'ja' laten zeggen, want de kans om zonder kleerscheuren een paar maanden door een woest landschap te lopen is niet zo groot. Er is hier geen rift in de buurt, dus het zal iets anders zijn.""Ik ga niet mee." zegt Theolin, "Je loopt recht in de klauwen van Balbar, dat doe ik liever niet. Ik ga wel naar het noorden.""Ik ga wel mee, ik vertrouw erop dat we de juiste dingen doen." zegt Tiana."En jullie?" vraagt Ruarc aan de Zonne-eilanders."Eh, ja, eh als Tiana gaat dan gaan wij ook mee." zegt Onda.
Bartimeüs is de barbaren onzichtbaar en onhoorbaar gevolgd naar hun kamp. Ze lopen naar de grootste tent en gaan met gepaste eerbied naar binnen. De shaman die binnen op een stoel zit bedankt hen, denkt Bartimeüs, en loopt naar een kist als de boodschappers de tent hebben verlaten. Hij pakt er wat schedels uit en begint een soort cirkel te tekenen die Bartimeüs doet denken aan een demonenoproepcirkel. Hij ziet dat hij hier niet veel wijzer wordt en gaat terug naar het fort.
Bartimeüs maakt zich zichtbaar zodra hij de poort doorkomt en hoort van Kritoias en Ruarc over de stand van zaken. Theolin wil echt naar het noorden toe. In eerste instantie om te kijken hoe het met Beolin gaat, maar hij ziet daar toch vanaf als Bartimeüs en Kritoias hem vertellen dat Beolin waarschijnlijk is samengevoegd met anderen en nu als een pion van Balbar fungeert. Daarop besluit hij om over de bergen te gaan naar het gebied van de Noorderlingen waar de nieuwe god is. Hij verandert in een vogel en vliegt weg.
De anderen lopen voor het donker wordt naar het kamp van de barbaren. Als ze in het zicht komen horen ze hoorngeschal."He, zijn dat toch de Olcar?" vraagt Bartimeüs."Dat is die man daar met die hoorn." zegt Ruarc en wijst naar de hoornblazer.Ze lopen naar de barbaren die hen nauwlettend opnemen en ze meenemen naar de grote tent van de shamaan. Als ze daar zijn staat de shamaan buiten. Hij kijkt even verbaasd naar de grote groep en steekt twee vingers op. Kritoias schudt van nee en maakt een draaiend gebaar met zijn vinger om de hele groep aan te wijzen. De barbaar kijkt eerst bedenkelijk, benadrukt nog een keer twee, maar Kritoias houdt vast aan iedereen. De shamaan vindt het daarna best, gebaart dat ze even moeten wachten en gaat de tent binnen.
In de vijf minuten dat ze moeten wachten vermaakt Ruarc de toekijkende barbaren met de illusie van een vogel en haalt Kritoias herinneringen op aan de tijd dat ze nog zelf een tent hadden, voordat die door Vandalus werd gestolen. Dan gaat de tentflap open en gebaart de shamaan dat ze binnen moeten komen. De binnenkant van de tent is niet de binnenkant van een tent, maar een sneeuwvlakte waar in de verte een man staat te wachten. Kritoias gaat als eerste naar binnen. Bartimeüs wil hem volgen, maar Ruarc houdt hem tegen."Ga jij als laatste, anders doen ze straks die rift dicht."Bartimeüs knikt en wacht tot de anderen ook de sneeuwvlakte zijn opgelopen. Bartimeüs kijkt om als hij de sneeuw instapt en ziet dat de ingang van de tent hier ook een soort deur vormt, waar de shamaan nog even in staat te kijken, tot hij de flap terugslaat en de tent verdwijnt.
Ze lopen vooruit richting de man als Bartimeüs, Kritoias en Donogb plotseling iets horen zoemen. De man kijkt verschrikt op, dan geeft Tiana een schreeuw van pijn en krijgt Ruarc enorme kramp in zijn maag. Donkere flarden mist duiken uit het niets op en er lijken scheuren te ontstaan. De wind begint hard te blazen en Tiana kan bijna niet meer overeind staan. Donogb pakt Tiana op die "Nee, nee, nee" roept. Kritoias probeert met zijn power perception te bekijken wat er gebeurt, maar zijn fragiele brein kan de overload aan informatie niet aan en hij verliest het bewustzijn. Het lijkt erop of ze worden opgepakt door de wind en minutenlang draaien ze rond in een draaikolk voor ze in de verse sneeuw vallen.
Bartimeüs wordt wakker in de sneeuw in een bosachtig gebied. Als hij om zich heen kijkt ziet hij alleen Ruarc overeindkrabbelen."Heb jij de anderen al gezien?" vraagt hij."Nee, geen idee waar we nu weer zijn beland. Laten we voorzichtig rondkijken."Bartimeüs en Ruarc luisteren goed en proberen tussen de bomen door beweging te ontdekken. Even later komen ze Donogb en Tiana tegen die ook bij elkaar zijn neergekomen. Na uitgebreid zoekwerk tussen de bomen ontdekken ze Kritoias die nog steeds bewusteloos is, maar na wat porren tekenen van leven begint te vertonen. Van de Zonne-eilanders ontbreekt ieder spoor.
"Wat was dit?" vraagt Tiana "Dat moet je mij niet vragen." zegt Donogb."Ssst." zegt Bartimeüs, "We weten niet wat hier nog meer in de buurt zit.""Waar zijn we?" vraagt Tiana."Een bos in de sneeuw." zegt Ruarc."Ik denk dat we door een soort portaal zijn gegaan." zegt Kritoias, "Zouden hier ergens paden lopen?""Ik kijk wel even." zegt Bartimeüs en concentreert zich, "Nee, helaas er is geen pad te vinden.""Dat is bijzonder." zegt Ruarc."Niet zo bijzonder als dat er geen zon is." zegt Donogb."Maar er is toch licht?" vraagt Tiana."Ja, " zegt Kritoias, "er is licht en Donogb heeft gelijk dat er geen zon is. We zijn op een vreemde plek beland. Misschien zoiets als die wereld waar de zielen van de ondoden verbleven.""Daar was wel een zon." zegt Bartimeüs."Ja, dat is zo." zegt Kritoias."Kan je niet even kijken wat er verderop te zien is?" vraagt Bartimeüs."Ok." zegt Kritoias, "Ik stijg wel even boven de bomen uit.Hij gebruikt een toverspreuk en zweeft naar boven.
Kritoias stijgt een paar honderd meter omhoog, kijk rond en daalt dan weer naar beneden om te rapporteren."Bijna alleen maar bos, zover het oog reikt, behalve die kant op, daar is een grote bergketen.""Waar gaan we dan heen?" vraagt Bartimeüs."Ik zou zeggen naar de bergketen. Voelen jullie trouwens ook iets anders hier? Het lijkt alsof mijn toverspreuken makkelijker en moeilijker gaan.""Ja, er is wel iets." zegt Ruarc, "Nu je het zegt.""Ik heb niets gemerkt." zegt Donogb, "Laten we maar gaan lopen. Hier in de kou blijven staan helpt ook niet. Toch vreemd waar die Zonne-eilanders gebleven zijn.""Het zou kunnen dat wij hier heelhuids zijn aangekomen doordat wij iets met die goddelijke krachten hebben en dat jij Tiana beet had." zegt Kritoias, "Misschien dat Onda hier dan ook nog ergens is, maar voor de anderen heb ik dan weinig hoop.""Daar kunnen we nu toch niet zoveel aan doen." zegt Ruarc, "Laten we gaan."
Na een tijd door het bos gelopen te hebben, hoe lang is niet helemaal duidelijk, want er is geen zonnestand waar je het tijdstip mee kan bepalen, hoort Tiana in de verte gezang links in het bos. Tegelijkertijd hoort Bartimeüs ongeveer 20 meter verderop geritsel."Sst, ik hoor ook iets in de struiken." fluistert hij en gaat op onderzoek uit. Kritoias en Ruarc volgen op gepaste afstand en blijven even wachten Donogb en Tiana."Niemand meer te zien." zegt Bartimeüs als hij op de plek staat waar hij het geritsel hoorde, "Ik zal kijken wie of wat het was."Opnieuw gebruikt Bartimeüs zijn gaven en tussen de dieren zit ook iets bijzonders."Het was een ranke dame, geen normale vrouw, maar een beetje boomachtig, zoals we ook gezien hebben voor we de godin hebben ontmoet.""O, ja, in het noorden." zegt Ruarc."Zijn die hier ook?" vraagt Tiana."Kennelijk, en ze loopt op blote voeten, nu ik weet wat voor spoor ze maakt kan het tracken beginnen, kijk daar heeft ze gelopen."
Na 20 minuten zoeken door het besneeuwde bos komen ze bij een open plaats waar een grote boom staat."Ik denk dat ze hier in de boom zit." zegt Bartimeüs."Het lijkt wel of ik stemmen in de boom hoor." zegt Tiana."Ik hoor wolven verderop." zegt Donogb, nadat een heel eind verderop wolvengehuil is te horen, "We moeten oppassen.""Ach, we hebben Ruarc de berenfluisteraar, dus we hoeven niet bang te zijn voor een paar wolven." zegt Kritoias."Ik wil even in de boom kijken." zegt Tiana, "Donny help jij mij even omhoog?""Eh, ok, pas je wel op?""Die boom lijkt goed klimbaar." zegt Bartimeüs met kennersoog.Tiana klimt na een opzetje van Donogb de boom in en dan horen ze dat ze met iemand in gesprek is."He, hallo, ..., Wie ben jij? ... Nee, nee, nee, wees niet bang."
Bartimeüs, Kritoias, Ruarc en Donogb houden hun ogen op de omgeving gericht als ze luisteren en zien dat er een grote wolf de open plaats op komt lopen. Hoewel, het is niet een normale wolf. Het is een wolfachtig beest dat groter is dan een wolf en er blauwachtig uit zien. Als ze goed kijken zien ze dat de open plaats omsingelt wordt door dit soort beesten.Bartimeüs begint plotseling te grommen naar het beest."Waarom grom je zo boos?""Boos? Grommen? Wat doe jij hier?""We zijn op zoek naar een weg terug."De wolf snift wat met zijn neus."Wat ben jij?" gromt de wolf."Een mens.""Jullie ruiken vreemd. Ik heb geen mensen gezien. Wie is zij in de boom?""Tiana.""Wat doet zij dan?""Praten met de vrouw.""Als die maar niet gewond raakt, anders zullen jullie sterven door tanden en klauwen.""Wij hebben niets kwaads in de zin, we willen alleen weten waar we zijn.""In ons gebied. Hoe komen jullie hier?""We zijn uit de lucht gevallen.""Zijn jullie vogels?""Als we vogels zouden zijn zouden we in de lucht kunnen blijven."
"Waarom zouden we jullie niet doden?""Waarom wel?""Jullie ruiken vreemd.""Als jullie ons naar de rand van jullie gebied brengen is dat ook goed. Wij willen hier niet zijn.""Daar is een ander rodel.""Wat willen jullie?""Terug naar onze eigen wereld.""Waarom spreken jullie dan met de vrouwe?""Zij heeft ons hierheen gebracht.""Zij?""Nee, de godin.""De grote vrouwe heb ik al heel lang niet gezien.""Wij hebben een kind van ons bij haar.""We zijn niet alleen. Kom mee." zegt de wolf tegen de andere wolven en ze verdwijen in het bos.
Tiana verschijnt boven in de boom."Met wie praatte je net?" vraagt Donogb."Ssst." zegt Bartimeüs."Ik kom naar beneden." zegt Tiana.Dat gaat echter niet zoals gepland. Halverwege verliest Tiana haar evenwicht. Kritoias probeert haar te redden door een toverspreuk te gebruiken, maar die heeft het omgekeerde effect. In plaats van dat die haar zacht laat landen duwt hij haar langs de bast van de boom omhoog."Au, au, au." zegt Tiana."Sorry, sorry, er is hier iets vreemds met de magische energie aan de hand. Het lijkt of er zoveel is dat ik het moeilijk kan concentreren. Misschien kan ik beter geen spreuken doen.""Horen jullie ook iemand roepen?" vraagt Ruarc."Nee, hoezo?" vraagt Bartimeüs."Nee, zomaar." zegt Ruarc.
"De godin is hier." zegt Tiana als ze weer veilig beneden staat en haar verwondingen heeft genezen, "dat zei de vrouwe van het bos."Ruarc staat intussen in gedachten verzonken en lijkt inderdaad een stem te horen, hij voelt trillingen."Voel je het innerlijk vuur? Waar ben je?"Het lijkt of iets hem probeert aan te raken."Kom maar, wij kuknnen elkaar vinden."Bartimeüs kijkt om zich heen, en voelt ook dat het hier erg vertrouwd is."Leve de keizer." roept Ruarc opeens.
"Hoor jij iets?" vraagt Donogb aan Tiana."Nee, maar het voelt niet goed, ik ben moe.""Ok, laten we maar teruglopen." zegt Donogb."Terug?" vraagt Kritoias."Ja, in ieder geval hier weg." zegt Donogb.
Na een paar minuten lopen ziet Bartimeüs, die voorop loopt, een wezen uit de grond omhoog komen. Het is een mensachtig wezen, zonder gezicht en het is blauw. Het is vervelender dat het ook twee grote zwaarden heeft en op Bartimeüs afkomt. Bartimeüs gaat vol in de verdediging. Hij let op het voetenwerk van het wezen, maar zijn voeten lijken versmolten te zijn met de grond. Donogb snelt direct te hulp, maar kan niet voorkomen dat Bartimeüs vol op zijn neus geraakt door een zwaard dat hij niet kan afweren omdat hij voorkwam dat het andere zwaard hem raakte. Bloed gutst in het rond en Bartimeüs verweert zich kranig. Donogb valt het wezen ook aan, maar het wezen weet hem eenvoudig te ontwijken."Ik kom eraan." roept Ruarc en ontpopt zich als de redder in nood. Met zijn strijdhamer maakt hij gehakt van het wezen dat hem maar heel lichtjes weet te raken."Mijn zwaard deed helemaal niets!" zegt Donogb."Au, mijn neus." zegt Bartimeüs."Ik help je wel." zegt Tiana, bidt tot de godin en herstelt Bartimeüs's neus alsof er niets aan de hand is, maar daarna is ze wel heel erg moe.
"Horen jullie dat gezoem ook?" vraagt Ruarc."Nee, nou, uiteindelijk leek dat wezen erger dan het was." zegt Derdrich.Bartimeüs wil antwoord geen, als plotseling een exotisch geklede man in wijde gewaden uit het bos komt stappen."Gegroet stervelingen.""Goedendag." zegt Bartimeüs."Wat een interessant gezelschap, dat horen we niet vaak.""Hoezo een interessant gezelschap?" vraagt Kritoias."Mensen met verschillende krachten.""Laat ik mezelf voorstellen." zegt Ruarc, "Ik ben Ruarc the Magnificent.""Mensen hebben rare achternamen. Je kent me, maar misschien ook niet. We moeten elkaar beter leren kennen. Dit kan het begin zijn van een hechte vriendschap.""Hoezo?" vraagt Bartimeüs.De man negeert Bartimeüs en praat verder tegen Ruarc: "Ik ben blij dat ik je gevonden heb voordat iemand anders dat heeft gedaan. Het was helaas een wat ruwe tocht, maar dat kwam omdat er iets mis ging. Ik kon je niet in handen van de ander laten vallen, zoals je companen hier van plan waren."
"Hoezo?" vraagt Kritoias."Er is een klein meningsverschil. Jij bent daarin belangrijk Ruarc, maar dat betekent wel dat je de strijd aan moet gaan met deze twee onfortuinlijke wezens.""Is dat zo?" vraagt Ruarc."Ja, er moet iets beslecht worden.""En waarom moet je hem daarom tegen ons opzetten?" vraagt Bartimeüs, "Je bent gewoon een intrigant.""Ik vraag je niet om nu gelijk de wapens op te nemen, maar de strijd is onvermijdelijk.""En bij wie hoor je dan?" vraagt Kritoias."Bij een nieuwkomen, maar tegelijkertijd een oude bekende. Voel je het hier niet, Ruarc? We zijn hier dicht bij de goden.""Dat is ook niet voor het eerste." zegt Kritoias."Op deze plek zijn ze kwetsbaarder, meer aanwezig.""Ik vind ze meer afwezig." zegt Ruarc, "Wat doen ze nu voor ons.""Nooit afwezig, maar minder in control. Maar dat zijn hun goden. Onze god niet, die is hier en heeft je hulp nodig.""En waar komt die vandaan?" vraagt Ruarc, "Is de keizer daarheen gegaan?""De god is opgegaan in mijn god en mijn god weet raad. De andere had jullie bijna in zijn macht."
"Welnee." zegt Kritoias."Je probeert alleen maar de boel op te stoken." zegt Bartimeüs."Maar wat willen jullie dan bereiken? Door met hem in zee te gaan?""Die goden zijn echt een stel kleuters." zegt Kritoias, "Ze ruzieën om van alles en nog wat.""Hoe durf je! Toon respect voor de goden.""Als je ze eenmaal ontmoet en gehoord hebt zie je dat toch anders. Bovendien zijn we kennelijk nodig, omdat ze zich de hele tijd met ons bemoeien.""Blasfemie! Op deze manier zal het slecht met jullie aflopen.""Nou, we zijn al een keer doodgegaan, en toen hebben we ze horen praten, dus dan bekijk je zaken toch wat anders.""Ja, je bent gewoon een onruststoker." zegt Bartimeüs, "Ga gewoon weg en val ons niet lastig.""Maak je los van deze twee." zegt de man tegen Ruarc, "Uiteindelijk is de strijd met hen onvermijdelijk. De nieuwe god heeft het allemaal voorzien."
Met een razendsnelle beweging haalt Bartimeüs uit met zijn bijl en raakt de man vol op zijn schouder omdat hij zijn hoofd op het laatste moment wegtrekt. Derdrich probeerde nog te reageren maar was te laat."Stap ertussen Kritoias." zegt Donogb."Waarom?" vraagt Kritoias en is bezig energie te verzamelen.De man maakt een gebaar of hij bidt en verdwijnt.
"Het moet niet gekker worden." zegt Bartimeüs."Wat niet?" vraagt Kritoias."Dat ze proberen ons tegen elkaar op te zetten.""Ik wens ze veel succes.""We hebben wel weer wat informatie gekregen." zegt Ruarc, "Hebben jullie daarnet ook een stem gehoord?""Een stem?" vraagt Kritoias, "Nee.""Ik ook niet." zegt Bartimeüs."Nee, ik hoor hem nu ook niet meer, ach het zal wel." zegt Ruarc."Gaan we weer verder naar de bergen?" vraagt Donogb."Ja, een beter plan hebben we niet." zegt Bartimeüs.Na deze onaangename ontmoeting lopen ze door de sneeuw verder richting de bergen.
"Bartimeüs, hoor jij dat ook." zegt Kritoias na een uur lopen."Muziek en gegiechel." zegt Bartimeüs."Ja, klopt, volgens mij daarvan linksvoor. Ga jij kijken.Bartimeüs steekt een duim omhoog en sluipt richting de muziek.
Heel goed gaat dat niet, want net als de fluitmuziek stopt stapt hij op een tak die breekt. Tussen de takken door ziet hij op een open plek een soort Olcar op een fluit spelen. Het is een mensachtig wezen met geitenhoorns en bokkenpoten."Hallo?" zegt het wezen, "Hallo? Wie is daar?""Ik ben Bartimeüs." zegt Bartimeüs en stapt uit de bosjes, "Met wie heb ik het genoegen.""Firandel.""Ga alsjeblieft door met spelen, het is heel mooi.""Kom dans op de muziek." zegt Firandel en begint te spelen.Bartimeüs wil eigenlijk niet, maar kan niet anders dan dansen op de mooie klanken van het fluitspel.Nadat het liedje is afgelopen zegt Bartimeüs dat hij zijn vrienden gaat halen voordat Firandel aan een nieuw lied kan beginnen.
Kritoias, Ruarc, Donogb en Tiana komen ook de open plek oplopen."Zo, zijn dat je vrienden?" vraagt hij aan Bartimeüs."Niet alleen vrienden, ook familie." zegt Kritoias."Familie? Dat is een mooi meisje!""Die is dan geen familie." zegt Bartimeüs, "Kan jij ons helpen?""Waarmee?""Wij willen hier weg, maar we weten niet hoe het moet.""Hoe zijn jullie hier dan gekomen? Zijn jullie gaan slapen?""Niet dat ik weet." zegt Kritoias, "We zijn uit de lucht komen vallen.""Dat slapen is misschien wel iets." zegt Ruarc, "Er gebeuren hier rare dingen.""Wat voor rare dingen?""Dat je naar bergen loopt die niet dichterbij komen.""Is het dan misschien toch een droom?" vraagt Bartimeüs."Een droom kan je dat controleren. Kunnen jullie dat?""Soms heb ik dat wel eens gedaan." zegt Kritoias."Hoe doe je dat precies?""Als je wil dat iets gebeurd, dan wil je dat toch?"
"Dus als ik nu wil dat er achter mij een zonnebloem staat, " zegt Ruarc en draait zich om, "dan staat hij er ook."Hij grijp achter zich en heeft een zonnebloem in zijn hand."Ok, ik wil de vrouwe van het bos vinden." zegt Bartimeüs."Hoe vind je die dan?" vraagt Firandel."Die is die kant op." zegt Bartimeüs en wijst achter Firandel, daar begint zich nu een pad te vormen."O, een pad!" zegt Firandel."Niet zo'n lang pad hoor." zegt Bartimeüs, "Kom."Ze lopen het pad af, begeleid door Firandel.
"Wie is eigenlijk de vrouwe van het bos?" vraagt Firandel."De godin die alles doet bloeien." zegt Kritoias."Waarom zoeken jullie haar?""We willen haar om raad vragen." zegt Bartimeüs, "Eigenlijk heeft zij een probleem en willen we haar vragen hoe we het beste kunnen helpen.""Wat een cryptisch probleem. Ik ben gek op raadsels.""Ik ken wel een verhaal over raadsels." zegt Ruarc en begint een verhaal te vertellen."Nee, wacht ik wil het zelf oplossen." zegt Firandel, "Is het de emmer?""In een emmer zitten niet drie gaten!""Is het dan de os?""Waarom?""Nee, drie, nee, het is niet de os.""Denk even goed na, hij zat te wachten en zag de emmer, de os kwam voorbij en de ezel. Wie kwam erbij?""De gouden dubloen!""De gouden dubloen, denk je dat echt?""Eh, eh, nee, nee.""Denk even na, wie kwam er eerder bij.""O, het is de molenaar!""Precies, de molenaar.""En de rat dan?" vraagt Kritoias."Dat was geen rat, dat was een rode haring." zegt Ruarc.
"He, kijk daar." zegt Bartimeüs en wijst naar een plaats waar de lucht lijkt te trillen, "Het pad lijkt daar te eindigen.""Het lijkt een rift, maar toen ik daarnet voelde waren er geen rifts in de buurt." zegt Kritoias"Het is het eindpunt, dus daar moet de vrouwe zijn." zegt Firandel.Ze stappen door het getril heen en staan plotseling op een dorre vlakte met verwrongen bomen en Firandel is geen Olcar-achtig wezen meer, maar een man met bekende gelaatstrekken. Ook staan er bijna 30 Vanyana in zwaar pantser met grijs-grauwe kleuren."Balbar!" zegt Bartimeüs.
"Zijn we nu in het zuiden?" vraagt Kritoias."Jullie zijn nu hier." zegt Balbar."Krijgen we nu dezelfde flauwekul?" vraagt Bartimeüs."Ik vond je actie in het bos zo mooi." zegt Balbar, "Dat is je ware aard.""Hij was gewoon geïrriteerd door die kneus." zegt Kritoias, "Dat was vroeger al, als iemand hem niet beviel sloeg hij erop.""Zie je wel."
"De keizer is opgegaan in die nieuwe god, is dat geen klein ongemak? Vraagt Bartimeüs, "Een streep door de rekening?""De keizer is een slappe zak." zegt Balbar, "Maar kom het is tijd dat jullie je deel doen. Waarom zijn die andere drie hier?""Waarom niet? Is dat een probleem?" zegt Bartimeüs."Het is tijd dat jullie je ze ontdoen." zegt Balbar."Bloed is sterker dan de spelletjes die jullie spelen." zegt Bartimeüs."Zie het als een goede daad." zegt Balbar, "Uiteindelijk is het ook beter voor hen.""Wat is dat voor ziek soort altruïsme." zegt Bartimeüs."Voor wie doen jullie dit eigenlijk?" vraagt Balbar."Voor onze leider." zegt Bartimeüs en wijst naar Donogb, "Weet je dat niet?""Dan is het tijd om daar een eind aan te maken." zegt Balbar, "Doe jij dat?""Waarom?""Dan laat ik het wel doen."
Een van de Vanyana begint op Donogb af te lopen en pakt zijn zwaard. Bartimeüs loopt langzaam naar een plek langs de route die hij volgt naar Donogb. Zodra de Vanyana Bartimeüs is gepasseerd slaat die van achter het hoofd van de Vanyana tot pulp."Sorry." zegt hij."Ach, jullie zijn niet belangrijk." zegt Balbar tegen de anderen, "Zeker jij niet met je rare raadsels.""Het is tijd om er maar een einde aan te maken."Balbar knikt en een stuk of vijf Vanyana lopen met getrokken wapens naar voren.Kritoias zoekt naar een oplossing en probeert om een rift te maken. Het lijkt te lukken, maar dan stroomt de energie die hij gebruikte plotseling ergens anders heen.
"Nu is het genoeg! Tot hier en niet verder! Dracoris!" roept Ruarc plotseling.Een grote stroom vuur omhult de Vanyana die halverwege waren en die storten gillend ter aarde."Aanschouw mijn ware aura!"Ruarc lijkt groter te worden en een helder licht omringt hem.Balbar trekt een lange dolk en maakt zich gereed voor de strijd."Dit laat je toch niet gebeuren, Bartimeüs?"Bartimeüs pakt zijn boog en schiet een pijl op Ruarc af, maar die ketst ogenschijnlijk zonder schade te doen af."Nee, wat doe je nu. Doe dat niet." roept Kritoias tegen Bartimeüs.Tegelijkertijd hoort hij achter zich hoe Tiana in ademnood raakt en ter aarde stort.
Ruarc blaast opnieuw vuur, nu naar Balbar, maar die weet het meeste te ontwijken. Dan springt Balbar snel naar voren en steekt net door de maliënkolder van Ruarc heen.Kritoias ziet intussen dat een groep Vanyana op hem, Tiana en Donogb afkomt. Snel maakt hij een schild, terwijl Donogb zijn boog pakt."Ruarc, kan jij iets doen aan die Vanyana hier?"Ruarc kijkt opzij, blaast opnieuw vuur en de Vanyana lopen behoorlijke brandwonden op. Met bijna zijn laatste krachten schiet Kritoias een shock bolt op de voorste Vanyana af. De impact is groter dan hij had gedacht, want magie gaat hier nog steeds makkelijk. Met geknetter raakt de shock bolt de Vanyana waardoor de anderen terugdeinzen.
Balbar haalt uit naar Ruarc, maar weet hem niet te raken. Het verzengende vuur van Ruarc raakt Balbar dit keer wel. Hij springt achteruit, maar valt op de grond. Op dat moment duikt Bartimeüs achter Ruarc op. Hij haalt uit met zijn bijl en raakt Ruarc vol in zijn rug. Plotseling wordt zijn hand tegengehouden, terwijl Ruarc bewusteloos op de grond valt. Balbar probeert op te krabbelen, maar stort ter aarde en iets om zijn nek gaat gloeien, daarna verdwijnt zijn lichaam. Achter Kritoias komt plotseling een fel licht vandaan. Hij draait zich om en ziet dat Tiana groter lijkt dan eerst.
Tiana loopt naar de plaats waar Balbar lag te midden van de geur van brandend Vanyanavlees. Ze knielt op de plek waar hij lag."Wat is er gebeurd?" vraagt Bartimeüs, "Wat heb ik gedaan?""Je moest hem doden." zegt Tiana.Ruarc leek eerst dood, maar nadat Tiana hem heeft aangeraakt komt hij bij. Hij hoort een vrouwenstem in zijn hoofd: "Waar is hij?""He?" vraagt Ruarc, "Wie?""A'Adin heeft iets geforceerd." zegt Tiana."Ik heb iets geprobeerd met een rift." zegt Kritoias."Ik denk niet dat dat het was. We moeten snel achter Balbar aan. Jij kan toch een rift maken?""Ja, maar ik moet eerst twee uur rusten voor ik voldoende energie heb om dat te kunnen doen.""Dan zit er niet veel anders op." zegt Tiana.
"Hij heeft gelukkig een residu achtergelaten, zo kunnen wij hem volgen." zegt Tiana."Waar zijn we nu dan?" vraagt Kritoias."In een realiteit buiten jullie realiteit, die dichter bij de goden is.""Ruarc, heeft A'Adin iets tegen je gezegd? Een boodschap? Voel je hem hier?""Eh, nee, nee, niet meer." zegt Ruarc."Wie is hij dan?" vraagt Kritoias."Hij is nieuw voor deze realiteit.""Hoe kan er dan een nieuwe god zijn?" vraagt Kritoias."Wat jullie goden noemen zijn er velen van.""Zoals Balbar." zegt Bartimeüs."Dit was niet Balbar, net als ik. Ik spreek namens de godin. Het is een manier om je te manifesteren.""Maar wat moeten ze met ons?" vraagt Kritoias."De goden hebben werktuigen nodig om dingen te kunnen doen.""Werktuigen?""Denk dat het zwaarden zijn. Soms hebben goden zwaarden nodig." en Tiana knikt naar Bartimeüs en Ruarc, "En soms heb ik ook een zwaard nodig."
Na twee uur maakt Kritoias een major rift en stappen ze de dorre vlakte uit, midden in een groot sneeuwlandschap. Het sneeuwt hard, het waait hard en het is heel koud."Die kant op." zegt Tiana.Na vijf kilometer lopen zien ze in de verte een groot stenen fort, 20 meter hoog, op een 25 meter hoge tafelberg. Daarvoor staan een fort, en een houten stad. Het begint al te schemeren."Ik herken dit uit het visioen." zegt Bartimeüs, "Maar er ontbreekt iets.""Een barbarenleger." zegt Ruarc, "Wat nu?""We verzinnen er wel iets op." zegt Kritoias."We moeten nu onderdak vinden de zon gaat bijna onder." zegt Ruarc, "Kan jij iets vinden Bartimeüs?""En dan iets van een grot, niet één van die huisjes in de stad." zegt Kritoias."Eh, ja, even kijken, deze kant op. Er is een grot waar we in kunnen schuilen." zegt Bartimeüs.De grot is ruim genoeg voor Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Tiana om in te verblijven."Deze grot wordt vaker gebruikt." zegt Bartimeüs, "Kijk gisteren heeft iemand hier nog een vuurtje gestookt.""Ik denk niet dat er iemand vannacht langs gaat komen." zegt Kritoias, "Houden jullie de wacht, dan ga ik slapen om mijn magische energie aan te vullen, die zullen we hard nodig hebben."
De nacht verloopt rustig, er wordt zelfs niet gedroomd.
"We moeten een plan maken." zegt Kritoias, "Mijn magische energie is beperkt, ik kan niet iedereen erheen teleporteren en dan nog een gang maken, onzichtbaar worden, en zo.""We moeten informatie hebben." zegt Ruarc, "Daar is Bartimeüs de aangewezen persoon voor.""Ok, ik wil wel gaan, maar dan moet ik wel onzichtbaar worden.""In de sneeuw is dat wel een ding hoor, heb jij zelf niet iets?""Ik kan doen of ik een dier ben, maar midden in de stad is dat ook niet logisch.""Nee, dat klopt."En ik kan door de sneeuw lopen zonder sporen achter te laten, dan kunnen ze mij niet volgen naar de grot.""Ok, ik maak je onzichtbaar en we wachten hier af."
Bartimeüs ploetert een uur door de sneeuw. Het waait nog steeds hard en hij merkt dat de sneeuw die op hem valt blijft liggen en zichtbaar is. Af en toe klopt hij voorzichtig wat sneeuw af, maar af en toe lijkt hij net een sneeuwpop die door het terrein loopt. Gelukkig is verder niemand zo gek om in dit weer naar buiten te gaan.Hij komt als eerste bij de houten stad. De gebouwen hebben een speciale vorm, het lijken wel omgekeerde boten en ze zijn net zo groot als de familiehuizen in hun eigen dorp. Hij ziet beweging tussen de gebouwen en ziet dat iemand zich van het ene naar het andere gebouw haast. De gebouwen zijn in een halve cirkel voor een half stenen en half houten muur gebouwd. Daarachter is nog een deel van de stad en daarachter is het grote twee verdiepingen hoge stenen gebouw boven op de heuvel. Bartimeüs volgt een pad dat waarschijnlijk helemaal naar de grote toren lijkt die voor de heuvel staat. Het pad loopt naar de muur toe en Bartimeüs ziet dat er een vier meter hoog poortgebouw in is gemaakt. De poort zelf is gesloten, maar voor een kleine deurtje dat open staat, of meer in dat deurtje, zoveel mogelijk uit de wind, staat een barbaar de wacht te houden. Maar het is geen barbaar gehuld in huiden, maar de wachter heeft iets wat op een echte jas lijkt aan en hij leunt op een speer.
Bartimeüs benadert het poortgebouw van de linkerkant en wil naast het poortgebouw de muur overklimmen. Door de wind en de sneeuw gaat het langzamer dan hij had gedacht, maar gelukkig is er niemand op straat om hem te zien. Hij gluurt over de muur, waar aan de andere kant een looppad is gemaakt. Op een paar meter afstand ziet hij dat er in het poortgebouw nog een wachter in de deuropening naar het looppad staat. Hangend aan de muur beweegt hij zich naar links totdat hij door de sneeuw niet meer zichtbaar is, maar daarbij maakt hij geluid. Op dat moment hoort hij dat de man iets naar achteren roept. Bartimeüs maakt zich klaar om naar beneden te klimmen, maar kennelijk was het toeval dat de wachter net op dat moment iets zei, want er gebeurt niets. Hij klimt over de muur op het looppad en kijkt uit over de stad achter de muur. Daar zijn de huizen half van hout en half van steen. Aan de rechterkant ziet hij door de sneeuw gebouwen die op barakken lijken, daar loopt iemand die heel groot lijkt. Dat moet een superbarbaar zijn. Bartimeüs heeft ook zicht op de poort naar het gedeelte voor de heuvel. Daar staan twee superbarbaren op wacht."Ik kan maar beter teruggaan." denkt Bartimeüs, "Hier kom ik zelf niet veel verder."Zonder problemen en zonder sporen achter te laten loopt Bartimeüs door de sneeuw terug naar de grot en doet verslag. Nu moet er alleen nog een plan gemaakt worden.
"Ik kan ons er wel heen brengen en zorgen dat we door het dak het fort binnenkomen." zegt Kritoias, "Iedereen kan dan onzichtbaar vliegend daarheen gaan, teleporteren zou ik niet aanraden, want ik ben daar nooit geweest. Het enige is dat ik dan een tijd moet uitrusten om op krachten te komen zodat ik een gat in het plafond kan maken.""En hoe blijven we dan warm?" vraagt Donogb, "Met die gure wind op het dak en zonder vuur vriezen we dood. Als we daar vuur maken valt dat op en we hebben ook geen hout bij ons.""Ik kan onze kleding verwarmen, dan zouden we warm moeten blijven." zegt Kritoias."Ok, dus vannacht blijven we in de grot en dan morgenochtend daarheen?" vraagt Bartimeüs."Ja, dat is het plan." zegt Kritoias."En wat doen we dan als we morgen het dak doorgaan?" vraagt Ruarc."Simpel, we zoeken de reus en snijden de godin van zijn rug af." zegt Bartimeüs."Hoe moeilijk kan het zijn?" vraagt Kritoias."We hebben dus helemaal geen plan?" vraagt Donogb."Jawel, gezien het gebrek aan informatie en de onmogelijkheid om die op korte termijn te krijgen is het plan: We gaan naar binnen en we zien wel." zegt Kritoias."Dat werkt bijna altijd." zegt Bartimeüs."Ja, onze laatste plannen zijn allemaal geslaagd." zegt Ruarc."Ik weet niet of ik hier wel alle vertrouwen in heb." zegt Tiana.
De nacht is zonder binnendringing van dromen verlopen en na het ontbijt zorgt Kritoias voor warme kleding."Hoe ver is het eigenlijk?" vraagt Kritoias."Een kilometer of drie." zegt Bartimeüs."Dat is te ver om te vliegen met de spreuk die ik voor ogen heb. De andere is te duur om aan iedereen te geven. Kan je ons tot op anderhalve kilometer brengen?""Ja, dat moet lukken." zegt Bartimeüs.Bartimeüs, Kritoias, Ruarc, Donogb en Tiana lopen de grot uit en zien dat het sneeuwt. Het zicht is daardoor beperkt wat het vliegen niet heel makkelijk zal maken. De sneeuw is gelukkig nog niet heel diep en na een half uur zegt Bartimeüs dat ze het vanaf hier makkelijk moeten kunnen halen en wijst de richting aan."Wie gaat er eerst?" vraagt Kritoias."Ik natuurlijk." zegt Bartimeüs.Kritoias maakt hem eerst onzichtbaar en gebruikt dan een vliegspreuk op hem."Ok, je kan." zegt Kritoias, "Maak iets in de sneeuw zodat wij zien waar je bent en er niet iemand op je landt. Ik stuur de volgende over ongeveer een minuut ook die kant op.""Ok, tot zo." zegt Bartimeüs en stijgt op.In een stevig wandeltempo vliegt Bartimeüs richting de stad, over de huizen, maar het fort ziet hij door de sneeuwval bijna niet. Pas op het laatste moment ontdekt hij de heuvel waar het gebouw opstaat. Hij stijgt op en landt in het midden van het dak waar hij direct wat sneeuw wegruimt. Ook hier is de sneeuw nog niet heel dik, een centimeter of 40. Ruarc, Tiana, Donogb en Kritoias volgen hem met een tussenpauze van een minuut.
Het dak is ongeveer 50 meter bij 50 meter groot en de afstand tot de top van de heuvel waar het fort opstaat is ongeveer 25 meter. Bartimeüs is in het midden geland, Ruarc komt neer op een hoek van het gebouw, Donogb aan dezelfde zijkant maar in de andere hoek. Tiana land vlak bij Bartimeüs in de buurt en Kritoias op een paar meter afstand van het midden. Ze staan net op het punt om allemaal naar het midden te gaan als er vanaf de achterkant van het gebouw een grote kreet komt. Een meters hoge witte ijsdraak landt op het dak aan de andere zijkant dan waar Ruarc en Donogb zitten. Gelukkig komt de wind vanaf de achterkant van het gebouw en kan de ijsdraak ze niet ruiken. Het beest schudt met zijn vleugels en blijft zitten. Ruarc zorgt ervoor dat de ijsdraak ze niet kan horen, terwijl ze zelf wel willen praten."We kunnen praten." roept hij, "De draak kan ons niet horen. Ik kom naar het midden."Voorzichtig beweegt Ruarc naar het midden."Is Donogb er?" vraagt Tiana."Ik ben er ook." zegt Donogb.Dan begint het beest naar de voorkant van het gebouw te lopen en springt van dit deel van het dak af naar een lager gelegen deel."Ok, ik ga proberen te slapen." zegt Kritoias, "Als dat lukt heb ik zes uur nodig, anders het dubbele." "Ik ga ook mijn energie aanvullen." zegt Ruarc.
Bartimeüs verveelt zich en gaat het dak onderzoeken. Hij loopt voorzichtig over het hele dak. Dat is plat en overal bedekt met sneeuw. Dan ziet hij aan de kant waar het beest zat wat rook van de zijkant omhoog komen. Hij loopt erheen en krijgt water in de mond van de heerlijke etensgeuren die naar boven komen. Bartimeüs kijkt over de rand en ziet vijf meter lager drie buizen uit de muur komen."Ik heb de keuken gevonden." zegt Bartimeüs tegen Donogb en Tiana als hij weer terug in het midden is, "En dat beest is vanaf het lager gelegen dak weer weggevlogen, daar is geen ingang.""Het is wel saai hier." zegt Tiana."Ja, vertel mij wat." zegt Bartimeüs."Gewoon geduld hebben." zegt Donogb.
Aan het begin van de middag zijn Kritoias en Ruarc weer wakker geworden en verfrist. Overdag lijkt echter niet het meest ideale tijdstip om door het fort te gaan lopen."We kunnen beter wachten tot het avond is." zegt Kritoias."Dan ga ik ook nog even slapen." zegt Bartimeüs.
Plotseling wordt Bartimeüs wakker. Het is stil en hij voelt plotseling dat hij wordt aangeraakt. Hij kijk om zich heen, maar ziet niemand, wat logisch is, want iedereen is onzichtbaar.Het valt Kritoias op dat hij plotseling de vage omtrekken van Bartimeüs ziet. Hij kijkt of er nog een andere toverspreuk om hem inwerkt, maar dat is niet het geval."Er is iets vreemds aan de hand." zegt Kritoias tegen de anderen, "Bartimeüs lijkt zichtbaar te worden."Bartimeüs heeft intussen het gevoel dat er iets bij hem in de buurt is. Hij luistert goed en hoort dan zwaar ademen. Hij haalt uit met zijn bijl richting het geluid.Kritoias ziet dat Bartimeüs plotseling zijn arm beweegt en helemaal zichtbaar wordt.Bartimeüs hoort voetstappen en ziet een Balbarachtige duistere figuur op hem afkomen. Hij is reusachtig, maar draagt geen kooi op zijn rug."Wat zoek je?" vraagt Bartimeüs.De figuur zegt niets, loopt op Bartimeüs en knielt naast hem op de grond en plukt in de sneeuw.Opnieuw haalt Bartimeüs uit met zijn bijl en raakt de reus. De reus geeft Bartimeüs een harde klap, die hem geen schade doet, maar er wel voor zorgt dat hij wakker wordt.
"Wat was er?" vraagt Kritoias, "Je bent trouwens zichtbaar geworden.""Ik voelde aanraken en er was een reus." zegt Bartimeüs."Dan weet hij misschien dat we er zijn." zegt Ruarc."Ja, dat slapen van Bartimeüs was misschien niet zo'n goed idee." zegt Kritoias."Jullie gaan de hele dag slapen en als ik dat doe is dat een probleem." zegt Bartimeüs."Dat is toch altijd zo?" vraagt Kritoias."Het is al bijna donker." zegt Ruarc, "Misschien moeten we maar naar binnen gaan. Hij weet nu toch dat we er zijn""Maar dan lopen er nog wel veel mensen rond." zegt Kritoias."Ja, en ik ben weer zichtbaar, dan moet je me weer onzichtbaar maken." zegt Bartimeüs."Misschien slaap hij nu nog." zegt Ruarc, "We moeten nu het momentum pakken."Kritoias denkt even na en is het dan met de anderen eens."Dan moeten we nog even bedenken waar we het gat in het dak maken." zegt hij, "Ik denk niet bij de keuken.""Nee, in het midden?" zegt Bartimeüs, "Daar zit de reus misschien.""Of er is een grote hal in het midden, laten we een hoek pakken, die daarachter waar Donogb is geland. O, en het is handig om in het vervolg elkaar bij de hand te houden om te voorkomen dat we tegen elkaar aanlopen.""Maak je mij dan nog even onzichtbaar?""Ja, doe ik gelijk."
Kritoias gaat voorop naar de hoek van het gebouw, tekent een rechthoek in de sneeuw van 90 bij 180 centimeter en maakt een in het midden een plek sneeuwvrij."Niet in de rechthoek gaan staan, anders val je naar beneden en we weten niet hoe diep het is."Kritoias maakt een gat in het dak en de sneeuw die erop lag valt een donker gat in."Het is donker." zegt Bartimeüs."Ik maak licht." zegt Kritoias en tovert een lichtstraal uit zijn hand en schijnt het donker in.Het dak is bijna een meter dik en ongeveer 2,5 meter daaronder is de stenen vloer van een vliering te zien. Er ligt nogal wat rommel en er komt een ondraaglijke stank naar boven."Dat kunnen we niet springen zonder zichtbaar te worden." zegt Kritoias, "Dat is, zonder een toverspreuk. Bartimeüs, jij als eerste?""Ja, goed."Kritoias geeft hem een landingsspreuk en na Bartimeüs springen ook de anderen naar beneden. Niet veel later sluit het gat in het plafond en wordt het helemaal donker. Kritoias schijnt met de lichtstraal uit zijn hand. Die rijkt zo'n vijftien meter en dat is niet genoeg om een muur te zien, behalve de zijmuren."Ok, pak mijn hand." zegt Kritoias, "Daar schijn ik nu op."Ze vormen weer een ketting en lopen door de rommel heen."Wat is dit voor troep?" vraagt Donogb."Ik denk dat het afval van de keuken is dat iemand niet naar buiten wil brengen." zegt Bartimeüs."We kunnen hier niet uitrusten of zo, wat een stank." zegt Ruarc.Kritoias loopt door het midden van de ruimte tot ze een ronde muur tegenkomen. Eerst gaan ze naar rechts en na tijdje komen ze bij een muur die haaks op de ronde muur staat en waarschijnlijk de zolderverdieping in tweeën splitst. In het schijnsel van de lichtstraal zien ze dat die bij de zijmuur eindigt."Hier stopt het." zegt Kritoias, "We moeten naar de andere kant. Ik loop een klein stukje om."Ze volgende ronde muur nu de andere kant op en daar is ook een muur die haaks op de ronde muur staat. Hier ligt nog veel meer afval. Vooral in de buurt van een houten deur.Kritoias probeert hem open te duwen, maar iets houdt de deur tegen."Er zit een grendel of zoiets voor." zegt Kritoias, "Heeft iemand een dolk om de grendel omhoog te wippen?""Waarom hier een grendel opzetten?" vraagt Ruarc."Misschien sluiten ze hier ook lastige mensen op?" zegt Donogb."Ik heb wel een dolk." zegt Bartimeüs.Hij prutst even bij de deur en maakt hem dan open.De muur deelt de zolder verdieping inderdaad precies door het midden en de andere kant ziet er hetzelfde uit, met uitzondering van een luik in de vloer en drie buizen die uit de grond komen en dan naar de zijmuur lopen.
"Er zit geen deur in die ronde muur." zegt Kritoias."Wat zou daar zijn?" vraagt Ruarc, "De kamer van de reus? Die heeft een doorsnede van tien meter of zo.""Ik kan een portaal in de muur maken, dan kunnen we kijken." zegt Kritoias, "Maar dat kost wel wat energie.""Gewoon doen." zegt Bartimeüs, "Misschien kunnen we hem verrassen."Kritoias loopt naar de ronde muur en opent opnieuw een portaal. De dikke walm van wierrook komt hen tegemoet. Als Kritoias door de opening naar binnen kijkt ziet hij een ongeveer tien meter hoge ruimte die door 12 pilaren wordt gestut. Vier in het midden en nog acht in een twee bogen op een meter of zo langs de wanden. Hij kijkt links bijna direct in het gezicht van een grote man. Gelukkig is het een beeld. Van beneden af klinkt het gezang en gebeden van een stuk of twintig mannen in gewaden die langs de wanden staan. Aan de rechterkant is een grote deur te zien die dicht is en aan de linkerkant.
"Kom op, gooi er een vuurbal in." zegt Bartimeüs, "Dat zou ik doen.""Ik heb een beter idee." zegt Kritoias, "Ik kan die pilaren verzwakken door een schuine doorsnede aarde te maken, dan schijven die pilaren af en komt het dak naar beneden. Dat is veel steen."Hoeveel steen kan je dan in aarde veranderen?" vraagt Ruarc."Iets van 27 kubieke meter, dat moet genoeg zijn."Kritoias wacht tot de portal bijna dichtgaat en gebruikt dan zijn magie om alle pilaren te verzwakken."Ok, nu naar die hoek daar." zegt Kritoias, "Het duurt een halve minuut voordat alles in aarde is veranderd en ik heb geen idee wat het instorten van 75 kubieke meter steen voor effect gaat hebben op de stabiliteit van het gebouw."Was dit wel een goed idee?" vraagt Donogb, terwijl ze zich naar de hoek spoeden."Twintig priesters van Balbar dood maken is altijd een goed idee." zegt Bartimeüs.
Het duurt iets langer dan een halve minuut voor er wat gekraak en gerommel is te horen. Dan klinken er van beneden uit wat kreten en komt met donderend geraas een deel van het plafond van de ronde zaal naar beneden. Het hele gebouw trilt en even denken ze dat alles in zal storten."Ok, nu het luik open." zegt Bartimeüs."Hij pakt de hendel van het luik en doet het voorzichtig open. De kamer onder het luik is dim verlicht door de lampen die door dikke stofwolken heen schijnen. Vrijwel direct zien ze vier mannen in normale kleding uit een deur in de zijwand van de onderliggende kamer naar een deur in de andere zijwand rennen. Ze roepen opgewonden naar elkaar."Hier is een touw." zegt Kritoias, "Maar let op, als die uit onze straal komt wordt dat deel zichtbaar."Bartimeüs klimt stilletjes langs het touw naar beneden en loopt de mannen achterna. Ruarc klimt na hem naar beneden.De mannen zijn naar een voorportaal toegerend waar een grote poort ligt en de doorgang naar de grote zaal wordt belemmerd door ingestort puin. Vanuit die ruimte is gekerm te horen. De mannen roepen iets naar de priesters en proberen de stenen te verwijderen, maar dit zijn grote brokstukken van pilaren en dit laten zich niet makkelijk verwijderen.
Donogb wil net naar beneden klimmen als er geluid van beneden is te horen. In de kamer waar Ruarc staat is ook een trap naar beneden en daar komt iemand naar boven. Kritoias hoort het op tijd en trekt het touw naar boven, terwijl Ruarc zich verstopt, met al dat stof is onzichtbaarheid niet wat het normaal is. Hij ziet een superbarbaar de trap opkomen, duidelijk om te kijken wat er aan de hand is. De superbarbaar loopt ook naar het voorportaal en Bartimeüs ziet hem de mannen opzij duwen. Hij probeert één van de grote stenen op te pakken, maar die blijkt toch te zwaar voor hem te zijn. Een van de mannen begint tegen hem te schreeuwen. Kennelijk irriteert dat de superbarbaar want hij geeft man een harde klap en schopt hem keihard tegen zijn been. Bartimeüs hoort het kraken van brekende botten. De man zakt kermend op de grond. De superbarbaar weet ook niet wat hij hier nu verder moet doen en loopt terug naar de trap. Bartimeüs volgt hem. De drie andere mannen helpen hun gewonde kameraad terug naar de keuken waar ze vandaan kwamen.
Bartimeüs volgt de superbarbaar de trap af. De trap maakt een aantal bochten en komt dan in een ontvangsthal uit waar nog een andere deur is. Naast de deur hangen twee lantaarns. De soldaat loopt naar de deur, maar dit gaat al open voordat hij daar aangekomen is. Een man gekleed in een zwart gewaad komt naar binnen en kijkt naar het plafond en de trap. De superbarbaar loopt verder de deur door. De man in het gewaad roept iets naar achteren en vier soldaten komen de deur door. De man wijst naar boven en de vier soldaten lopen de trap op, daarna gaat hij zelf ook omhoog.Bartimeüs loopt om de man heen en gaat de deur door. Daar ziet hij een 40 meter lange gang met een opening aan de linkerkant die toegang geeft tot een hele grote zaal. In deze gang is ook nog een deur. Bartimeüs kijkt als eerste de zaal in en ziet aan de linkerkant aan het einde van de zaal een grote troon te zien, gemaakt voor een reus. Er ligt wat puin op de grond en twee mannen in gewaden zijn druk in overleg en wijzen naar stukken van het plafond waar af en toe nog wat stof uit naar beneden dwarrelt. Naast hen staan vijf barbaren. Aan de rechterkant loopt een grote trap naar beneden. Bartimeüs loopt daarheen en ziet dat het een steile trap is die naar een poort voert die ook afgesloten is met een grote houten deur en een hek. Voor de poort staan twee superbarbaren. Bartimeüs besluit om de deur in de gang te openen en aan de andere kant van de zaal was nog zo'n gang met een deur. Hij luistert aan de deur, maar hoort niets en als hij hem heeft geopend ziet hij een kleine kamer die als opslagruimte dienst doet. In het licht dat door de deuropening naar binnenvalt ziet Bartimeüs dat er onder andere kleding ligt. Dan hoort hij ergens een mechanisch geratel.
Boven zitten Kritoias, Ruarc, Donogb en Tiana te wachten tot het rustiger wordt, maar dat zal niet snel het geval zijn, want ze horen de mannen druk overleggen hoe ze het puin kunnen opruimen. Af en toe is het gekerm van wat mannen te horen. Plotseling voelen ze een soort beving en het geruis van verschuivend gesteente. Dan zien ze een priester door de kamer heen rennen en de trap af gaan.Als Bartimeüs het kleine kamertje uitkomt ziet hij diezelfde priester langsrennen de grote zaal in. Hij begint daar direct te roepen en naar het plafond te wijzen. Dan valt het Bartimeüs op dat de troon is verdwenen. Hij loopt langs de randen van de zaal langs de mannen en ziet dat de troon in de grond is gezakt en dat daaronder een ruimte is. Beneden is het verlicht en een man in nog mooier gewaad loopt naar de troon. Hij kijkt omhoog, doet zijn handen bij elkaar en stijgt op naar de bovenliggende verdieping. De man zegt iets tegen de groep die naar het plafond staat te kijken en roept de twee superbarbaren. Zij volgende man die omhoog gaat.
Bartimeüs ziet dat de rugleuning van de troon maar zo'n twee meter lager is en slaagt er maar net in om zijn evenwicht te bewaren als hij naar beneden klimt. De ruimte onder de grote zaal is leeg. Er zijn wel drie trappen naar beneden. Bartimeüs loopt naar de trappen toe en ziet dat bij de middelste trap ranken van planten te zien zijn. De ranken zijn niet dood, zoals in Izendaal, maar zien er ook niet gezond uit."Daar moet ik naar toe." denkt Bartimeüs, "Daar zal de godin zijn."Hij loopt de trap af en komt in een gangenstelsel waar overal bijna dode klimop op de vloer en wanden zit. Plotseling pakt één van de ranken zijn been vast en een andere rank zijn andere been.Bartimeüs gebruikt de kracht van de godin en zorgt dat hij met de planten kan praten."Waarom houd je me vast?" vraagt hij."Wie ben jij?""Ik ben Bartimeüs."Wie ben jij?""Ik kom de godin redden."De ranken zeggen niets meer, maar laten Bartimeüs los. Die loopt verder de gang door.
Kritoias, Ruarc, Donogb en Tiana zien de hogepriester met de twee superbarbaren langslopen en naar het voorportaal gaan."Ik heb een spreuk gebruikt zodat ze ons niet kunnen horen." zegt Ruarc, "Er ligt hier nog een ladder, die zet ik omhoog, dan kunnen jullie naar beneden, anders komen jullie nooit weg.""Ok!" zegt Kritoias, "Weet jij waar Bartimeüs is?""Nee, niet meer gehoord."Kritoias, Donogb en Tiana gaan snel via de ladder naar beneden en lopen naar de trap. Ruarc zegt de ladder weer terug waar hij vandaan kwam. Ze lopen met zijn allen via de trap naar beneden, via de ontvangsthal naar de grote zaal."Waar zal Bartimeüs zijn?" vraagt Kritoias."Ik weet waar hij is." zegt Tiana, "Hij is beneden."Kritoias speurt rond en ziet het gat in de grond waar de troon stond."Links aan het einde is een gat in de grond, misschien is het daar."
Bartimeüs ziet dat de ranken steeds groener beginnen te worden. Na ongeveer tweehonderd meter gelopen te hebben ziet hij onnatuurlijk groen licht. De gang opent in een grot waar groot fluorescerend groene begroeiing is en waar klimop in de lucht lijkt te zweven. Verderop in de grot is een portaal dat toegang geeft tot een boslandschap. Voor het portaal staat een bijna mensachtige figuur die Bartimeüs recht aankijkt als hij aankomt lopen. Hij knipt in zijn vingers en zegt: "Ah, daar ben je."De figuur lijkt op een nimf, maar is het niet."Jij bent niet degene die naar binnen mag." zegt de man."Die hebben we wel bij ons.""Geef haar dan maar aan mij.""En wat doe jij hier? Jij komt niet voor de godin. Kom je het weer proberen?""Proberen?""Jij wil toch de kroonprins hebben? Jij wil macht hebben?""Macht is altijd interessant.""Gebruik je ambitie, naast ons."
Kritoias geeft zichzelf en de anderen de mogelijkheid om naar beneden te springen op de troon om te voorkomen dat er iemand valt."Daarheen." zegt Tiana en wijst naar de middelste gang.Zij loopt zonder aarzelen naar voren en de ranken gaan voor haar opzij.Even later komen ze in de grot met de portaal aan waar Bartimeüs nog steeds met de verschijning aan het praten is.
"Kijk hier is ze dan." zegt de verschijning."Waar is de reus?" vraagt Kritoias."Welke reus?" vraagt de verschijning."Die met een kooi op zijn rug." zegt Bartimeüs."Wie is dit eigenlijk?" vraagt Kritoias aan Bartimeüs."Ik weet niet, hij staat hier voor de rift.""Ik ben een soort poortwachter." zegt de verschijning, "U mag binnengaan, u wordt verwacht.""Is dat ook wat wij verwachten?" vraagt Ruarc."Dat hoop ik wel, anders wordt het lastig de bestemming te bereiken." zegt de verschijning."Ik wil iemand loshalen uit een kooi." zegt Bartimeüs."De poort leidt waar je heen wil." zegt de verschijning."
"Wij willen naar de reus, dus dat is geen probleem." zegt Bartimeüs."Moeten we dan wel allemaal naar de reus toe willen gaan?" vraagt Ruarc."Hoezo?" vraagt Kritoias."Als Bartimeüs eerst gaat en wij dan naar hem toe willen is de kans groter dat we bij elkaar blijven.""Ok, dat lijkt verstandig."
Bartimeüs neemt zich voor naar de reus te willen en stapt de poort door. Hij komt in een koude, bergachtige omgeving met een tentenkamp. Ruarc komt vlak achter Bartimeüs aan. Bartimeüs ziet dat er heel even wat groenig licht om hem heen zit als hij verschijnt. Bij Tiana, die daarna komt is het meer een groene blikseminslag. Bij Donogb en Kritoias, die als laatste komt ziet hij niets. Er komt een barbaar aanlopen. "Gegroet, het is nu wel tijd.""He, we verstaan hem." zegt Ruarc."Zijn die onze barbaren?" vraagt Kritoias."Misschien wel." zegt Bartimeüs, "Waar en wanneer zijn we?""Tijd waarvoor?" vraagt Ruarc."Tijd om de aanval uit te voeren op het fort." zegt de barbaar en wijst in de verte waar inderdaad het fort van de reus te zien is, "Of wilt u eerst nog het plan een keer doorspreken.""Plan doorspreken." zegt Kritoias, "Ja, dat is een goed idee.""Goed, wij zien elkaar in de commandopost."
"Waar is de commandopost?" vraagt Kritoias."Dat zal die grote tent wel zijn." zegt Ruarc."Waar zijn we nu eigenlijk?" vraagt Bartimeüs, "En als wij nu hier zijn, waar zijn dan de wij van hier gebleven?""Dit ziet er wel zo uit als in het visioen." zegt Kritoias."Wanneer hebben we dat visioen gehad?" vraagt Ruarc."Toen de goed zich van kant heeft gemaakt." zegt Kritoias, "Er ligt nu trouwens nauwelijks sneeuw."
"Daar is er weer één, houd hem tegen!" roept een barbaar.Ze kijken om en zien een soort goblinachtig wezen met een grote bijl wegrennen. Bartimeüs aarzelt niet en schiet het wezen neer met een pijl."Au!" roept Tiana en grijpt naar haar rug, precies op de plek waar het wezen door Bartimeüs werd geraakt. Op hetzelfde moment groeien er allemaal planten om de goblin heen."He, dank je wel, man, net zoals de vorige keer die gast!" zegt de barbaar dankbaar."Dit is wel een vreemde situatie." zegt Kritoias, "Zouden we niet in de droomwereld zijn?""Ik hoor ook weinig vogels." zegt Bartimeüs.
In de commandotent vraagt de hoofdbarbaar of ze het plan nog een keer willen uitleggen, maar Kritoias doet net alsof hij hen overhoord door hen te vragen het te vertellen zodat zij kunnen toetsen of ze het begrepen hebben."Als jullie klaar zijn, dan kunnen we de reus naar buiten lokken." zegt de hoofdbarbaar, "Wij gaan het kasteel bestormen en dan komt de reus naar buiten. Jullie gebruiken magie, zweven en zo en snijden haar los. Kritoias begint met het kamp vliegend met vuurballen te bestoken, dan is het leger al bijna volledig uitgeroeid. Bartimeüs gaat dan op de poort rammen en maakt beledigende opmerkingen. Ruarc gaat verder met beledigende verhalen en dat hij een grote verliezer is. Dan ontsteekt de reus in woede en komt naar buiten om iedereen neer te maaien. Onze berserkers leiden hem af, zodat hij met zijn rug jullie kant op komt te staan. Het meisje kan de kooi dan lossnijden. Er is wel een kans dat het net zo afloopt als de vorige keer.""De vorige keer?" vraagt Bartimeüs."Ja, dat liep niet zo heel goed. Zal ik iedereen al in gereedheid brengen?""Ik moet eerst nog uitrusten." zegt Kritoias."Is dat wel zo?" vraagt Bartimeüs, "Ik voel me ook heel goed."Kritoias voelt zich inderdaad helemaal uitgerust."Nee, misschien hoeft dat inderdaad niet." zegt Kritoias.
"Wat denken jullie hiervan?" vraagt Ruarc en hij begint zijn beledigingen naar de reus te beschrijven, "Oh, dappere inwoners van ons glorieuze land, wij brengen u vandaag een boodschap over Balbar, de zogenaamde 'leider' van een vijandelijk leger. Dit vermeende opperhoofd is niets meer dan een lachertje, een farce en een schandvlek op het gezicht van de militaire geschiedenis. Laat ons eerst stilstaan bij de 'vaardigheden' van deze zielige figuur. Balbar, die beweert een groot strateeg te zijn, kan nog niet eens een potje schaak winnen tegen een blindgeboren ezel. Zijn zogenaamde geniale militaire tactieken hebben meer weg van de ongecoördineerde bewegingen van een dronken octopus dan van enige vorm van verstandige planning.En wat te denken van zijn leiderschap? De man is zo inspirerend als een natte dweil. Zijn toespraken zijn zo slaapverwekkend dat zijn troepen liever een dutje doen dan hem aan te horen. Balbar verwart vrees met respect, en zijn soldaten volgen hem enkel uit pure angst voor zijn onvoorspelbare woedeaanvallen.Wat betreft zijn gevechtsvaardigheden, het zou ons niet verbazen als Balbar zichzelf per ongeluk zou verwonden met zijn eigen zwaard. Hij zwaait met zijn wapen als een kind met een stok, waarbij hij eerder zijn eigen mannen verwondt dan zijn tegenstanders. Wij vragen ons af of hij überhaupt weet aan welke kant van een zwaard hij moet vasthouden.Het is moeilijk te begrijpen hoe zo'n lachwekkend figuur aan de macht kon komen, maar we vermoeden dat het meer te maken heeft met toeval en het ontbreken van betere opties dan met enige werkelijke verdienste. Zijn rivalen moeten werkelijk wanhopig zijn om iemand als Balbar serieus te nemen.Dus, dappere burgers, wees niet bang voor deze zogenaamde dreiging. Balbar en zijn leger zijn slechts een kudde verwilderde schapen, geleid door een blinde herder. Onze strijdkrachten zullen ongetwijfeld zegevieren over deze lachwekkende bedreiging. Vertrouw op de moed en bekwaamheid van onze soldaten, en spoedig zullen we vieren dat Balbar en zijn zielige leger voorgoed zijn verslagen."
"Ik zal Tiana alvast onzichtbaar maken." zegt Kritoias, dan kan ik weer wat energie opdoen terwijl we wachten tot het leger in gereedheid is."Kritoias maakt Tiana onzichtbaar. Vlak voordat ze verdwijnt ziet hij haar veranderend in een oude vrouw."O, dat kan ik voor mezelf eigenlijk ook net zo goed doen." denkt hij even later en maakt zichzelf ook onzichtbaar. De omgeving verandert direct van een kaal berglandschap met een barbarenkamp in het bos wat ze door de opening zagen. Verderop ziet hij Tiana tussen de struiken verdwijnen."O, Tiana, wacht." roept hij."Wat heb je gedaan?""Niets, ja, je onzichtbaar gemaakt. Kennelijk waren we in de droomwereld.""En nu?""Ik kan de anderen niet meer onzichtbaar maken, misschien merken ze iets als we niet meer reageren."
Niet veel later verschijnen Bartimeüs, Kritoias en Donogb in het bos."Zo, dat was toch nep." zegt Bartimeüs, "Ik dacht het al doordat er geen vogels waren.""We zaten in zijn droomwereld." zegt Donogb."Ik voel me niet lekker." zegt Tiana.Bartimeüs, Ruarc en Donogb hebben daar ook last van."He, kijk." zegt Bartimeüs en wijst op een dood wezen dat even verderop met een pijl in zijn rug ligt, "O, ja, die pijl was ik vergeten."Hij loopt op het wezen af en trekt de pijl uit het lichaam.Het bos is niet mooi groen, de bomen zijn verwrongen en alle kleuren zijn flets groen vermengd met bruin. Tiana loopt naar een boom toe en legt haar hard erop. Vrijwel meteen strekt de boom zich weer recht uit en de bladeren krijgen een gezonde groene kleur.
Ik hoor ook vogels. zegt Kritoias, "We zijn niet meer in de droomwereld.""O, dat is handig." zegt Bartimeüs.Hij concentreert zich en begint daarna tegen een vogel te kwetteren."Sssh." zegt Tiana."Wat?" zegt Bartimeüs."Je zei toch wat?" zegt Tiana en kijkt verstoort.Bartimeüs gaat door met zijn gesprek met de vogel. De vogel begrijpt alleen niet precies wat hij wil en wil best ergens heen vliegen, naar de zon of er vanaf. Als Bartimeüs probeert te beschrijven hoe de reus eruit ziet begrijpt de vogel dat ook niet.
"Wat gaan we dan doen?" vraagt Bartimeüs."Als het kan wil ik wel proberen te slapen, want ik heb nu bijna geen magische energie meer ter beschikking." zegt Kritoias."Ok, dan werk ik verder aan mijn pamflet." zegt Ruarc.Dan valt het Bartimeüs op dat Tiana groter geworden lijkt."Wat is er Tiana, waarom ben je zo groot?""Er gebeurt iets.""Nemen je krachten toe?""De godin komt dichterbij.""Kan je het bos nog meer opknappen?""Dat kost energie en de godin wilde niet dat ik het deed.""Leg je contact met de godin?" vraagt Ruarc."Zij meer met mij, maar voorzichtig."
Plotseling staan ze in een kasteelgang. Kritoias ligt op een bankje te slapen en voor hen staan zeven soldaten, ze lijken onbestemd, maar dan ziet Bartimeüs dat het Vanyana zijn. Zij trekken hun wapens."Hoe durven jullie je wapen tegen mij te trekken." zegt Bartimeüs."Jullie moeten sterven, anders is alles voor niets geweest." zegt de leider, "Ik bepaal de regels.""Nee, je verandert de regels." zegt Bartimeüs."Wie is zij?""Mijn vriendinnetje."De leider geeft de andere Vanyana een teken. Op dat moment schiet Bartimeüs snel een pijl af die de leider raakt en hem uit zijn evenwicht brengt. Bartimeüs wil op hem afrennen, maar Ruarc houdt hem tegen en dompelt de Vanyana in een zee van vuur. Daarna stormen ze naar voren om de strijd aan te gaan. Bartimeüs stort zich op de leider en Donogb en Ruarc pakken andere Vanyana. Bartimeüs heeft het relatief makkelijk en ook Donogb weet zijn Vanyana snel te bedwingen. Ruarc wordt echter geraakt en gebruikt een calm song om een aantal Vanyana tot rust te brengen. Een van die Vanyana, samen met een andere brengen de leider in veiligheid nadat die flink door Bartimeüs is toegetakeld. Dan loopt Tiana vooruit, ze wordt groter en steekt meer dan een half meter boven Donogb uit. De Vanyana zien haar aan komen lopen, staken de strijd en knielen voor haar neer."Stop!" zegt Tiana.Dan zijn ze weer terug in het bos, waar Kritoias nog steeds onder een boom ligt te slapenRuarc ziet er aangeslagen uit en Tiana gloeit helemaal, ze geeft licht.
In de verte horen ze het gekraak van zware voetstappen over de bosbodem. Dat kan niet anders dan de reus zijn die door het bos loopt. Tiana heeft hier weer haar normale postuur."Nu komt het erop aan." zegt Kritoias, "Ik gebruik mijn laatste energie om een schild te maken, iets anders heeft geen zin.""Ik gebruik mijn true aura." zegt Ruarc."Lopen jullie om?" vraagt Kritoias, "Dan proberen Bartimeüs en ik hem af te leiden."
"Op het laatste moment is jullie trucje verpest." klinkt een zware stem door het bos, "Waar blijven jullie? Je komt je toch om te onderwerpen?"Bartimeüs en Kritoias lopen door het bos op de stem af en komen op een open plek waar de reus hen op staat te wachten. Hij is drie meter hoog met een soort houten pantser. Hij heeft rood haar en lijkt zelfs een rood gezicht te hebben. Hij lijkt een soort kooi op zijn rug te hebben."Zo, en wat nu?" vraagt Bartimeüs als ze voor de reus staan."Hoe bedoel je wat nu?""Weet je dat niet eens? We zijn er nu, dus laat maar zien.""Hij weet het zelf niet eens, wat een amateurisme weer.""Ja, je verwacht er heel wat van, maar je wordt keer op keer teleurgesteld."
Ruarc, Donogb en Tiana sluipen door het bos om achter de reus te komen, maar worden onderschept door een paar goblins die ze niet door willen laten gaan. Ruarc probeert de goblins te betoveren, maar dat mislukt."Jullie gaan er hier niet voorbij." zegt de goblinleider.
Bartimeüs en Kritoias blijven intussen de reus irriteren."Waar zijn nou die anderen?" vraagt Kritoias."Welke anderen?""Nou, die andere vijf waarmee we samengevoegd gaan worden?""Ja, dat is toch de bedoeling?" zegt Bartimeüs."He, hoe bedoel je? Ik weet niet waar jullie voor zijn.""Hij weet het niet meer." zegt Bartimeüs."Heeft te veel aan zijn hoofd denk ik." zegt Kritoias."Als jullie niet vertellen..." begint de reus."Ik vind het wel een goed concept, een vrouw in een kooi op je rug." zegt Bartimeüs."Mond dicht!" beveelt de reus.Kritoias zegt niets meer, maar Bartimeüs praat gewoon door."Ik ben jou zo zat." zegt de reus."Dat is best wederzijds." zegt Bartimeüs.
Ruarc, Donogb en Tiana staan nog steeds tegenover de goblins."Het werkt, we kunnen er langs lopen." horen ze plotseling verderop uit het bos komen."Wat? Het is een truc! Snel houdt ze tegen!" zegt de goblinleider en wijst naar waar de stemmen vandaan komen.De goblins verdwijnen in het bos."Snel, meekomen." zegt Ruarc, die tegelijkertijd zorgt dat de goblins hen niet meer kunnen horen."
De reus is het gepraat van Bartimeüs nu helemaal zat en haalt uit naar Bartimeüs, maar die duikt weg."Pfff, kan je dat zelfs niet eens.""Stilte, er is iets mis.""Ja, het was mis."De reus kijkt verstoord en maakt een gebaar, waardoor lianen zich om de voeten van Bartimeüs heen wikkelen die hem naar de grond proberen te trekken. Bartimeüs gebruikt zijn bijl om de lianen kapot te hakken."Jullie zijn ten dode opgeschreven." buldert de reus, "Niets zal mij nog weerhouden."Op dat moment verschijnen Ruarc, Donogb en Tiana achter de reus. Ruarc en Donogb tillen Tiana op, die helemaal trilt. Ze heeft de sikkel in haar hand en zodra ze wil gaan snijden verandert de sikkel in licht dat om de kooi heen uitwaaiert. De kooi lost op en er verschijnt een vrouw die Tiana naar zich toetrekt. Tiana verdwijnt.
Bartimeüs en Kritoias zien een fel licht achter de reus en een hele harde vrouwenlach: "Idioot! Ze zijn niet voor jouw, ze waren voor mij."De reus draait zich half om en wordt direct half in de rug aangevallen door Bartimeüs en Kritoias. Ruarc staat even te twijfelen en Donogb vraagt zich af waar Tiana is gebleven.De reus en de godin gaan de strijd aan met energie die zich uit in lichtstralen die tussen hen in beginnen te lopen. De godin heeft moeite om de reus te bestrijden en ze reikt uit naar Bartimeüs en Ruarc. Die voelen hoe energie die ze in zich hadden uit hun lichaam wordt getrokken en wordt ingezet tegen de reus."Nee", zegt de reus en probeert energie uit Kritoias te tappen, maar daar blijkt niets te halen. Bartimeüs en Kritoias blijven intussen op de reus inslaan, maar door zijn enorme postuur lijkt dat niet veel uit te halen. Dan verschijnt een duisternis in de handen van de reus die langzaam richting de godin gaat. Ruarc en Donogb zien het gebeuren, pakken hun wapens en gaan op de reus inslaan. De continue barrage van slagen begint wel zijn tol van de reus te eisen. De duisternis komt tot stilstand en begint langzaam terug te lopen naar de reus zelf. Dan ziet eerst Bartimeüs en dan Kritoias een opening waardoor de reus aangeslagen raakt. De duisternis verdwijnt en de godin lijkt groter te worden. Dan pakt ze het licht, maakt er een speer van en steekt die met grote kracht in de borst van de reus. Er volgt een enorme explosie en alles wordt zwart.
Als Kritoias weer bijkomt ligt hij in een bed. Hij doet zijn ogen open en kijkt in een bekend gezicht."Je bent wakker!" zegt Metla.
Kritoias kijkt om zich heen en voelt dat hij in een bed ligt. De balken van het schuine dak zijn zichtbaar achter Metla's gezicht."Dat was heel gevaarlijk!" zegt Metla."Wat?""Om jullie hier voor de deur neer te legen."Kritoias kijkt om zich heen en ziet dat Bartimeüs en Ruarc in twee andere bedden liggen.Er klinkt gekraak van de zijkant, waar een deur open gaat en Elisa, de koningin van Vandalus komt binnen."Kritoias is al wakker." zegt Metla, "Rust nog even uit en als de anderen ook wakker zijn moeten we praten.""Ok." zegt Kritoias.Metla en Elisa laten Bartimeüs, Kritoias en Ruarc alleen in de slaapkamer.
Kritoias denkt terug aan de visioenen die hij, en waarschijnlijk Bartimeüs en Ruarc ook, heeft gekregen. De boodschap van de godin is duidelijk. Als eerste verscheen het beeld van een machtige vrouw met vurige ogen verlicht door de zon en de maan."Jullie zijn mijn uitverkorenen."Het volgende beeld is een grote eik, meer dan 100 meter in doorsnede, waarschijnlijk de eik door de rift niet al te ver van hier."De heilige eik is belangrijk, voor nu is zij nog veilig.Daarna ziet Kritoias een grote stad, met een loden bovenstad, Branduïn."Branduïn is de sleutel."Het beeld zoemt in naar het tempelkwartier waar een aantal woningen in brand staan."Sticht mijn tempel daar."
Dan ziet Kritoias een beeld van legers van levende mensen, Noorderlingen en demonen en lopende lijken die in gevecht zijn. In de verte zijn de bergen aan de noordgrens te zien."De strijd in het noorden is niet die van jullie."Tussen de demonen staat een groots demonachtig wezen."Jullie vader is een geleider van een kwaad dat groter is dan deze wereld ooit heeft gekend. Zijn lot zal de toekomst bepalen."Het beeld gaat verder naar het noorden en er verschijnt een groene bol."Pas op voor degenen met de groene maan als teken!"
Na verloop van tijd worden Bartimeüs en Ruarc ook wakker."Waar zijn we?" vraagt Bartimeüs."Geen idee." zegt Kritoias, "Metla is hier ook, maar die was niet blij met de manier waarop we hier gekomen zijn.""Hoe is dat dan?" vraagt Ruarc."Iemand heeft ons hier voor de deur neergelegd." zegt Kritoias."Dat zal de godin wel geweest zijn." zegt Bartimeüs, "Na dat visioen.""Ah, dat heb jij ook gehad. Dat vermoedde ik al." zegt Ruarc."Maar waarom hier?" vraagt Kritoias."Ik wilde eerst naar Metla toe en niet naar de reus." zegt Bartimeüs, "Dat heeft de godin waarschijnlijk opgepikt.""Je blijft ijdele hoop houden." zegt Ruarc."O, kijk hier ligt onze kleding." zegt Bartimeüs, "Laten we kijken waar we zijn.""Eh, waar is Donogb eigenlijk?" vraagt Ruarc."Geen idee. Niet gezien. Misschien heeft de godin hem naar huis gestuurd, naar zijn familie." zegt Kritoias."Als die er nog zijn en niet als lopende lijken rondlopen." zegt Bartimeüs.
Even later gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc de deur door, waarachter een trap naar beneden loopt."Mooi, jullie zijn allemaal wakker." zegt Metla, "Ga zitten. Ik wil antwoorden.""Wie niet?" vraagt Bartimeüs, "Waar zijn we?""In Zuidblik.""Waar is dat?" vraagt Ruarc."Ten zuiden van Branduïn.""O, dat zal dan verder zijn dan die plaats waar de rift is." zegt Kritoias."Hoort dat nog ergens bij?" vraagt Ruarc."Ja, bij de Vier Stedes, kleine gemeenschappen die bij elkaar horen. Hoe komen jullie hier? Wie heeft jullie hier neergelegd? Dat was heel gevaarlijk, dat vestigt de aandacht op ons.""Dat heeft de godin gedaan." zegt Kritoias.Metla kijkt hem ongelovig aan."We hebben de godin bevrijd van Balbar en we hebben geholpen hem, tijdelijk, te verslaan.""Eh, ja, eh, waarom zou ik dat geloven?""Nou, je hebt de kleding gezien die we aan hebben." zegt Ruarc."Ja, wat is dat voor kleding?""Uit het diepe zuiden." zegt Bartimeüs, "We zijn naar een fort in het zuiden gereisd.""Dat fort waar de kroonprins door de reus is gedood." zegt Kritoias, "De reus die een aspect van Balbar was.""En jullie waren daar?""Ja, daar hebben we de godin losgemaakt van de rug van de reus en gezamenlijk hebben we dat aspect verslagen."
"En dan heeft de godin jullie hier neergelegd?" vraagt Metla."Dat is de enige goede verklaring." zegt Kritoias, "Jij bent zo ongeveer de enige die we kennen die nog in leven is. Onze familie is zo goed als dood.""Behalve onze vader Beolin." zegt Bartimeüs."Daar wil ik nu niet op bezoek." zegt Kritoias."Misschien beter van niet." zegt Ruarc."Wacht, Beolin is jullie vader?" vraagt Metla."Ja, lang verhaal." zegt Bartimeüs, "Maar waarom is het zo gevaarlijk?"
"Er zijn al langer onlusten in Branduïn." zegt Metla, "Ongeveer een maand geleden is het begonnen. Toen verdwenen er jonge vrouwen en die werden vermoord. Wij proberen ze te helpen en het moorden te stoppen, maar dat is gevaarlijk. Het is chaos. De volgelingen van de nieuwe god zijn hier en Fahzuhl zwerft ook nog ergens rond. De keizer is verdwenen.""Wij hebben de nieuwe keizer bij ons." zegt Bartimeüs.Opnieuw kijkt Metla ongelovig."Je geloof het niet?" vraagt Bartimeüs, "Kijk dit kan ik wel bewijzen. Wij zijn naar de grote eik gegaan hier ten zuiden van Branduïn. Toen we daar aankwamen. Bleken alle edelen dood.""Net als de Olcar trouwens." zegt Ruarc."Ja, de god was bezig krachten te verzamelen." zegt Kritoias."In ieder geval heb ik toen wat zegelringen verzameld."Bartimeüs pakt zijn zakje met zegelringen en rammelt ermee, dan maakt hij het open en laat het zien. Nieuwsgierig pakt Metla een zegelring uit de zak."Deze lijken echt." zegt Metla."Pak maar een paar als je wil." zegt Bartimeüs.Metla aarzelt niet, draait het zakje op de tafel om en zoekt er een paar zegelringen uit."Dat zijn vast de belangrijkste, maar dat geeft niet." zegt Bartimeüs, "Wat hebben we hier nog?""Best een aantal belangrijke edelen." zegt Metla."En welke heb jij gepakt?""Die van de graaf van Serdik en Ardal."
"Wanneer zijn die moorden begonnen?" vraagt Kritoias."Toen de hogepriester terugkwam in de stad, vergezeld door iemand. Toen wij merkten dat er iets mis was wilden we er iets aan doen. Willen jullie helpen?""Ja, maar we hebben ook nog een kleine opdracht van de godin gekregen." zegt Kritoias."Een opdracht?""Ja, dat is niet voor het eerst." zegt Kritoias, "Toen we je ontmoetten in het noorden hadden we ook al een opdracht, zei het minder direct geformuleerd, om haar te helpen. Dat hebben we nu gedaan."Metla laat duidelijk blijken dat ze er niets van geloofd, waarop Kritoias een korte synopsis geeft van hun avonturen."En wat voor opdracht hebben jullie nu dan?" vraagt Metla."We moeten een tempel stichten in Branduïn." zegt Bartimeüs, "Er is al iets platgebrand, dus met wat bouwmaterialen moet dat makkelijk gaan.""We weten alleen nog niet hoe die tempel eruit moet zien." zegt Ruarc.Metla zucht."Denken jullie dat je er bent met een gebouw neerzetten?""We moeten toch een tempel stichten?" vraagt Kritoias."Ja, een tempel, niet alleen een tempelgebouw neerzetten." zegt Metla, "Dat is echt heel iets anders. Bij zo'n tempel horen priesters, heilige voorwerpen, standbeelden.""Dat maakt het wel moeilijker." zegt Ruarc."Ik dacht dat de opdracht helder was, maar kennelijk was er nog ruimte voor interpretatie." zegt Kritoias, "Maar ja, zo bekend met tempels zijn we nu ook weer niet."
"Hoe gaan we dat dan doen?" vraagt Bartimeüs, "We moeten in ieder geval die tempel daar bouwen.""Ja, dat is het simpele deel." zegt Kritoias, "We moeten een druïde of zo vinden.""En iets van een verhaal maken?" zegt Ruarc, "Het verhaal dat de godin Balbar heeft tegengehouden.""Dat klinkt goed." zegt Kritoias, "Misschien moeten we eerst ergens anders een tempel stichten en druïdes vinden."
"Maar waarom heeft ze jullie die opdracht gegeven?" vraagt Metla."Wij zijn de uitverkorenen." zegt Kritoias, "Wat dat ook mag betekenen.""In sages doen de uitverkorenen van de goden fantastische dingen." zegt Ruarc."Als ze daarmee bedoelen dat ze een spoor van destructie achterlaten dan geloof ik dat." zegt Bartimeüs."Ik denk dat ik nu weet hoe ik onze wapens beter kan maken." zegt Kritoias, "Daar zal ik ondertussen mee beginnen.""Hoe zat het nu met die onrust en die tempel?" vraagt Bartimeüs, "Als we naar Branduïn moeten kunnen we daar nog naar kijken.""Eerst was er onrust en werd de tempel verwoest. Daarna kwam de hogepriester en daarna begonnen de vrouwen te verdwijnen. Sommigen zijn later levenloos gevonden." zegt Metla."Hoe zagen ze eruit?" vraagt Kritoias, "Haarkleur en zo?"De verdwenen vrouwen lijken allemaal wel wat op elkaar."Ik denk dat ze naar Tiana op zoek zijn." zegt Kritoias."Tiana? Dat meisje dat bij jullie was? Waar is die gebleven?""Die is opgegaan in de godin." zegt Bartimeüs."O ja." zegt Metla."Toch is het zo." zegt Bartimeüs."Is er iemand in het dorp die iets weet over de oude eiken?" vraagt Ruarc."Connaugh de smid." zegt Elisa, "Die weet daar misschien iets van.""Dan ga ik hem vragen. Mijn maliënkolder heeft wel een paar kapotte ringetjes."
Bartimeüs en Ruarc gaan op weg naar de smid, terwijl Kritoias nog even wil rusten na het betoveren van een paar wapens. Zuidblik is een klein dorpje wat er bijna verlaten uitziet. Verderop staat wel een man tegen een huis geleund. Ruarc bekijkt de smid van een afstandje en ziet dat het een prutser is.Bartimeüs wendt zijn blik af en toe richting de man die dan snel wegkijkt. Hij loopt op ze af."Zeg, kennen wij elkaar?""Ik denk het niet. Waar komen jullie vandaan?""Uit het zuiden.""Uit Verzicht?""Nee, verder zuidelijk. Uit Tosduvas.""Waar ligt dat? Moet je dan door Achterdorp, of via de rivier naar Zuidbrugge?""Kan zijn, dat weet ik niet precies.""Of via Ossenmarkt? Over de weg?""Hoe anders? Vliegend?""Er gebeuren rare dingen hier. De keizer is weg, de tempel is in de brand gegaan, de oogst is mislukt. De keizer komt wel terug.""Nee, het is de godin die je kan helpen." zegt Ruarc.
"Vallen ze je lastig Piet?" zegt een andere man die aan is komen lopen."Hoe ga je je oogst redden nu de keizer er niet meer is?" vraagt Bartimeüs."Eh.""Dat gaat de godin doen.""Ik zal vertellen hoe." zegt Ruarc, die een uitgebreid verhaal begint te vertellen."En kijk, de godin laat de planten groeien." zegt Bartimeüs, die de godin aanroept en met zijn Plant Growth de planten meer doet groeien dan hij had verwacht.
"Luister niet naar die Brabbelaars!" zegt een man die aan is komen lopen."U bent?" "Ik ben een vertegenwoordiger van de ware god. De almachtige!""Wie?" vraagt Bartimeüs."Dat was Sal-Ar, die van dat groene licht." zegt Ruarc."Leugenaar!" zegt Bartimeüs tegen de man, "Dit heeft de godin gedaan en niet je pruts godje."Hij pakt razendsnel zijn handbijl en slaat de map op zijn arm. Die schrikt hevig en rent weg. Bartimeüs volgt hem en ziet even verderop achter een huis de man geknield zitten met zijn handen gevouwen. Hij aarzelt niet en slaat de man bewusteloos. Daarna loopt hij snel terug naar Bartimeüs die de volle aandacht van de mannen heeft met zijn verhaal. Bartimeüs doet nogmaals een Speed Growth om het verhaal kracht bij te zetten en bedenkt dan dat ze Kritoias moeten inlichten. Hij haalt hem op, vertelt wat er is gebeurd en neemt hem mee naar de man. Die ligt nog steeds bewusteloos achter het huis. Bartimeüs onderzoekt hem en het enige dat hij vindt zijn wat kettingen en een dolk. Wel ziet hij dat hij een groen cirkeltje op zijn hoofd heeft getatoeëerd. Ze vinden wel dat ze een statement moeten maken, dus Kritoias teleporteert de priester naar de gevangenis in Branduïn.
Als Ruarc klaar is met zijn verhaal bedankt hij de mannen voor hun aandacht en loopt naar de smid. Die blijkt niet bij machte om pantser te repareren. Wel blijkt dat hij de priester ook nog nooit heeft gezien, die is die ochtend uit Ossemarkt gekomen. Dat is een hele geruststelling voor Ruarc, de kans dat het dorp lastig gaat doen tegen ze is wat kleiner geworden. Hij loopt terug naar het huis waar Metla is en daar zijn Bartimeüs en Kritoias ook al aangekomen.Metla schudt het hoofd als ze hoort wat Bartimeüs en Kritoias hebben uitgespookt."Wat gaan we nu doen?" vraagt Bartimeüs."Ik zou zeggen naar Branduïn, daar een paar druïden opzoeken en een tempel bouwen." zegt Kritoias, "Laten we de koe bij de horens vatten."
"En hebben jullie al een plan voor die tempel?" zegt Metla."We moeten op zoek naar druïden, maar waar vinden we die?" vraagt Kritoias."Er zijn er vast wel in Branduïn." zegt Bartimeüs."Misschien in de cel, maar toch." zegt Ruarc.Metla zucht."Jullie hebben soms werkelijk geen idee." zegt ze, "Wat zeiden jullie ook alweer? Uitverkoren?""Ja, kennelijk." zegt Bartimeüs."Ik zou echt niet weten waarom." zegt Metla."Hoe gaan we dan priesters vinden?" vraagt Ruarc."Misschien zoeken bij een oude eik?" zegt Kritoias."Ja, als we die hier in de buurt kunnen vinden, dan vinden we misschien ook druïden." zegt Bartimeüs.
"Vergeet de schout niet." zegt Elisa, als ze binnenkomt lopen. "Die was naar ze op zoek.""Ja, wat hebben jullie met die vreemdeling gedaan?" vraagt Metla, "Waar is die gebleven?""Die is terug naar Branduïn." zegt Kritoias."Teruggelopen?""Dat niet helemaal, maar ik kan je verzekeren dat hij daar nu weer terug is.""Ik weet niet wat ik daar nu weer van moet denken, maar we willen niet in de belangstelling staan. Ga naar Podrick, de schout, en wees voorzichtig wat je zegt.""Laten we dat dan maar gelijk gaan doen." zegt Bartimeüs, "We moeten ook nog uitzoeken waar zo'n oude eik staat.""Misschien kan je dat bij Sven de houtkoper navragen." zegt Metla, "Hij woont in het grootste huis. Je kan het niet missen."
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan op zoek naar de schout en vinden hem al snel in het kleine dorpje."Zo, jongens, ik ben op zoek naar de vreemdeling. Jullie hebben hem het laatst gezien. Wat is er met hem gebeurd?""Geen idee." zegt Bartimeüs."Hij is niet in het dorp en niemand heeft hem zien vertrekken.""De laatste keer dat ik hem het gezien was hier in het dorp." zegt Bartimeüs, "Dat zweer ik op de godin.""Jullie hadden ruzie het hem, dus je weet verder niets.""Alleen dat hij terugging naar Branduïn." zegt Kritoias."Maar niemand heeft hem het dorp uit zien gaan.""Er zijn nog wel andere manieren om te reizen." zegt Kritoias."Wat voor manieren?""O, ik ken wel wat verhalen met bijzondere manieren van reizen hoor." zegt Ruarc en wil een verhaal gaan beginnen.De schout steekt zijn hand op om Ruarc te stoppen."Ok, Nou, ik houd jullie in de gaten."
"We moeten hier wel zo snel mogelijk weg." zegt Kritoias."Ja, als we weten waar zo'n oude eik is." zegt Ruarc."Waar is dat huis?" vraagt Bartimeüs en kijkt om zich heen, "O, daar, ik zie het al."Bartimeüs wijst naar een groot stevig gebouwd huis dat uitbundig is versierd met mooi houtsnijwerk. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen erheen en kloppen op de deur. Een jonge man doet open."Goedemorgen." "Goedemorgen, we komen voor Sven." "En u bent?""Ik ben Bartimeüs en dit zijn mijn neven Kritoias en Ruarc." "U wordt niet verwacht?" "Dat denk ik niet, maar we hebben een vraagje voor Sven." "Een ogenblik." De bediende doet de deur dicht en laat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc even wachten.
Sven is een man van ongeveer 50 en wil ze wel helpen. Hij vertelt dat hijzelf niets weet over een oude eik, maar dat ze dan eens in Oostzicht moeten gaan kijken, daar zijn veel van zijn houthakkers. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc nemen afscheid van hem, gaan bij Metla en Elise langs om nog wat proviand in te slaan en gaan dan op weg naar Oostzicht. Als ze Zuidblik verlaten staren veel mensen hen aan. Als afscheid zwaait Bartimeüs naar ze, maar tot zijn teleurstelling, zwaait niemand terug.
Ze lopen de weg af tot ze bij een splitsing komen en gaan dan naar het noordoosten. Twee uur later zien ze in de verte een verlaten kar op zijn kan aan de kant van de weg liggen. Bartimeüs sluipt naar voren, maakt een omtrekkende beweging en komt uiteindelijk in de buurt van de kar. Het ruikt er naar lijken en hij vindt ongeveer tien meter van de kar het lichaam van een man. De man heeft gewaden aan die wel enigszins lijken op die van de man die ze naar Branduïn hebben gestuurd."Wie dat heeft gedaan staat wel aan de goede kant." denkt Bartimeüs.Hij loopt terug naar de weg en zwaait naar Kritoias en Ruarc om aan te geven dat het veilig is."Wat is hier gebeurd?" vraagt Kritoias als ze bij de gekantelde kar komen."Een overval, het lijkt op één van die priesters van de noordelijke god, of zo. Ik heb sp0oren gevonden en er is in ieder geval een lokale jonge vrouw bij betrokken, donker haar met het haar in een knot en leren pantser. Ik heb ook nog een ketting gevonden van die man."Bartimeüs laat een mooie ketting zien met een groene maan."Duidelijk van die noordelijke god." zegt Ruarc."Ik kan proberen de sporen een stukje te volgen.""Ok, laten we dat doen." zegt Kritoias.Bartimeüs volgt de sporen die eerst het bos ingaan, maar daarna terugvoeren naar de weg. Hij ziet nog net dat ze richting Oostzicht gaan voor ze tussen de overige sporen niet meer te herkennen zijn.
Na een paar uur lopen komen ze in Oostzicht aan, dat nauwelijks groter is dan Zuidblik. Hier is wel een herberg waar ze hun intrek nemen. Bartimeüs probeert informatie te ontfutselen van de herbergier en komt te weten dat hier ergens een geheime sekte is die mensen zouden zoeken. Een tot twee weken geleden was er een man uit de stad. Ze nemen een kamer en gaan dan op weg naar de houthakkers.
Voordat ze daar goed en wel zijn aangekomen worden ze door iemand aangesproken."Welkom reizigers, ik hoor dat u hier nieuw bent.""Uw blik is enorm scherp." zegt Ruarc."Laat ik mijzelf introduceren. Mijn naam is Tandor. Ik ben een tussenpersoon zodat de houthandelaren aan houthakkers kunnen komen.""Is dat een ding?" vraagt Bartimeüs."Jazeker," zegt Tandor, "Daar valt een smak geld mee te verdienen. En niet alleen daarmee. Ik regel van alles voor iedereen.""O, wij zijn op zoek naar een bijzondere oude eik in het bos." zegt Kritoias, "Weet je daar ook iets van?""Ik ken wel een grote eik, op ongeveer twee dagen reistijd. Waarom zijn jullie daarnaar op zoek?""Het is iets religieus." zegt Bartimeüs."Ik kan kijken of ik iemand kan regelen om jullie te brengen, dat duur wel een paar dagen en brengt wat kosten met zich mee."Kritoias geeft de man wat geld."Prima, als ik jullie verder ergens mee kan helpen, denk dan aan mij. Tandor is de man die het klusje klaren kan.""Voor een prijs.""Ja, voor een prijs, een mens moet tenslotte eten."
Rond drie uur gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc nog een wandelingetje maken. Ze lopen een eind het bos uit en Kritoias maakt zichzelf achter een bosje onzichtbaar en vliegt omhoog om de omgeving te verkennen. Achter het bos dat voor ze ligt kan hij een stadje zien liggen en een grotere weg. Hiervandaan kan hij Zuidblik ook zien. Dan valt zijn blik op iets wat een kampje kan zijn dat verscholen is in het bos, maar wat je van bovenaf wel kan opmerken. Het is niet duidelijk of daar nu mensen zijn, of dat het verlaten is. Het is tussen een halve dag en driekwart dag lopen, afhankelijk hoe makkelijk je door het bos kan gaan. Dan ziet hij dat er verderop op een heuvel iemand naar Bartimeüs en Ruarc staat te kijken. Snel daalt hij af en informeert Bartimeüs en Ruarc.
Bartimeüs sluipt naar de heuvel toe, maar de man is intussen verdwenen. Hij ziet nog wel bijna honderd meter verder onderaan de heuvel iemand naar het dorp toe lopen. Opnieuw gebruikt hij de gaven van de godin en ziet dat het een handarbeider uit het dorp is. Een man van middelbare leeftijd met een stoppelbaard, donker haar en een grijs litteken, waarschijnlijk van het scheren. Hij heeft een kort zwaard en een lange dolk bij zich.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen terug naar Oostzicht en ziet dat de man met een paar anderen praat. Kritoias zorgt ervoor dat Bartimeüs beter kan luisteren en die probeert ongemerkt dichterbij te komen. Het gesprek is niet heel bijzonder, het gaat over het weer en een kudde. Zou het de schout kunnen zijn die wil weten wat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc van plan zijn?
Ze genieten van de avondmaaltijd in de herberg en zoals gebruikelijk vermaakt Ruarc de aanwezige 's avonds met zijn prachtige verhalen.
De volgende dag vroeg ontbijten Bartimeüs, Kritoias en Ruarc, nemen wat proviand mee, en gaan op weg naar het kamp in het bos, want daar zit misschien iemand die iets weet over de oude eik, maar zeer waarschijnlijk een hekel heeft aan de god van de groene maan.
Na een paar kilometer merken ze op dat ze door twee mannen worden gevolgd. Op zich is dat niet zo raar, als die mannen ook dezelfde kant op gaan. Na een kwartiertje kijkt Bartimeüs voorzichtig achterom en ziet dat ze nog steeds op ongeveer dezelfde afstand lopen, ongeveer tweehonderd meter afstand. Soms zit er een heuvel tussen, maar dan ziet hij ze weer op een heuveltop staan."Die gasten volgen ons hoor, dat kan niet anders." zegt Bartimeüs, "Volgens mij is het dezelfde vent als gisteren.""Dan ga je ze toch afluisteren?" zegt Kritoias. "Ja, ik kan wel een illusie maken dat je doorloopt.""Ok, ik ben wel benieuwd naar wat ze te zeggen hebben.""Ik zal zorgen dat je ze beter kan verstaan."Zo gezegd zo gedaan. Bartimeüs verstopt zich achter wat struiken zodra ze over een heuveltop heen zijn en de mannen buiten het zicht.
Even later komen de twee mannen voorbij lopen. Bartimeüs spitst zijn oren."Ze lopen nog steeds verder. Wat is daar dan?""Misschien is er wel iets.""We hebben dat bos wel tien keer doorzocht!"De mannen lopen verder en keuvelen daarna alleen maar over hele normale dagelijkse dingen. Bartimeüs komt uit zijn schuilplaats en sluipt achter de mannen aan.
"Zeg heren." zegt Bartimeüs plotseling.De twee mannen springen bijna een gat in de lucht."Gegroet." weet een er nog uit te brengen."Wat is de reden dat jullie ons volgen?""Volgen? Jullie?""Ja, jij bent toch in je eentje? Die groep bedoel je?""Ja, waarom doen jullie dat?""Er gebeuren rare dingen. Het land is in rep en roer. Dan zijn we voorzichtig met vreemdelingen.""De keizer is dood." zegt Bartimeüs."En zijn opvolging is slecht geregeld.""Waar zijn jullie naar op zoek?" vraagt Bartimeüs."Naar iets dat orde brengt.""Een nieuwe keizer?""Die zal beter zijn dan de vorige."
Op dat moment krijgt Bartimeüs een beetje een raar gevoel."Waar komen jullie vandaan?" vraagt één van de mannen, "Uit het noorden?"Voordat hij kan antwoorden hoort Bartimeüs een hoge pieptoon. Hij kijkt om zich heen om te zien waar het vandaan komt. Ineens verschijnt een groot harig wezen, het lijkt wel of hij door een rift stapt. Het lijkt op een grote aapdemon en hij doet wat dit soort demonen altijd doen. Hij stort zich op de dichtstbijzijnde man, in dit geval één van de mannen uit het dorp. Hij haalt met twee klauwen uit, bijt het strottehoofd van de man eraf die gorgelend ter aarde stort. Bartimeüs aarzelt niet, pakt zijn bijl en gaat de strijd met de aapdemon aan. De andere man aarzelt ook niet en sprint er direct vandoor."Nu maar hopen dat Kritoias en Ruarc het gegil van de man hebben gehoord en deze kan opkomen." denkt Bartimeüs, die de woeste uithalen van de aapdemon probeert te pareren. In eerste instantie gaat het gevecht de goede kant op. Bartimeüs weet de, wat grotere aapdemon dan normaal, goed te raken, terwijl de aapdemon hem alleen maar wat blauwe plekken bezorgt. Hij slaagt er zelfs in de linkerarm van de aapdemon te breken. Maar dan wordt hij overmoedig en de aapdemon raakt hem hard op zijn dijbeen.Hij is even uit het veld geslagen. Gelukkig ziet hij Ruarc op de heuveltop verschijnen en hard naar beneden rennen om hem te helpen. Hij raakt de aapdemon en ze denken hem samen te kunnen verslaan als Bartimeüs opnieuw een harde piep hoort. Ruarc haalt uit, maar zijn hamer klieft door de lucht op de plaats waar de aapdemon net nog stond.
"Zo, die is weg." zegt Ruarc, "Hij vond het onverstandig om de nieuwe keizer aan te vallen.""O ja." zegt Bartimeüs, "Kut, ik bloed dood!""Wat?"Hij heeft me geraakt op mijn dijbeen.""Heb jij een verband bij je?" vraagt Ruarc, "Of, wacht Kritoias, kon daar toch wat aan doen?""Waar is hij eigenlijk?""Hij, o, kijk daar komt hij over de heuvel aangelopen. Hij had mij direct naar de top van de heuvel geteleporteerd.""Wat is er gebeurd?" vraagt Kritoias."Ik bloed dood!" zegt Bartimeüs."O, daar kan ik wel wat aan doen, maar dan moet je wel een uur rustig blijven zitten.""Ja, graag." zegt Bartimeüs.
Nadat heb bloeden van de wond is gestopt en Bartimeüs zich van zijn blauwe plekken heeft ontdaan vertelt hij wat er is gebeurd."Ik hoorde een harde piep en toen verscheen de aapdemon.""Dat was geen gewone." zegt Ruarc, "Hij was een stuk groter.""Ja, het was een andere.""Misschien een samengevoegde?" vraagt Kritoias."Zou kunnen." zegt Bartimeüs."En waar is het lijk?" vraagt Kritoias."Hij verdween weer na net zo'n piep." zegt Bartimeüs, "Alsof hij door een rift stapte.""Ik zal eens kijken, ja, ja, ik zie inderdaad nog wat magische energie in de lucht hangen.""Maar het is niet zo'n gewone rift." zegt Ruarc, "Het lijkt op wat die priester van de noordelijke god deed."Dus nog iemand die demonen summoned." zegt Kritoias. "Waar is die andere vent gebleven?" vraagt Bartimeüs."Die is weggerend." zegt Kritoias, "En dat neem ik hem niet kwalijk."
Na een uur willen ze weer verder gaan."O, we kunnen die man nog onderzoeken." zegt Kritoias."Daar had je een uur de tijd voor." zegt Ruarc."Ik denk er nu pas aan."De man blijkt, naast de gewone reizigersspullen een groene ketting te dragen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen 2 uur door over de weg en trekken daarna de velden in om na twee uur bij de bosrand aan te komen."En waar moeten we nu heen?" vraagt Kritoias, "Je zei toch dat je dat wist?""Ja, dat weet ik ook." zegt Bartimeüs, "Eh, er zijn hier helemaal geen paden binnen een mijl afstand.""Wat een briljante woudloper hebben wij toch als neef." zegt Ruarc."Ik kan wel weer gaan kijken, maar ik kan het natuurlijk nooit terugvinden." zegt Kritoias, "Misschien moet je zelf maar eens omhoog gaan. Er staan bijna geen wind, dus dan is een levitate genoeg."Bartimeüs gaat omhoog en ziet op een paar kilometer afstand wat rook omhoog stijgen."Ja, ik heb een kampement gevonden, op een paar kilometer afstand." zegt hij als hij beneden is."En kan je dat nu vinden op de grond?" vraagt Ruarc."Ja, dat gaat wel lukken." zegt Bartimeüs..
Als ze de plek waar de rook vandaan komt op ongeveer een kilometer zijn genaderd wil Kritoias gaan sluipen."Dat is niet nodig, ik heb al een zone van stilte gemaakt." zegt Ruarc."Dat scheelt weer." zegt Kritoias, "Dan moeten we alleen opletten dat ze ons niet zien."Even later zien ze in de verte, tussen de stammen van de bomen door, een houten huisje op een open plek staan. Er lijkt een moestuin te zijn en een geit."Het is het huisje van opa Bakkebaard." zegt Bartimeüs."Die van dat liedje?" vraagt Ruarc, "Volgens mij is dat een mythe.""Bij wijze van spreken." zegt Bartimeüs, "We kunnen hier gaan wachten, maar dat schiet ook niet op. Er is rook, maar is verder niemand te zien. Ik zal nog even naar vallen zoeken op de route naar het huisje."
Bartimeüs vindt geen vallen en de rest stapt ook niet in een val op weg naar de voordeur."Hallo?" roept Bartimeüs."Wat zijn jullie?" vraagt een vrouwenstem van binnen."Wij zijn Bartimeüs, Kritoias en Ruarc.""Wat moeten jullie?""Dat is een goede vraag. Iemand die informatie wil geven.""Jullie zien er gevaarlijk uit!""Dat zijn we ook, maar je hebt niets van ons te duchten.""Wat zoeken jullie?""Wij zijn op zoek naar druïden.""Die komen hier niet.""Waar dan wel?""Niet hier. Hier komt helemaal niemand, daarom woon ik hier.""Ben je mensenschuw? Verberg je je hier?"
"Ik vind mensen steeds minder leuk.""Wat weet je van die kettingen van de groene maan?""Wat is dat nu weer voor verhaal?""He, voelden jullie dat ook?" vraagt Kritoias."Wat?" vraagt Ruarc."Ik voelde en hoorde volgens mij iets." zegt Kritoias."Was het een harde pieptoon?" vraagt Bartimeüs."Nee, dat niet.""Hoe voelt hij dat?""Ik kan magische dingen aanvoelen.""Een student van de toren van de tovenaar?""Nee, eh, wat is dat?""Daar leren de tovenaars in Branduïn.""Nee, wij komen uit het noorden." zegt Kritoias.
"Kan je ons geen maaltijd aanbieden?" vraagt Bartimeüs."Het is hier geen herberg!""Je hebt hier wel wat aardige dingen in de moestuin staan en wij hebben ook nog wat kruiden en zo bij ons." zegt Bartimeüs."Als je wil koken, dan mag je binnenkomen."Bartimeüs doet zijn best en maakt een lekker maal klaar."Ik wist niet dat je zo goed kon koken." zegt Ruarc, "Dit is echt een godenmaal, of zou het ons galgenmaal zijn?"
Tijdens de maaltijd vertelt de vrouw dat ze niet altijd in het bos heeft gewoond. 50 tot 60 jaar geleden is ze weggegaan uit Branduïn. Het enige dat ze daar kon doen was de stoep schrobben en als vuil behandeld worden door jan en alleman. Ze is hier terecht gekomen en heeft op deze open plek een huisje gemaakt."Maar hoe kom je dan aan al die spullen?" vraagt Bartimeüs, "Hoe betaal je voor die planken?""Daar hebben vrouwen een methode voor." zegt de vrouw, "Hoewel dat vroeger beter ging."Als dank voor het maal vertelt Ruarc het epos van de godin.
Bartimeüs vertelt dat ze gehoord hebben dat mensen uit het dorp het bos aan het doorzoeken zijn en vraagt de vrouw of zij daar iets vanaf weet."In het donker sluipen er dingen in het bos rond. Dat is al een paar weken aan de gang." zegt de vrouw, "Daarom haal ik de geit ook altijd binnen. Af en toe klinkt er een onnatuurlijk geschreeuw.""H'm, misschien weet één van de vogels meer. Ik ga er één zoeken."
Bartimeüs loopt naar buiten en vindt even later een ekster in een boom."Hoi." zegt Bartimeüs."Wat ben jij voor rare vogel.""Ik loop ook op twee benen. Dat oude vrouwjte zegt dat er rare wezens in het bos zijn. Is jou iets opgevallen?""Ja, roofvogels zijn gevaarlijk. Mijn arme moeder.""Wat zwerft er door de bossen. Mensen?""Niet vaak.""Monsters?""Niet vaak. Er was wel iets groot en zwarts, 's nachts en overdag.""Waar ging het heen?""Het verschijnt en is dan weer weg.""Er kwamen ook een keer mensen uit het noorden, die gingen ook weer weg.""Net?""Net?""Nee, zojuist."
"En mensen? Veel mensen?""Nee, niet veel. Wel een monster met grote klauwen.""Waar komt die? Hier?""Nee, op andere plekken.""Waar geen mensen komen? Op dezelfde plek?""Nee.""Komen die mensen het monster zoeken?""Deze mensen verstoppen zich in bomen.""Ze zitten ook in het andere bos?""Welk andere bos?""Hier naar het noorden en in een slecht stenen huis tussen de bossen.""Ok, dank je wel."
Bartimeüs gaat terug naar het hutje en vertelt wat hij van de vogel heeft gehoord."Dan moeten we morgen eens kijken of we die ruïne kunnen vinden." zegt Ruarc, "Misschien vinden we daar iets.""Ja, dat is goed." zegt Bartimeüs, "Mogen we binnen slapen?""Nee!"
Na zijn rustig verlopen nacht probeert Bartimeüs in de droom van de Mano Tinto man uit Branduïn te komen. Hij loopt over een groot veld met een poort. Hij loopt naar de poort toe."Halt!" zegt een stem."Wie ben jij?""Wie ben jij?""Ik ben Bartimeüs.""Moet die naam mij iets zeggen?""Dat weet ik niet.""Je staat niet op de lijst.""Dat dacht ik al. Dat moet een vergissing zijn.""Het is nog niet jouw tijd.""Bartimeüs, Bartimeüs, Bartimeüs, zet hem op de lijst!" zegt een andere stem.Bartimeüs ziet een lichtschijnsel in de lucht en wat sterretjes."Droom eens waar de keizer is!"Dan verdwijnt de droom en slaapt Bartimeüs verder.
De volgende ochtend voor het ontbijt ziet Kritoias dat er weinig bewolking hangt. Hij vliegt omhoog en ziet in het noorden een strook die tussen twee bossen ligt en waar minder bomen staan.
"Ik heb het gevonden!" zegt Kritoias als hij naar beneden komt."Waar kom jij nou vandaan?" vraagt Bartimeüs, "En wat heb je gevonden?""Jij had het toch over een strook land tussen twee bossen waar mensen moeten zitten.""Dat zei die vogel, ja.""Dat is die kant op.""Waarom zo vroeg?""Dan kan ik nog even uitrusten en wat energie bijtanken terwijl jij ontbijt aan het klaarmaken bent."Bartimeüs doet zijn best en zet voor de neven en de kluizenaarster een aardig ontbijt op tafel."Vindt u dat niet leuk, zo af en toe gezelschap?" vraagt Ruarc."Ja."
Na het ontbijt gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc weer op pad. Kritoias heeft aangewezen welke kant ze op moeten en Bartimeüs slaagt er goed in om die richting aan te houden terwijl ze door het bos lopen. Paden zijn er niet. Er is wat bewolking vandaag en het is niet al te warm."Het is toch echt mooi hier." zegt Bartimeüs, "Zo lekker in de natuur, mooie takken, bomen en beesten."Na ongeveer twee uur lopen wordt het bos minder dicht en na nog eens twee-en-een-half uur komen ze aan de rand van het bos. Bartimeüs sluipt vooruit tussen de vele struiken door die in de bosrand groeien. Even later komt hij weer terug."We zijn op de goede plek. Hier recht voor ons is een vallei en aan de overkant van de vallei gaat het bos verder."Kritoias en Ruarc lopen achter Bartimeüs aan om ook de vallei te bekijken."Wat gaan we doen?" vraagt Ruarc, "Oversteken?""De ruïne en de mensen zouden in de vallei moeten zijn." zegt Kritoias, "Dat hebben we uit een betrouwbare bron vernomen.""In het midden van de vallei lopen we in de gaten." zegt Bartimeüs, "Laten we langs de bosrand lopen aan deze kant, dan vallen we minder op."Kritoias en Ruarc vinden dat een goed plan en ze kiezen ervoor naar links te lopen.
"Wacht even Bartimeüs." zegt Kritoias, "Daar verderop zie ik een soort muurtje.""Ja, nu zie ik het ook." zegt Ruarc, "Een toch wel opvallende rechte lijn in een golvend landschap.""Het is wel helemaal overgroeid." zegt Bartimeüs, "Ik ga een kijkje nemen."Bartimeüs sluipt naar voren en komt geruisloos bij de stenen aan, die nauwelijks nog als muurtje herkenbaar zijn. Als hij er omheen gaat ziet hij dat het een omheining van een hof of een tuin is geweest. Verderop staan nog meer stenen, die doen denken aan de restanten van een gebouwtje. Bartimeüs doorzoekt het terrein om zeker te zijn dat het veilig is. Plotseling voelt hij inspiratie, kijkt wat beter en haalt wat bladeren en planten weg. Daar ziet hij de restanten van een mozaïek op de grond. Veel van de steentjes zijn weg, maar hij herkent een halve maan met tussen de punten een ster op een zwarte of donkerblauwe achtergrond. Hij loopt terug en roept Kritoias en Ruarc.
Gezamenlijk onderzoeken ze de restanten van wat vroeger een prachtig mozaïek moet zijn geweest."Waar zou dat van zijn geweest?" vraagt Kritoias, "Ik wist niet dat er dit soort gebouwen waren.""Nee, dat zegt mij ook niets." zegt Ruarc.Kritoias speurt rond het mozaiëk en vindt iets van een rare steen."Zou dit iets kunnen zijn?" vraagt hij."De restanten van iets." zegt Bartimeüs."De onderkant van een altaar?" vraagt Ruarc."Ja, dat zou kunnen." zegt Bartimeüs, "Van de godin? He, wat zijn dat voor bijzondere rode planten.""Die met die rode blaadjes?" vraagt Kritoias."Ja, dat zegt me zo direct niets, maar daar weet ik wel iets op."Bartimeüs concentreert zich en komt dan met een antwoord: "Het zijn zeer bijzondere planten. Die groeien op ijzerrijke grond. Meestal omdat er vloeibaar spul in de grond zit. Bloed.""Bloedoffers?" vraagt Ruarc."Dat deden die druïden toch ook?" vraagt Kritoias."Of van de priesters toen de tempel is verwoest." zegt Bartimeüs, "Ik neem wel wat blaadjes mee. Misschien kan zo'n dokter er iets mee."
Gezamenlijk onderzoeken ze de restanten van wat vroeger een prachtig mozaïek moet zijn geweest."Waar zou dat van zijn geweest?" vraagt Kritoias, "Ik wist niet dat er dit soort gebouwen waren.""Nee, dat zegt mij ook niets." zegt Ruarc.Kritoias speurt rond het mozaiëk en vindt iets van een rare steen."Zou dit iets kunnen zijn?" vraagt hij."De restanten van iets." zegt Bartimeüs."De onderkant van een altaar?" vraagt Ruarc."Ja, dat zou kunnen." zegt Bartimeüs, "Van de godin? He, wat zijn dat voor bijzondere rode planten.""Die met die rode blaadjes?" vraagt Kritoias."Ja, dat zegt me zo direct niets, maar daar weet ik wel iets op."Bartimeüs concentreert zich en komt dan met een antwoord: "Het zijn zeer bijzondere planten. Die groeien op ijzerrijke grond. Meestal omdat er vloeibaar spul in de grond zit. Bloed.""Bloedoffers?" vraagt Ruarc."Dat deden die druïden toch ook?" vraagt Kritoias."Of van de priesters toen de tempel is verwoest." zegt Bartimeüs, "Ik neem wel wat blaadjes mee. Misschien kan zo'n dokter er iets mee."
"Wat zou er dan in de grond hebben gezeten?" vraagt Ruarc."Ik kan een deel van de aarde verwijderen." zegt Kritoias, "Dan kunnen we het zien.""Verdwijnt dan alles?" vraagt Bartimeüs."Als het goed is niet, alleen de aarde, dus stenen, metaal en andere voorwerpen zouden zichtbaar moeten zijn."Kritoias verwijdert de aarde in een small strook onder een deel van de planten en er klinkt een zacht gerinkel uit het gat.Bartimeüs gaat op zijn buik liggen en haalt de dingen eruit die nu op de grond liggen. Het merendeel zijn steentjes, maar er zijn ook vijf koperen munten zijn. Die lijken helemaal niet op de koperen munten uit het keizerrijk. Er staan ook letters op een B, een L, een B, een R en een A."Iets met Balbar?" vraagt Bartimeüs."Daar denk jij natuurlijk weer aan." zegt Ruarc, "Dat klopt niet met de volgorde van de letters.""Een spelfout?" vraagt Bartimeüs."Op alle munten?"
"Ik kan trouwens ook kijken waar die steen van het altaar vandaan komt. Bartimeüs concentreert zich weer, maar dit keer is de uitkomst niet heel spectaculair. Het marmer is een paar honderd jaar geleden gedolven en bewerkt."Ik vraag me nog steeds af wat dit voor plaats is." zegt Kritoias, "Iets van de godin? Van de keizer? Wie heeft dit gebouwd en wanneer?""Dat is voor een andere dag." zegt Ruarc, "Het begint al laat te worden, we moeten op zoek naar die mensen.
Na ongeveer een uur lopen steekt Bartimeüs, die iets vooruit loopt zijn hand omhoog en gebaart aan Kritoias en Ruarc dat ze weg moeten duiken. Dat is voor Kritoias geen probleem, want die let niet op, zet zijn voet in een kuil en valt op de grond.Even later komt Bartimeüs naar Kritoias en Ruarc toe."Er loopt een legertje van 50 tot 60 man in de vallei. Ze zijn bewapend met speren. Voor de rest lijkt het allemaal niet heel modern. Wat gaan we doen?""Volgen?" zegt Ruarc, "Op gepaste afstand?""Ja, laten we dat doen." zegt Kritoias.
Ze volgen de soldaten die geen enkele aanstalte maken om achter zich te kijken tot plotseling de helft is verdwenen. Ze lijken in de lucht op te lossen. Een paar tellen later is de ander helft ook weg."Dat lijkt wel wat er met die aap is gebeurd." zegt Ruarc."Ja, zouden deze ook zomaar verschenen zijn?" vraagt Kritoias."Ik ga hun sporen terugvolgen. Eerst eens kijken hoe ze er precies uitzien."Hij gebruikt de gaven van de godin om de persoon die hij wil volgen te bestuderen. Het is een lokale man, geen noorderling die in archaïsche kleding en pantser loopt. Hij heeft een speer en draagt sieraden. Iets wat ze niet al te vaak zien. Zeker niet de gouden ketting en oorbellen.Bartimeüs vertelt wat hij heeft gezien en begint dan de sporen van de man te volgen, terug naar de oorsprong. Na ongeveer honderd meter verdwijnt het spoor.
"Wat is dat nu weer?" vraagt Kritoias zich hardop af."Een beeld uit het verleden?" zegt Ruarc."Een manier om mensen te verplaatsen zonder dat iemand het ziet, door een muur heen of zo?" zegt Bartimeüs."Dat vind ik een goede, maar er is natuurlijk geen enkele manier om uit te zoeken wat hier aan de hand is. Het zijn vrijwel zeker rifts, maar niet op de manier zoals we gezien hebben.""Laten we maar weer verder gaan." zegt Ruarc.
Korte tijd later ontdekken ze opnieuw muurtjes tegen de zuidelijke valleirug. Bartimeüs gaat weer op onderzoek uit. Hij sluipt heel stil dichterbij en ziet dat het eerste stuk muur dat hij tegenkomt een vroegere poort is geweest. Hij loopt er voorzichtig langs en ziet dan de restanten van een stenen gebouw dat gebroeid is met struiken. Hij kijkt om zich heen en als hij niemand ziet steekt hij de open plaats richting het gebouw over. Hij is nauwelijks met zoeken gestart als hij een takje achter zich hoort kraken. Hij draait zich snel om, maar ziet niemand. Snel verstopt hij zich. Hij wacht een tijdje, maar ziet of hoort niets. Dan sluipt hij terug naar Kritoias en Ruarc.
"Toen ik daar de ruïne wilde onderzoeken hoorde ik iets kraken, maar ik zag niets.""Iemand die onzichtbaar is?" vraagt Kritoias, "Dat lijkt een logische verklaring.""Kan je geen sporen vinden en dan kijken wie het is?" vraagt Ruarc."Dat is een goed idee. Gaan jullie dan mee?""Ok." zeggen Kritoias en Ruarc.Ze sluipen naar de plaats waar Bartimeüs het gekraak hoorde. Hij probeert op basis van de sporen te zien wie die sporen heeft gemaakt, maar ziet niets."Ja, iemand die onzichtbaar is." zegt hij."Wat is het voor iemand?" vraagt Kritoias, "Kan je dat aan de sporen zelf zien?""Het lijkt een vrouw." zegt Bartimeüs."Laten we die ruïne gaan onderzoeken." zegt Ruarc.Bartimeüs en Kritoias knikken en ze lopen de paar meter naar de ruïne en beginnen met zoeken.
"Vrienden van Salar, Kom!" zegt een stem en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc denken wat bosjes te zien beseten. Bartimeüs pakt een kettinkje met een groene maan en doet het om en kijkt goed naar waar de stem vandaan lijkt te komen. Hij meent een verschijning te zien. Ruarc vertrouwt het niet en geeft zichzelf een goddelijke aura."Wie gaat daar?" vraagt Bartimeüs."Wat maakt het uit." zegt Ruarc, "Als het ook zo'n knakker met een groen kettinkje is dan gaat zijn hoofd er ook af."Bartimeüs probeert intussen sporen te vinden."Als je een vijand van de groene maan bent bewijs het dan!" zegt de stem."Het zijn trofeeën van onze verslagen vijanden." zegt Bartimeüs, hij doet het kettinkje af, stampt erop en vervloekt de groene maan."Als jullie geen volgelingen van Salar zijn, wie zijn jullie dan?""Wij zijn uitverkorenen van de godin." zegt Ruarc, "Mijn naam is Ruarc the magnificent, beroemd in Olcadaïr en omstreken. Ben je een aanhanger van Balbar?""Ik ken Balbar niet, maar je spreekt over de godin?"
"Wij spreken namens de godin. Het is tijd dat ze terugkeert. Met wie hebben we het genoegen?""Ik ben Jorik van Zuidbrugge, wij hebben een priesteres van de godin gevonden.""Dat is toeval, wij zijn op zoek naar priesters van de godin. Hoe heb je haar ontmoet?""Zij heet Edda en we hebben haar in Zuidbrugge gevonden. Ze werd aangevallen door volgelinen van de groene maan.""Wie is we?""Mijn zus Alara en ik."Alara komt uit de bosjes waar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc haar niet hadden gezien."Dat is al een aantal weken geleden, we hebben haar geholpen en haar meegenomen. Zij heeft ons verteld over de godin en ons hierheen geleid. Ze hebben ons achtervolgd.""Ah ja, de kar, we hebben het lichaam gevonden."
"Hoe wisten jullie waar ze zitten?" vraagt Jorik."Dat heb ik gehoord van een vogel." zegt Bartimeüs."Die heeft ons de goede kant opgestuurd." zegt Kritoias."Jullie zijn echt eng." zegt Alara."Volgens mij zien we er gemiddeld uit." zegt Bartimeüs.
"Jorik, je kan magie gebruiken, waar heb je dat geleerd?" vraagt Kritoias."Bij mijn meester in Branduin.""Ah interessant, dus daar kwamen jullie eerst vandaan.""Maar we moeten hier nu weg, want we staan hier te veel in het zicht."
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc volgen Jorik en Alara een stuk door het bos tot ze bij een grot komen. Daar staat een grote sterk uitziende man die al naar zijn wapen wil grijpen, maar Jorik geeft hem een geruststellend handgebaar. Uit de opening van de grot komt een hele mooie vrouw lopen."Dat is Eileen." zegt Jorik."Wie zijn dit nu weer?" vraagt Eileen, "Waarom heb je ze hiermee naar toe genomen?""Kom op Eileen, wij zijn gezonden door de godin." zegt Ruarc, "We moeten een tempel stichten in Branduïn en zijn op zoek naar priesteressen van de godin.""Om de tempel groot te maken is dit een goede ontwikkeling." zegt Bartimeüs, "PR-technisch kunnen we hier wel wat mee.""En wie heeft dat tegen jullie gezegd?" vraag Eileen."De godin.""O ja, tegen jullie?""Ja, wij zijn de uitverkorenen van de godin." zegt Bartimeüs.
"We moeten ze naar Edda brengen." zegt Jorik."Nou ok, kom maar mee." zegt Eileen en gaat ze voor naar een touwladder die in een gat in de grot verdwijnt.Kritoias maakt licht en ze dalen af in de vochtige grot. Na een tijdje lopen komen ze in een grotere grot, waar op een altaar een beeldje van een vrouw staat. In het spaarzame licht van goeiende kooltjes zien ze voor het altaar een vrouw geknield zitten. Ze is al wat ouder, tussen de 40 en 50.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen hun verhaal aan Edda over hun opdracht van de godin. Ze zien dat Edda, maar nog meer Eileen moeite hebben om hun verhaal te geloven."U klinkt als een wijs man." zegt Edda tegen Bartimeüs."Maar hoe weten we dat het echt zo is?" vraag Eileen.Bartimeüs loopt naar het altaar en zegt "Godin toon me wat we moeten doen."Dan voelt hij plotseling of er iets open gaat in zijn hoofd."Je weet wat je moet doen! Was ik niet duidelijk?""En jawel.""Breng mij de vrouw die hier al de hele tijd zit!""Kom Edda" zegt Bartimeüs, en loopt naar haar toe.Als hij haar aanraakt heeft dat direct effect op Edda. Ze raakt in vervoering en tranen biggelen over haar wangen."Kijk, dat effect heb ik op mensen." zegt Bartimeüs.Het duurt een paar minuten, dan kijkt Edda hun kant op: "Kom, we gaan naar Branduïn. We moeten een tempel stichten."Dan valt Bartimeüs iets aan haar op."Dat medallion, met die blauwe achtergrond, en sterren. Dat lijkt op het mozaiëk wat we bij de ruïne hebben gezien. Daar moeten we morgen ook langs."
"Nou, het is wel bijna avond. Laten we dat morgen gaan doen." zegt Kritoias, "Er loopt van alles in dit bos, dat kom ik liever overdag tegen.""Ik kom het liever helemaal niet tegen." zegt Jorik, "Ik vind het een goed idee. Laten we overnachten en dan morgenochtend vertrekken."De anderen stemmen ook in en ze maken zich klaar voor de nacht.
Midden in de nacht, als Kritoias wacht houdt, ziet hij in het noorden een bliksemschicht tussen de bomen door, maar hij hoort geen onweer. Hij vindt het verdacht en geeft het aan Ruarc door, die samen met Eileen wacht houdt. Tegen de ochtend praat Kritoias ook bij. Ze zijn ervan overtuigd dat dit magie moet zijn geweest en dat ze het moeten uitzoeken.
Na een snel ontbijt gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc naar het noorden om de bron van de bliksem te vinden. Als ze een paar honderd meter gelopen hebben zien ze aasvogels boven de bomen zwermen."H'm lekker, wat zou er aan de hand zijn? Ik kan het aan ze vragen." zegt Bartimeüs."We zullen het zo wel zien." zegt Ruarc, "Ik zie daar verderop tumult tussen de bomen."Bartimeüs, Kritoias en Ruarc komen bij een wat meer open plek in het bos aan en zien dat de vogels zich te goed doen aan iets dat op de grond ligt. Het is een mens die over de grond is verspreid en zijn ingewanden en bloed liggen overal."Daar gaan we niet veel informatie meer uithalen." zegt Kritoias."Ik ga even sporen zoeken en kijken wie het geweest zijn." zegt Bartimeüs.
Even later heeft hij de uitslag."Het was een huurling, waarschijnlijk uit de streek." zegt hij, "Niet erg verzorgd met een leren pantser. Maar dat was niet opgewassen tegen zo'n grotere aapdemon. Er waren nog een drietal mannen en een noorderling met exotische kleding. Dit is kaal. O, en wacht, ik zie ook onze vriend Tandor, maar dan in gewaden.""Interessant." zegt Kritoias, "Ik ben benieuwd of hier een rift in de buurt is.".Hij gebruikt een toverspreuk, maar schudt dan zijn hoofd: "Nee, dus vier uurlingen en een kale man.""Ja, ik zal de sporen bekijken. Ja, hier hebben ze gevochten en toen zijn ze gaan rennen. Allemaal uit elkaar.""Even kijken wat die gast bij zich heeft." zegt Ruarc.Hij onderzoekt de man, maar vindt weinig bijzonders, een zwaard, wat munten, tabak, pijp en in een afgerukt oor, een oorring."Gaan we er nu achteraan?" vraagt Bartimeüs."We kunnen beter vertellen wat we gevonden hebben en gezamenlijk gaan." zegt Kritoias, "We moeten toch naar het noorden."
Teruggekomen in de grot leggen ze de situatie uit en stellen ze voor om te kijken of ze de kale man, die waarschijnlijk een Salar aanhanger is, kunnen achtervolgen, maar dat ze eerst bij het mozaïek willen kijken. Edda, Eileen en de anderen zijn het daar wel mee eens en ze breken hun kamp op.Als iedereen klaar is en de sporen van hun verblijf zoveel mogelijk uitgewist lopen ze terug naar de open plek en begint Bartimeüs de sporen te volgen. Op enige afstand gevolgd door de anderen.
Ze lopen terug naar de ruïne waar ze Jorik hebben ontmoet en dan langs de heuvelrug richting de ruïne met het mozaïek. Een tocht die zo'n twee uur duurt.Tot zijn verbazing ziet Bartimeüs geen ruïne, maar een stenen gebouw, opgetrokken uit graniet, met een houten dak. Dan hoort hij gegil. Twee mannen in witte gewaden slepen een jonge vrouw naar het gebouw. Kritoias en Ruarc hebben het gegil gehoord en komen aanrennen. Kritoias aarzelt niet en gooit een slaapspreuk waardoor één van de druïden, want dat moeten het wel zijn in slaap valt. De vrouw rukt zich los en rent weg, gevolgd door Bartimeüs. Kritoias en Ruarc confronteren de druïde.
"Wie zijde gij? En wat doet gij bij ons kamp?""De orde herstellen." zegt Ruarc, die opzij kijkt het houten gebouw in en allemaal bloed over het altaar en het mozaïek ziet lopen, "Is dit waar de godin om vraagt?""Wie verstoort het heilig ritueel? Scheer je weg!""Jullie moeten hiermee stoppen."De man draait zich om en roept "Help mij met deze onverlaten!"Kritoias aarzelt niet en slaat de man zijn dijbeen aan stukken. De andere man wordt wakker, probeert op te staan, maar Ruarc slaat zijn rug doormidden waarop de man direct neervalt.
Bartimeüs rent achter de vrouw aan, maar merkt dat een andere druïde achter hen aan komen. Hij draait zich om en charged, maar struikelt en is gedesoriënteerd. Gelukkig is de druïde geen vechter en hij weet Bartimeüs alleen maar te schampen. Dan herpakt Bartimeüs zich en slaat terug waarop de man maar net op tijd opzij weet te springen.
Dan is alles weg en is er weer een ruïne te zien."Weer zo'n tijdsverstoring." zegt Kritoias, "Interessant. Ik ben benieuwd hoe dat komt.""Ik wil weten wat het te betekenen heeft." zegt Ruarc."Wat was dat allemaal?" zegt Eileen, die samen met de anderen aan komt lopen."Een soort beeld uit het verleden, maar niet helemaal." zegt Kritoias, "Gisteren zagen we ook soldaten lopen, maar waarschijnlijk ook uit een andere tijd. Geen idee wat daar gebeurt.""Misschien was dat hier vaker en hebben ze daarom de vallei verlaten." zegt Ruarc, "Het is anders een prima plaats.""Even kijken of dit iets doet." zegt Bartimeüs.Hij loopt naar het altaar, snijdt een beetje in zijn vinger en spenkelt bloed over het altaar, maar er gebeurt helemaal niets."Ok, dan moeten we terug naar de sporen, anders lopen we echt te veel achterstand op."
Ze lopen terug naar de sporen en Bartimeüs begint één van de sporen te volgen. De man heeft een tijd gelopen en toen een tijdje verstopt gezeten, vervolgens is hij verder gelopen langs de bosrand. Na enige tijd komt er een spoor bij. Ze lopen een tijd langs de bosrand en dan ziet Bartimeüs dat ze een back track hebben gedaan en dat ze daar het bos in zijn gelopen. Bartimeüs sluipt vooruit en hoort dan iemand hoesten. Hij gebaart de anderen dat ze moeten blijven zitten en kruipt tussen de struiken naar voren. Vanuit tussen de takken door ziet hij een man iets van hout zitten te snijden naast een redelijk gecamoufleerde schuilplaats. Hij sluipt om de man heen tot hij bij zijn rug komt, staat voorzichtig op, pakt zijn boog en richt zijn pijl van korte afstand op de man.
"Wat doen jullie hier behalve met demonen vechten?" vraagt Bartimeüs.De man schrikt en draait zich om."Wat bedoel je met demonen?""Dat monster.""En dit gast met die kale knikker?""O, daarom, zeg dat dan gelijk. Dat is Aram. Hij betaalt ons.""Hij is een aanhanger van een valse god.""Ach, het is maar wat je vals vindt.""Het is een god met goud, dat is wat ik belangrijk vindt.""En wat moesten jullie voor hem doen?""Niets bijzonders, hem bewaken, terwijl hij op zoek was naar dingen.""Wat voor dingen?""Mensen.""Aha, nou ik ben in een goede bui, als jullie hier nog een dag rustig blijven zitten laat ik jullie leven.""Ok, rustig aan man."
"Hij wist alleen dat die kale man, Aram heet hij, op zoek was naar mensen, waarschijnlijk jullie." zegt Bartimeüs."Dan moeten we uit de buurt van mensen blijven." zegt Edda."Dat kan wel, maar dan duurt het langer." zegt Bartimeüs."Hebben we haast dan?" vraagt Kritoias, "Maar we moeten wel richting Oostzicht, want die kant is Branduïn ook op.""Goed, maar waar overnachten we dan?" vraagt Eileen."Bartimeüs kan de beste plaatsjes vinden." zegt Kritoias.
Bartimeüs vindt inderdaad een houthakkershut waar ze de nacht kunnen doorbrengen. Een korte controle vooraf leert dat de hut leeg staat. Ze slaan hun kamp op en volgen de gebruikelijke wachtroutine.
Het is miserabel weer die nacht. Het waait, regent en er is onweer. Als Ruarc met zijn wachtbeurt bezig is gaat Bartimeüs in zijn droom op zoek naar Theolin. Hij komt hem tegen in een klein vissersdorpje waar hij op de kade staat."Wat een onverwachts genoegen." zegt Theolin."Zeker, ik dacht, ik praat je even bij. De aanhangers van Salar zijn naar iets op zoek. Dat heeft waarschijnlijk te maken met de tempel van de godin. Wij hebben de opdracht gekregen die te gaan stichten.""Weet je dat zeker?""Het is het meest duidelijke wat de godin tot nu toe heeft gezegd tegen ons."
"We hebben in een visioen ook nog iets gezien van bloedoffers.""Waar?""Bij Oostzicht in de buurt, bij een soort tempel met een mozaïek erin.""O, daar, ja dat is echt gebeurd, dat is meestal wat er gebeurd. Dat was weer een reactie op hard optreden door voorgangers van de keizer.""En weet jij nog iets van Beolin?""Willen jullie daar nu eindelijk achteraan? Zo simpel als vroeger is het niet meer."
"Ha," zegt Ruarc, "Het stopt eindelijk met regenen. Opstaan allemaal, we moeten op weg. Genieten van de heerlijke geur van het bos."Na het ontbijt gaan ze op weg."Volgen we de hoofdweg?" vraagt Ruarc."We kunnen langs Vierstede, of ook een omtrekkende beweging maken via Ossenmarkt, maar dat is wel om.""Als we naar Branduïn willen moeten eigenlijk naar het noorden, via Oostzicht." zegt Eileen."Ook goed, als we dan een beetje uit het zich van het dorp blijven." zegt Kritoias.
Ze gaan op weg en Jorik begint tegen Kritoias over de vreemde gebeurtenissen van gisteren."Hoe zit dat met die temporale disturbanties?""Dat is voor ons ook nieuw. Zijn het wel temporale disturbanties? De eventuele gevolgen daarvan kunnen heel groot zijn. Het zouden ook hallicunaties kunnen zijn.""Hallucinaties?""Ja, dat we alleen maar denken over wat er is gebeurd, maar er zijn op sommige plaatsen ook fysieke sporen, dus dat is vreemd. Maar eigenlijk is alles mogelijk. Misschien is alles een hallucinatie."
Het is ongeveer een halve dag lopen naar Oostzicht en na verloop van tijd laat Eileen zich wat afzakken en zorgt dat Ruarc in de buurt loopt."Jij lijkt me de verstandigste van deze groep. Wat vind jij hier nu van?""Het is een moeilijk opdracht.""Waarom doen jullie het dan?""Het is de wens van de godin!""Weet je dat zeker?""Ja, het was een directe opdracht."
"En wat denk je van Edda?""We hebben een beter boegbeeld voor de tempel nodig. Jij zou de perfecte belichaming zijn.""Weet je, ik was al verbonden aan de tempel in Branduïn.""Die van de keizer?""Ja, wat is er met de keizer gebeurd?""De godin heeft het overgenomen.""Maar zij was slechts gedeeltelijk aanwezig. Wat is er veranderd?""Voel je dat niet?" vraagt Ruarc verbaasd."Ik weet niet wat ik voel. Ik heb de krachten nog steeds.""De kracht van de godin.""Opeens?""Misschien kwam het altijd al van de godin.""De bron van de kracht komt bij de godin vandaan, maar waarom zouden we nu een tempel moeten stichten, dat vraag ik me af."
"Ja, kijk naar Edda, is je iets opgevallen?""Of ik iets gezien heb? Niets!""Dat bedoel ik. Ze stond erbij en keek ernaar.""Wat had je dan verwacht?""Wat hadden jullie dan verwacht? Nu ze opeens de godin heeft gezien?""Heb jij de godin ook niet ervaren?""Nee, er is niets veranderd. Is Bartimeüs een priester?""Hij heeft meer contact mer de godin dan ik."
"Rook!" roept Bartimeüs en komt aanlopen, "Uit de richting van Oostzicht."Hij wil weer vooruit gaan lopen, maar Kritoias houdt hem tegen."Er is iets raars met de lucht, misschien een riftachtig iets. Ik zet een schild op.""Ok, dan doe ik een bless."Als ze omdraaien naar de anderen zien ze dat Ruarc een stralende aura heeft.Op 16 meter verschijnt een grote aapdemon, zoals ze hier in de buurt al eerder hebben gezien. Ruarc begint te oreren en de aapdemon vertraagt, terwijl Bartimeüs een pijl in hem schiet en Kritoias een vuurpijl in hem schiet. Als ze zien dat de aapdemon bijna niet vooruitkomt rennen Bartimeüs en Kritoias naar hem toe en beginnen op hem in te slaan. Het duurt niet lang voor het monster valt na vele slagen op de grond. En even later verdwijnt het lichaam.
"Wat was dat?" vraagt Eileen."Een aapdemon." zegt Bartimeüs, "Sterker dan degenen die we eerder tegenkwamen.""Maar gelukkig hebben we hier nog geen vuurhonden gezien." zegt Kritoias."Vuurhonden?" vraagt Eileen."Ja, een soort grote honden die vuurspuwen.""Jorik, weet jij of het bekend is dat je wezens van andere plaatsen kan oproepen?""Ja, dat is mogelijk.""We hebben wel eerder gezien dat ze opgeroepen werden." zegt Bartimeüs, "Maar meestal met een speciale cirkel.""Ja, zoiets kan ik ook wel doen, maar dan word je ook zelf aangevallen als je geen beschermende maatregelen neemt.""Jullie hebben dit vaker gezien?" vraagt Jorik."Ja, best vaak en ook veel grotere wezens." zegt Kritoias, "Goed werk Ruarc, die aapdemon kon zich dankzij jou niet verdedigen."
Ze lopen verder en als ze in de buurt van het dorpje, met de rookkolom, komen sluipt Bartimeüs vooruit de heuvel op. Vanaf de top van de heuvel ziet hij dat er verschillende gebouwen van Oostzicht in brand staan en hij ziet op sommige plaatsen lichamen ziet liggen. De aanvallers zijn weg, want de overlevenden zijn met emmers bezig om de branden te blussen. Van hieruit kan hij het gehuil horen. Hij daalt af naar de anderen die staan te wachten en vertelt wat hij heeft gezien.
"Als we onopgemerkt willen blijven moeten we niet als groep daarheen gaan." zegt Kritoias."Maar ik wil wel weten wat er is gebeurd." zegt Bartimeüs."Dan ga jij er toch heen met Ruarc? Die herbergier, als hij nog leeft, verwacht toch dat we nog terugkomen.""Goed idee." zegt Ruarc.Bartimeüs en Ruarc lopen achter de heuvel naar de weg en lopen over de weg naar Oostzicht toe.
"He, jullie! Kom hier, iedereen moet meehelpen met blussen.""Ok!" zegt Bartimeüs en Bartimeüs en Ruarc sluiten zich aan in een rij met mensen die emmers doorgeven.Ze kijken om zich heen en zien dat gebouwen selectief in brand zijn gestoken. Het gaat om de herberg en een aantal openbare gebouwen, maar de woonhuizen zijn gespaard gebleven.Sommige mensen zijn gewond en hebben verwondingen van steekwapens."Wat is er gebeurd?" vraagt Bartimeüs aan de man die naast hem aan staat."Het waren soldaten. Ze kwamen met het ochtendgloren en begonnen direct de gebouwen in brand te steken. Mensen die zich verzetten werden neergeslagen.""Waar zijn ze heen gegaan?""Naar het noorden, het waren mannen van Baron Joylon.""Heeft het lang geduurd?""Nee, hooguit zo'n vijftien minuten."Zodra ze kunnen sluipen Bartimeüs en Ruarc ongemerkt het dorp uit.
Teruggekomen bij de anderen bespreken ze de situatie. Het dorpje heeft zo'n 300 inwoners waarvan er ongeveer 30 zijn gedood. De aanval is gepleegd door zo'n 30 soldaten."We moeten achter die Baron aan." zegt Bartimeüs."Het is erg onwaarschijnlijk dat Baron Joylon erachter zit." zegt Eileen, "Dit hier is van Baron Bodan van Vierstede.""Ons doel is een tempel stichten in Branduïn." zegt Kritoias, "Waar is het gebied van die Baron Joylon?""Ten noorden van hier.""Dan komen we daar sowieso doorheen, laten we in ieder geval met een boog om het dorp heengaan.""Ok, maar daarna wil ik kijken wie het dorp heeft aangevallen!" zegt Bartimeüs.
Ze trekken met een grote boom om Oostzicht heen zodat ze uit het zicht blijven en uiteindelijk op de weg naar het noorden uitkomen. Bartimeüs gebruikt zijn gaven en beschrijft wie er allemaal over de weg zijn gekomen de afgelopen tijd."Het zijn inderdaad een groep soldaten te paard, 30 man in een uniform met blauwe kleuren en een vogel erop.""Zie je ook een dikkere man?" vraagt Edda."Nee, die niet, er is wel iemand die niet in uniform is.""Dan is het niet de baron zelf, maar zal het zijn zoon zijn.""Hoe belangrijk zijn ze eigenlijk?" vraagt Bartimeüs, die in zijn zak met ringen aan het graaien is."Heeft Metla die niet meegenomen?" vraagt Ruarc."Eh ja, dat zal wel." zegt Bartimeüs."Hij Is niet zo belangrijk. Normaal zijn ze vreemdzaam naar elkaar." zegt Edda."Dit zijn geen normale tijden." zegt Ruarc, "Laten we de sporen volgen.
Ze volgen de weg verder en Bartimeüs probeert de sporen van de paarden te volgen. Dan ziet hij dat een groot deel van de paarden de weg af zijn gegaan het heuvellandschap in."Hier zijn ze de weg af gegaan. In ieder geval de paarden." zegt hij, "Laten we ze volgen.""Ok, maar we moeten ons niet te veel alten afleiden." zegt Kritoias.
Na korte tijd, als ze net uit het zicht van de weg zijn geeft Bartimeüs, die voorop loopt, een handgebaar dat hij iets ziet. Hij duikt neer en blijf een minuut of vijf liggen, dan kruipt hij terug."Er zitten verderop vijf man met vijf paarden. Een van hen is gewond aan zijn been, daarom zijn ze denk ik de weg afgegaan. Twee zitten naast hem en twee letten op de omgeving. Kritoias als jij onzichtbaar daarheen gaat, dan loop ik erop af en spreek ze aan. Dan tover jij ze in slaap en als er iemand wakker blijft sla ik die neer. Dan kunnen we ze daarna ondervragen.""Een simpel plan is een goed plan." zegt Ruarc."Ok." zegt Kritoias en maakt zich onzichtbaar.Bartimeüs gaat op weg.
De mannen zien Bartimeüs aan komen lopen."Heren!" zegt hij als hij binnen gehoorsafstand is."Goedemiddag.""Zijn er problemen?""We hebben een klein ongelukje gehad.""Hebben jullie hulp nodig?""We hebben zijn wond verzorgd, maar het blijft bloeden.""Wat is er gebeurd dan?""Eh, hij is van zijn paard geflikkerd.""Ik heb wel wat verstand van verbinden. Mag ik even kijken?""Ja, zo werkt het toch niet."Bartimeüs legt een noodverband aan."Het is wel een rotwond." zegt Bartimeüs, "Hij heeft meer zorg nodig.""Ja, we moeten een brancard maken.""Waar gaan jullie heen?""Naar het fort.""Waarom zijn jullie dan van de weg afgegaan?""Dit is een beter plekje.""Is het fort in de buurt?""Ja, dat is niet zo ver."
Dan vindt Kritoias het mooi geweest. Hij tovert drie van de staande mannen in slaap. De man met de wond is bewusteloos. Bartimeüs ziet ze in elkaar zakken, pakt snel zijn bijl en slaat op de man waar hij mee staat te praten. Hij breekt zijn elleboog en slaat net zo lang tot hij neervalt. Hij lijkt niet dood te zijn.
Bartimeüs maakt één van de mannen wakker."Zo, waarom gingen jullie dat dorpje afslachten? Wie zijn jullie?""Wij zijn soldaten van de baron.""En dan gaan jullie de bevolking afslachten?""Het was een opdracht van de baron. En wie zegt dat het onschuldige burgers waren? Zijn jullie soms rechters? Zo werkt het niet.""Hij is de rechter, ik ben de beul.""Wat was het doel?""We moeten het dorp minder actief maken. Daar zit die Sharlock achter.""De hogepriester?""Ja, die heeft zich zo'n beetje elke titel toegeëigend.""H'm, het doel is niet verkeerd, maar de methode is verwerpelijk. Wij zijn ook tegen Sharlock en de nieuwe god. Daar kunnen we geen oordeel over vellen."Ruarc, die ook is aan komen lopen kijkt hem even aan."Sorry keizer."
"In welk verbond zit de keizer?""Met graaf Serdik.""Had Metla het daar niet over?" vraagt Ruarc.Bartimeüs steekt zijn hand op en kijkt de soldaat vragend aan."Het is al een paar weken hommeles. Ze worden gesteund door de weduwe van graaf Ardal. Wij zijn gestuurd om de infrastructuur van de vijand aan te vallen. Zij zit er, spreekt recht en buit het volk uit.""Sorry, misschien kunnen we jullie helpen. Edda kan jij even kijken?""Wat is er?""Kan jij die beenwond en die armwond genezen?""Met de kracht van de godin ga ik dat proberen."
Even later zijn beide mannen weer voldoende hersteld om te reizen en zijn de andere mannen wakker gemaakt."Waar is het fort?" vraagt Bartimeüs, "Dan kunnen we naar de zoon van de baron om de situatie te bespreken.""Het fort ligt ten westen van Ossenmarkt, op de grens.""Dat is waar de houthandel plaatsvindt?" vraagt Kritoias."Niet meer."
Ze nemen afscheid van de mannen en lopen terug naar de weg."Het wordt al best snel donker denk ik." zegt Kritoias."Ja, we moeten onderdak voor de nacht vinden." zegt Ruarc, "Bartimeüs?""Ja, ik zal iets proberen te vinden wat nog een uur of twee lopen is naar het noorden, een ogenblikje."Bartimeüs heeft iets gevonden wat niet direct aan de weg ligt en daar zetten ze koers naar toe. Bartimeüs leidt hen van de weg af en daar komen ze na een kilometer bij een vervallen boerderij."Ik hoop niet dat er van die geesten zijn." zegt Kritoias."O, een kelder met opgesloten kinderen." zegt Ruarc."Ik maak me meer zorgen om het weer." zegt Bartimeüs en wijst naar achteren.Daar zijn grote donkere wolken te zien."Daar gaan we last van krijgen. Over een paar uur gaat het zeker drie tot vier uur spoken."Ik denk dat dit dat het wel zal houden." zegt Kritoias, die uitgebreid het dak en de muren inspecteert, "Het is niet nodig om hier nog een extra muur in te zetten of zo, maar het zal wel gaan lekken.
Bartimeüs neemt de eerste wacht en hoort alles wat er gebeurt. Het lijkt wel of zijn zintuigen een boost hebben gekregen. Dat blijft zo totdat het onweer losbarst, want daarna hoort hij alleen nog maar het gehuil van de wind, het gekletter van de regen en het geluid van de donder. Hij maakt na zijn wachtbeurt Kritoias wakker en gaat weer lekker dromen. Dit keer wil hij in de droom van Fahzuhl terecht komen. Hij droomt al snel dat hij op een groot glanzend plein staat omringd met glanzende gebouwen. Het lijkt op de loden stad.Hij kan echter niet verder bewegen, het lijkt wel of iets hem tegenhoudt en probeert hem op de plek te houden waar hij is verschenen. Het plein is helemaal verlaten. Bartimeüs roept hard de naam van Fahzuhl, maar er volgt geen reactie. Hij ziet niemand, maar heeft wel het gevoel dat er anderen in de buurt zijn. Dan probeert iets of iemand hem actief weg te duwen, maar Bartimeüs duwt terug en blijft op zijn plaats staan.
Ruarc schrikt wakker van een harde donderklap en schiet overeind. Hij heeft het koud en begint te trillen. Snel trekt hij zijn deken om zich heen. Verderop zit Kritoias die wacht houdt, dus het lijkt niet op een droom. Dan ziet hij dat zijn handen een soort klauwen vormen en beginnen zijn handen en onderarmen ongecontroleerd te bewegen. Kritoias ziet dat er iets gebeurt en komt naar hem toe."Wat is er aan de hand?""Ik het heb koud en ik heb geen controle over mijn handen.""Zo te zien is er geen toverspreuk actief. Wanneer gebeurde dat?""Ik werd wakker door die laatste donderdagslag en er is iets met mijn armen. Heb je licht.""Ja, hier."Een lichtstraal ontspringt uit Kritoias' arm en schijnt op de onderarmen en handen van Ruarc. Op zijn onderarmen lijkt een reptielachtige huid te zitten en zijn handen hebben wel wat weg van klauwen."Het is toch geen volle maan?""Nee, volgens mij niet.""Zagen we die andere weerbeesten alleen bij volle maan?""Eh, nee volgens mij ook niet, dus dat helpt niet echt.""Hoe voel je je?""Het gaat al wel weer wat beter."
Op dat moment wordt Bartimeüs wakker. Hij vraagt wat Kritoias en Ruarc aan het doen zijn en die leggen uit wat er met Ruarc gebeurde. Bartimeüs vertelt dat hij in zijn dromen naar Fahzuhl aan het zoeken was, wat Kritoias wel graag van tevoren had geweten.
De volgende ochtend weet Bartimeüs met de karige ingrediënten die ze hebben toch iets lekkers klaar te maken. Edda onderbreekt Kritoias en Ruarc voor ze gaan weten, want ze wil eerst de godin danken dat ze de nacht hebben overleefd en dat ze te eten hebben. Kritoias vind dat onzin, want de godin wil graag dat ze een tempel stichten, dus moet ze er ook voor zorgen dat ze de nacht overleven.Het waait en regent nog wel, maar het is niet meer zo'n grote storm als de afgelopen nacht.Na het ontbijt breken ze op en gaan ze op weg naar Ossenmarkt waar ze voor het einde van de dag aan moeten komen.
Als ze bij de weg komen zien ze dat er reizigers zijn die gebruik maken van de weg. Voor hen en achter hen, niet dichtbij zeker een paar honderd meter, rijdt een ossenkar met hout. Die gaan van Vierstede naar Ossenmarkt.
Na een aantal uren zien ze in de verte twee reizigers hen tegemoet komen. Ze stoppen bij de kar die voor hen rijdt en één van de soldaten stapt af. Ze hebben een vaal oranje tuniek aan, dus niet blauw. Ze horen bij de baron die hier de scepter zwaait. Hij praat een tijd met de reizigers en stigt daarna weer op. De ruiters zetten zich in beweging en komen op de tempelstichters afrijden. Als ze dichterbij komen ziet Bartimeüs dat ze een zwarte slang op hun gele tuniek hebben. De mannen stoppen en één van hen stijgt af."Goedemiddag, waar gaat de reis heen?""Naar Branduïn." zegt Bartimeüs."Zo, zo, naar Branduïn en wat gaan de heren daar doen?""Een tempel stichten voor de godin." zeg Bartimeüs."Er is een tempel afgebrand en nu gaan wij daar een nieuwe tempel stichten." zegt Ruarc."Is dat niet meer iets voor het bouwersgilde?""O, maar we gaan ook niet een tempel bouwen." zegt Kritoias, "We gaan een tempel stichten. Natuurlijk huren we voor het bouwen door het gilde goedgekeurde ambachtsmannen in als dat hier gebruikelijk is.""Hier gebruikelijke? Waar komen jullie vandaan dan?""Uit de Prinsdommen.""Daar hebben ze geen gilden?""Nu in ieder geval niet meer, na de aanval.""Ja, ik heb iets gehoord. Wat is daar gebeurd?"Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertellen over de val van Nymarc en de Prinsdommen.
"En waar komen jullie nu vandaan?""Uit de buurt van Oostzicht." zegt Bartimeüs, "Maar daar was wel wat aan de hand. Een overval of zo. Allemaal gebouwen afgebrand.""Is dat net gebeurd?""Ja, zo'n beetje. Zeiden ze niet dat het soldaten van Baron Bodan waren? We hebben veel mensen met blauwe tunieken zien rijden.""Waar?""In de velden. Maar het zouden ook aapdemonen geweest kunnen zijn.""Wat?""Wezens uit een andere wereld die hier aanvallen plegen." zegt Kritoias."Zeker met die brand. Dat kunnen...""Vuurhonden geweest zijn. Ja!" vult Kritoias aan."Wat is dat nu weer voor verhaal?" Wie zijn jullie?Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en de anderen stellen zich voor.
"En nu niet meer raaskallen. Wij vertegenwoordigen de baron hier en je loopt op zijn land.""Maar wij vertegenwoordigen de godin!" zegt Bartimeüs."Ja, wij bestrijden hen van de groene maan, die moeten vernietigd worden." zegt Ruarc.De mannen lijken er nu helemaal niets meer van te snappen."Je bent een wijs man." zegt Bartimeüs en Ruarc lacht."Laat ons u niet ophouden." zegt Ruarc, "Ik heb hier een teken van waardering voor uw inspanningen."Ruarc pakt een munt die aan een touwtje zit, beweegt dat voor de ogen van de mannen heen en weer en slaagt er in ze te hypnotiseren."Dus jullie gaan naar Ossenmarkt" vraagt één van hen."Ja.""Ok, kom we gaan." zegt de ene soldaat tegen de andere.Beide mannen stijgen op, praten even zacht met elkaar en rijden dan terug richting Ossenmarkt.
Ze lopen door over het heuvelachtige open landschap. Plotseling staan ze in het struikgewas."He, waar is de weg?" vraagt Ruarc."H'm, vast weer zo'n rare anomalie." zegt Kritoias, "Ik merk geen magische energie of rift hier in de buurt.""Kijk de weg is een klein stukje terug." zegt Bartimeüs."Wat is er gebeurd?" vraagt Eileen."Weer zoiets vreemds als bij die ruïne een paar dagen geleden." zegt Ruarc, "Niets om je zorgen om te maken hoor.""Ik loop terug naar de weg en kijk of ik weer terug kom." zegt Bartimeüs.De anderen zien hem door de struiken naar de weg lopen, wat afstand nemen en dan weer terug lopen."Ja, vanaf de weg zie je ook dat er struiken zijn.""Ik heb even gekeken en ik zie weer trillende beelden aan de randen. Maar wat dit nu precies is. Het ziet er niet hetzelfde uit als een rift.""Wat is een rift?" vraagt Jorik.Kritoias legt hem in het kort uit wat riften zijn."Het is ook dezelfde tijd van het jaar en dezelfde tijd van de dag." zegt Kritoias."En het weer lijkt ook hetzelfde." zegt Bartimeüs, "Wat doen we? Doorlopen?""Ja, als jij weet hoe we de weg kunnen blijven volgen.""Die volgt meestal de makkelijkste route, dat is geen probleem."
Ze lopen een tijdje en dan plotseling lijkt het alsof de wereld begint te kantelen."Hè?" zegt Bartimeüs."Wat is dat nu weer voor fenomeen?" vraagt Kritoias, "Aapdemonen? Ik zet een schild aan."Ruarc laat zijn echte aura weer zien en Bartimeüs vraagt de zegen van de godin.Dan verdwijnt het struikgewas en staan ze op de rand van een vrij steile helling. De afgrond is maar een paar meter naar beneden en dat is maar goed ook want Edda verliest haar evenwicht en glijdt van de heuvel af. Nu zien ze dat er een vijftig meter lange hap uit de grond is genomen waardoor dat deel van de weg is verdwenen. Het lijkt of een kubus met de punt in de grond is geduwd."Merkwaardig." zegt Kritoias, "Dit moet net gebeurd zijn.""Jij kan toch ook aarde laten verdwijnen?" vraagt Bartimeüs."Ja, maar niet zoveel tegelijk en met die toverspreuk wordt het ook niet meer. Dit is krachtige magie, of goddelijk ingrijpen. Ik ga kijken of ik iets in die hoekpunt vindt."Kritoias daalt voorzichtig af en zoekt, maar schudt het hoofd."We kunnen wel weer verder, maar de handel tussen Oostzicht en Ossenmarkt is zo wel verstoord." zegt Ruarc."Dat komt iemand niet verkeerd uit, denk ik." zegt Bartimeüs.Ze kijken nog uit over de hap die uit de grond is genomen en zien in de verte een ossenkar naderen. Als die bij de rand staat stapt de menner af."Hallo! Wat is hier gebeurd?""Geen idee. Maar je kan er nu zo te zien niet door. Of kan je eromheen?""Dat wordt moeilijk. Gaan jullie naar Ossenmarkt?""Ja!""Dan moet je dat daar melden. De baron moet dit fixen!""Doen we!"
Ze zwaaien nog even naar de karmenner en zetten dan de reis richting Ossenmarkt voort. In de loop van de middag zien ze vanaf een heuveltje Ossenmarkt in de verte liggen. Maar ze willen natuurlijk niet naar Ossenmarkt, dus trekken ze er met een boog omheen. Kritoias wil rechts erom heen gaan, maar Eileen zegt dat ze linksom moeten gaan, want zij weet het. Ze komt immers hier uit de buurt.
Ze komen onderweg geen soldaten tegen en zien dat het fort lijkt op het fort wat ook in het noorden op de weg van Clanberra en Berrastad ligt. Een eenvoudige toren, waarschijnlijk met twee verdiepingen en een uitkijkpost op het dak. Hier is nog een stenen muur aangebouwd met een poort erin waar nu een hek naar beneden is gelaten. Zoals gebruikelijk staat het fort op een heuvel. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen naar de poort, gevolgd door de anderen."Goedemiddag!" zegt Bartimeüs tegen een soldaat die daar staat."Goedemiddag. Wat motten jullie? Voedsel?""Eh nee, wij willen graag een gesprek met de zoon van de baron, u kent hem wel.""Je bedoelt Geoffrey.""Ja, die.""Geoffrey heeft het druk.""Hé, dat zijn die gasten!" roept een andere soldaat die voorbij komt het lopen.Het is één van de soldaten die ze gisteren zijn tegengekomen."Doe open man!"Degene bij de poort kijkt hem aan en doet dan de poort open.
Ruarc loopt als eerst naar binnen en geeft de soldaat direct een hand."Goed om te zien dat jullie veilig zijn aangekomen!" zegt Ruarc, "Zeker met die storm van gisterenavond.""Het was alsof de goden ons wilden straffen, maar we zijn er goed doorheen gekomen. En jullie?""We hebben een verlaten boerderij gevonden waar we konden schuilen. We hadden nog wat problemen met een wegverzakking, maar daar zijn we ook doorheen gekomen.""Mooi man, kom maar mee, ik ga even kijken of Geoffrey tijd heeft."Ze lopen achter de soldaat aan die naar de toren loopt.
Geoffrey wil hen te woord staan en ze lopen met een trap naar de eerste verdieping waar de werk- en woonkamer van Geoffrey is."Goedemiddag, ik ben Geoffrey, jullie willen een onderhoud, omdat jullie denken dat we iets voor elkaar kunnen betekenen?""Ja, zeker, mijn naam is Ruarc, en dit zijn mijn nemen Bartimeüs en Kritoias. Wij komen van de Prinsdommen en we reizen nu samen met Edda.""De godin zegene u.""Eileen, Ka-el, Alara en Jorik.""Ik begrijp van de soldaten dat jullie iets tegen Sharlok hebben?""De verrader!" zegt Ruarc, "Tegen hem en die godsdienst waar hij zich bij heeft aangesloten.""Wat zijn jullie van plan?""Wij gaan een tempel voor de godin stichten in Branduïn." zegt Edda."Dat is nogal een opgave, hoe denken jullie dat te gaan doen?""Dat moeten we zien als we in Branduïn zijn.""Kennen jullie de huidige situatie in Branduïn?""We weten dat het daar nogal onrustig is." zegt Ruarc.
"Dat is zacht uitgedrukt." zegt Geoffrey, "Er is een machtsstrijd gaande en er is een groot gebrek aan voedsel, dat wij hier trouwens wel hebben. Iedereen is op zoek naar de nieuwe keizer. Er zijn nu drie personen die zich de keizer, of plaatsvervanger van de keizer noemen. Er is iemand de loden stad die zich keizer noemt. In de hoge stad zijn er mensen die een zoon van de keizer hebben gevonden en namens hem de macht claimen en Sharlock vindt dat hij plaatsvervangend keizer is als hogepriester.""Keizer in de loden stad? Dat zou Fahzuhl kunnen zijn." zegt Bartimeüs."Zeker na wat jij hebt meegemaakt." zegt Kritoias."Wie is Fahzuhl?""Een voormalig adviseur van de koning van Vandalus." zegt Kritoias."Vandalus? Dat heeft zich nu onafhankelijk verklaard.""Dat is logisch na die aanval op de Prinsdommen en Nymarc en het feit dat de keizer daar te weinig aan deed." zegt Kritoias."Ze zeggen dat het de voormalige mond van de keizer is.""Dat klinkt als Fahzuhl." zegt Kritoias."Het wordt wel een uitdaging om die tempel te stichten." zegt Bartimeüs, "Maar het is een goddelijke opdracht.""En waar moet die tempel dan komen?""Op de plaats waar de tempel van de keizer stond die is afgebrand.""Dan mag je wel opschieten, want die zijn ze aan het herbouwen, alleen hebben ze daar goed hout voor nodig en dat zal nu wel wat lastig worden. Maar waarom daar?""Dat is een opdracht van de godin zelf." zegt Edda.
"Ok, ik weet nu ongeveer wat jullie willen. Wij willen onze positie hier natuurlijk zekerstellen. En de onrust in Branduïn begint zich ook naar de ommelanden uit te strekken. De graven hebben zich bij verschillende kroonpretendenten aangesloten en dat levert spanningen op. Graaf Serdik heeft zich aangesloten bij de kroonpretendent in de hoge stad. Het lijkt me goed als we met hem gaan praten en kijken wat we met elkaar kunnen bereiken.""En doet de Mano Tinto nog iets?" vraagt Bartimeüs."Die zullen zich niet zo snel bij iemand aansluiten. Ze kunnen nu even leuk geld verdienen, maar uiteindelijk zijn ook zij gebaat bij goede handelsstromen. Hoe meer geld er omgaat, hoe meer ze kunnen afromen.""Waar is de graaf?""In Zuidbrugge, daar kunnen we morgen heen gaan.""Prima.""Er is beneden nog wel ruimte om te slapen."
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vinden het verstandig om, na wat er gebeurd is in Cranberra, wacht te houden, ook al slapen ze in een door soldaten bewaakte verstevigde toren. Het leek ook allemaal heel veilig, totdat Ruarc aan het eind van de nacht een geluid hoort alsof er een zak hooi naar beneden valt. Hij maakt Bartimeüs en Kritoias wakker en loopt dan, zoals altijd bij zijn wachtbeurt, met zijn maliënkolder aan, naar de deur van de toren. Hij maakt de deur voorzichtig open, maar ziet niets, want het is buiten nog donker."En?" vraagt Bartimeüs."Ik zie niets." zegt Ruarc."Ik kan in het donker kijken, althans buiten, laat mij even."Ruarc maakt plaats en Bartimeüs kijkt naar buiten."Er ligt iemand aan de voet van de muur. Ik denk dat hij is beschoten. Ik ga een kijkje nemen, maak jij Kritoias wakker?""Ok."
Bartimeüs loopt naar buiten en ziet al snel dat één van de soldaten met een pijl in zijn hoofd is geschoten. De schutter is goed, want de pijl zit midden tussen zijn ogen.Bartimeüs terug loopt naar de toren, maar daar kan hij weinig zien. Daar wachten Ruarc, Kritoias en een soldaat op hem."Die gast is neergeschoten, we moeten kijken waar de schutter stond." zegt Bartimeüs."Wat? Alarm! Alarm!" roept de soldaat."Ik kan wel wat licht maken boven." zegt Kritoias."Ik denk dat ik wel kan bepalen waar hij ongeveer moet hebben gestaan, dan ga ik daar heen." zegt Bartimeüs."Heb je een fakkel nodig?" vraagt Ruarc."Nee, ik maak zelf wel wat licht." zegt Kritoias, die ook is opgestaan, en laat een lichtstraal uit zijn hand schijnen, "Ik ga naar het dak van de toren."Bartimeüs loopt naar de poort waar een bewaker in het donker staat te turen."He, wie ben jij?" vraagt de soldaat."Het is die gast." zegt een andere soldaat, "Zie je wat?""Ja, hier ligt één van je maatjes. Hij heet een pijl midden in zijn hoofd. Kan je de poort even open doen? Dan ga ik buiten kijken wie dat heeft gedaan.""Eh.""Als we jullie allemaal hadden vermoorden, dan hadden we dat allang gedaan, doe snel even de poort open.""Nou, ok."
Kritoias loopt omhoog. De lichtstraal uit zijn hand kan maar net het terrein van het fort bestrijken, maar de schutter heeft natuurlijk buiten gestaan, daarom gebruikt hij magie om een kilometerslange lichtstraal te maken waarmee hij de omgeving kan scannen. Hij ziet al snel waar Bartimeüs loopt en schijnt bij hem in de buurt. Bartimeüs ziet een verhoging waarvandaan waarschijnlijk is geschoten. Al vrij snel gaat het licht van Kritoias uit, maar Bartimeüs weet waar hij moet zoeken, een verhoging vanwaar je goed zicht hebt op het fort.Hij ruikt het eerder, dan hij het ziet. Er liggen een paar bladeren waarop iets verbrand lijkt te zijn. Met zijn gave van de godin zie hij een donkere gestalte met exotische kleding. Hij of zij draagt een lap voor zijn of haar gezicht. Hij zoekt nog even verder, maar vindt geen andere sporen.
Terug in de toren legt hij verslag uit. Niet alleen aan Kritoias en Ruarc, maar natuurlijk ook aan Joffrey, de zoon van de baron. Die is woest dat iemand het gewaagd heeft om één van zijn soldaten neer te schieten. Het duurt niet heel lang meer voor het licht wordt en hij wil gelijk op zoek naar de dader. Zo ga je niet om met soldaten, door ze 's nachts heimelijk neer te schieten!Kritoias is vooral geïnteresseerd in wat de schutter heeft gedaan met de bladeren. Het lijkt erop dat hij zijn schot magisch heeft ondersteund, maar hij kan geen magie bedenken die op die manier dat effect kan bereiken. Aan de pijl te zien lijkt er wel een soort van magisch effect gebruikt te zijn.
"Weet je zeker dat hier magie is gebruikt?" vraagt Joffrey."Daar lijkt het wel op." zegt Kritoias, "Anders moet je een hele goede schutter zijn om in het donker iemand precies tussen de ogen te raken.""Zou dit een waarschuwing of een afleiding zijn?" vraagt Ruarc, "Beide is mogelijk.""Wat het ook is, het is geen manier om ons aan te vallen!" zegt Joffrey."Gebeurt dit dan niet vaker?" vraagt Ruarc."Nee! Ik ga met een aantal soldaten op zoek naar de dader. Gaan jullie mee, of op weg naar Zuidbrugge?""Wij moeten door." zegt Bartimeüs, "Succes met de jacht.""Kan je ons iets van een introductie meegeven?" vraagt Ruarc."Zeker, ik zet wel even iets op papier."
Samen met de priesteres en haar begeleiders gaan ze even na zonsopgang op weg naar Zuidbrugge. Er zijn weinig reizigers op de weg en degenen die ze tegenkomen begroeten hen ook vriendelijk. Na de lunch, net als ze weggaan, zien ze iemand aan komen lopen. Het is een boer en hij lijkt wel dronken. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vinden dit een vreemde situatie. Omdat ze al wat rare dingen zijn tegengekomen tovert Kritoias de man in slaap. Tot zijn verbazing hoest de man zich wakker."Jullie...jullie zouden me helpen!" zegt de boer tegen ze.Niemand heeft een idee wat de boer hiermee bedoeld. Hij begint te kotsen en schuimbekken en valt daarna, dood, neer."Wat is dit nu weer voor iets raars." zegt Kritoias."Ik dacht bij dat hoesten aan Olcadaïr." zegt Ruarc, "Maar dit lijkt toch iets anders.""Ja, kijk maar." zegt Bartimeüs en wijst naar een krasje in zijn nek, "Hij is vergiftigd."
Ze onderzoeken het lichaam van de boer, maar vinden geen verdere aanwijzingen. Bartimeüs kijkt om zich heen en ziet dan dat er verderop aan de kant van de weg iets lijkt te liggen."Kijk, daar, volgens mij ligt daar nog een lichaam." zegt hij.Ze lopen een meter of dertig verder en zien dat daar het lichaam van een vrouw ligt, met doorgesneden keel."Dat lijkt op de vrouw van de boer." zegt Ruarc."Hier zijn wel wat sporen te zien." zegt Bartimeüs, "Ik ga kijken of ik kan zien wie het gedaan heeft.""Hoe dan?" vraagt Eileen."Met de hulp van de godin."
"Nou, het is dezelfde gast die de soldaat heeft beschoten, donker gekleed, exotisch, doek voor het gezicht.""Iets zegt me dat de patrouille hem niet gevonden heeft." zegt Ruarc, "Gaan we verder?""We kunnen ze zo toch niet achterlaten?" vraagt Edda, "We moeten ze overdragen aan hun familie, of begraven.""Denk aan de kindertjes." zegt Bartimeüs."En waar is hun familie?" vraagt Kritoias, "Daar ergens op een boerderij? En als we ze gaan begraven is het ook wel handig om een schep te hebben. Ik kan ze eventueel verbranden. Maar dat kost allemaal tijd als we het goed willen doen en dan zijn we niet voor het donker in Zuidbrugge.""En met zo'n duistere schutter is dat misschien niet zo handig." zegt Ruarc."Ik stel voor dat we mensen waarschuwen als we ze tegenkomen."De anderen gaan daar schoorvoetend mee akkoord.
Het pad dat ze volgden komt uit op een bredere weg die naar Zuidbrugge leidt. Als ze een heuvel overkomen zien ze het stadje liggen naast de slingerende rivier. Naast de brug over de rivier staat een kasteel, zodat er tol geheven kan worden op de schepen die vracht vervoeren naar Branduïn in het noorden. Het is meer een dorp dan een stad, omdat er geen stadsmuur is.Aan het einde van de middag lopen ze Zuidbrugge binnen. Aan de rand van de stad zijn een aantal galgen neergezet waar lichamen aan hangen. Een daarvan is, aan de kledingstijl te zien, een Noorderling."Waarom zou je hier allemaal lijken ophangen?" vraagt Kritoias."Als waarschuwing." zegt een bewoner van Zuidbrugge, "Iemand heeft geprobeerd om een aanslag op de Baron te plegen. Dit laat zien dat hij nu goed beschermd is en dat je niet meer bij hem in de buurt komt.""Nou, dat lijkt echt te helpen." zegt Kritoias, "Hier hangt een dode Noorderling, maar anderen gaan gewoon rustig door. Die laat zich niet afschrikken.""Waar komen jullie vandaan?""Uit de Prinsdommen in het noorden.""Aha, pas dan maar op, men is wantrouwend tegen buitenstaanders."
Ze lopen het stadje in en lopen door de hoofdstraat waar ze een grote herberg, Brugzicht, passeren die, zoals de naam al zegt, aan het einde van de straat staat waar de brug op uitkomt. Ze lopen door naar het kasteel en melden zich bij de poort."Wat komen jullie doen?" vraagt de wachter."Wij willen graag een onderhoud met de Baron." zegt Ruarc, "Wij hebben zijn zoon Joffrey gesproken en hij heeft ons een brief meegegeven om ons te introduceren.""Geeft u mij alstublieft de brief, dan laat ik ernaar kijken."Ruarc overhandigt de brief van Joffrey en de wachter doet de poort weer dicht.Na een minuut of twintig gaat de poort open en komt er een vrouw naar buiten."Mijn naam is Melissa, de baron heeft het op dit moment erg druk. Als u uw intrekt neemt in de herberg, Brugzicht, dan zal ik u informeren wanneer hij u kan ontvangen.""Ok, dank u wel, het is toch al bijna donker." zegt Ruarc.
Brugzicht is een groter herberg met allerlei kamers rondom een binnenplaats. Sommige van de gebouwen zijn drie verdiepingen hoog. Ze nemen twee kamers voor vier op de tweede verdieping. Als ze naar boven lopen om de kamers te bekijken zit het aanstekelijke deuntje van "Nymarc Brandt!", dat in de gelagkamer wordt uitgevoerd al in hun hoofd.
Na hun kamers geïnspecteerd te hebben gaan ze naar de gelagkamer om te eten."Het zou me niets verbazen als de Baron iets van onderzoek naar ons gaat doen." zegt Kritoias."Ja, laten we onze oren en ogen openhouden." zegt Ruarc.Tijdens het eten vangt Kritoias een gesprek op van een tafeltje verderop. Hij gebruikt zijn magie om het beter te verstaan. De mannen praten over de onrust in de stad en dat er iets aan de hand is bij de verlaten tempel van de keizer. Een van heeft gehoord dat iemand bezig zou zijn met het stichten van een tempel voor Sal-ar. Er zou nog steeds een buitenlander rondlopen in de tempel.
Een oudere man, spreekt ze aan en vraagt of hij er bij kan komen zitten. Dit lijkt een spion van de Baron te zijn, dus Bartimeüs, Kritoias en Ruarc stemmen in. Hij stelt zich voor als Matthias en vraagt wat ze komen doen. Bartimeüs zegt dat ze op doorreis zijn en waarom de man geïnteresseerd is. Hij vertelt dat hij graag met vreemdelingen spreekt. Gelukkig hoeft hij niet meer te werken, maar wordt onderhouden door zijn dochter Natasja. Als Bartimeüs vertelt dat ze op weg zijn naar Branduïn blijkt Matthias daar een paar weken geleden te zijn geweest. Het gesprek komt op magie en de gaven van de godin. Matthias vertelt dat het gebruik van magie in Branduïn en ommelanden verboden is, waarschijnlijk nadat bijna een situatie was ontstaan als in Nymarc, vrijwel direct gevolgd door een nieuw "Nymarc brandt!" door de muzikanten. De toren, waar het gilde van de magiërs zit heeft dit verbod uitgevaardigd en geldt voor alle strijdende partijen en iedereen die geen lid is van de toren. De man neemt afscheid en Ruarc vraagt aan de herbergier of hij de man kent. Die zegt dat het iemand uit Branduïn is.
Kritoias vertelt wat hij heeft gehoord van het andere tafeltje en Ruarc maakt een geluidsbubbel om hen heen."Als er iets met die tempel is moeten we dat stoppen." zegt Ruarc, "Ze mogen niet de tempel van de keizer bezoedelen.""Dan moeten we er vannacht heen." zegt Kritoias."We moeten toch wachten op de Baron." zegt Bartimeüs, "Wat vinden jullie van die oude man?""Een spion." zegt Ruarc, "Maar voor wie?""Hoe laat gaan we?" vraagt Bartimeüs, "Anders kan ik voor die tijd nog in zijn droom gaan komen.""Als hij gaat slapen." zegt Kritoias."Dat wel ja.""Waar is die tempel eigenlijk?" vraagt Bartimeüs."Ik vraag het zo wel aan de herbergier." zegt Ruarc.
Diep in de nacht sluipen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc door Zuidbrugge, op weg naar de tempel van de god die in een wijk naast het kasteel ligt. Het is erg donker en ze komen niemand tegen. De tempel lijkt verlaten en is omgeven door een stevige muur. Op één plaats is er een hekwerk in de muur waardoor je naar binnen zou kunnen als er geen stevige ketting met slot op zou zitten."Naar de zijkant? Dan kan ik een gat in de muur maken." zegt Kritoias."Goed idee." zegt Bartimeüs.Ze lopen naar een plaats waar ze vanaf andere huizen niet te zien zijn en Kritoias maakt een opening in de muur. Snel lopen ze naar binnen en sluipen naar de dubbele voordeur. Ruarc zorgt ervoor dat ze niet hoorbaar zijn voor iemand die verder dan een paar meter van ze vandaan is. Boven de deuren is een beeltenis met het hoofd van de keizer aangebracht. Bartimeüs probeert een van de deuren en die blijkt open te kunnen. Ze komen eerst in een voorportaal waar een deur is die naar een keukentje en een trap leidt. Het lijkt erop dat onlangs vuur is gemaakt. Rechtvooruit is de grote zaal waar banken staan en achter een afscheiding in de zaal een groot standbeeld van de god is."Ik zie bijna niets." zegt Ruarc."Ik kan wat licht maken." zegt Kritoias en laat weer licht uit zijn handpalm schijnen.
"Heiligschennis!" roept Ruarc het licht uit Kritoias's hand het gezicht van het grote beeld van de god raakt.Iemand is bezig geweest om het beeld te bewerken zodat er een ander gezicht op komt te staan. Als ze dichterbij lopen zien ze dat er een ladder staat en dat er op de grond werktuigen zijn. Ook zien ze steengruis op de grond liggen."Iemand is het gezicht aan het veranderen." zegt Bartimeüs."Ze ontheiligen de tempel." zegt Ruarc, "Daar moeten we iets aan doen. Waar is die steenhouwer?""Hier ligt niemand." zegt Kritoias, "Het kan zijn dat hij boven ligt, anders overnacht hij buiten de tempel.""Uitschakelen die handel." zegt Bartimeüs.
"Of we pakken het anders aan." zegt Kritoias, "We willen toch dat ze de kracht van de god voelen? Daar kunnen we misschien wel voor zorgen.""Hoe dan?" vraagt Bartimeüs."Ik kan tekens aanbrengen waarmee ik mensen bang kan maken, of van hun stuk brengen en Ruarc kan illusies maken.""Maar kan dat dan ook later?" vraagt Bartimeüs."Mijn tekens kunnen dat en volgens mij heeft Ruarc ook illusies die op basis van een gebeurtenis gaan spelen.""Ja, dat is waar." zegt Ruarc."Dan kunnen we iets gaan maken dat zodra iemand weer het beeld beschadigd, of wanneer het geluid van gehamer klinkt, dat dan het gezicht van de keizer verschijnt en er een stem klinkt.""Ja! Ik verzin wel iets over ketters en de toorn van de keizer." zegt Ruarc enthousiast, "Het moet hard genoeg zijn dat ze het buiten ook horen!""En dan zorg ik ervoor dat die beeldhouwer gestund is. Hij moet niet gelijk gaan rennen, en ik kan ook nog iets maken dat hij bang wordt."
"Gaan we nog boven kijken?" vraagt Bartimeüs."Met de kans dat we iemand wakker maken?" vraagt Ruarc, "Dan hebben we dit allemaal voor niets gedaan.""Ja, beter om weg te gaan. Waarschijnlijk zit toch alleen degene die het beeld bewerkt boven."Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen terug naar de ingang van de tempel en doen de deur weer netjes achter zich dicht. Kritoias maakt opnieuw een gat in de muur aan de kant van het kasteel en ze lopen de donkere nacht in.
Die nacht lijkt minder donker, althans, ze zien een grote vogel met menselijke trekjes over hen heen vliegen en landen op de hoogste toren van het kasteel. Als de vogel landt zien ze dat het wezen ongeveer zo groot is als een mens. Dan horen ze vanuit de richting van het kasteel een ijselijke gil. Bartimeüs en Ruarc blijven kijken en vermoeden dat de vogel de veroorzaker van het enge geluid is. Kritoias wacht het niet af, rent terug naar de muur van de tempel en verdwijnt dan."Wat is dat nu weer voor wezen?" vraagt Bartimeüs, "Ken jij zoiets uit de verhalen?""Nee, nog nooit van gehoord. Zullen we maar teruglopen naar de herberg?" zegt Ruarc."Goed, waar is Kritoias?" zegt Bartimeüs en kijkt om zich heen."Die zal wel weer weggerend zijn." zegt Ruarc, "Die zit straks rustig bij de herberg."
Zij zijn niet de enigen die de gil hebben gehoord. Op de route naar de herberg zien dat er lichten in huizen aangaan en dat er mensen de straat op komen rennen."Het heeft wel wat losgemaakt bij iedereen." zegt Bartimeüs.Hij probeert de deur van de herberg open te doen, maar die zit op slot. Bartimeüs klopt aan en een bewaker doet de deur open."Wat moet je?""Wij willen naar onze kamer."De bewaker schijnt bij met een lamp en doet de deur open zodra hij Bartimeüs en Ruarc herkent."Kom binnen heren.""Dank je wel."De bewaker doet de deur achter hen weer dicht en begint The Flames of Nymarc the neuriën.
Bartimeüs en Ruarc lopen naar hun kamer waar Bartimeüs zijn boog pakt. Ze kloppen aan bij de andere kamer."Wat is er?" vraagt Ka-el die open doet."Heb je het monster niet horen schreeuwen?" vraagt Ruarc."Nee, een monster?" zegt Ka-el en trekt zijn wapen, "Wat is er aan de hand?""Er zit een monster op de keep." zegt Bartimeüs."Wat voor monster?""Een man met vleugels." zegt Bartimeüs."Moeten we dat niet melden bij de keep?" vraagt Ruarc."Ja, wat wat naar binnen gaat moet ook naar buiten komen." zegt Bartimeüs, "Ik verwacht niet dat hier iets gebeurt, dus wij gaan naar de keep.""Ok." zegt Ka-el.
Op straat begint de rust weer te keren. De meeste mensen zijn weer op weg naar huis, hoewel er op een aantal plaatsen groepjes mensen staan te praten. Bij het kasteel is de poort gesloten, maar er staan twee soldaten voor de poort"Gegroet, is alles veilig?" vraagt Bartimeüs, "We zagen iets landen op het kasteel.""Landen? Dat is nieuwe info." zegt een van de wachters."Heb je dan de gil niet gehoord?" vraagt Bartimeüs."Ja, dat wel.""Er is iets geland op het dak." zegt Ruarc."Ik heb niets gezien, wel gehoord.""Is er geen indringer?" vraagt Ruarc.
"Indringer? Zeg , waar komen jullie eigenlijk vandaan?""Wij waren een stukje aan het wandelen." zegt Ruarc, "Heb je het wezen niet gezien?""Nee, wij staan buiten." zegt de andere wachter."Moet je dan niet iemand gaan waarschuwen?" vraagt Ruarc."Dat is misschien een goed idee. Ga jij?""Ja, is goed." zegt de andere soldaat, die loopt naar een klein zijdeurtje en bonst daarop."En wat hebben jullie gezien? Iets dat vliegt?""Ja, een gevleugelde man." zegt Ruarc."Dat bestaat niet.""Er gebeuren veel gekke dingen." zegt Ruarc, "Is de baron ok?""Ik geloof het wel. Hij is veilig in de keep, anders wordt er wel alarm geslagen."
"Kijk!" zegt Bartimeüs en wijst de lucht in.Ruarc kijkt omhoog en ziet het wezen vanaf het kasteel, op ongeveer zestig meter hoogte richting de herberg vliegen."Daar gaat het!" zegt Bartimeüs en begint naar de herberg te rennen.Op de voet gevolgd door Ruarc.Ze weten het maar net bij te houden en zien dat het wezen achter de herberg landt. Voordat ze om de herberg heen lopen pakt Bartimeüs zijn bijl en zorgt dat hij in het donker kan zien. Ruarc heeft zijn hamer al in de aanslag. Dan lopen ze voorzichtig om de herberg heen.Bartimeüs wijst in het, voor Ruarc, donker."Daar zit het, geknield in het struikgewas."Bartimeüs ziet dat het een oude, rimpelige vrouw is met vleugels. Ze heeft geen kleding haar, maar is bedekt met haar. De vrouw merkt Bartimeüs op en draait zich naar Bartimeüs en Ruarc toe. Ze staat op en wijst naar hen."Jullie, ha, ha, ha, jullie sterven!"
"Maar niet vandaag." gaat ze na een paar seconden verder."Jij gaat ook sterven, maar wel vandaag!" zegt Bartimeüs en pakt zijn boog."De godin wordt ongeduldig!Bartimeüs legt aan, trekt aan de pees om te schieten, maar die knapt.De vrouw gilt, net als bij de keep en vliegt dan weg.In de herberg horen ze gegil en ook in de huizen om de herberg heen is de gil opgemerkt."Waarom komt dit wezen nu weer hier? Kon jij haar niet kalmeren of zo?" vraagt Bartimeüs."Nee, dat kan ik alleen met beren en zo, maar daar kan ik dan niet mee praten.""En die nymf dan? O, ik kan wel met de beer praten.""Ja, ja, laten we maar gaan rusten. Ik ben trouwens benieuwd waar Kritoias gebleven is, maar hem gaan zoeken heeft niet veel zin.""Lekker is dat, dan moeten we allebei de halve nacht wachthouden." zegt Bartimeüs, "Weer heel familiaal van Kritoias."
Bartimeüs en Ruarc hebben de hele nacht wacht gehouden en er is gelukkig verder niets gebeurd, maar Kritoias is ook nog niet verschenen."Waar is Kritoias?" vraagt Bartimeüs aan Ruarc als die hem wakker maakt."Geen idee, zullen we maar gaan ontbijten?""Ja, goed hoor."Ze lopen naar de gelagkamer waar de anderen ook binnendruppelen."Er was iets buiten." zegt Eileen, "Zijn jullie daar ook wakker van geworden? Wat was er aan de hand? En, eh, waar is Kritoias? Slaapt die nog?""Ik ga eerst eten, dan kunnen we vragen duiden en beantwoorden." zegt Bartimeüs."Ontbuiten?" vraagt Eileen."Ja, als het maar geen pap is." zegt Ruarc.
Als ze wat te eten hebben komt het gesprek op de gebeurtenissen van vannacht."Er moet iets buiten zijn geweest." zegt Eileen."Ja, een oude, lelijke vrouw met vleugels." zegt Ruarc, "En ze vloog weg.""Ze stootte een ijselijke kreet uit en vloog weg." zegt Bartimeüs."Was dat geen boodschap?" vraagt Eileen."Een boodschap?" vraagt Ruarc."Ja, wat jullie vertellen lijkt op een banshee, uit de fabelverhalen." "Wat is dat nu weer, een banshee?""Iets uit fabelverhalen, maar wat jullie vertellen lijtk het wel echt.""Even nadenken, ik heb zoiets wel eens gehoord." zegt Ruarc, "Ja, de banshee, een harbringer of death.""Zou ze dan de dood van de Baron aankondigen?" vraagt Bartimeüs.
De deur van de herberg gaat open en Melissa, van het kasteel, komt binnen."Heren? Jullie hebben verzocht om een onderhoud met de baron en als jullie je rond het middaguur melden aan de poort, dan zal de baron jullie te woord staan. Is hier alles goed?""Ja, nu wel, vannacht was het wel apart, toen hebben we een banshee van dichtbij gezien." zegt Bartimeüs."Wat? De naam Banshee zegt me niets."Bartimeüs legt haar uit wat Eileen en Ruarc over de Banshee hebben gezegd."Nou, dat is interessant, maar ik moet nu gaan."
Bartimeüs zullen we Kritoias gaan zoeken bij de tempel?""Ja, laten we gaan.""Weten jullie waar Kritoias is?" vraagt Eileen."Geen idee." zegt Bartimeüs."Moet je je dan geen zorgen maken?""Vast niet."
Bartimeüs en Ruarc pakken hun wapens mee en lopen naar de plaats waar ze Kritoias voor het laatst hebben gezien. Bartimeüs vind het spoor en volgt het naar de muur van de tempel, maar vlak daarvoor stopt het spoor."Hij is hier omhoog gevlogen of zo." zegt Bartimeüs."Waarom is hij dan nog niet terug?" vraagt Ruarc."Omdat het een luie hond is." zegt Bartimeüs.Er komt een man aangelopen die Bartimeüs en Ruarc in het ruige terrein naast de muur van de tempel bezig ziet."Goedemorgen, ik ben Peter, kan ik jullie met iets helpen?""Wij hebben interesse in de tempel." zegt Ruarc."O, die is nu gesloten, want er is geen priester meer.""Kunnen we nog wel naar binnen?" vraagt Bartimeüs."Dat is ongepast, want hij is gesloten.""Maar kunnen we dan niet naar binnen?" vraagt Ruarc."Dit is wat de keizer vertegenwoordigt.""En de godin dan?" vraagt Bartimeüs."De godin heeft ons verlaten.""De godin is terug." zegt Bartimeüs.
"Wat willen deze mensen van je Peter?""Ze willen gaan binnen in de tempel.""Ja, is dat raar?" vraagt Bartimeüs."Wel als die niet opengesteld is. En tot wie wil je gaan bidden?""Tot de godin." zegt Bartimeüs."O? Vertel me meer.""Zij staat voor alles wat groeit en bloeit.""Maar daar doet ze al eeuwen niets meer aan, kijk maar naar het tuintje.""Nou, nog altijd beter dan een nepgod met nepaanhangers." zegt Bartimeüs."Wat een vooroordelen. Heb je al gehoord van Sal'ar?""Ik weet van de keizer." zegt Bartimeüs."Dan komt er iets voor in de plaats. We gaan allemaal op zoek naar iets en dan staat hij hier. Maar jongens kom, we zijn nog niet geïntroduceerd."
"Ik ben Bartimeüs.""Uit Branduïn?""Nee, uit de Prinsdommen.""Ik ben benieuwd hoe zij in de Prinsdommen gezien wordt.""U moet van mij gehoord hebben. Ik ben Ruarc de Magnificent.""Ik ben The van Zuidbruggen. Ik ben hier om ons allen te behoeden voor rampspoed en chaos?""En monsters?" zegt Bartimeüs."Die verdwijnen.""Nee, ze verschijnen juist." zegt Bartimeüs, "Daarom moeten wij de macht van de godin borgen en nemen deze tempel binnenkort in gebruik.""De godin heeft geen tempel nodig.""De laatste keer dat we de godin spraken..""Hoogmoed! Hoe durf je zo over de goden te spreken.""Tja, ik spreek gewoon met goden.""Aanmatigend. Maar nu is dit maar een gebouw.""Met een mooie tuin." zegt Peter."En hoe ga je het dan wijden?" vraagt Ruarc."Dit is een mooie plek om te manifesteren. We vragen de god om deze plaats te heiligen met zijn aanwezigheid. Het wordt een belangrijke plaats voor..." zegt The en wijst met beide handen naar het gebouw waarbij hij zich een beetje met zijn rug naar Bartimeüs toedraait.
Bartimeüs heeft inmiddels zijn bijl gepakt en doet een stap vooruit."Pas op meester!" roept Peter nog, maar het is te laat.Bartimeüs haalt vernietigend uit met zijn bijl. Hij slaat hem onder de uitgestrekte arm en de bijl boort zich in de ribbenkast van The. Hij valt kreunend op de grond."Help!" roept Peter en begint weg te rennen.Bartimeüs aarzelt niet en rent achter hem aan."Eh." zegt Ruarc, die die aan hand moeten zien komen.Snel is de al wat oudere Peter niet en hij wordt genadeloos door Bartimeüs van achteren doodgeslagen."Laten we maken dat we wegkomen." zegt Ruarc, "Voordat iemand van het kasteel daar iets opvalt."
Ze lopen met een omweg terug naar de herberg en komen onderweg Kritoias tegen die over de zuidelijke weg aan komt lopen."He, Kritoias, waar was jij nou?" zegt Bartimeüs."Die gil was afgrijselijk, daar moest ik vandaan.""Ja, maar waar was je nou.""In de toren waar de zoon van de baron was. Daarvan wist ik dat het veilig was.""En waarom ben je niet snel teruggekomen?" vraagt Bartimeüs."Omdat ik hier te kort ben geweest, dan is het te gevaarlijk.""Ja, voor je het weet beland je vastgebonden in het water." zegt Ruarc."Ik ben nu terugkomen vliegen, dat duurde een uurtje."Bartimeüs en Ruarc praten Kritoias bij over de Banshee en wat er verder is gebeurd. Terug in de herberg wachten ze tot het 12 uur is. Kritoias gaat nog maar even slapen. Onzichtbaar op de grond liggen in een fort geeft niet echt voldoende nachtrust.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zorgen er samen met de anderen voor ruim op tijd bij de poort van het kasteel te zijn. Ze vertellen dat ze een onderhoud met de baron hebben en de wachters laten hen binnen. Bij het poorthuis moeten ze hun wapens achterlaten en vier wachters begeleiden hen over de binnenplaats naar de grote toren. Ze gaan door een deur, een trap op en komen dan in een grote hal die gevuld is met mensen. Er zijn veel soldaten, vier andere mannen en twee vrouwen. Aan het einde van de hal zit een grote man op een indrukwekkende stoel. De vier wachters begeleiden hen naar de baron die op hen zit te wachten.
De baron heeft de bericht van zijn zoon gelezen en is benieuwd wat de jongens te vertellen hebben. Kritoias doet het woord, maar komt niet echt overtuigend over. Het gaat natuurlijk over de ontwikkelingen in Branduïn, waarvan nu duidelijk wordt dat er bijna een burgeroorlog aan de gang is waarbij verschillende partijen de troon willen bemachtigen. Kritoias vertelt dat hen hen gaat om het stichten van een tempel voor de godin, op de plaats waar de tempel voor de god is afgebrand. De baron zegt dat hij heeft gehoord dat een andere god daar nu een tempel aan het bouwen is. Met wat hulp van Ruarc gaat de baron akkoord met het meegeven van een bericht voor de graaf zodat zij hun zaak bij hem kunnen bepleiten.
Daarna vertelt Kritoias over de banshee en wat dat kan betekenen. De baron is even van zijn stuk gebracht, maar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc hebben een plan om een plaats te wijden in het kasteel die de baron hopelijk beschermt. De baron geeft toestemming om een eikenboom te planten en ze gaan op zoek naar een eikel. Gelukkig duurt het niet lang voor Bartimeüs hem heeft gevonden. Ze gaan naar de tuin van het kasteel en daar plant Bartimeüs de eikel en laat hem direct uitgroeien tot een klein sprietje. Edda wijdt de grond en vraagt om even alleen gelaten te worden met de baron. De wachters kijken even naar de baron en die knikt. De anderen gaan terug naar de herberg.
Tijdens hun lunch vertelt Eileen dat ze blij is met deze doorbraak. Ze hebben nu een eerste heilige plaats gemaakt en daar begint het allemaal mee. Edda komt even later ook terug en ze genieten van een eenvoudige maaltijd. Tijdens de lunch komt Melissa bij de herberg langs met een perkamenten rol met het zegel van de baron.
Vlak na de lunch komt iemand de herberg inrennen."De baron! Hij schijnt dood te zijn!""Nou, dan heeft onze heilige plaats lekker geholpen." zegt Bartimeüs."Hadden we dit dan wel kunnen voorkomen?" vraagt Kritoias."Kom we gaan kijken wat er is gebeurt." zegt Ruarc, die gelijk opstaat.Ze spoeden zich naar het kasteel en dankzij Edda worden ze toegelaten tot de zaal waar de baron tijdens het eten in elkaar gezakt is op zijn stoel."Vreselijk." zegt één van de bedienden, "Hij viel dood neer bij het eten."Bartimeüs kijkt of hij zijn gaven van de godin nog kan inzetten, maar dat had alleen maar gekund als de baron nog leefde."Wie heeft hem dit eten voorgeschoteld?" vraagt Ruarc, "Is het voorgeproefd?""Ja, in de keuken." zegt de bediende."Snel naar de keuken." zegt Ruarc en loopt twee trappen af naar de keuken.De kok is heel bedroefd."Wat is er? Is hij echt dood?""Ja, helaas." zegt Ruarc, "Hij is vergiftigd en dat moet hier in de keuken of op weg naar de grote zaal gebeurd zijn. Verdenk je iemand?""Ze werken hier allemaal al jaren, alleen.""Ja?""Dermit ontbreekt, die was hier net nog wel.""Waar woont hij?" vraagt Bartimeüs.Een van de bediendes weet wel waar Dermit woont."We moeten achter hem aan." zegt Bartimeüs.Ze lopen naar de grote zaal, maar Kritoias wil nog even blijven om de metafysische gevolgen van wat er is gebeurd te overdenken.
Bartimeüs en Ruarc zijn binnen vijf minuten bij de woning van Dermot. Hij woont daar met zijn moeder. Bartimeüs voelt aan de deur en die is niet op slot. Gewapend lopen ze naar binnen en vrijwel direct vinden ze twee lichamen op de vloer. Dermot en zijn moeder liggen met doorgesneden keel op de grond.Bartimeüs heeft direct door wat er is gebeurd: "Iemand heeft het op zelfmoord willen laten lijken, maar die lichamen liggen hier al even en er is geen mes te zien. De moordenaar heeft hier ook toegeslagen!"
Na een uur komt Kritoias terug van het kasteel. Iedereen die er niets te zoeken had is het kasteel uitgezet vanwege de rouwperiode en de voorbereidingen voor de bijzetting van de baron in het familiegraf."In ieder geval hebben we wel een aanbeveiling van de baron." zegt Bartimeüs."Ja, en wat gaan we daar mee doen?" vraagt Edda, "Wat is het plan?"Hier hebben Bartimeüs, Kritoias en Ruarc niet echt een antwoord op. De rest van de middag discussiëren ze over wat ze nu precies moeten doen, wat de rol van de godin daarin is, of je zelf we keuzes kan maken, of dat alles toch al van te voren vastligt. Dat alles begeleidt door de opbeuren tonen van Nymarc brandt!
Bartimeüs heeft vandaag, zoals altijd, de eerste wacht. Hij let goed op en hij merkt op dat er iets van stof langs de deur glijdt. Met de moordenaar in de buurt aarzelt hij niet, geeft zichzelf nachtzicht en maakt zijn neven wakker. Kritoias geeft zich en Ruarc ook nachtzicht, terwijl Bartimeüs de deur naar de gang voorzichtig opent en links en rechts kijkt."En?" fluistert Kritoias."Niets te zien.""Misschien onzichtbaar, laat mij er even bij.""Ok, dan kijk ik wie er de afgelopen vijftien minuten langs is gekomen."Kritoias loopt de gang in en kijkt links en rechts met zijn power perception. Daarmee zou hij de magie van de onzichtbaarheidsspreuk moeten opsporen, maar daar is geen spoor van te bekennen. Dan valt hem op dat de deur naar de kamer met de anderen op een kier staat. Hij stoot Bartimeüs aan en wijst naar de deur.
Kritoias stapt de kamer binnen, waar Ka-El wacht houdt, maar niet gezien heeft dat de deur open is gegaan."He, wie is daar?""Ik ben het." zegt Kritoias die nu met zijn staf in alle hoeken van de kamer begint te prikken om een mogelijk onzichtbare moordenaar zichtbaar te maken, "De moordenaar van de baron is hier."Al snel heeft Kritoias door dat hij zo de onzichtbare moordenaar niet kan vinden. Hij gebruikt een toverspreuk en plotseling is alles gevuld met mist. Dan voelt hij een stekende pijn in zijn rug. Bartimeüs die achter hem staat ziet een moordenaar uit het niets verschijnen die zijn dolk uit de rug van Kritoias haalt. Voordat de moordenaar iets kan doen haalt Bartimeüs uit met zijn bijl en hakt het rechterbeen van in het donker geklede gestalte af. De moordenaar valt direct bewusteloos op de grond.Kritoias voelt het bloed langs zijn rug stromen en gebruikt magie om het bloeden te stoppen."Die dolk was vast en zeker vergiftigd." zegt Bartimeüs, "Daar heb ik iets tegen en concentreert zich om met de kracht van de godin het gif uit het lichaam van Kritoias te verwijderen. Intussen knielt Ruarc bij het bewegingsloze lichaam van de moordenaar.
Kritoias begint met het onderzoek van de moordenaar en vindt niet veel meer dan de gebruikte dolk en een schede voor de dolk. De moordenaar heeft ook een gordeltje met flesjes bij zich dat Kritoias snel bij zich stopt. Ruarc concentreert zich nog als de herbergier aan komt lopen met een grote stok."Wat is er aan de hand, gatver!"Iemand heeft ons aangevallen." zegt Bartimeüs, "Herken je hem?""Mijn gasten hebben twee benen. Maar wacht, ik heb hem wel buiten zien lopen. Hij liep me bijna omver toen ik een vust bier aan het versjouwen was. Maar toen had hij wel wat rijkere kleding aan."Ka-el en de anderen in de kamer zijn behoorlijk geschrokken en de herbergier biedt ze een andere kamer aan.
"We moeten op zoek naar de manier waarop hij de herberg binnen is gekomen." zegt Kritoias, "Dan kan je daar zijn spoor zoeken. Ik zeg we, maar dat moeten jullie doen, want ik moet een uurtje rust houden, anders springt mijn wond weer open.""Laten we even teruggaan naar onze kamer." zegt Ruarc.Ze gaan op het bed zitten."Wat is er?" vraagt Bartimeüs."Ik heb hem ondervraagd door zijn herinneringen door te spitten, maar helaas lijkt hij niet heel veel te weten.""Wat wel?" vraagt Kritoias."Ik weet welk gif is gebruikt om de baron te doden, de moordenaar heeft zich getransformeerd in een jongen en hij is onderdeel van een professionele groep moordenaars.""Nou, dat is in ieder geval iets. Laten we nu kijken hoe hij binnen is gekomen." zegt Bartimeüs.
Bartimeüs en Ruarc onderzoeken de deuren en luiken van de herberg en ontdekken dat het kelderluik, waar de biervaten door naar binnen komen, niet van binnenuit op slot zit. Bartimeüs opent het luik en ziet met zijn nachtzicht sporen vanaf het luik lopen. Bartimeüs en Ruarc klimmen naar buiten, sluiten het luik en Bartimeüs begint de sporen te volgen. Ze lopen naar het zuiden, richting de tempel, maar voordat ze daar aankomen gaan ze naar links, tot ze bij een huis komen dat aan de rand van de stad staat. Het ziet er comfortabel uit, het huis van een handelaar."Gaan we hier morgen langs?" vraagt Ruarc."Misschien heeft die een maat die vlucht." zegt Bartimeüs, "Ik probeer de deur."Die blijkt open te zijn."Ik zorg voor de sound bubbel." zegt Ruarc.
Ze stappen een kleine hal binnen met een gordijn aan de andere kant. Het is geen vod, maar een kwalitatief goed stuk stof. Bartimeüs schuift het gordijn opzij en ziet het merendeel van de benedenverdieping. Een grote woonruimte met een trap omhoog. Aan de andere kant van het huis ziet hij een deur naar achteren. Met zijn bijl in de aanslag loopt hij de kamer in en wijs naar Ruarc dat hij de trap in de gaten moet houden."Twee pijpen hier op tafel." zegt Bartimeüs, "Ze zijn nog warm, dus die zijn vanavond gebruikt. Voor de rest zie ik hier niets bijzonders. Wel mooie spullen, dus ik denk een handelaar.""Naar boven?""Naar boven!"
Bartimeüs komt als eerste boven en ziet een gang die door het midden van het huis lijkt te lopen. Hij ziet twee deuren aan de linkerkant en één aan de rechterkant."Eerst links." zegt Bartimeüs en loopt naar de deur."Ik blijf hier staan om te voorkomen dat iemand in de kamer je hoort."Bartimeüs steekt een duim op en luistert aan de deur. Hij hoort niets en doet de deur open en ziet binnen kledingrekken en kasten."Iets van een rommelhok of zo." zegt Bartimeüs, "Of, nou ja, er liggen allemaal spullen.""Nu eerst rechts?""Ja.
Bartimeüs luistert aan de rechterdeur en denkt iets te horen. Hij opent voorzichtig de deur en ziet een slaapkamer met een dubbelbed. Boven de dekens komt grijs haar van waarschijnlijk een man uit."Hier ligt er één. Eerst maar die andere deur?""Ja, ik blijf hier staan."Bartimeüs loopt zachtjes de gang door en luistert aan de deur. Hij hoort niets, opent de deur en ziet een soort badkamer met een tobbe. Aan de rechterkant is nog een deur. Daar luistert Bartimeüs ook aan en ook hier hoort hij niets. Hij probeert de deur zachtjes open te doen, maar deze zit dicht.
"En?" vraagt Ruarc."Een badkamer met nog een deur, maar die zit dicht.""Daar zit iemand. We kunnen hem open hakken in de sound bubble.""Dat is waarschijnlijk waar die moordenaar zat, die zal wel uit het raam geklommen zijn. Ik vind het een goed plan."Ruarc loopt mee zodat het buiten de bubble geen geluid maakt als Bartimeüs met zijn bijl de deur in stukken hakt.Na een paar flinke uithalen met zijn bijl kan Bartimeüs de kamer inkijken. Het is een kleine kamer met een raampje dat niet op slot zit. Er is een slaapplaats waar wat kleren en een rugzak liggen."Ja, dit is waarschijnlijk de plaats waar onze eenbenige vriend heeft geslapen." zegt Bartimeüs, "Dan moeten we nu die oude man overmeesteren en ondervragen."
De oude man heeft geen schijn van kans tegen Bartimeüs die hem in zijn slaap overrompeld. Voordat de man het doorheeft ligt hij goed vastgebonden op het bed."Zo, niemand haat je, maar we willen wel wat dingen weten." zegt Bartimeüs."Laat mij maar even." zegt Ruarc en raakt de man aan.Hij concentreert zich een paar minuten."Hij heeft het zelf niet gedaan, maar ik krijg niet door of hij weet wie het wel heeft gedaan. Het gif zat in de zalm mousse. Belangrijker is dat ze dit doen in het kader van een couppoging. De moordenaar heeft hier verbleven, precies wat we al dachten en de baron is niet het enige doelwit. Ook niets bijzonders. O, en de moordenaar is ervoor betaald, dus geen ideologisch motief."De man kijkt enigszins verschrikt als hij dit hoort.
"Zo, jij bent er vast ook voor betaald. Wie is je opdrachtgever?" vraagt Bartimeüs.De man zwijgt, waarop Bartimeüs hem hard in zijn gezicht slaat."De, de tempel in Branduïn.""En wie vertegenwoordigt de tempel? Hoe krijg je je opdrachten?""Via een boodschapper, altijd een andere. Ze weten ook waar ik woon en namen heb ik niet.""Nou, dan ben je nutteloos voor mij.""De moordenaar slaapt hiernaast, hij is vast wakker!""Hij is dood!""Vermoord?""Ja!""Dat is niet goed. Dat laten ze niet gebeuren. De tempel uit Branduïn zal nieuwe mensen sturen."
"Ok, en waar is je goud?" vraagt Bartimeüs."Goud?""Ja!""Zoveel heb ik niet."Bartimeüs gelooft de man niet en geeft hem opnieuw een klap."Het is niet hier, het ligt beneden, in de tuin.""Waar in de tuin?""In het tuinhuisje, onder de vloer."Bartimeüs verdwijnt naar de gang en gaat op zoek naar het goud. Een paar minuten later komt hij terug met een klein kistje."Hoe krijg ik dit netjes open?""Er zit een sleutel achter een schilderijtje."Bartimeüs loopt weer naar beneden en vindt het sleuteltje. Hij open direct het kistje en vindt ongeveer 100 goudstukken aan waarde."Dat noem jij niet zoveel?""Het was om de stad te verlaten, maar dat zal ik nu toch wel moeten, maar dan zonder geld.""Goh, wat zielig.""Hij werkte wel voor de tempel, misschien wist hij niet beter." zegt Ruarc."Vermoorden die zomaar baronnen?""Nee, dat ook weer niet."
"Laten we nog even in dat kamertje kijken." zegt Bartimeüs.Hij stopt een prop in de mond van de man en Bartimeüs en Ruarc lopen naar de schuilplaats van de moordenaar waar ze na nog wat breekwerk naar binnen kunnen. In de rugzak die er ligt zit vooral verschillende soorten kleding zodat de man zich goed kon vermommen. Verder vinden ze ongeveer 10 goud aan munten, wat brieven in een raar schrift, wat Ruarc herkent als noorderlings en wat kaarten. Ook zitten er nog wat ringen in en natuurlijk drie groene kettinkjes. Onder de bedrol ligt een kromzwaard."Ik weet wel wat ik hiermee ga doen!" zegt Bartimeüs, "Deze kunnen we toch niet meenemen.""Ok, ik blijf hier zitten, dan kan jij kijken of de touwen van de oude man nog vastzitten.""Zeker!" zegt Bartimeüs met een grijns om zijn mond.Even later komen ze een stuk rijker en met nieuwe informatie bij de herberg aan.Kritoias is gewond, dus Bartimeüs en Ruarc verdelen de wacht voor de rest van de nacht.
Als het licht is geworden wordt Kritoias wakker van rumour buiten."Wat is dat?" vraagt Kritoias aan Ruarc."Wat?""Dat geluid buiten, dat lijken wel commando's van militairen.""O, dat was me niet opgevallen." zegt Ruarc, "Het is licht, dus ik zal de anderen wel wakker maken.""Straks zijn het soldaten van Branduïn die hier de boel komen overnemen." denkt Kritoias.Dan horen ze gestommel op de trap."Ze komen naar boven." zegt Kritoias.Hij pakt zijn staf, doet de deur open stapt de gang op. Hij ziet twee soldaten met de livrei van Branduïn de gang in komen lopen. Zij zijn net de trap opgekomen."Jij! terug je kamer in.""Nee!""Terug!"Kritoias is het zat dat iedereen maar van alles van hem wil en ontlaadt de kracht die hij al aan het verzamelen was door een bliksemschicht op de man af te vuren. De man staat op ongeveer vijf meter afstand en de bliksem gaat recht door zijn borst heen en splijt de man in tweeën. De andere soldaat, die vlak achter hem stond, wordt ook geraakt en staat versuft en verbijstered in de gang.Bartimeüs rent langs Kritoias op de verstufte soldaat af en slaat hem met twee klappen van zijn bijl dood.
"Wat nu?" vraagt Bartimeüs."Teleport is een optie, maar wel riskant." zegt Kritoias."Teleport waarheen?" vraagt Bartimeüs."Naar Branduïn, die herberg waar we verbleven.""Maar weten we nog of die bestaat, met die halve burgeroorlog.""Nee, dat is ook het risico.""Laten we dan eerst kijken wat er buiten is""Ok, ik blijf even hier en ga van boven kijken waar er nog meer zitten."
"Wat gaan jullie doen?" vraagt Ruarc."Bartimeüs gaat kijken wat er aan de hand is, misschien kunnen we via het bevoorradingsluik.""Ok, ik zal kijken hoe dat er hier binnen bijstaat." zegt Ruarc.Bartimeüs en Ruarc lopen voorzichtig de trap af, maar zien niemand beneden. De voordeur staat wel op een kier.Ruarc wijst naar achteren en loopt naar het luik. Bartimeüs loopt naar de deur en doet hem op een kier. Op het grote plein staan op, zo'n 50 meter afstand, 5 soldaten, die naar de brug lopen. Bartimeüs pakt zijn boog, legt aan en raakt er één."Scatter!" roept er een."Het kwam uit de herberg." zegt de ander.De mannen verspreiden zich en trekken zich terug naar de brug uit schootsafstand.
Bartimeüs gaat naar boven en zoekt even tot hij Kritoias heeft gevonden."Er staan er nog meer buiten. Kan jij me onzichtbaar maken, dan kan ik ze afluisteren.""Hier buiten zitten er nog meer." zegt Kritoias, "Ze hebben de herberg half omsingeld. Ik kan vandaag niet al te veel doen, anders kunnen we niet teleporteren.""Dat komt wel goed." zegt Bartimeüs.Onzichtbaar loopt hij naar beneden, opent voorzichtig de deur en ziet dat het plein verlaten is. De soldaten verschuilen zich en een deel is naar de brug gelopen. Daar gaat hij heen.
Er staan ongeveer twaalf soldaten bij de brug. Het ziet er naar uit dat ze die bezet houden. Ze beginnen door elkaar heen te praten, waarbij de een de ander in de rede valt."Zouden ze nog leven?" vraagt één van de soldaten en kijkt naar de herberg."Wat denk je zelf! Je kent de opdracht. Wij waren zelf ook bijna dood.""Dus, niet.""We moeten ze niet lastig vallen. Ze zullen zo wel komen."Bartimeüs hoort hoefgetrappel van de noordkant van het stadje komen."Moeten we iemand roepen? Het plan is toch dat ze nu komen?""Vraag dan wat hij zag!" zegt een andere soldaat, "Dit gaat helemaal fout.""Ze moeten nu zo naar buiten komen, ze zijn kansloos tegen die gasten in de herberg.""We kunnen hier nu toch niet blijven zitten. Ze moeten nu komen.""Als er troepen naar buiten komen, dan zijn wij weg!""Waar werd je nu door getroffen? Was het een pijl?""Nou, ik ga niet kijken wat daar is.""De opdracht is ook om niet naar binnen te gaan. Die gasten zijn gewoon omgelegd, dat hoorde je toch?"
"Ifried zal nu wel snel komen. Wat wil hij van die gasten?""Ik zeg dat we de fik erin steken.""Pas op, het is gevaarlijk, ga niet naar binnen. Zal ik anders het teken geven?""Jullie gaan allemaal dood!" zegt Bartimeüs van korte afstand."Horen jullie dat ook?""Ren voor je leveren!"Een van de soldaten begint wild om zich heen te steken en probeert de stem te raken."Probeer je een geest dood te steken?""Ik vind het wel goed zo." zegt een soldaat die een hoorn bij zich heeft.Hij zet het mondstuk aan zijn lippen en geeft een hoornsignaal.
Binnen een paar minuten hoort iedereen het geluid van galopperende paarden. Kritoias en Ruarc snellen naar de deur en zien samen met Bartimeüs dat een groep van zestig paarden het plein op komt rijden."Wat is er aan de hand?" roept de aanvoerder naar de groep met de hoorn."Ze zijn gewaarschuwd en ze lopen onzichtbaar rond!""Ok, snel dan. De naar de keep! Jullie securen de herberg, en dek de flanken.Een deel van de ruiters gaat op weg naar de keep en ongeveer een derde blijft achter.Tijdens de korte conversatie en strategiebepaling van de aanvoerder heeft Kritoias zich onzichtbaar gemaakt en heeft hij gezorgd dat hij kan vliegen."Wat ga je doen?" vraagt Ruarc."Zorgen dat we hier weg kunnen."Kritoias stapt de herberg uit, vliegt omhoog tot hij boven een groep van twintig soldaten te paard zweeft en schiet een grote ijsbal naar beneden. Die ontploft midden in de groep en alle paarden vallen neer. De soldaten zijn goed beschermd door hun pantser, maar sommigen worden verpletterd door vallende paarden."Daar! Daar vliegt hij!" roept een andere soldaat.De soldaten hebben geen afstandwapens bij zich, wat Kritoias al gezien had. Hij vliegt omhoog, richting de keep.
Bartimeüs loopt naar de zijkant van de herberg waar twee soldaten het luik bekijken."Ren voor je leven of sterf!" zegt hij met een mysterieuze stem achter ze.De mannen gaan rennen."Ha, ha, ha, ha, ha" hoort hij achter zich, het is een vrouwenstem."Waarom maak je ze niet dood?""Dat is te obvious." zegt Bartimeüs."Kan ik wat voor je doen? Anders loopt het zo in de gaten. Jullie gebruiken zoveel geweld.""Ach, dat valt wel mee.""Waarom zijn jullie zo bang? Als een wild beest dat uit paniek om zich heen slaat. Of doe je het voor je plezier? Ik ken dat gevoel.""We houden ons in. Ik houd me in.""Ben je niet benieuwd?""Waarnaar?""Wat hier gaat gebeuren?"
"Ze willen het gebied van de zoon van de baron innemen.""De zoon van de baron, o ja, wat waren ook alweer zijn laatste woorden? Zijn rol is gespeeld. Het is over nu er geen zoon van de baron meer is.""Is dit een oorlog gevoerd door je meester? Shalock?""Speculeer maar verder, het is tijd om te vertrekken."Bartimeüs ontwaart net dat er een onzichtbare persoon wegloopt en het dak van de herberg opklimt.Als hij niet echt goede sporen kan vinden gaat hij terug naar binnen.
Binnengekomen staat Kritoias met Ruarc te praten."En?" vraagt Bartimeüs."Er zijn bij het luik geen mensen meer." zegt Kritoias."Ja, daar heb ik voor gezorgd." zegt Bartimeüs."Dan moeten we maken dat we wegkomen. Ik ga de anderen halen." zegt Kritoias.
De andere reisgenoten hebben hun spullen al ingepakt en gaan mee naar de kelder waar Ruarc klaar staat om het luik te openen. Zodra iedereen er is ontgrendeld hij het luik en doet het voorzichtig op een kier. Hij speurt even rond en zegt dan: "Niemand te zien."Ruarc doet het luik open en helpt de anderen naar buiten. Bartimeüs gaat voorop en leidt iedereen weg naar van de herberg. Ruarc sluit het luik en volgt ze.De route die Bartimeüs heeft gekozen komt bij de noordkant van het stadje uit, maar daar staat een linie van ruiters. Aan het einde zijn priesters van Sal'ar te zien."Hier komen we niet langs." zegt hij."Ook niet via de rivier, we moeten er omheen." zegt Kritoias, "Ik zorg voor een afleiding."Kritoias creëert een grote hoeveelheid mist, maar de priesters van Sal'ar lossen die weer op."Via die route? Langs de linie?"Bartimeüs gaat weer voorop, maar aan het einde van de linie staan twintig boogschutters op een heuvel. Die hebben een mooi overzicht over de omgeving. Daar komen ze niet ongezien langs."Via de zuidelijke uitgang het stadje uit?" oppert Kritoias, "Dan zien we later wel hoe we hier langskomen.""Ok."
Ze lopen tussen de huizen door, steeds ervoor wakend geen soldaten tegen te komen. De route naar het zuiden loopt via de tempel. Daar zien ze een priester van Sal'ar die naar binnen roept.Bartimeüs wil hem aanvallen, maar daar hebben ze nu de tijd niet voor en ze willen ook niet de aandacht moet het mis gaan.Ze worden niet door soldaten gezien en bereiken ongezien de zuidelijke rand van het dorp. Daar is niet echt een weg, dus Bartimeüs gaat hen voor de wildernis in. Na ongeveer een uur lopen stoppen ze om te rusten.
"Wat moeten we nu doen?" vraagt Ruarc."We moeten naar Branduïn, maar de route is afgesneden." zegt Kritoias, "Ik kan iedereen erheen teleporteren, maar dat is wel risicovol.""Hoezo?" vraagt Alara."We weten niet meer of de herberg waar we heen moeten er nog wel staat." zegt Kritoias."En wie de macht heeft in Branduïn." zegt Ruarc, "Misschien worden we wel direct opgepakt.""We moeten de godin om hulp vragen." zegt Bartimeüs, "Dan weten wat meer. Edda kan jij dat niet doen?""Hoe dan?""Praat de godin niet met je?""Eh, nee.""O, dat is anders dan bij Tiana." zegt Kritoias, "Interessant.""We kunnen wel samen bidden." zegt Edda tegen Bartimeüs."Goed, laten we dat proberen, hier?""Nee, bij een mooie boom!"
Bartimeüs zoekt met Edda een goede plek om te bidden en doet haar na. Hij knielt eerbiedig neer en sluit zijn ogen.Als hij ze opent ziet de wereld er net wat anders uit. Edda is verdwenen."De droomwereld." denkt Bartimeüs.Even verderop staat een groot wit hert.Bartimeüs kent dit dier en volgt het als het wegloopt.Plotseling duikt er een aapdemon uit de bosjes op. Bartimeüs reageert snel en weert de klauwen van de aapdemon af. Het hert keert om en begint het wezen aan te vallen. Dat is de opening waar Bartimeüs op wachtte, met een paar klappen vernietigt hij de aapdemon.Het hert loopt verder het bos in en Bartimeüs loopt erachter aan.
Na een flinke wandeling stopt het hert bij een grote eik. Daar staat een vrouw op Bartimeüs te wachten."Wat brengt je hier, Bartimeüs?"Ik heb hulp nodig om de quest te begrijpen en uit te voeren.""Wat heb je dan nodig?""Mensen, die ons kunnen helpen, we staan tegen een overmacht. We worstelen ermee hoe mensen in goden geloven. Hoe krijgen we mensen naar de tempel. Dat is niet iets waar we mee zijn opgegroeid.""Mensen willen dat!"Dat hebben we niet ondervonden. Hoe moeten we tegen zo'n leger op?""Maar jullie zijn zo machtig. Ik heb niet veel tijd hier. Het kost veel moeite om hier te zijn.""Maar hoe stichten we dan zo'n tempel?""Klein beginnen, maar bedenk dat tijd niet jullie kracht is. De tijd is beperkt. Zoek volgelingen.""Kan je daar niet iets voor doen?""Wat je vraagt kan ik niet geven.""Misschien iets van een wonder?""Ik heb wel iets kleins. Plant deze eikels. Zij zullen binnen 1 dag uitgroeien tot een volwassen eik. Ik moet nu gaan."
Bartimeüs wordt wakker en zit naast Edda die ook er verontrust en blij uitziet. De godin heeft haar ook gesproken. Bartimeüs vertelt de anderen wat de godin heeft vertelt en laat de eikels zien die hij inderdaad in zijn hand heeft. Het enige dat Kritoias daarop antwoord is dat hij geen rift's heeft ontdekt. Ze besluiten om eerst maar een nacht te slapen en dan te bepalen of ze gaan teleporteren, of de paar dagen naar Branduïn gaan lopen, om het leger heen.
"Gaan we nu teleporteren of niet?" vraagt Ruarc."Technisch kan het, maar ik weet niet waar we in terecht komen." zegt Kritoias."Hoe bedoel je?" vraagt Aileen, "Waar wil je ons heenbrengen.""Dat zou de herberg zijn in het midden van de stad waar we eerder hebben verbleven.""En bestaat die nog?""Geen idee.""Er is daar een burgeroorlog aan de gang, dus we weten ook niet wie wat controleert." zegt Bartimeüs."Dan kunnen we beter gaan lopen." zegt Kritoias."Welke route nemen we dan?" vraagt Bartimeüs."Via Ossenmarkt denk ik, in de buurt waar het fort staat. Dan vermijden we het leger van Branduïn." zegt Kritoias."Hoe komen we daar?" vraagt Alara, "Er is toch geen weg?""Waar ligt Ossenmarkt ongeveer?" vraagt Bartimeüs."Naar het noordoosten." zegt Jorik."Ok, dan moeten we die kant op." zegt Bartimeüs en wijst naar het noordoosten.
Al snel nadat ze op weg zijn gegaan begint het te regenen. Dat is niet zo prettig, maar zorgt er wel voor dat hun sporen worden uitgewist."Het is alsof de godin over ons waakt." zegt Edda.Aan het begin van de middag stoppen ze om wat te eten.Ruarc vraagt aan Edda of zij de godin om een zegen kan vragen."Helpt dat?" vraagt Kritoias.Voordat Edda of Ruarc kunnen antwoorden horen ze een zoemend geluid van over de heuvel komen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gebruiken direct hun beschermende spreuken. Dan lopen ze voorzichtig de heuvel op, Bartimeüs en Ruarc gaan voorop. Ze sluipen omhoog en zien in het volgende dal een figuur op de grond liggen. Het is een mensachtig lichaam, maar vreemd verwrongen."Is het wel een mens?" vraagt Ruarc, "Dat is een Vanyana, hartstikke kapot.""Laten we erheen gaan." zegt Bartimeüs, "Is het een echte of een proto?""Het is een echte Vanyana." zegt Ruarc, "Geen proto. Van die ruling clan."Ze roepen de anderen, die ook de heuvel opkomen en afdalen in het volgende dal.
"Ik denk dat het een riftwalker is." zegt Kritoias, als hij de Vanyana even heeft bestudeerd, "Maar wat er nu met hem is gebeurd? Misschien is hier wel een rift.""Wat is een rift?" vraagt Jorik."Een scheur in de realiteit naar een andere wereld." zegt Kritoias."En kan je daardoor?""Ja, dat hebben we al eerder gedaan.""En jij kan die vinden?""Ja, en ook open maken. Ik moet me even concenteren."Kritoias prevelt wat woorden en maakt wat handgebaren."Ja, hier is een rift. Hij is nu nog heel klein. Daar is de Vanyana denk ik doorheen gekomen. Dat verklaart zijn uiterlijk." zegt Kritoias, "Ik kan proberen hem helemaal open te maken om te kijken wat er is.""Is dat niet gevaarlijk?" vraagt Eileen.""Ja, maar alles is gevaarlijk." zegt Bartimeüs, "We moeten alleen zorgen dat Kritoias in leven blijft, anders komen we er niet meer uit."
Kritoias opent de rift. Ze lopen door en Bartimeüs ziet al snel sporen van de Vanyana."H'm, hier zie ik ook verschuivingen, vreemde randen." zegt Kritoias en kijkt omhoog."Die lucht gaat heel snel." zegt Ruarc."Wat is er gebeurd?" vraagt Kritoias aan Bartimeüs die de sporen aan het bestuderen is."Een groot duister, machtig en slecht iets heeft de Vanyana gedood.""Dan lijkt het me niet handig om hier te blijven." zegt Kritoias."Hoe komen we dan weer terug?" vraagt Jorik."Ik maak de rift weer open." zegt Kritoias.
Ze vervolgen hun weg naar het noordoosten en als het tegen de avond loopt loodst Bartimeüs hen naar een houthakkershut. Die is gelukkig verlaten en Bartimeüs gaat vervolgens nog wat fourageren om hun meegenomen rantsoenen te verrijken.
Na zijn wacht gaat Bartimeüs proberen in de droom van Metla te komen. Hij staat in een grote zaal met zwarte pilaren."Bartimeüs?", hoort hij achter zich."Ja?" zegt hij en draait zich om. Aan het einde van de zaal staat een grote troon met een figuur erop. De zaal heeft een onaangename uitstraling."Mijn zoon.""Ben jij het Beolin?""Weer die betekenisloze naam.""Hoe moet ik je dan noemen?""Vader! Kom dichterbij."Bartimeüs loopt rustig naar de gestalte op de troon. Hij ziet dat de vlammen van de kaarsen snel bewegen."Wat doe jij hier?" vraagt Beolin."Ik ben op zoek naar de waarheid.""Je moet je lotsbestemming waar gaan maken."
"Wat is die dan?""Opgaan.""Met twee lukt dat niet.""Daar gaan we voor zorgen. Ik heb een besluit genomen. Het speelkwartier is voorbij. Ik heb jullie nodig.""Hoe heb je die Vanyana door de rift heen kunnen proppen?""Waar heb je het over? Ik weet dat ze bij bosjes sterven, maar dat is niet relevant. Er zijn machtigere krachten aan het werk. Dat voorspelt niet veel goeds.""Wat gebeurt er met ons na het mergen?""Dan is er geen ons meer.""Ontstaat er dan een nieuwe ziel? Ik wil blijven leven."
"Ik wil ook dat jullie blijven leven, nog wel. Ik kom je halen. Zorg dat je blijft leven. Waar ben je nu?""Hier, dat zie je toch.""Als je maar niet in de Vanyanawereld bent, ze vallen bij bosjes.""Is dat die nieuwe god? Sal'ar?""Nee, iets anders. Kom naar je dorp!"Dan schrikt Bartimeüs wakker."Wat is er?" vraagt Kritoias.Bartimeüs vertelt wat hij net heeft beleeft."Pff, oude wijn in nieuwe zakken. dat verhaal. We moeten ons nu concenteren op de tempel, niet op Beolin."
Na het ontbijt gaan ze weer op weg naar Ossenmarkt, waar ze rond het middaguur aan moeten komen. Onderweg stuiten ze op een massaslachting. Tussen de tien en vijftien boeren liggen met vastgebonden handen en doorgesneden kelen in het struikgewas."Waarom zou iemand die nu doen?" vraagt Edda."Een zuivering?" zegt Bartimeüs, "Dat past wel bij een burgeroorlog."De sporen van de grote groep voor een uur, maar breken het dan af en gaan direct naar Ossenmarkt, anders verliezen ze te veel tijd.In Ossenmarkt eten ze wat in 'de Koe die lacht' en gaan daarna verder richting Branduïn. van de herbergier krijgen ze inderdaad de indruk dat hier zuiveringen plaatsvinden en de lokale machthebbers hun positie veilig willen stellen.Ze lopen die middag door en vinden een goede overnachtingsplek in een oude schuur.
De nacht verloopt zonder bijzonderheden en de volgende dag lopen ze verder naar Branduïn. Rond het middaguur zien ze Branduïn al in de verte liggen en even later komen ze bij een splitsing in de weg waar een patrouille soldaten mensen die naar Branduïn willen gaan ondervragen."Wat gaan jullie doen in Branduïn?" vraagt de commandant, "Het is er niet veilig.""Wij komen de goede boodschap brengen!" zegt Ruarc opgetogen."Wat?" zegt de commandant."De goede boodschap van de godin! Wij zijn op weg om een tempel voor haar te stichten.""Eh, ok, loop maar door."
Als ze in de buurt van Branduïn komen zien ze dat het poortgebouw is verwoest en dat er barricades voor de het poortgebouw staan waar allemaal lijken liggen. Het poortgebouw is grotendeels ingestort en vervolgens verder gebarricadeerd. Achter de ruïne rijst de toren van de tovenaars op. Er is geen normale ingang meer. Er hangt wel een touw waarmee je de ruïne kan beklimmen, maar dat wordt bewaakt door soldaten."Hallo?""Ja?""We willen doorgang krijgen. We moeten naar de hoge stad!""De stad is gesloten!""We hebben geloofsbrieven van baron Joylon.""Wacht even."De soldaat loopt weg.
Even later komt hij terug. "Die willen we wel even zien.""Ik klim wel omhoog." zegt Kritoias en klimt met de papieren van de baron omhoog, elk moment klaar om een landingsspreuk te gebruiken, maar dat blijkt niet nodig te zijn. Boven overhandigt hij de brief aan een belangrijker uitziende soldaat die hem meeneemt. Terwijl hij wacht keuvelt hij met de soldaten en hoort dat de tovenaars de poort hebben verwoest, omdat ze dat te gevaarlijk vonden zo dicht bij hun toren.Ruarc probeert intussen wat bedelaars te overtuigen van het nut van het aanbidden van de godin.Even later komt de soldaat terug."Ok, jullie kunnen naar binnen.""Dank u wel." zegt Kritoias.Hij draait zich om naar de anderen die beneden staan te wachten."We mogen naar binnen." roept hij naar beneden, "Kom maar naar boven."Een voor een klimmen de anderen langs het touw omhoog, dat gaat soms wat moeizaam, maar gelukkig zijn er geen ongelukken.
Ze volgen één van de soldaten die hen meeneemt naar het kasteel van Graaf Serdik. Onderweg vertelt hij dat de tovenaars zichzelf hebben afgesloten van de rest van de stad. Graaf Serdik zit veilig in de hoge stad en de iemand die zich de nieuwe keizer noemt beschermt de loden stad. Die praat via het oog, de oren en de mond van de keizer. Net als de vorige keizer. Sharlock, de hoge priester van de keizer heeft zich nu aangesloten bij de groene maan. Ook is er nog het leger in het noorden dat zich, voor nu, nog nergens mee bemoeit. Alarik is de generaal die het daar voor het zeggen heeft. In het zuiden zitten de gildes. Ze klimmen verderop weer naar beneden en lopen ongeveer ander halve kilometer voor ze bij een muur met torens komen, de hoge stad.
Als ze de poort binnengaan zien ze uitgestrekte velden en een groot kasteel. Bij de poort van het kasteel begroet Thomas, de hofmeester hen. Hij voert hen over twee binnenplaatsen naar een grote zaal. Ze verwachten dat ze daar worden ontvangen, maar Thomas neemt hen mee een trapje af en een deur door naar een kleinere kamer. Daar staat een oudere man met grijzend haar in een kamerjas op hen te wachten.
Na de gebruikelijke voorstelronde komt Serdik snel ter zake. Hij wil weten of de groep legitiem is en vraagt ze naar de naam van een jonge vrouw die in zijn droom verscheen. En natuurlijk is dat Tiana. Zij heeft hem in zijn droom verteld dat hij zijn eigen doelen behaald als hij Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en de andere helpt. Er volgt een uitgebreide discussie over de situatie in de stad en hoe ze Bartimeüs, Kritoias en Ruarc als uitverkorenen van de godin hun eerste doel, het stichten van een tempel, kunnen bereiken.Dat moeten ze doen door de groene god in een kwaad daglicht te stellen en de kracht van de godin te laten zien. Ze verzinnen een plan waarmee ze groot gaan aankondigen dat ze in de hoge stad een grote eik laten groeien ter meerdere eer en glorie van de godin. En vervolgens in elk deel van de stad met als laatste een eik in het tempelkwartier, midden in de tempel van de groene god. Daarbij gaan ze een priesterschool oprichten om de stem van de godin te verspreiden. De groene god heeft volgens Serdik alle onrust veroorzaakt zodat er een hongersnood komt en hij de burgers weer van eten kan voorzien. Het volgende deel van het plan is om de logistieke aanvoerroute van het eten te verstoren door de coördinatoren daarvan uit te schakelen. De Mano Tinto hebben daar waarschijnlijk informatie over en de manier om die te bereiken, nu hun eigen contactpersoon dood is, is via Metla. En dan heeft Ruarc nog gezegd dat hij als enige zoon van de keizer diens zegen heeft gekregen om in zijn voetsporen te treden omdat hij het drakenvuur bezit.
De graaf heeft nog een verrassing voor ze, Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en de anderen hoeven niet in een herberg te overnachten. Hij heeft een onderkomen voor zijn personeel bij een wijnboer voor ze in gereedheid laten brengen. Daar hebben ze een aantal kamers waar ze tijdens hun verblijf in Branduïn kunnen wonen. Het ligt aan de noordzijde van de hoge stad en heeft een hal en vier kamers. Hij nodigt ze ook uit om 's avonds deel te nemen aan een feestelijk diner dat hij ter ere van hun komst laat aanrichten.
"We hebben niet echt kleding om bij een feestelijk diner aan te zitten." zegt Ruarc."Dat gaan we voor vanavond ook niet vinden." zegt Kritoias,"Maar dat moeten we dan wel gaan bestellen." zegt Bartimeüs, "Als we onopvallend de stad door willen lopen is wat we nu aanhebben niet echt onopvallend. Althans, het ligt eraan waar je gaat lopen.""Ik vraag Thomas wel waar we iets kunnen kopen."
Na een kort bezoek aan het toegewezen huis haasten ze zich naar de straat waar ze kleding kunnen kopen. Thomas heeft De gouden schaar aanbevolen. Het is een mooi pand, dus het prijspeil zal dat vast reflecteren. Als ze aankomen lijkt de kleermakerij gesloten te zijn, want de deur is dicht. Bartimeüs klopt stevig op de deur."Wie is daar?""Klanten!""Een ogenblikje, ik ben nog even bezig."Even later doet een man van middelbare leeftijd de deur open."Wat kan ik voor u doen?""Wij willen graag kleding voor ons gezelschap." zegt Bartimeüs.De man kijkt naar de groep die voor hem staat en kan een kleine glimlach niet onderdrukken."Uitstekend, komt u binnen, mijn naam is Declan."
Declan blijkt een uitstekend verkoper te zijn. In de verkoopruimte staan wat voorbeelden van kledingstukken en liggen stalen van allerlei stoffen. Ze bestellen per persoon twee sets kleding, iets luxe en iets voor dagelijks gebruik, met voor Edda en Eileen priestergewaden van uitstekende stof. Dit kost bij elkaar een luttele 28 goudstukken en is over drie dagen klaar. Ze moeten dan wel de volgende ochtend vroeg langskomen om de kleding aan te laten meten. Declan vraagt of ze wellicht ook passend schoeisel willen kopen en raadt Seamus aan. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vinden het prima en Declan zal hem alvast op de hoogte stellen zodat ze na het opmeten bij hem langs kunnen gaan.
Aan het begin van de avond melden ze zich bij het kasteel waar ze naar de grote hal worden begeleid, nadat ze hun wapens hebben achtergelaten bij de poort. Op een podium staat een lange tafel die aan één kan is gedekt. Er tegenover staat nog meer tafels in een u-vorm opgesteld. De eregasten hebben een plaats gekregen aan het uiteinde van de linkerpoot van de u, dus relatief dicht bij het podium.
Als alle gasten, op tijd, binnen zijn gekomen arriveert ook de graaf met zijn vrouw en dochter. Zij nemen plaats op het podium, samen met een paar belangrijke andere edelen, die Bartimeüs, Kritoias en Ruarc onbekend zijn. Wat volgt is een kleine speech van de graaf waarin hij aankondigt blij te zijn met de nieuwe hoop die is gearriveerd en een uitgebreide, zeer luxe maaltijd. Naast Kritoias zit Graneh. Hij is dienaar van graaf Serdik en belast met het verzamelen van inlichtingen. Hij hoort Kritoias verder uit, maar geeft zelf ook wat prijs over het graafschap.De gravin heet Islin en de dochter van de graaf en gravin heet Brigit, zij heeft de titel comptess. De graaf had ook een zoon, waar ze het met de graaf al eerder over hebben gehad. Zijn naam is Aidan. De overige aanwezigen op het feest zijn leden van de raad van acht, die de graaf adviseren, met familieleden en soms hofhouding.
Terwijl ze aan het praten zijn ruimen dienaren het feestmaal en de tafels af. De muzikanten die ook tijdens de maaltijd al voor vertier hebben gezorgd zetten een muziekstuk in en dit is een teken voor iedereen om klaar te gaan staan voor de dans. Bartimeüs en Kritoias hebben geen enkele ervaring met dit soort vormen van dans, maar willen het wel proberen. Dank zij hun behendigheid brengen ze het er voor de eerste keer niet slecht vanaf. Ruarc blijft langs de kant staan en maakt avances richting Eileen, maar die houdt de boot af. Bartimeüs en Kritoias zien wel wat leuke meisjes die meedansen en proberen met ze aan te pappen. Deze jonkvrouwen blijken in de gaten gehouden te worden door hun chapperones. Bartimeüs heeft het gevoel dat het meisje hem wel ziet zitten en nodigt haar uit voor de volgende dans, maar een oudere vrouw wurmt zich er op handige wijze tussen, waardoor Bartimeüs met haar zit opgescheept. Hij kijkt of Kritoias meer geluk heeft. Hij heeft hem met een mooi meisje zien dansen, maar nu lijkt hij verdwenen te zijn. Het meisje trouwens ook. Aan het einde van het feest gaan ze terug naar hun huis, maar Kritoias is nog niet op komen dagen.
Aan het einde van Bartimeüs's wachtbeurt komt Kritoias dan eindelijk opdagen. Wat er is gebeurt vertelt hij niet, maar hij is in een bijzonder goede stemming.Bartimeüs gaat slapen en probeert in de droom van Metla te komen, maar hij arriveert in zijn droom niet in Zuidblik, maar hij loopt door de straten van Branduïn. Hij zoekt Metla, maar de straten zijn verlaten. Toch heeft hij het gevoel dat er iemand meekijkt. Hij arriveert bij een tempel met een groene bol boven de witte poort. De poort is kunstig versierd met goudbeslag."Je hoeft je niet af te vragen van wie deze tempel is." denkt Bartimeüs.Hij loopt de tempel binnen en hoort dan twee paar voetstappen. Hij denkt eerst dat het een echo is, maar daarvoor klopt het geluid toch niet. Hij draait zich om en zieet een oudere man met verwilderd grijs haar die op een staf leunt."Welkom, vreemdeling. Mijn naam is Caerin, dienaar van de groene maan.""Dat dacht ik al. Ik ben Bartimeüs.""Bartimeüs de droomloper. Niet veel mensen hebben die gave.""Wij tweeën en verder iedereen die je hier ziet.""Scherp, ja, dat klopt. Van wie heb je dat geleerd?""Van wie?""Ja, ik heb het geleerd van mijn meester.""Ik heb het misschien geleerd van mijn meesteres Tiana.""Die naam zegt me vaag iets."
"Je gaat er ook nog veel meer van horen. Jouw meester was ook een droomloper?""Ja, zijn naam was Eowyn, maar dat was 20 jaar geleden.""Ook uit het noorden? Je hebt wat noordelijke trekjes.""Ja, ben je niet benieuwd naar de groene maan? Ik kreeg een visioen van deze tempel. Daarmee gaan we de wereld redden van de ondergang, want de wereld verliest eenheid.""Dat gebeurde ook al voor de groene maan.""Er zijn krachten waar je niet vanaf weet, maar jullie zijn ook meer met jezelf bezig. Nu de goden zijn verdwenen zijn de mensenkinderen in ontkenning. Daar hoef je niet meer in te geloven.""Geloof is er voor dingen die er niet zijn. De godin is er, want ze spreekt met mij. Ze is wel de aardigste van de godin die ik heb ontmoet.""Dat overleef je niet. Maar dan nog. De groene god is het beste alternatief. Waarom ben je mijn droom binnenkomen lopen? Je bent welkom in mijn droom trouwens.""Dat heeft met de godin te maken.""Die godin, waarom wil je haar volgen. Zij is toch degene van de bomen en bloedoffers? Die natuurplekken. Daar gaven de druïdes stromen bloed terug aan de aarde.""Zonder dood geen leven.""Dank je voor je bezoek, ik moet nu gaan."Bartimeüs wordt wakker.
Kritoias is nog steeds in een prima bui als hij wakker is geworden en gaat op weg naar het kasteel om eten te halen en krijgt daar van Thomas een mand met ontbijt mee. Na het ontbijt gaan ze naar de straat met kleermakers om hun kleding te laten aanpssen en schoenen te kopen. Dat kost ook weer goud en kost wel zeven dagen voordat het klaar is."We moeten informatie van Metla hebben, ik zou naar het zuiden kunnen vliegen." zegt Kritoias, "Ik denk dat het een dag kost om erheen te gaan en, na wat uitrusten, weer terug te komen. Even opletten met die tovenaars hier en hopelijk is Metla nog in Zuidblik.""Dat is wel het snelste." zegt Bartimeüs.
Bartimeüs en Ruarc begeleiden Kritoias naar de rand van de stad zodat hij daar onzichtbaar kan worden en op kan stijgen. Hij durft dat toch niet in de stad zelf te doen, omdat hij bang is dat de tovenaars hem zullen opmerken, hoewel hij verwacht dat ze geen magie hebben die zo machtig is dat ze de hele stad in het oog kunnen houden. Na een uur vliegen is de toverspreuk uitgewerkt en landt hij in de buurt van Ossenmarkt om zijn spreuken opnieuw uit te spreken. Na nog een uur ziet Kritoias Zuidblik liggen en landt hij buiten het dorp. Daar maakt hij zich weer zichtbaar en loopt zo normaal mogelijk het dorpje in. Hij weet waar hij moet zijn en klopt op de deur van het huis waar ze een paar weken geleden wakker zijn geworden. Er volgt geen reactie. Nieuwsgierig opent Kritoias de deur, die niet op slot blijkt."Volk!" roept hij, maar opnieuw geen reactie.Hij ziet dat er vandaag nog wel mensen zijn geweest en wacht in de woonkamer tot er iemand komt.
Na enige tijd komt er een vrouw het huis binnen. Kritoias herkent haar, want zij was ook in het huis."Ah, het is natuurlijk haar huis." denkt hij."Goedemiddag, ik moest zeggen dat degene die je zoekt buiten het dorp is. Als je voorbij een beekje loopt kom je bij een grote boom.""Dank je wel, kan je nog iets preciezer uitleggen hoe ik er moet komen?"De vrouw geeft hem nog wat meer details over de route. Kritoias bedankt haar en gaat op weg naar Metla.
Na enige tijd bij de grote boom gewacht te hebben komt Metla plotseling uit de bosjes."Kritoias, wat kom jij hier doen?""We hebben je hulp nodig.""Waarmee?""De groene god, Sal'ar, is bezig aan een opmars in Branduïn en dat botst met de belangen van de godin. De priesters proberen het volk voor zich te winnen door eerst schaarste te veroorzaken en dan het volk te voorzien van eten, materialen en dat soort dingen. Wij willen zijn aanvoer verstoren en wij vermoeden dat er bepaalde sleutelpersonen zijn. We vermoeden dat de Manu Tinto weten wie dat zijn, maar we hebben daar zelf geen contact mee. Degene die we hebben gesproken toen we de geheime kerker in moesten is inmiddels dood.""Ok, en jullie denken dat ik dat kan?""Eh ja, we werken nu samen met graaf Serdik. Hij heeft toestemming gegeven voor een tempel voor de godin op zijn gebied.""En hoe kan ik jullie vinden?""In de hoge stad, graaf Serdik heeft ons daar een dienarenverblijf ter beschikking gesteld.""Ok, geef me nog een dag, dan kom ik naar Branduïn, ik moet zorgen dat de koningin veilig is.""Heel erg bedankt Metla.
Het is al wat later op de dag en Kritoias heeft geen tijd meer om voldoende energie op te doen om terug te vliegen. Daarom zoekt hij een beschutte plaats, maakt zichzelf onzichtbaar en gaat daar aan het einde van de dag slapen.
Bartimeüs gaat intussen op zoek naar het meisje waar hij zo leuk mee aan het dansen was voordat ze door de chapperone uit elkaar werden gehaald. Hij loopt een tijd rond door de straten van de hoge stad en dan ziet hij haar. Ze loopt in een wat groter gezelschap en loopt arm in arm met een man van ongeveer dezelfde leeftijd. Ook de chapperone is er weer bij. Bartimeüs spreekt een handelaar aan die door de straat loopt."Pardon, meneer, kunt u mij ook vertellen wie die man is die arm in arm met dat meisje loopt?""Goedemorgen, eens zien of ik u kan helpen."De man kijkt naar het stel dat Bartimeüs aanwijst."Ah, dat is de zoon van lord Idris en hij loopt arm in arm met de dochter van lord Pelan. Ja, die zullen wel via de huwelijksas een verbondje aan het smeden zijn.""Ze kunnen niet zelf kiezen met wie ze trouwen?""Nee, dat is allemaal politiek. DAt is iets wat wij gewone mensen nooit zullen begrijpen."De groep loopt langs de Bartimeüs en de man en het meisje geeft Bartimeüs een vriendelijke knikje.
Ruarc is de hele dag bezig met het bedenken van propagandateksten voor de tempel van Tiana, samen met de Edda en Eileen.
Die nacht houden Bartimeüs en Ruarc wacht samen met Ka-el. Tijdens de eerste wacht, die van Ka-el, probeert Bartimeüs in de droom van het meisje te komen.Hij loopt door de stad waar het heel druk is. Hij komt bij een grote hal waar hij achterin het meisje op een troon ziet zitten. Voor haar zitten allemaal mooie mannen in de met bloemen versierde hal. Bartimeüs loopt door het vrije middenpad naar de troon toe."Je hebt mij geroepen?""Kniel voor mij. Welke gaven kom jij mij brengen?""Dat weet je wel.""Wie is dit?" vraagt ze aan een bediende."Je hebt me zelf geroepen in je droom." zegt Bartimeüs.De omgeving verandert en er zijn plotseling minder mannen, de bloemen zijn verdwenen en de wachters zijn weg.""Wie ben je? Help! Help! Wachters!"Dan verdwijnen alle andere mensen en staat alleen Bartimeüs voor de troon waar ze op zit."Je hebt me geroepen. Waarom zou ik hier anders zijn?""Ik heb met je gedanst op het feest. En nu?""Het is jouw droom!"Dan wordt het donker en lost alles in de omgeving op tot ze in een vaccuum staan.
"Hoe heet je?" vraagt Bartimeüs."Maeve.""Ik ben Bartimeüs.""Welkom Bartimeüs.""Daarnet was je een stuk vrolijker.""Wat is er aan de hand?""Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat ik de groene maan ervaar.""Die is toch in de lage stad?""Ja, nog wel, we hopen dat die daar ook verdwijnt. Dan moeten de mensen wel luisteren, net als iedereen. Alleen als je de godin aanhangt zal je beschermt worden. De bodin van het leven.""Waar is die dan?""Zoek haar in je hart.""Ik zal het aan mijn moeder vragen.""Die ook.""Maar eerst moet er een nieuwe keizer komen, die zal ons redden. Vader zal ons helpen."Bartimeüs hoort een zwaar geadem naderen."O, het is tijd om terug te kregen." zegt hij en hij wordt wakker.
Ruarc wordt wakker in zijn bed. Hij kijk om zich heen, maar ziet niemand. Hij voelt zich helemaal verkrampt en voelt overal pijnscheuten. Om zich heen hoort hij een zoemend geluid. Hij voelt een hoest opkomen en heeft al snel door dat dat niet een simpel kuchje zal zijn. Het lukt hem niet om de hoest in te houden en er schiet een grote vlam uit zijn mond waardoor er een stuk doek in brand vliegt. Van de schok schrikt hij wakker en er staat daadwerkelijk iets in brand. Bartimeüs is al opgesprongen en trapt het doek uit."Zo, wat was dat?" vraagt hij."Ik was helemaal verkrampt en het deed pijn en toen gebeurde dit.""Ben jij ook aan het veranderen? Net als de wezens die de keizer volgenden. Kan dat komen door het monster in een droom. Je weet zeker dat je geen mens bent die in een dier verandert?""Nee, dat gevoel heb ik niet. Ik ben wel helemaal uitgeput. Ik moet echt nog even slapen. Pak jij mijn wachtbeurt? Dank je wel!"Ruarc gaat weer liggen en draait zich om."Maar..." zegt Bartimeüs nog, maar Ruarc ligt alweer te slapen.
Bartimeüs maakt de wachtbeurt af en maakt Ruarc wakker waarna hij naar de stad gaat om ontbijt te halen. Ruarc komt Eileen tegen het keukentje."Ik hoorde wat gestommel boven. Was dat bij jullie?" vraagt Eileen."Ja, ik heb een onrustige nacht gehad.""Het zijn ook spannende tijden.""Zeker, maar ik heb er wel een goed gevoel over.""Nee, ja, het wordt wel een hele opgave.""De uitstaling van de godin zal ons helpen.""Tiana!""Ja, die ook."
Om negen uur komt Kritoias aanwandelen. Hij is al vroeg gaan vliegen en is op voldoende afstand buiten de stad geland om de kans op ontdekking door de tovenaars in hun toren zo klein mogelijk te maken. Hij ontbijt graag mee en vertelt dat Metla over een paar dagen zal arriveren om hen te helpen.Na het ontbijt maken ze eerst een rondje door de hoge stad en gaan dan verslag uitbrengen bij graaf Serdik.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zijn van de actie, maar op dit moment is het volgens graaf Serdik een diplomatieke periode. In de loden stad, waar één van de valse pretendenten zit is het zeer rustig. De tempel van Sal'ar roert zich wel. Zij zijn druk bezig om het volk te laten zien dat hij de god is waar ze op kunnen bouwen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc vertrouwen dit nog steeds niet, zeker omdat één van zijn priesters hen tegen elkaar wilde opzetten. Volgens Serdik is het wel een fragiel evenwicht en is er maar weinig nodig om de vijandelijkheden te laten starten.Als ze van het kasteel teruglopen naar hun verblijf spreekt Graneh hen aan. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc informeren hem nog dat er moordenaars rondlopen met een exotisch uiterlijk. Helaas kunnen ze ook van uiterlijk veranderen en onzichtbaar worden. Graneh wordt daar merkbaar onrustig door.
Ze nemen zich voor de rest van de dag te besteden aan het bedenken van betere plannen, maar dat is hen niet gegund. Kritoias gaat ook nog even zijn gedicht bezorgen dat hij voor het meisje heeft geschreven waar hij mee heeft 'gedanst'."Dit is nu al de derde keer dat die man hier over dat weggetje loopt." zegt Bartimeüs."Dat is wel opvallend, want dit is niet echt een doorlopende weg." zegt Kritoias."Aan zijn kleding te zien lijkt hij bij een handelshuis te horen, het is geen bediende." zegt Bartimeüs, "Ik ga hem in de gaten houden.""Ok, dan loop ik straks achter je aan. Ik zeg het wel tegen Ruarc.Die vindt het prima, want hij is druk bezig om een gedicht voor Eileen te maken.
Bartimeüs volgt de man door de stad en door de drukte valt hij gelukkig niet op. De man loopt over een brug, gaat nog wat straten door en gaat dan een eetgelegenheid binnen, de Gouden Draak. Bartimeüs wacht even om te kijken of er iemand anders oplet of de man gevolgd wordt en als hij ervan overtuigd is dat dat niet zo is gaat hij naar binnen. Hij ziet nog net dat Kritoias aan komt lopen, geeft hem een teken en Kritoias knikt dat hij hem heeft gezien. Het is vrij druk in de Gouden Draak. Bartimeüs kijkt rond en ziet dat de man aan een tafeltje met drie andere mensen heeft plaatsgenomen. Er is helaas geen tafeltje dicht in de buurt vrij, maar Bartimeüs kan wel zo gaan zitten dat hij hen in de gaten kan houden zonder dat het al te erg opvalt.
Na ongeveer een half uur staan twee van de mannen met lange gewaden op en vertrekken. Bartimeüs denkt dat dit de opdrachtgevers zijn en loopt achter ze aan. De mannen lopen richting de poort en blijven bij een huis dat op korte afstand van de poort staat, naast een steeg staan. Ze schudden elkaar de hand en één van de mannen gaat het huis binnen. Bartimeüs verstopt zich in de buurt, want de andere man vertrekt niet gelijk, maar begint een pijp te stoppen. Als de man terugloopt knikt hij in de richting van Bartimeüs, kennelijk is hij niet zo goed verstopt als hij denkt, of is het toeval?
Kritoias staat een stuk verderop in een etalage van een winkel te kijken en ziet in de weerspiegeling dat de man ook naar hem kijkt. Als de man een stuk is doorgelopen snelt Bartimeüs op Kritoias af."Een van hen is een huis binnengegaan. Ik denk dat die ander mij gezien heeft, maar ik ben ook benieuwd of die ander nog in de herberg is.""Zal ik deze volgen? Dan kan ik een spreuk gebruiken zodat ik meer om me heen kan zien, dan hoef ik hem niet aan te kijken.""Prima idee."Bartimeüs gaat de herberg binnen en ziet al snel dat de twee andere mannen er niet meer zijn. Teleurgesteld gaat hij terug naar hun huis, maar ziet dan tot zijn genoegen Maeve met een man aan haar zijde. Ze knikt even naar Bartimeüs."Wie is dat?" hoort Bartimeüs de man vragen.Hij wacht het antwoord niet af en loopt snel door.
Kritoias volgt de man met de pijp naar een gebouw waar binnen mensen aan het schrijven zijn."Misschien iets van een handelshuis?" denkt Kritoias, maar dan ziet hij een wapenschild met een pikhouweel en een schop op een blauw-witte achtergrond."Vast een mijnbouwgilde." denkt Kritoias.Hij gebruikt een spreuk om bijna helemaal rondom te kunnen kijken en wacht tot de man weer naar buiten komt. Dat duurt een minuut of vijf en eenmaal buiten loopt hij rechtstreeks naar een hofje waar hij een huis binnengaat.
Kritoias besluit om ook het huis bij de poort eens nader te bekijken. Misschien kan hij uitvinden wie daar woont. Hij loopt naar de bewakers van de poort, maar die helpen hem al snel uit de droom. Dat huis staat in het spergebied, waardoor het door de bewoner, Lord Fjördan, tijdelijk is ontruimd. Het staat daarom leeg.Dat wekt de interesse van Kritoias. Hij loopt naar het huis en dat ziet er verlaten uit. Ook de voordeur is, van binnenuit, op slot. Waar is de man gebleven? Zit hij binnen verstopt, of is er hier een geheime gang die buiten de Hoge Stad voert? Hij probeert om het huis heen te lopen, maar dat is lastig, omdat de steeg volstaat met oude huisraad. Hij ziet wel dat er een zijdeur is. Aan de achterkant is er geen tuin en zit alles potdicht. De zijdeur in de steeg is de beste manier om ongezien naar binnen te komen. Als hij alles in zich heeft opgenomen gaat hij terug naar hun huis.
"Wat bleef jij nog lang weg." zegt Bartimeüs als Kritoias eindelijk terugkomt."Bartimeüs heeft me al iets verteld. Heb jij nog iets weten te ontdekken?" vraagt Ruarc."Die ene man, met de pijp, ging naar een mijnbouwersgilde, daar is hij vijf minuten gebleven en ging toen naar een woonhuis. Kennelijk heeft hij verslag uitgebracht. Ik ben ook nog even bij het huis geweest waar die andere man naar binnen is gegaan, bij de poort.""Ah, daarom duurde het zo lang." zegt Bartimeüs."Daar mag niemand wonen, want het ligt in het spergebied zie een bewaker me. Dus of er is een geheime gang onder de muur door, of hij zit daar verstopt.""Dat lijkt me de moeite waard om uit te zoeken." zegt Ruarc."Hoe komen we binnen?" vraagt Bartimeüs."In die steeg is een zijdeur. Door alle rommel kan niemand je van één van beide straten zien en als we geen geluid maken kunnen we die deur wel intrappen.""Goed idee." zegt Bartimeüs.
Omdat ze toch niets anders te doen hebben vertrekken Bartimeüs, Kritoias en Ruarc na de lunch naar het huis. Het is hier rustig op straat en als er niemand oplet sluipen ze snel de steeg in. Ruarc gebruikt een stiltespreuk zodat Bartimeüs de deur kan inhakken. Ze gaan langzaam en voorzichtig het huis door, op zoek naar de verdwenen man. Ze komen door een keuken, een studeerkamer, een kast met spullen en een woonkamer. Overal zijn de luiken dicht en doeken over meubelstukken gegooid. Nergens zijn recente sporen van bewoning."Niemand, dan moet er een geheime gang zijn." zegt Ruarc."Wacht, onder dat kleed in dat kamertje?" zegt Bartimeüs, "Net als in die grot in het zuiden?"Ze lopen naar het kamertje en inderdaad onder het kleed zit een luik."Gaan we er nu al doorheen?" vraagt Ruarc."Waarom niet?" vraagt Kritoias, "Ik ben wel benieuwd waar dit uitkomt."Bartimeüs heeft de vraag niet afgewacht en opent het luik. Hij ziet een ladder naar beneden en daalt af.
Ze komen direcht aan het ene einde van een gangetje dat inderdaad richting de poort voert. Al snel komen ze in een wat grotere ruimte waar een bed staat. Dat ziet er niet beslapen uit. Daarna loopt het gangetje zo'n tien meter verder voor het overgaat in een trap naar beneden. Onder aan de trap is een kleine ruimte waar twee vaten staan. Aan de overkant van de kamer is een deur. Bartimeüs sluipt naar de deur, luistert even en opent hem dan voorzichtig. Achter de deur is een nieuwe gang die naar beneden loopt en een beetje naar links buit. De gang eindigt bij een stellage van planken waar aan de andere kant takken en blaadjes op zijn gemaakt. Ze schuiven de stellage opzij en stappen het zonlicht in. ze staan bij een uitrustplek langs de kant van de weg."Slim gedaan." zegt Bartimeüs, "Zo zie je niet dat hier een ingang is.""We zijn inderdaad buiten de poort." zegt Kritoias, "Maar waar voert deze weg naartoe?""Ik denk naar het tempelkwartier aan die gebouwen te zien." zegt Ruarc."Zullen we kijken of we die man nog kunnen vinden?" vraagt Kritoias."Ja, prima." zegt Bartimeüs.Ze lopen de weg af naar het tempelkwartier.
Ze komen eerst bij een soort versperring waar een aantal bewakers in de gaten houden of er geen gevaarlijke mensen uit de Hoge Stad naar het Tempelkwartier komen. Met enige inventiviteit kletsen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zich door de versperring heen en lopen door het Tempelkwartier tot ze bij een bouwplaats komen.Daar zijn ze nog niet echt met bouwen bezig, meer met afbreken. Het is duidelijk te zien dat het hier om de oude tempel van de God gaat die door brand zwaar is beschadigd. Veel mannen zijn druk bezig om alles netjes af te voeren en de grond gereed te maken voor nieuwe bouwwerkzaamheden.Uiteraard komen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc in gesprek met de opzichter die het wat vreemd vindt dat zij vanuit de Hoge Stad komen, omdat dat niet echt gebruikelijk is. Hij predikt de ware religie, maar Bartimeüs zegt dat Tiana de ware religie is, waarop de man alleen maar verzucht dat ze nog veel moeten leren.
"Aan de kant" wordt er plotseling geroepen.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc kijken op en zien dat er drie priesters van Sal'ar, begeleid door een aantal bewapende mannen.Dan klinkt er een kreet op de bouwplaats. Een van de bouwvakkers lijkt wel opgetild te worden en uit elkaar gerukt. Bloed en ledematen vliegen in het rond. Direct beginnen andere bouwvakkers te gillen en weg te rennen van het midden van de bouwplaats waar het is gebeurd.Ruarc kijkt die kant op en ziet een soort aura met een reptielachtige vorm."He, wat is dat voor ding?" zegt hij."Het is geen spell effect!" zegt Kritoias die er ingespannen naar kijkt."Het leek wel een wyvern." zegt Bartimeüs."Is dit al eerder gebeurt?" vraagt Ruarc aan één van de priesters die ook met verbazing staan te kijken."Nee, wie zijn jullie? Weg hier!""De keizer zit hierachter. Dit is een gevolg van heiligschennis door het verder afbreken van de tempel." zegt Ruarc, "Hoe is de tempel afgebrand?""Onzin." zegt één van de priesters, "De keizer is dood, opeens midden in de nacht is de tempel van binnenuit gaan branden."
"Bewijs maar dat het onzin is." zegt Ruarc, "Durf je daar naar binnen te gaan?""Zeker, ik owrdt beschermd door Sal'ar!"Een van de priesters begint naar de plaats te lopen waar het reptielachtige wezen verscheen."Nee! De groene god kan je niet beschermen! O, ongelukkige, ren toch weg!" probeert Ruarc een angst reactie bij de priester op te wekken.Dat gaat heel goed, want even later gaat de priester rent de priester gillend weg van de bouwplaats."Zie je wel, de god van de groene maan kan hem niet beschermen!" roept Ruarc.Veel indruk maakt dat nu niet meer, want alle arbeiders en de meeste andere aanwezigen zijn er vandoor gegaan.Plotseling komt er ook nog een mist opzetten en zijn er stemmen te horen: "We moeten ze pakken."Ook de laatste aanwezigen gaan ervandoor.Bartimeüs maakt van de gelegenheid gebruik om nog even te kijken welke wezens er hier zijn geweest, want hij hoopt iets van het wyvern-achtige wezen te zien, maar dat is niet het geval. Hij ziet alleen alle bouwvakkers die over het terrein hebben gelopen.
"Wat gaan we nu doen?" vraagt Ruarc, "Terug?""We zijn er nu toch, we kunnen net zo goed de boel wat meer op proberen te stoken." zegt Bartimeüs."En we moeten wat eten, dat kunnen we net zo goed hier doen." zegt Kritoias, "Voor we terug zijn is het al laat.""Laten we kijken wat ze hier hebben." zegt Ruarc, "Hoewel het qua entertainment alleen maar tegen kan vallen."Ze wandelen door het tempelkwartier, dat zo genoemd wordt omdat er een tempel staat, niet omdat het er vol met tempels staat. Na een minuut of vijf zien ze een herberg, De dronken acoliet die redelijk vol zit."HIer maar kijken?" vraagt Kritoias."Ja, ik zie niets beters." zegt Ruarc.
Ruarc gaat voorop de herberg in en de typische geuren en klanken van een drukke herberg rond etenstijd komen hen tegemoet. De meeste gasten zijn arbeiders, maar er zijn ook wat soldaten en er zit een groepje met gewaden."Als we daar in de buurt kunnen zitten kunnen we ze nog afluisteren." zegt Kritoias."Ik zie geen vrij, o wacht." zegt Bartimeüs.Op dat moment staat een ander gezelschap op en laten een lege tafel direct naast de priestertypes achter."Tiana helpt ons." zegt Bartimeüs.
Ze gaan zitten en bestellen de maaltijd van de dag en wat bier en dan gaat Kritoias, geholpen door wat magische krachten, zitten luisteren. Hij vangt wat flarden van het gesprek op. Hoewel hij nu veel beter kan horen verstoren andere luide uitbarstingen van gelach zijn concentratie regelmatig."Het is toch wat met wat er gebeurde in de tempel.""Ik hoorde van ... dat hij niets meer kon doen.""Ja, hij kon ook geen contact meer krijgen met die persoon.""En verder?""Nee, het was te verspreid. Volledig uit elkaar gespat.""Ah, dus het was niet meer te genezen.""Moet hier niet iets van gezegd worden?""Ik begreep dat Jorvik de werkzaamheden liever niet voort wil zetten.""Tan vindt dat absoluut onacceptabel.""Dat kan zijn, maar zonder Jorvik's toestemming gaan ze niet aan het werk."Het verdere gesprek is niet heel relevant en het luisteren wordt lastiger omdat er een troubadour begint te spelen. Volgens Ruarc is het een waardeloos optreden.
Om acht uur lopen ze terug naar de gedeeltelijke wegversperring richting de hoge stad. Om niet al te erg op te vallen maakt Kritoias hen onzichtbaar in een onzichtbaarheidsbubbel en zorgt Ruarc ervoor dat het geluid dat ze maken niet te ver draagt. Ze lopen terug naar de verborgen ingang die er nog net zo bijligt als vanmiddag, althans voor zover ze dat in het donker kunnen zien. Eenmaal binnen laat Kritoias een lichtstraal uit zijn hand komen waarmee ze veilig door de gang kunnen lopen. De ondergrondse tunnel is volledig verlaten en ze komen bij de ladder uit die boven in het huis uitkomt. Bartimeüs gaat voorzichtig omhoog en Kritoias sluit zijn hand zodat het licht hen niet zal verraden. Bartimeüs doet het luik voorzichtig open en controleert de omgeving, maar ziet geen tekenen dat er iemand in de tussentijd is geweest. Ze gaan stilletjes de trap op en gaan richting de kapotte deur. Bartimeüs controleert nog of er iemand het huis is geweest, maar dat lijkt niet het geval te zijn.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc verlaten ongemerkt de steeg en lopen terug naar hun verblijf. Tot hun verbazing zijn Edda en Eileen nog afwezig. Als die na een uur aankomen vragen ze wat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc de hele dag hebben gedaan."O, gewoon even de stad in en een tempel bezoeken." zegt Bartimeüs, wat een vreemde bleek van Eileen oplevert."Wij hebben een hele goede dag gehad." zegt Eileen, "We hebben veel voortgang geboekt met de teksten en gezangen. Weten we al wanneer we met de tempel kunnen beginnen?""We wachten nog op de graaf om te weten wie er wanneer kan komen." zegt Kritoias, "We moeten wel een goed publiek hebben.""De voortgang van de constructie van de tempel van Sal'ar is in ieder geval vertraagd." zegt Bartimeüs, "En misschien kunnen we daar nog wel meer aan doen."
Tijdens de wachtbeurt van Bartimeüs wordt Ruarc wakker. Hij checkt even of het geen rare droom is, maar Bartimeüs zit gewoon wacht te houden. Opnieuw heeft hij kramp in zijn hele lichaam. Een deel van zijn arm voelt ook vreemd aan. Hij raakt de huid met zijn rechterhand aan en merkt dat het geen huid is, maar dat het schubben zijn!"Bartimeüs!""Ja, Ruarc?""Ik heb het weer.""Die kramp?""Ja en ook dit, voel maar.""Wat zijn dat nu, schubben? Ik denk dat je maar moet zorgen dat je buiten komt, anders brandt dit hele onderkomen straks af.""Ja, goed punt."Bartimeüs helpt Ruarc naar buiten toe.Ruarc voelt zich helemaal niet lekker en moet overgeven, dat resulteert in een steekvlam uit zijn mond. in het licht van de vlammen ziet Bartimeüs dat het echt schubben zijn."Wat is dat?" zegt Ruarc."Waar?""Daar midden in de stad, ik zag een draakachtig wezen. Daar!"Op dat moment ontspant zijn lichaam en is zijn huid weer normaal."Ik zag de draak weer, daar, boven de loden stad. O, ik voel me beroerd, ik kan zo geen wacht houden.""Ik vraag me af of er een patroon in zit. Wat triggert het?""Middernacht? In ieder geval niet de maan."
Ruarc gaat weer slapen. Bartimeüs laat zijn wachtbeurt iets langer duren en maakt dan Kritoias wakker. Natuurlijk probeert hij daarna in de droom van zijn vriendinnetje te komen, maar dat lukt niet. Hij komt in een raar landschap, woest met onbekende begroeiïng. Het is donker en koud en er groeien alleen maar mosachtige plantjes. Bartimeüs bekijkt de sterren en de manen en hij herkent ze wel, maar ze horen niet zo hoog aan de hemel te staan. Dan wordt hij wakker.
Kritoias is nog veel te moe na een half nacht waken en gaat nog even slapen. Die tijd nemen Bartimeüs en Ruarc om naar een badhuis te gaan. Het is een sociale plek en als ze rustig ontspannen komt er iemand naast zitten. Het is een wat gezette man van middelbare leeftijd."Goedemorgen, nieuw hier?""Redelijk, we zijn inmiddels een paar dagen in de stad." zegt Ruarc."Zielen winnen voor de godin." zegt Bartimeüs."Tiana." zegt Ruarc, "Om haar te aanbidden.""Moet de keizer dat niet doen dan?" vraagt de man."Welke keizer?""Keus genog volgens mij.""De keizer is verdwenen. Dat is een groot mysterie." zegt de man, "Weet jij waar hj is? Hoe zorg je dat er een nieuwe keizer komt?""Het is aan de godin om de nieuwe keizer te benoemen." zegt Bartimeüs."Hoezo?""Zo doen we dat in de Prinsdommen ook." zegt Bartimeüs, "We hebben geleerd dat dat goed werkt.""Ik heb gehoord dat het daar niet zo best gegaan is." zegt de man."Dat is alleen maar omdat ze Tiana niet genoeg aanbaden." zegt Ruarc."Ik vind het een interessant voorstel." zegt de man, "Ik geef je mijn adres in de hoge stad, mochten jullie meer weten, kom dan langs.""Dank je wel."
Op de terugweg ziet Bartimeüs een van de mannen die ze eerder gevolgd hebben."Ga jij naar Kritoias, dan ga ik hem volgen." zegt hij tegen Ruarc."Ok, zie je later."Bartimeüs volgt de man naar een huis waarvan de luiken aan de voorkant gesloten zijn. Het lijkt op een oude winkel. De man klopt op de deur en even later laat iemand hem binnen. Bartimeüs observeert het huis een tijdje, maar ziet verder niets gebeuren.
Ruarc komt eerst aan bij Kritoias en vertelt over de ontmoeting in het badhuis en de man waar Bartimeüs achteraan is gegaan. Kritoias heeft buiten gezeten, maar niemand gezien die het huis waar ze verblijven in de gaten hield. Als Bartimeüs terug is gekomen bespreken ze de ontmoeting met de man in het badhuis die hen misschien wel wil helpen, maar dat is toch op de wat langere termijn. Bartimeüs wil graag eens bij het huis gaan kijken waar de man die hij volgde in is verdwenen. Kritoias en Ruarc vinden dat een prima plan.
"Het pand ziet er verlaten uit." zegt Kritoias, "Het ligt ook wel in de buurt van dat gildehuis.""Ja, zou hier ook een gang zijn?" vraagt Bartimeüs, "Ik vermoed van wel.""Het lijkt wel een oude winkel met een woonlaag erboven en een zolder." zegt Ruarc, "We kunnen hier niet makkelijk naar binnen.""We moeten hier eigenlijk niet zo lang stilstaan." zegt Kritoias en gaat dan verder in een luidere stem, "Ja, dit is echt wat we zoeken. Wat een mooi pand, helemaal geschikt. Zouden we het kunnen bekijken? Misschien even achterom kijken?""Ja, dat kan." zegt Bartimeüs wat zachter, "Er is een gedeeld hof waar alle achtertuinen op uitkomen."
Ze betreden het hof via een deur in een schutting en lopen door de tuinen naar de achterkant van het huis. Ook daar zijn alle luiken dicht."En nu?" vraagt Ruarc."Naar binnen." zegt Bartimeüs, "Eens kijken of de deur open is."Hij loopt naar de deur en probeert hem open te doen. De deur geeft een beetje mee, maar er ligt allemaal, naar het schijnt, rommel voor. Bartimeüs duwt harder, maar krijgt de deur niet open."Kan jij eens proberen?" vraagt hij aan Ruarc, "Er ligt wat voor.""Zeker." zegt Ruarc, loopt naar de achterdeur en geeft een flinke duw. De deur gaat met enige moeite open en Ruarc stapt naar binnen. De overgang van licht naar donker verblind hem even en dan hoort hij een zoevend geluid van links en voelt hij een stekende pijn in zijn zij."Aaah, pijl." roept hij en duikt op de grond.Hij probeert de man in slaap te brengen met een gezang, maar daarvan is de man niet onder de indruk. Dat is hij wel van Bartimeüs die de deur binnenstormt, de trap op waar de man bezig is om een pijl te pakken. Voordat hij kan schieten is Bartimeüs bij hem en slaat hem met zijn bijl op zijn ribben en de man is even versuft. Bartimeüs maakt van die gelegenheid gebruik om de ruggengraat van de man kapot te slaan waardoor hij verlamd op de trap ineenzijgt. Snel pakt Bartimeüs de boog van de man en een pijl.
Ze staan in een gang die de volledige breedte van het huis bestrijkt, er zijn twee deuren."Gaat het?" vraagt Kritoias aan Ruarc als hij zijn bebloede hand ziet."Ja, ik kan dit wel dicht krijgen, maar dan kan ik me niet echt inspannen.""Ik kan je wel laten vliegen voor een kwartier, dan kunnen we hier verder.""Dank je wel, dan maak ik me zelf wat minder makkelijk zichtbaar.""Naar boven?" vraagt Bartimeüs, "Daar kwam hij vandaan en ik hoorde gestommel.""Ok." zegt Kritoias en hij loopt achter Bartimeüs aan.Ruarc volgt ze vliegend.
Boven komt Bartimeüs in een gang die ook over de gehele breedte loopt en hier is een stuk verderop een deur. Bartimeüs sluipt vooruit als Kritoias plotseling beneden geluid hoort."Bartimeüs!" fluistert hij.Bartimeüs draait zich om.Kritoias wijst naar beneden. Ruarc vliegt eerst de trap af en ziet nog net de deur vlak bij de trap sluiten.Als ze alle drie beneden staan wijst Ruarc naar de deur. Bartimeüs stelt zich met zijn boog voor de deur op en Kritoias doet hem snel open. Ze zien nog net iemand om een hoek verderop in een gang verdwijnen waar een grotere ruimte aan de voorkant van het pand lijkt te zijn. Ze zien namelijk de voordeur ook. Daar zit een stevige houten balk op.Bartimeüs wijst naar voren. Ruarc knikt en fluistert: "Ik ga een lichtflits maken voordat je bij de hoek bent."Bartimeüs loopt naar voren en Ruarc maakt een lichtflits. Vanachter de hoek horen ze "Wow"Bartimeüs doet een paar stappen naar voren en ziet iemand met een boog staan die nog volledig bij zijn positieven is. Hij probeert snel aan te leggen en te schieten, maar de man is sneller. De twee mannen hebben op dezelfde boogschietschool gezeten, want hij raakt Bartimeüs op dezelfde plaats als Ruarc is geraakt.
Kritoias ziet dat Bartimeüs wordt geraakt en is bang dat die niet de schutter kan aanvallen of wegduiken. Het enige wat hij kan bedenken is het neerzetten van een 3 meter lange, 3 meter hoge en aan de onderkant 1 meter brede aarden wal. Dat beschermt Bartimeüs in ieder geval. Snel rent Kritoias naar het einde van de gang, waar nu nog maar weinig ruimte over is om naar de ruimte te gaan waar de man staat, de voormalige winkelruimte. Kritoias ziet dat de man het luik heeft geopend en probeert naar buiten te komen. Kritoias vuurt een waterpijl op hem af waardoor de man van zijn stuk wordt gebracht."Help, help" kan hij nog net uitbrengen.Kritoias wurmt zich tussen de aarden wal en de buitenmuur door, over een vloer die al vervaarlijk begint te kraken. Hij probeert uit te halen met zijn staf, maar die haakt achter een hoek van het raam, terwijl de man doorgaat met roepen en wat aandacht van mensen op de straat probeert te trekken. Bartimeüs, ook bloedend van het pijlschot komt te hulp en klieft in de man zijn been waardoor er een grote bloedende wond ontstaat en de man neervalt. Kritoias doet snel het luik dicht.
In het achterste deel van deze ruimte, naast de gang waar ze eerst doorheen liepen is een kamer met een luik in de vloer. Bartimeüs en Kritoias willen daarheen lopen, maar horen angstaanjagend gekraak van de vloer naast hen."Ik denk dat we moeten maken dat we wegkomen." zegt Kritoias, "Die vloer kan het gewicht van die aarde wal niet dragen."Snel lopen ze langs de aarden wal terug en dat is maar net op tijd, want achter hen stort de aarden wal met donderend geraas in de kelder. Als ze omkijken kunnen ze wel zien dat er hier geen tunnel zat en als die er zat, dan kan je daar nu niet meer door."Lekker slim om zo'n zware aarden wal in een huis te zetten op een houten vloer." zegt Bartimeüs, terwijl Kritoias zijn bloedende wond met de kracht van de godin stopt."Het was beter dan een stenen muur vond ik." zegt Kritoias, "En ik kon een volgende pijl niet lang genoeg zien om hem af te buigen, geen dank. Alhoewel nu ik erover nadenk zal het waarschijnlijk ongeveer het zelfde gewicht zijn. 8000 kg? Ik zal jou ook een toverspreuk geven om te vliegen, dan kunnen we verder. Alleen niet meer vechten.""Als het moet, dan moet het." zegt Bartimeüs.
Bartimeüs en Ruarc vliegen over de trap naar boven en Kritoias loopt erachter aan. Ze doorzoeken de tweede verdieping, maar vinden alleen maar een luik in het plafond."Hoe komen we daarbij?" vraagt Bartimeüs, "Hebben we een ladder. O wacht, we kunnen vliegen."Hij vliegt omhoog naar het luik, maar krijgt het niet makkelijk open en als hij gaat duwen, dan kan zijn wond weer opengaan."Er zit een balk voor, of iemand houdt het tegen." zegt Bartimeüs, "Kan jij daar nog iets aan doen?""Ik denk het wel." zegt Kritoias, "Ik kan een deuropening maken in de vloer, maar pas wel op, er kan iets naar beneden vallen en het blijft ook maar een paar minuten open.""Ok, ga je gang."
Kritoias concentreert zich, kijkt naar het luik, maakt een handgebaar en brabbelt wat en dan is er plotseling geen luik en stuk plafond meer. Wel valt er een grote kist, die op het luik stond om het dicht te houden, naar beneden en komt met een grote klap op de vloer terecht. Tegen die impact is de kist niet bestand en er breken allerlei stukken af.Bartimeüs vliegt naar boven en ziet dat er een dakraam openstaat waar de andere bandieten waarschijnlijk doorheen zijn gevlucht. Hij kijkt het raam uit en ziet nog in de verte twee man over de daken verdwijnen. Als hij naar beneden komt constateren Kritoias en Ruarc net dat er geen bijzondere dingen in de kist zitten."De vogels zijn gevlogen." zegt Bartimeüs."Dan had je erachteraan moeten vliegen." zegt Kritoias, "Dat kan je nu.""Laten we die gast gaan ondervragen die onderaan de trap ligt, misschien komen we dan nog wat te weten." zegt Bartimeüs.
"Hij is nog bewusteloos." zegt Ruarc als ze bij de man aankomen die nog op de trap ligt."Daar kan ik wel wat aan doen." zegt Bartimeüs en hij geneest oppervlakkige verwondingen van de man zodat die weer bijkomt."Zo, wij willen weleens wat antwoorden." zegt Bartimeüs, die ziet dat de man alleen zijn hoofd nog kan bewegen."Wat voor antwoorden?""Jij schoot op ons!""Jullie kwamen hier met geweld binnenvallen! Wij verdedigden ons alleen.""Ja, dat ging je goed af. Wie kwam hier twee of drie uur geleden naar binnen?""Waarom wil je dat weten.""Wij willen graag eens met hem praten.""Ik ken hem niet. Het is iemand die hier komt. Hij komt praten met John.""Ok, zo heet hij dus, wie zijn die twee man die we zagen?""Dat zijn Gary en Oisen.""En wie zijn dat?""Gewoon vrienden die voor geld dingen doen.""En wat wilde die vent die hier kwam?""Hij wilde dat er iemand een beetje aangepakt zou worden. Laten zien dat het hier gevaarlijk kan zijn.""Dat hebben wij nu wel laten zien. Ik heb twee opties voor je.""Ach man, rot op."Daarop slaat Bartimeüs de man dood met zijn bijl.
"Ik kan nog even bij het luik gaan kijken." zegt Kritoias, "Misschien is daar nog iets te vinden.""Ok, wij kunnen op dit moment niet echt bijstaan als er problemen ontstaan." zegt Bartimeüs."Die verwacht ik daar beneden niet." zegt Kritoias.Hij gebruikt een spreuk om te vliegen en verdwijnt om de hoek richting de kamer met het luik. Het duurt bijna een kwartier voordat Kritoias terugkomt. Hij heeft twee stukken papier in zijn hand."Wat zijn dat?" vraagt Ruarc."Een kaart en een lijst met namen." zegt Kritoias, "Die kunnen we beter thuis bekijken, want het geschreeuw van die ene man en de instorting hebben misschien wel de aandacht getrokken."Ze verlaten voorzichtig het huis en lopen rustig door de stad, omdat Bartimeüs en Ruarc hun wond niet open willen laten gaan.
In hun verblijf bekijken ze de twee stukken papier wat beter. Het ene is een soort kaart van de hoge stad waarop verschillende plaatsen kruisjes staan en het kasteel van de graaf is omcirkeld."Er staat ook een kruis bij ons huis." zegt Bartimeüs."Kennelijk wilden ze hier langskomen om onrust te zaaien." zegt Ruarc, "Ik ben benieuwd waar die andere kruisjes op wijzen. Het lijken gewone huizen te zijn.""We moeten dat delen met die security man." egt Bartimeüs."Eerst dat andere stuk papier bekijken." zegt Kritoias en legt dat op tafel.Hier staan een aantal, bekende, namen op: Deirdre, Maeve, Declan, Eileen, Siobhan, Oisin, Grainne, Jason, E met een pijl naar Amir!, Cerdik -> Jasmin X."Onze namen staan er niet op." zegt Bartimeüs."Ik ga een kopie van deze kaart en de namenlijst maken zodat we het origineel aan Grainne kunnen geven." zegt Kritoias.
Nadat dat is gebeurd lopen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc naar het kasteel van de graaf op zoek naar Grainne. Na enig rondvragen nodigt hij hen uit in een besloten ruimte. Kritoias overhandigt de originele kaarten en Grainne bestudeert ze zorgvuldig."De inkt is nog vers op deze documenten." zegt hij."Dan zullen dat de aantekeningen zijn die ze gemaakt hebben toen die andere man op bezoek kwam.""Ja, want jullie hebben deze documenten gevonden in een schuilplaats die jullie hebben gevonden door iemand te achtervolgen die jullie in de gaten hield of daarbij betrokken was.""Klopt." zegt Bartimeüs."Dan denk ik dat ze deze lieden wilden inhuren om het jullie lastig te maken.""Geldt dat dan ook voor deze andere personen die genoemd worden?" vraagt Kritoias, "We konden ze niet allemaal thuisbrengen.""Dat denk ik wel. Deirdre en Maeve zijn degenen waar jullie in geïnteresseerd zijn. Declan is de vriend van Maeve en E zal verwijzen naar de moeder van Deirdre. Die Jasin hebben ze kennelijk al te pakken genomen. Ik ga hier verder induiken. Dan is er nog iets waar ik jullie hulp bij kan gebruiken.""Wat is dat?" vraagt Ruarc."Iemand wil mij heel graag spreken, maar het is een uitdaging om die persoon hier te krijgen." zegt Grainne."Hij zit zeker in de Lodenstad." grapt Kritoias."Inderdaad." zegt Grainne, "Er is de nodige onrust en deze persoon is daar niet blij mee en wil mij graag een aantal zaken vertellen. Deze persoon wil mij geen boodschap overbrengen, maar dit in persoon vertellen."
"Hoe weten we wie het is?" vraagt Bartimeüs."Jullie moeten naar het common-gebied gaan, naar een herberg genaamd 'De vette karper'."En hoe herkennen we onze contactpersoon?" vraagt Ruarc."Een van jullie draagt een flamboyante hoed met een veer.""O, dat is Ruarc." zegt Bartimeüs."Dan moet je ook het sleutelwoord nog zeggen. Iemand benadert jullie en zal zeggen: 'Wat een rare naam, er zijn toch helemaal geen karpers in de buurt'. Daarop moet je antwoorden met 'Maar ze zijn wel lekker!'. Neem de tijd! Uitstel is minder belangrijk dan dat dit mislukt.""O, en ik heb nog iets. De wachters bij de poort zeiden dat er mensen bij de poort kwamen die naar boven toe wilden. Ze leken een beetje verdwaasd, maar zeiden dat ze de godin zochten. Uiteraard zijn ze door de wachters weggestuurd.""Dank je wel voor de informatie." zegt Kritoias, "We gaan die gast hierheen halen. Voorzichtig!"
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen terug en informeren de anderen over wat er is gebeurd. Ze denken nog even of het nuttig is om naar De vette karper te gaan, maar daar is het nu te laat voor, dus dat doen ze morgen.
Bartimeüs probeert als een echte verliefde jongen, of een stalker, weer in de droom van Maeve te komen. Opnieuw komt hij in een soort troonzaal, waar dit keer Maeve in prachtige gewaden op een troon zit, als een echte koningin of keizerin. De zaal is gevuld met mensen die feest vieren en regelmatig "Leve de keizerin!" roepen en "Maeve die de vrede bracht." Bartimeüs dringt tussen de feestgangers door tot hij bij de troon komt."Ah, daar ben je." zegt hij."Ik ben het, Bartimeüs.""O, Bartimeüs, mijn dappere generaal! Dankzij Bartimeüs hebben we de euvele machten verslagen! Lang leve Bartimeüs.""Dank je, maar dat is te veel eer.""Kom naast me zitten!"Bartimeüs negeert dat, maar de zaal begint Bartimeüs, Bartimeüs, Bartimeüs te roepen.
Plotseling vallen de mensen in de zaal neer en beginnen uit hun mond te bloeden."Jij weer!" zegt Maeve."Generaal Bartimeüs!" zegt een figuur die de zaal binnen komt lopen."Met wie hebben we het genoegen?""Met mij."De man stap in het licht en Bartimeüs ziet dat het Beolin is."Dat is lang geleden." zegt Bartimeüs."Ik wacht nog steeds op jullie.""We hebben andere leuke dingen te doen.""Wat is leuk?""Tja, spel, spel, doel, doel.""Een doel anders dan ultieme macht?""Wij dienen de godin. Waarom jij niet meer?""Dat heb ik al een leven lang gedaan.""Waarom ben je gestopt?""Dezelfde reden waarom jij zal stoppen. Wat weet je van de godin?""Net zoveel als van mijn vader.""Niet zoveel dus. De godin is niet zoveel anders dan de vader.""Het leven wat ze laat zien is beter dan waar jij mee dreigt."
Beolin verandert in een hele mooie vrouw."Ja, zo kan ik dat ook." zegt Bartimeüs."Jullie weten hoe echt ik ben.""In ieder geval niet de vrouw die je nu projecteert.""In deze wereld is dit wat het is.""Wat wil je?""Dat jullie naar mij toekomen. Dat is jullie lotsbestemming. Eeuwig meegenieten van deze wereld.""Waar moeten we dan naar toe?""Naar het noorden. Waarom wil je zo vasthouden aan je lichaam? Kom, ik gun het je zo, zoon. Anders ben je maar een dier in de speeltuin.""Er is nog iets in deze wereld een monster.""Laten we het meisje wat rust gunnen."Maeve raakt in een shock en Bartimeüs wordt wakker.
Aan het einde van de wachtbeurt van Ruarc hoort die opeens een kreet uit de kamer van Edda en Eileen. Snel maakt hij Bartimeüs en Kritoias wakker en gaat dan samen met Ka-el kijken. Edda zit rechtop in bed."Wat is er aan de hand?" vraagt Ka-el."Het was een droom." zegt Edda."Wie zat er in die droom?" vraagt Ruarc."Ik had het gevoel dat ik met de godin sprak." zegt Edda, "Het was vaag, maar ik kreeg het gevoel dat zij er was.""Voel je er iets anders bij?" vraagt Ruarc."Alleen dat de krachten meer of beter ingezet konden worden."Op dat moment horen ze dat het buiten begint te waaien."De godin doet het door jou, lijkt het." zegt Ruarc."Laten we gaan eten, ik heb honger." zegt Bartimeüs.
Even na tien uur gaan Bartimeüs, Kritoias en Ruarc op weg naar het huis met de ondergrondse gang. Het is inmiddels guur weer geworden, maar ze zijn wel iets gewend van hun tijd in de sneeuw van het zuiden. Ze benaderen het huis vanaf de achterkant en gaan weer naar de steeg, waar Bartimeüs uitgebreid zoekt naar vallen. Als ze die niet zien dringen ze voorzichtig het huis binnen. Het huis lijkt leeg te zijn en ze lopen via de ondergrondse gang onder de muren van de hoge stad door. Om ophef te voorkomen gebruiken ze wat magie om ongezien en ongehoord langs de wachters van het tempelkwartier te lopen.Kritoias vindt het een goed idee om nog even langs de tempel te lopen. Daar is niemand aan het werk, maar staan wel een paar 'soldaten', meer tempelwachters van Sal'ar om de ruïne te beveiligen. De arbeiders zijn nog niet aan de slag en ze horen van de soldaten dat die niet verder gaan totdat ze weten dat het veilig is. Vervolgens begint Kritoias snugger te doen tegen de soldaten, waardoor een priester van de groene god zich ermee gaat bemoeien. Veel verder brengt dat hen niet en na een minuut of tien lopen ze terug naar de weg naar de hoge stad om te observeren of daar weer mensen zijn die naar boven willen omdat de godin ze roept.
Na ongeveer anderhalf uur slentert er een man naar de poort. Een van de bewakers vraagt wat hij wil en hij wijst naar de hoge stad en kijkt naar boven."Dat zou er één kunnen zijn." zegt Bartimeüs."Gaan we hem onderscheppen?" vraagt Kritoias."Even wachten tot de bewakers klaar met hem zijn." zegt Ruarc.Na een paar minuten laten de bewakers de man met rust. Hij blijft naar boven staan kijken en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen naar hem toe."Kom mee vriend!" zegt Bartimeüs."Hè?""Je wil naar de godin!" zegt Bartimeüs."Hoe weet je dat?""Kom, dan kunnen we even praten.""Ok.""Hoe weet je dat je daar naar toe moet gaan?" vraagt Bartimeüs."Ik zag een verschijning van een vrouw die zei dat het goed ging komen.""Waar zag je dat?" vraagt Ruarc."'s Nachts. Het leek echter dan een droom.""Wat weet je er verder van?" vraagt Bartimeüs."Alleen dat ik hier naar boven moet.""Daar gaat een tempel gebouwd worden." zegt Bartimeüs, "Dan zullen we met velen zijn.""Er is zoveel dood in de stad, het moet beter worden."
"Waar woon je?" vraagt Kritoias."Ten zuiden van de Loden stad.""Heb je meer mensen ontmoet die naar de godin op zoek zijn?""Ik heb er niet over gehoord.""Ik vind dat we ze moeten helpen." zegt Ruarc."Ja, in naam van de godin, Tiana." zegt Bartimeüs."Dat zou welkom zijn, want we hebben bijna geen eten, en al helemaal geen andere dingen.""Dan gaan we je helpen." zegt Bartimeüs, "Wat is je naam?""Simus.""Ik ben Bartimeüs en dit zijn mijn neven Kritoias en Ruarc. We lopen langs de markt om eten te kopen en dan gaan we met je mee."
Ze slaan wat eten in op de markt in het tempelkwartier en gaan dan op weg naar het huis van de man. Onderweg doorkruisen ze het gebied tussen de heuvels van de Hoge stad en de Loden stad. Hier is stevig gevochten en veel huizen zijn verwoest door brand, inclusief de herberg waar ze eerder verbleven. Op veel plaatsen zijn barricades opgericht, die op dit moment gelukkig niet bemand zijn. Na het middaguur komen ze bij het kleine, schamele huisje van Simus aan.
Simus is blij met de hulp van Bartimeüs, Kritoias en Ruarc en vertelt dat het hier op dit moment niet zo goed gaat. Er is nog wel wat werk in de lood-, ijzer-, wapen- en houtbewerkingsindustrie, maar door de strijd heeft een deel daarvan stilgelegen. Voor sjouwers, zoals Simus, is het een moeilijke tijd. Ze worden nog wel geholpen door de Groene Maan.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc beloven dat ze Simus zullen benaderen als ze een sjouwer nodig hebben. Bartimeüs speelt zelfs even met het idee om een sjouwer permanent in te huren, maar helaas heeft die niet de capaciteit van een paard. Ze vragen Simus naar de route naar De Vette Karper en gaan op weg.
De Vette Karper is meer een eetschuur, dan dat het een herberg is. De eetgelegenheid ligt aan een plein waar meerdere herbergen aan gelegen zijn. De grote zaal is ongeveer half gevuld, voornamelijk met werklui en handelaren. Ruarc loopt voorop met de mooie hoed met dito veer op zijn hoofd. Ze gaan aan één van de lange banken zitten en bestellen bier met eten. Af en toe loopt er een 'muis' over de rand van de hoed.
Na ongeveer vijf minuten schuift een magere man aan."Heren, welkom in Branduïn.""Goedemiddag." zegt Kritoias."Ik hoor dat jullie niet van hier zijn.""Dat klopt, wij komen uit het noorden." zegt Kritoias."Uit Olcadaïr?""Nee, nog verder uit de Prinsdommen." zegt Bartimeüs."En wat brengt u hier?""Goede vooruitzichten, hopelijk." zegt Kritoias."Zo goed gaat het hier toch niet?""Bij ons thuis is het nog slechter." zegt Kritoias, "Overlopen door lopende lijken en demonen.""Wat?""Je kent toch dat liedje? Nymarc brandt!""Ja, ja, Nymarc brandt! Nymarc brandt!""Dat kwam daardoor."
Er komt een andere serveerster aanlopen met een groot blad waar bier op staat. Zij blijkt heel onhandig en gooit een pul bier over Ruarc's schoot."O, sorry, sorry.""Tja, dat is wel onhandig." zegt Ruarc, "Komt u dit maar afdrogen, dan.""Sorry, het is ook zo lastig met die grote dienbladen. Dit is helemaal een rare plaats, die grote hal en die rare naam, De Vette Karper.""Ze zijn wel lekker!"Ruarc kijkt om zich heen en ziet dat de magere man verdwenen is."Ik ga nog even wat doeken pakken om te drogen." zegt de serveerster en verdwijnt naar achteren.
Ze komt echter niet terug, maar even later hoort Ruarc wel een stem in zijn oor "Kom over een goed uur in de steeg achter de herberg."Ruarc zorgt dat niemand ze verder kan horen en vertelt wat hij gehoord heeft."Nou, dat betekent ook geen nieuw bier meer. Jammer joh!" zegt Kritoias."Jawel." zegt Ruarc en wenkt en roept naar de eerdere serveerster, "Graag nog een bier.", voordat hij zich realiseert dat ze hem nu niet kan horen. Pas als ze dichterbij gekomen is herhaalt hij zijn bestelling en vraagt een paar doeken om de boel te drogen."Dat was wel onhandig van u!" zegt de serveerster, maar ze komt even later wel een nieuwe pul bier en wat doeken brengen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc genieten van een minstreel die begint te spelen en wachten tot het uur is verstreken. Dan rekenen ze af en gaan naar buiten. Bartimeüs blijft bij de ingang van de steeg staan en Kritoias en Ruarc lopen verder. Bij de achterkant van de herberg zien ze de serveerster afval in een bak gooien. Ze draait zich om als Kritoias en Ruarc dichterbij komen."Jullie wilden me spreken?"Ruarc maakt een geluidbubbel en zegt: "We kunnen nu ongestoord praten.""Pas op met magie hoor.""Ik weet niet of dit nu echt magie is." zegt Ruarc."Die definitie bepalen we niet zelf.""We hebben gehoord dat er iemand uit de Loden stad is die ongerust is en graag iets wil vertellen.""Een paar straten verderop is een bordeel. Daar werkt Brigitta, die in ons netwerk zit. Zij ontvangen daar gasten uit de Loden stad. Zij is heel goed in wat zij doet en ook in het geruststellen van dat soort lieden. De persoon waar jullie het over hebben heeft zorgen over wat er gebeurt en wil het ergens vertellen. Hij komt vaak bij Brigitta. Hebben jullie al een idee hoe jullie hem mee gaan krijgen? Hier zijn overal ogen en oren.""Brigitta is geen onderdeel van het verhaal?" vraagt Ruarc."Het is een hoer en ze is bij mij gekomen. Ze is goed in haar werk en dat is haar enige kwaliteit." "Dank je wel."
Kritoias en Ruarc lopen terug naar Bartimeüs om hem bij te praten."Dan kan hij ook eindelijk een keer." zegt Kritoias.Nadat ze het verhaal van de serveerster hebben gedeeld lopen ze naar het bordeel."Wat kost dat eigenlijk?" vraagt Ruarc."Hoe weet ik dat nou?" vraagt Kritoias, "Jij bent een man van de wereld. Vast een goud!""Ik denk eerder een koperstuk of zo." zegt Bartimeüs.
Ze lopen een paar straten door en komen dan bij een imposant gebouw dat versierd is met beelden van schaarsgeklede heren en dames."Kan jij niet gaan?" vraagt Ruarc aan Kritoias."Nee, jij bent hier echt de juiste persoon voor." zegt Kritoias."Wij wachten wel buiten." zegt Bartimeüs.
Rond een uur of drie loopt Ruarc naar de grote groene deur met een grote klopper in de vorm van een mannelijk lid en klopt aan. Een klein luikje in de deur gaat open."Goedemiddag." zegt de man die binnen staat."Goedemiddag, ik wil graag gebruikmaken van jullie diensten.""Is dat niet een beetje vroeg?""Je kan niet vroeg genoeg beginnen.""Heb je geld?"Ruarc laat wat geld zien. De man knikt tevreden en doet het luikje dicht en opent de deur voor Ruarc die naar binnen stapt. De man houdt zijn vlakke hand omhoog en Ruarc beloont de portier met 2 tinstukken."Dank u wel. U kunt uw wapens hiernaast wegleggen."Ruarc loopt naar de aangrenzende kamer en legt zijn hamer en dolk weg. Als hij terugloopt staat er een stevig uitziende beveiliger die hem nog even controleert. Als de man tevreden is schuift hij het gordijn open."Gaat u verder.""Dank u."
Ruarc loopt een barruimte binnen waar vier dames aan een tafeltje zitten en wat verstoort opkijken als Ruarc binnen komt lopen. Achter de bar staat een barman glazen te poetsen."Goedemiddag, komt u binnen." zegt een van de vrouwen die opstaat en naar hem toeloopt."Goedemiddag.""Welkom, mijn naam is Natasha, wil je at drinken?" "Waar is Brigitta?""Zij is er nog niet, daarvoor ben je te vroeg. Kom naar de bar. Wat drink je? Wat drinken wij? Zullen we een glaasje bubbels doen?""Laten we rustig beginnen." zegt Ruarc die de bui al voelt hangen."Waarom wil je graag Brigitta?""Ik heb gehoord dat ze bijzonder is.""O, van wie heb je dat gehoord?""Van Gijs.""Wie is dat?""Genoeg over mij, wat is jouw specialiteit?""Het jou heel erg naar de zin maken. Wil je niet beginnen met een massage?"
Een van de andere dames komt er ook bij zitten."Natasha, wie is je vriendin?""Dit zijn Titita, of, en daar is Corina ook.""Kan er een klein drankje vanaf?" vraagt Titia."Dat moet wel gaan." zegt Ruarc.Ze kletsen gezellig wat en af en toe komen er nieuwe dames en heren naar binnen.
Bartimeüs en Kritoias staan intussen buiten te wachten, maar hen valt niet al te veel op. Bartimeüs gaat een rondje rondom het bordeel lopen om de boel te verkennen.
"Ah, daar is ze dan." zegt Natasha en wijst naar een mooie vrouw, eind twintig, die van achteren aan komt lopen.Ruarc wenkt haar.Ze zwaait terug en begint een gesprek met de heer waar ze naar opweg was.Ruarc bestelt twee glazen bubbels, 1 koper per stuk, en loopt naar haar toe. Hij wurmt zich voor de man."Fijn dat je gekomen bent, ik heb lang gewacht. Ik wil graag wat tijd met je doorbrengen, dat kan voor ons beiden lucratief zijn.""Dank je wel." zegt Brigitta en neemt Ruarc goed in ogenschouw, "Daar zijn we voor. Maar dan wel privé.""Dat lijkt me een goed idee."Ruarc loopt achter Brigitta aan, die hem meeneemt naar een oudere dame."Goedemiddag, wat wilt u, een kamer? een suite?""Wat heeft u in de aanbieding?""Hoelang wilt u en met hoeveel?""Op dit moment is Brigitta voldoende.""Dan denk ik vijf koper?""Doe maar een zilver."
"Uitstekend."Ze wenkt een jonge man die zich op de achtergrond had gehouden."Breng de suite in gereedheid en vul de tobbe met warm water. Een fles bubbels erbij?""Zeker!" zegt Ruarc.Hij betaalt twee zilver en loopt even later met Brigitta naar een prachtige kamer, waar een tobbe met dampend water al op hen wacht. Brigitta kleedt zich uit en gaat in de tobbe zitten. Ruarc volgt haar voorbeeld."Het is aangenaam om wat tijd met je door te brengen." zegt Ruarc."Wat lief van je." Ruarc maakt opnieuw een geluidsbubbel."We kunnen nu veilig praten. Ik ben gestuurd door een contactpersoon. Die heeft gehoord dat je een cliënt hebt die graag iets wil vertellen over gebeurtenissen in de Loden stad.""Dat is erg lief, maar ik weet niet altijd wie ik kan vertrouwen.""Ik heb je naam van je contact. De serveerster in De Vette Karper.""Ik heb dat altijd al een rare naam gevonden.""Maar ze zijn wel lekker.""Mooi, ik denk dat ik weet wat je bedoeld. Heb je al een plan om deze persoon naar je contactpersoon te brengen?"
"Ik begrijp dat hij regelmatig bij jou komt?""Ja, steeds vaker. Hij vreest voor zijn leven.""Wij moeten hem ongezien weg weten te voeren. Deze locaties hebben meestal naast de voordeur nog andere toegangen.""Ja, er zijn meerdere toegangswegen. Ik kom niet door de voordeur. Ik verwacht hem over twee nachten. Hij komt altijd met de nacht als dekmantel.""Dan ben je bijna onzichtbaar.""Als jij onzichtbaar zou zijn, waar zou jij dan heengaan?""Dat is soms lastiger dan je denkt.""Hoe kan ik je hier ontmoeten. Ben je elke dag hier/""De komende nachten wel. We moeten hier nu wel de hele avond blijven, anders valt het op.""Dat is toch niet ongebruikelijk?""Zeker niet, Ruarc, dat ga jij ook zo ervaren."
Bartimeüs en Kritoias halen wat te eten op de markt en blijven maar op de uitkijk staan."Zou er wat gebeurd zijn?" vraagt Bartimeüs."Wat kan er nu gebeuren?" vraagt Kritoias, "Ik heb ook geen middelen om naar binnen te kijken, dus we moeten afwachten. Heb jij die man op dat bankje ook gezien?""Ja, die houdt het bordeel in de gaten, en zo zijn er nog een paar."
Uiteindelijk komt Ruarc om elf uur naar buiten toe. Het is nu te laat om nog terug te gaan naar de hoge stad. Daarom gaan ze naar Het Keizers Kot, een kleine herberg die Bartimeüs in de buurt tegenkwam. Daar nemen ze een driepersoonskamer, wat hetzelfde kost als een fles bubbels.
"Ok, hoe gaan we het aanpakken?" vraagt Bartimeüs als ze op de kamer zitten, "Wat voor mogelijkheden hebben we?""Teleporten is het makkelijkste." zegt Ruarc."Nou, ja, zo lang ben ik hier ook niet geweest." zegt Kritoias, "De kans dat onze gast niet op het juiste punt uitkomt is best aanwezig.""Ok, onzichtbaar dan?" vraagt Bartimeüs."Dwars door de stad heen lopen terwijl je onzichtbaar bent is best moeilijk, zeker als we in een groepje moeten gaan." zegt Kritoias."Dan moeten we het op de gewone manier proberen." zegt Ruarc, "Dan hebben we in ieder geval een vermomming nodig.""Iets met een illusie?" vraagt Bartimeüs."Dat duurt niet lang genoeg.""Zouden we niet buitenlangs kunnen gaan?" vraagt Kritoias, "Via de westpoort?""Dat moeten we morgen dan maar eens uitzoeken." zegt Ruarc.
De overnachting in "Het Keizers Kot" verloopt voor de verandering zonder enige interruptie.
"Ik heb nog even zitten nadenken tijdens mijn wachtbeurt." zegt Kritoias, "We kunnen ook een gat in de muur maken.""Dan moeten we zo even kijken waar we dat kunnen doen zonder dat het erg opvalt." zegt Bartimeüs."Ruarc kan een illusie van de muur voor het gat zetten, dat moet het dan een paar minuten volhouden tot de opening zich weer sluit." zegt Kritoias."Dat gaat lukken." zegt Ruarc.
Na het ontbijt lopen ze richting de westpoort. Het is al druk op straat en ze komen ook een groep stadswachten waar ze rustig langslopen. Voor de westpoort is een marktplein waar priesters van Sal'ar voedsel uitdelen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zijn op zoek naar een rustige plek bij de muur en ze zien dat de weg links van de poort een beetje naar beneden loopt en aan de linkerkant aan de achterkanten van huizen grenst, daar zou het vannacht heel rustig moeten zijn. Kritoias denkt dat dit wel een goede plaats is, ze moeten alleen even kijken of het terrein aan de andere kant even hoog is. Hij schat de hoogte in en daarna lopen ze naar de poort.
Bij de poort staan soldaten van Branduïn de binnenkomende reizigers te controleren, althans, zo lijkt het. Als ze voorbij gekomen zijn zien ze dat er buiten een tafeltje is waar twee priesters van Sal'ar de handelaren ontvangen en bepalen wie er naar binnen mag. Ze zien dat er buideltjes over tafel gaan, dus waarschijnlijk moeten de handelaren belasting betalen. Reizigers zonder handelsgoederen mogen doorlopen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen eerst een stuk de weg af en lopen daarna door het veld terug. Kritoias ziet al van een afstand dat de grond bij de plek waar ze door de muur willen op ongeveer dezelfde hoogte zit."Ok, dat weten we, en nu?" vraagt Bartimeüs."Laten we de hele route buitenom controleren." zegt Ruarc, "Wie weet wat voor obstakels we nog tegenkomen."
Het is maar goed dat ze dat hebben gedaan, want ten zuiden van de stad komen ze een 200 meter brede rivier tegen die daarna Branduïn instroomt. Zwemmen is hier wel mogelijk, maar ze weten niet of hun gast wel kan zwemmen. Met magie de rivier over blijkt alleen voor Bartimeüs mogelijk te zijn, die kan immers over het water lopen, maar dat werkt alleen bij hemzelf. De afstand is te groot voor Kritoias om hen over te zetten. Vliegen kan natuurlijk wel, maar dat kost weer veel energie. Gelukkig liggen hier ook een aantal bootjes en ze zien nog meer aanlegplaatsen, dus ze kunnen vannacht waarschijnlijk wel een bootje lenen. Aan de andere kant van de rivier kennen ze het terrein wel, dus daar hoeven ze nu niet te zijn. Ze lopen terug naar de westpoort om een vermomming in de stad te gaan kopen.
Bij een kledingstalletje zien ze iemand die kledingstukken verkoopt. Hier geen op maat gemaakte kledingstukken. De reden blijkt al snel duidelijk als ze de kleding bekijken. Sommige hebben nog bloedvlekken en scheuren."Het is zonde om dit weg te gooien." zegt de handelaar."Waar komt deze kleding dan vandaan?" vraagt Ruarc."O, van armen en overledenen.""Aha." zegt Bartimeüs.Ze kopen ook nog make-up en een oranje pruik om de vermomming compleet te maken die volgens Bartimeüs net stro is.
Terug op hun kamer in de herberg bespreken ze het plan. Ruarc gaat vanavond naar het bordeel om af te stemmen met hun contactpersoon. Die moet hen in contact brengen met de gast. Dan moet Ruarc de man overtuigen dat hij met hen mee moet gaan en hem vermommen. Samen gaan ze naar de achteringang, waar Bartimeüs en Kritoias op ze zullen wachten. Dan gaan ze naar de muur en er doorheen, via de route die ze vandaag gelopen hebben en over de rivier naar het punt in de muur waar ze naar boven kunnen klimmen om in de hoge stad te komen. Kritoias zal vandaag nog teruggaan naar Grannie om aan te kondigen dat degene waar hij mee wil praten de volgende nacht aan zal komen.Na deze uitgebreide plannenmakerij gaan ze in de stad wat eten.
Ze kiezen voor een stalletje met street food en daar hebben ze erg lekkere dingen. Ruarc complimenteert de uitbater met zijn culinaire prestaties en ze raken in gesprek. De eigenaar hoort van alles en heeft ook voor Bartimeüs, Kritoias en Ruarc interessante informatie. De gevechten zijn gestaakt, maar een formeel bestand is er nog niet, dat lijkt eraan te komen. Intussen begint de wederopbouw van de verwoeste delen. De hoge stad is intussen nog steeds afgesloten, waardoor de bedrijvigheid ook minder is dan eerst. De man blijkt ook niet blij met de magiërs die een groot deel van de verwoesting hebben veroorzaakt, omdat ze met vuur hebben lopen smijten. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc weten daar alles van. De man is wel geïnteresseerd in de nieuwe tempel. Zij luisteren in ieder geval naar hem. De hoge en de loden stad zouden we dood kunnen wezen, want daar hebben ze al een week niets gehoord.
Kritoias gaat daarna op weg naar Grannie, hij zal eerst via de poort naar buiten lopen en dan onzichtbaar vliegend naar de klimplaats in de muur gaan. Bartimeüs en Ruarc gaan om vijf uur naar het bordeel. Daar geven ze de verplichte bijdrage aan de portier en geven netjes hun wapens af. Bij binnenkomst in de zaal worden ze vriendelijke begroet."Ah, welkom terug.""Ja, het bezoek is uitstekend bevallen.""En u heeft iemand meegenomen.""Hij wilde het ook eens proberen. Hij wilde eigenlijk niet, maar ik heb hem overgehaald.""Familie?""Nee, of misschien wel.""Wilt u uw verblijf van gisteren voortzetten?""Ja, zeker.""Dan kan geregeld worden, en wat is uw voorkeur?""Hij wil wel iemand die hem wat ervaring bij kan brengen." knipoogt Ruarc."Doe maar jong." zegt Bartimeüs."Dan zal ik Miranda vragen, ze is jong en roodharig."
Even later komt Brigitta en neemt Ruarc mee naar dezelfde kamer, terwijl Bartimeüs met Miranda meegaat."Laten we verder gaan waar we gebleven waren." zegt Ruarc als ze naar de kamer lopen, "Dat was een klasse apart."Eenmaal in de kamer legt hij Brigitta het plan uit. Brigitta vertrouwd verder niemand en vertelt tegen Ruarc dat hij ongezien naar de kamer moet komen en dan kan hij de persoon aanspreken. Brigitta zelf zal er niet bij zijn. Het zal deze kamer zijn, daar kan Brigitta wel voor zorgen.Bartimeüs en Ruarc hebben een heerlijke avond.Terug in de herberg blijkt Kritoias al terug te zijn. Hij heeft afgesproken dat de graaf de volgende nacht boven op de muur is, zodat de gast ook nog teruggebracht kan worden, als hij dat wil. Grannie zal een vuur laten aansteken als het veilig is.
Bartimeüs heeft inspiratie opgedaan en treedt weer de droom van Maeve binnen. Dit keert loopt ze alleen door Branduïn."Hallo." zegt ze."Hallo, gezellig hier.""Ja hoor.""Was het maar weer zomer.""Dan gaan we vaak naar het buitenhuis.""Waar?"Maeve noemt de naam, "Het is heel mooi hoor, met wijnranken, daar ga ik binnenkort heen.""Hou je van wijn?""Niet die.""Bully?""Ja.""Dan zal ik je niet meer zien.""In je dromen.""Dat zou zomaar kunnen.""Ik kom terug als het veilig is.""Ben je dan al getrouwd?""Ja.""Wanneer?""Als het veilig is of eerder, dat ligt aan papa.""Is hij leuk?""Er zijn ergere huwelijkspartners."
Maeve gaat weg en Bartimeüs ziet dat hij bij een groot gebouw staat, een tempel. Het blijkt een tempel van de godin te zijn. Hij besluit naar binnen te gaan. Binnen ziet hij dat de tempel helemaal verlaten is. Er staat wel een boom, een mooie marmeren eik.""Mijn tempel." zegt een stem."Wat een schitterende tempel, zoals ik het zie.""Dat is wat ik niet zie, niet wat het zou moeten zijn. Bartimeüs, de urgentie neemt toe. Zij zullen niet wachten. Zorg dat ze er niet achter komen.""Hoe dan? Het is moeilijk om die tempel zo snel te maken.""I kkan nog weinig betekenen, er is een duistere macht.""Die heb ik gesproken.""Wat heeft hij gezegd?""Ik denk dat het Beolin was.""Nee, maar je vader is wel betrokken.""Hij wil ons hebben.""Hebben voor zijn gunsteling, of dat je dat jullie dat waren?""Wie is dat? Fahzuhl?""Hij is in de buurt en heeft duistere plannen. Schiet op Bartimeüs!"Dan wordt Bartimeüs wakker.
Die avond is het tijd om het plan ten uitvoer te brengen. Ruarc gaat naar binnen, Kritoias staat onzichtbaar bij de achterdeur en Bartimeüs verstopt zich aan de overkant van de ingang. Ze wachten tot het bijna donker is, dan gaat Ruarc, met de zak met verkleedspullen naar binnen. Ruarc spreekt Brigitta aan, maar die heeft een andere klant. Dan gaat Ruarc eerst aan de bar zitten verplaatst daarna naar een tafeltje. Als hij een tijdje zit bedenkt hij zich dat hij juist verborgen in de kamer moet zijn. Gelukkig ziet hij nog een leeg tafeltje in de buurt van de gang onder de trap. Hij loopt er nonchalant heen en observeert de kamer. Er komen mensen binnen, maar gelukkig ziet hij Brigitta nog niet naar iemand toelopen. Hij concentreert zich en even later is er geluid van vallend glaswerk aan de andere kant van de zaal. Iedereen kijkt wat er is gebeurt en Ruarc maakt daarvan gebruik door de gang in te glippen. Hij ziet dat de 3e deur links inderdaad openstaat. Hij controleert de kamer en die is gelukkig leeg. Hij kijkt even rond en verstopt zich dan achter het bad.Kritoias staat inmiddels onzichtbaar de achterdeur te bekijken en Bartimeüs heeft zich zeer verdekt opgesteld aan de overkant. Die ziet dat er regelmatig mannen naar binnengaan, maar hij weet niet wie het nu zou moeten zijn.
Dan gaat de deur in de kamer van Ruarc open. De man loopt aarzelend de kamer binnen: "Hallo?""Hallo.""Ah.""Eh, o ja, ik zocht hier naar een vette karper.""Die zijn hier toch helemaal niet?""Maar ze zijn wel lekker."Ruarc komt tevoorschijn en ziet een rijk geklede man van begin 40.Ruarc concentreert zich en spreekt de man dan aan."Goedenavond, mijn naam is Ruarc, ik heb ervoor gezorgd dat we vrijuit kunnen praten zonder bang te zijn afgeluisterd te worden. Ik heb gehoord dat u een onderhoud in de hoge stad wil?""Ja, dat klopt.""In opdracht van de graaf hebben wij vannacht een gesprek met hem voor u geregeld.""O, maar ik word wel gevolgd, dat is bijna zeker. Ik kom uit de loden stad.""Ik heb hier wat verkleed spullen op minder op te vallen. Buiten staan twee van mijn vrienden en samen zullen wij u veilig naar de graaf brengen.""Eh, ook."Ruarc geeft de man een professionele make-over en daarna verlaten ze het pand snel via de achterdeur, maar daar staat natuurlijk ook een bewaker.
"He, wat is dat?""Ja, het is een noodgeval.""Hoezo?""Mijn vrouw staat buiten voor te wachten en nu moet ik met mijn vriend weten te ontsnappen." zegt Ruarc en geeft de man een koperstuk."Ah, geen probleem, tot de volgende keer." zegt de bewaker.Ruarc loopt met de man de straat op en Kritoias sluit zich bij hen aan. Hij zegt eerst zachtjes iets om ze niet te laten schrikken."En onze andere vriend?" vraagt Ruarc, "Kan je die ook halen?""Eh, als ik wist waar hij zat wel." zegt Kritoias, "Wacht ik weet wel iets, loop maar mee naar de kruising.Ruarc wacht met de man op de kruising terwijl Kritoias naar het bordeel loopt."Beolin!" roept hij hard en ziet even later Bartimeüs naar hem toekomen."Hij is er, we gaan op pad." fluistert Kritoias.
Ze lopen de weg naar de westpoort waar het nu rustig is en slaan linksaf naar de muur. Ruarc maakt een illusie die precies op de muur lijkt."We gaan zo op een speciale manier door de muur heen." zegt hij tegen Ruarc, "Wees niet bang.""Ja, jullie kunnen." zegt Kritoias die zojuist een doorgang in de muur heeft gemaakt.Bartimeüs neemt de man mee door de muur heen."Wat is dit voor tovenarij?" zegt de man verbaasd."Alles voor de goede zaak." zegt Ruarc.
Zonder gezien te zijn lopen ze langs de muur naar de rivier waar inderdaad een aantal bootjes liggen. Ze maken er één los en roeien naar de overkant. Ze leggen de boot aan de overkant vast, want ze moeten straks nog terug. Bartimeüs gaat voorop richting de muur en ziet daar inderdaad een vuurtje. Hij sluipt erheen en zegt "psst, wij zijn het!""Haal de ladder!" klinkt het van boven.
Ze klimmen via de ladder omhoog de muur op en aan de andere kant naar beneden waar de graaf staat te wachten."Is dit hem?" vraagt graaf Serdik."De naam is Kyle, is het veilig?"Ruarc concentreert zich even en zegt dan: "Ja, ik heb ervoor gezorgd dat we niet afgeluisterd kunnen worden.""Dank je. Spreek beste Kyle.""Er gebeuren dingen waar ik me zorgen over maak. Ook over mijn eigen leven. Ik werk op de excavatieafdeling van het keizerlijk bureau. Daar behandelen we alle aanvragen van mensen die dieper dan drie meter willen graven. We hadden een hele goede excavatiemeester, Donovan, maar die is de stad ontvlucht. Ik vermoed dat hij onder druk is gezet. Daarna kwam Inez. Zij is nu de nieuwe excavatiemeester, maar ik heb geen idee waarvandaan ze is gekomen. Ik weet alleen dat ze uit Vandalus komt.
De naam Inez zegt Bartimeüs, Kritoias en Ruarc niets."En toen begonnen er dossiers te verdwijnen.""Wat voor dossiers?" vraagt de graaf."Dossiers over opgravingen in Branduïn. En dat is niet het enige. Orin, ook werkzaam op de afdeling, lag opeens dood in zijn kamer, vermoord. Ze zeiden dat hij al oud was, maar hij was nog geen zestig! Ik denk dat ze bezig zijn in de paleizen. We mogen nu niet meer in de benedenverdiepingen komen.""Wie heeft dat gezegd?""Dat is in opdracht van de keizer."
"Waarom zijn die dossiers zo belangrijk?" vraagt Kritoias."Die dossiers beschrijven wat er is geconstateerd bij de opgravingen. Er staat in dat er wezens gevonden zijn. Gevaarlijke wezens.""Weet je ook wat voor wezens?" vraagt Ruarc, "Aapachtige wezens?""Ja, wel behaarde wezens, dat zou best kunnen. Maar nu mag niemand meer naar beneden, ook Emmett, de Keep of the Vault niet.""Ah, die kelders waar artefacten van het keizerrijk liggen opgeslagen, zoals die staart die is gestolen." zegt Kritoias."Ja, jullie weten er wel veel vanaf, dat is geen publieke informatie.""We hebben de staart gezien." zegt Bartimeüs."Waar is hij nu?""Vernietigd."
"Het graven is in ieder geval ene plan van de mannen van Inez. Ze kregen een woordenwisseling met Emmett. Hij wilde ze tegenhouden, maar ze zeiden dat de toegang door de keizer was verleend en dat ze nu gingen graven. Ik heb Emmett gesproken en hij zegt dat dat naar het einde van de wereld leidt. Emmett is toen weggelopen.""Wat ligt er nog meer in die kelders onder het paleis?" vraagt Kritoias."Zaken uit andere tijden.""Ze zijn daar gaan graven?" vraagt Bartimeüs."Nee, ze waren op zoek naar oude dossiers en ze hebben wel iets gevonden, munten, maar die zijn nu verdwenen.""En wanneer zijn ze begonnen met graven?" vraagt Kritoias, "Is dat al maanden aan de gang?""Nee, een paar weken geleden.""En wie heeft opdracht gegeven?" vraagt Kritoias."De mond van de keizer."
Kritoias geeft Kyle een beschrijving van Fazuhl."Ziet de mond van de keizer er zo uit?"Eh, ja, maar ik ken hem als Albrian.""Wie heeft hem tot mond van de keizer uitgeroepen?" vraagt Kritoias."Dat weet ik niet.""Wanneer is hij Mond van de Keizer geworden?" vraagt Kritoias."Een paar weken nadat de keizer is verdwenen.""Dit scenario lag dus al klaar." zegt Bartimeüs, "Net als de activiteiten van die priesters van de groene maan."
"We moeten hier wel iets aan gaan doen." zegt Bartimeüs, "Is er geen rift onder het paleis?""Nee, er is geen rift in Branduïn, die is buiten de stad, bij de boom." zegt Kritoias."Wat praten jullie toch over riften?" vraagt Kyle."Die gevaarlijke wezens komen uit andere realiteiten, die met elkaar verbonden zijn door riften." zegt Kritoias, "Maar misschien zijn er nog andere manieren, zoals de Olcar deden.'"Olcar?""Een bepaald soort wezens, maar niet die types die onder het paleis zitten." zegt Ruarc."Dat verklaart misschien ook waarom er alleen lood in de loden stad is." zegt Kritoias, "Om datgene wat er onder zit vast te houden. Het wordt nergens anders echt gebruikt."
"Hoe komen we de loden stad in?" vraagt Bartimeüs."Via de poort of via meer onorthodoxe manieren, maar daar zal waarschijnlijk wel een beveiliging voor zijn aangebracht.""Ja, zeker." zegt Kyle, "De magiërs kwamen regelmatig langs.'"Aha." zegt Kritoias."Waar denk je aan?" vraagt Ruarc."Die spreuken hebben maar een beperkte duur." zegt Kritoias, "Spreuken permanent maken is alleen weggelegd voor de meest ervaren en wijze tovenaars. Bovendien kunnen die er ook maar één actief hebben. Maar de tovenaars hebben zich al een heel tijd niet laten zien, toch?""Nee." zegt Kyle."Dan is de kans groot dat een deel van die verdedigende spreuken niet meer werkt." zegt Kritoias.
"Misschien is dit nog interessant voor jullie, maar ik hoorde een tovenaar zeggen dat er een spreuk boven de kelders staat." zegt Kyle.Hij spreekt een paar woorden uit en Ruarc herkent vrijwel direct wat hij probeert te zeggen."Ik denk dat het dit is." zegt hij en spreekt de woorden op een andere manier uit die Bartimeüs en Kritoias direct als Vanyaans herkennen, "Vertaalt is dit 'De mens is des godens voedsel.""Dat klinkt onheilspellend." zegt Kyle."Niet per se." zegt Kritoias, "We weten dat de goden aanbidding nodig hebben om iets te kunnen doen, daar zou dit op kunnen slaan."
"Dit tovenaars zitten de hele tijd in hun eigen toren." zegt Kritoias, "Hoe handhaven ze het verbod op tovenarij?""Dat doen de tovenaarsjagers." zegt Kyle, "Daar lopen er een paar van rond.""Ik vraag me af hoeveel grip de tovenaars op de situatie hebben." zegt Kritoias, "Het zijn immers battle mages."
"Wilt u nog teruggebracht worden, of blijft u liever hier?." vraagt Ruarc."Ik vrees voor mijn leven." zegt Kyle."Ik verzeker u dat u veilig bent als u hier blijft.""Bovendien kan u daar ook weinig meer doen als het excavatiebureau terzijde wordt geschoven.""Heeft u familie?" vraagt Ruarc."Ja, een vrouw en kinderen.""Wonen die in de Loden Stad?" vraagt Ruarc."Nee, dat niet.""We kunnen ze veilig hierheen halen." zegt Grannie."Dank u." zegt Kyle."Laten we nu teruggaan naar het kasteel, het is een lange nacht geweest." zegt Grannie.
"Wilt u nog teruggebracht worden, of blijft u liever hier?." vraagt Ruarc."Ik vrees voor mijn leven." zegt Kyle."Ik verzeker u dat u veilig bent als u hier blijft.""Bovendien kan u daar ook weinig meer doen als het excavatiebureau terzijde wordt geschoven.""Heeft u familie?" vraagt Ruarc."Ja, een vrouw en kinderen.""Wonen die in de Loden Stad?" vraagt Ruarc."Nee, dat niet.""We kunnen ze veilig hierheen halen." zegt Grannie."Dank u." zegt Kyle."Laten we nu teruggaan naar het kasteel, het is een lange nacht geweest." zegt Grannie.
De rest van de nacht verloopt rustig.
De volgende ochtend gaat Kritoias eerst ontbijt halen. Tijdens het gezamenlijke ontbijt spreekt Edda de zegen uit: "Mode de godin met je zijn.""Dat is ze zeker." zegt Bartimeüs, "Ik kreeg gisteren een aansporing om zo snel mogelijk de tempel te bouwen.""Ja, daar willen we vandaag mee gaan starten." zegt Kritoias, "We hebben eigenlijk geen tijd te verliezen, dit is al de zoveelste keer dat we een directe aansporing krijgen.""Maar we zijn nog niet helemaal klaar." zegt Eileen."We hadden toch een plan?" vraagt Edda, "Eerst hier en dan op andere plaatsen en ten slotte in het tempelkwartier.""Ja, dat houden we aan, maar we moeten vandaag een boom gaan planten hier in de hoge stad." zegt Kritoias."Hebben we daar al een plaats voor?""Ja, dezelfde plaats die we eerder hebben besproken.""Dan moeten we wel de mensen bijeenroepen." zegt Eileen.
"Als het goed is dan zijn de gewaden klaar." zegt Bartimeüs, "Die kunnen we dan op gaan halen.""Moeten we dan geen processie houden?" vraagt Edda."Wat is dat?" vraagt Kritoias."Een soort optocht door de stad." zegt Eileen."Goed idee, dan kunnen we ook nog iets meedragen, een vlag of zo?" zegt Kritoias."Een staf met bladeren." zegt Edda, "Dat kunnen we regelen.'"En iemand moet de aandacht trekken." zegt Eileen."Daar is Ruarc the Magnificent voor!" zegt Ruarc.
De processie trekt een uur lang door de stad. Ruarc gaat voorop en proclameert met bijzonder luide stem de komst van de godin Tiana die hoop biedt in deze moeilijke tijden. Edda volgt hem, met de staf met bladeren, vergezeld door Edda. De anderen lopen erachter aan en tijdens de tocht verzamelen zich steeds meer inwoners die, vaak uit nieuwsgierigheid, willen weten wat er aan de hand is. De processie eindigt in één van de velden, op de plaats waar Serdik plaats beschikbaarheid heeft gesteld voor de tempel. Ruarc gebaart de mensen afstand te nemen en maant ze tot stilte. Dan neemt Edda het woord.
"Wij zijn hier bijeen op een heilige plek. Deze plek heeft Tiana ons aangewezen en op deze plaats zal hij zich aan ons openbaren. Hier is het dat wij haar eerste tempel zullen stichten. Hier is het begin, waarna er nog velen zullen volgen. Hier zal het wonder plaatsvinden, het wonder der natuur. Morgen zal hier een heilige eik verrezen zijn, de basis van de tempel en een teken van hoop. De groei is het teken van de herrijzenis, de herrijzenis van Branduïn."Edda knielt neer en graaft met haar handen een kuiltje waar ze eerbiedig één van de eikels die Bartimeüs heeft gekregen inlegt. Ze zegt een gebed en roept de aanwezigen op om morgen terug te keren om het wonder te aanschouwen.
"Dat ging niet verkeerd." zegt Kritoias, "Nog een aardige opkomst.""Ja, een man of 200." zegt Bartimeüs, "Ik heb nog een speed growth op de eikel gedaan.""Ik weet niet of echt nog effect heeft. Als die eik 40 meter hoog gaat worden gaat hij bijna een meter per uur groeien, dus we moeten al snel wat zien." zegt Kritoias."Ik denk dat een aantal mensen vannacht wel zullen blijven." zegt Ruarc."Ik zorg straks wel voor verlichting." zegt Kritoias.
Aan het einde van de middag, ongeveer vier uur na de ceremonie is er al een klein boompje gegroeid. Dat heeft ertoe geleid dat mensen al zijn teruggekeerd, maar ook dat er ongenode gasten zijn."Zeg, daar staat één van die gasten die ik heb achtervolgd." zegt Bartimeüs."Zullen we eens kijken wat ze hier doen?" vraagt Kritoias."Ja, het zijn herrieschoppers."
Bartimeüs en Kritoias lopen naar de acht mannen toe die van een afstandje staan te kijken."Zo, komen jullie ook om Tiana te aanbidden?" vraagt Bartimeüs."Nee, dat lijkt me niet.""O, wat doen jullie hier dan?" vraagt Kritoias met een suggestiespreuk aan één van de mannen die er een beetje bijstaan."We hebben opdracht om te kijken wat hier gebeurt.""Ssst." zegt de leider."O, waarom is dat geheim?" vraagt Bartimeüs."Dat is geen geheim." zegt de leider, "We gaan verslag uitbrengen wat hier aan de hand is.""Je gaat geen verslag uitbrengen aan degene die daarom gevraagd heeft." zegt Kritoias met een nieuwe suggestiespreuk."Nee, dat lijkt me niet nodig."Er komt een hond aanlopen die aan de mannen begint te snuffelen en naar ze begint te grommen."Kom op jongens, we gaan." zegt de leider en de mannen druipen af.
In de loop van de avond keren de mannen terug. De boom is dan al tien meter hoog en mooi beschenen door een grote bol van licht. Kritoias loopt even weg, maakt zich onzichtbaar en gaat ze afluisteren. Als hij naar de mannen toeloopt krijgt Ruarc krampen en loopt even een stukje bij de boom vandaan."Vanavond blijven hier natuurlijk allemaal mensen staan. Dan kunnen we nu niets doen, we moeten iets anders verzinnen. We kunnen dit voor ons gebruiken.""Hoe dan?" vraagt een ander."Ze maken nog wel een fout. Het is wel imposant. Ze kunnen echt wel wat. Er zijn twee dames, daar moeten we ons op richten. Hé, één van die gasten is weg. Kijk eens waar hij heen is.""Er zijn er twee weg. Alleen dat agressieve ventje staat er nog. Die klootzak pakken we nog wel.""Waar is die andere grote?""Die staat daar verderop in de bosjes te zeiken.""Kom we gaan, vandaag kunnen we hier niets meer doen."
Na een paar uur gaat Bartimeüs slapen in de buurt van de boom en hij probeert in de droom van degene te komen die hij heeft achtervolgd.Hij stapt een bordeel binnen waar uitgebreid gedronken en gefeest wordt. Daar zit de man in gezelschap van een aantal mollige mooie dames. Bartimeüs loopt naar hem toe en tikt hem op zijn schouder. De man kijkt om."Zo, dus ik ben een vervelend agressief mannetje?""Ja, wat had je anders gedacht.""Nou, ik wil dat je je gezicht niet meer laat zien.""Is dat een bedreiging? Wat denk je als er gebeurt als je mij wegjaagt?""Dan sturen ze iemand nieuw. Wie stuurt ze?""Dat ga ik jou niet vertellen.""Ben je gehecht aan je linkerarm.""Zo, stoef mannetje. Ga je dreigen?""Ik dreig niet, ik doe."Bartimeüs pakt zijn magische bijl en hakt op de linkerarm van de man in. De gasten in het bordeel beginnen te gillen. Dan verdwijnt hij en wordt het donker. Bartimeüs staat in doodse stilt in het donker en voelt zich heel bang worden. Het wordt zo erg dat hij bijna overweegt om zichzelf te gaan slaan. Dan wordt hij wakker.
De volgende ochtend staat er een dertig meter hoge eik in het veld. Er vindt een grote toeloop plaats uit de hoge stad."We moeten ook mensen uit de rest van de stad halen." zegt Kritoias."Ja." zegt Ruarc, "We hebben ambachtslieden nodig om de tempel te bouwen.""Die zijn er nu genoeg, de andere bouwwerkzaamheden liggen stil." zegt Bartimeüs."En we hebben wel goud om materialen te kopen en ze te betalen." zegt Kritoias, "Hopelijk kunnen we dat doen zonder al te veel inmenging van de groene god."Grannie komt zeer verbaasd aanlopen."Wat is hier gebeurd?""Een wonder, we zijn begonnen met het stichten van de tempel." zegt Bartimeüs, "We hebben een zachte aansporing gekregen van hogerhand.""We moeten de boel nu wel bewaken en we willen de poort openzetten om vooral ambachtsliederen hierheen te halen.""Daar kunnen wij wel bij helpen. Ik heb nog met de graaf gesproken en die andere situatie is zeer verontrustend. We willen jullie vragen daar zo snel mogelijk actie op te ondernemen."
"Nou, laten we dan maar gelijk gaan kijken bij de loden stad." zegt Kritoias."Nu meteen?" vraagt Ruarc."Ja, waarom niet." zegt Kritoias, "De boel hier wordt beveiligd door de graaf en wij kunnen hier voorlopig toch weinig uitrichten.""Eens, dan kunnen we net zo goed kijken of we de loden stad binnen kunnen komen om met die Emmett te praten.""Hoe gaan we dat doen?" vraagt Ruarc."Ik denk dat we eerst kunnen proberen om via de normale ingang binnen te komen." zegt Kritoias, "Jij hebt als bard een optreden daar. Is dat geen goed verhaal.""Alleen als ze Ruarc the Magnificent kennen." zegt Ruarc."Dat zal toch geen probleem zijn." zegt Bartimeüs, "Hoe gaan we daar komen?""Buitenom." zegt Kritoias, "Dan komen we via een normale poort binnen. Dat lukte gisteren ook. Ik vind het niet handig om door de smokkeltunnel te gaan. Wie weet waar dan weer tegenaan lopen."
Ze informeren Granny over hun plan en lopen dan naar de plaats in de muur waar ze altijd naar boven komen en klimmen naar beneden. Ze lopen, op enige afstand van de muur, om Branduïn heen tot ze bij de East gate komen. Volgens Bartimeüs worden ze niet gevolgd. Dit is niet de juiste poort om bij de loden stad te komen, dus ze lopen door naar de noordoostelijke poort, waar ze wel eens eerder naar binnen zijn gekomen. Bij het poortgebouw staat een rij van mensen en wachters en priesters van Sal'ar controleren wie er binnenkomt."Zo, wat doe je hier?" vraagt de wachter als ze aan de beurt zijn."Het behaagt Ruarc the Magnificent om hier zeven dagen op te treden." zegt Ruarc."Ben je uitgenodigd?" vraagt de wachter."Jazeker.""En wie zijn deze twee gasten? Ze zien er niet echt uit als bewakers.""Nee, zij ondersteunen mij bij mijn optreden. Dat is zeer belangrijk.""Nou ok, loop maar door."
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen door de wijk naar de brug naar het tempelkwartier. Daar moeten ze een stukje doorheen tot ze bij de weg naar de loden stad komen waar een poortgebouw is. Onderweg worden ze wel in de gaten gehouden door een priester."Goedemiddag heren." zegt de wachter, "Willen jullie hier doorlopen?""Ja, ik ben uitgenodigd om mijn kunsten te vertonen.""Ok, mag ik de uitnodiging even zien?""Het is een mondelinge uitnodiging. Mijn naam is Ruarc the Magnificent. U heeft vast wel van mij gehoord.""Nee, helaas, je faam heeft mijn oren niet bereikt.""Kunnen we geen toegangspas kopen?" vraagt Bartimeüs, waarop de wachter hem wat vragend aankijkt."Ik ben uitgenodigd door Emmett, die van de archieven.""De keldermeester." zegt Kritoias."We hebben afgesproken in een herberg.""Welke herberg?""De...eh....eh..de Goudhaan?" zegt Ruarc.De wachter kijkt naar zijn collega.
"Zijn er problemen heren?" vraagt een man die hen achterop is gelopen."Eh.""Ik neem aan dat er sprake is van een misverstand." zegt de man tegen de wachters, "De heer Ruarc is met zijn gezellen uitgenodigd voor een optreden. Laat ze naar boven gaan.""Ja, natuurlijk. Loopt u door heren."De man loopt niet met hen mee."Wat was dat nou?" vraagt Bartimeüs."Ik heb het vermoeden dat de tovenaars hier ook een belang bij hebben." zegt Kritoias, "Deze man heeft duidelijk een toverspreuk gebruikt om de wachter te beïnvloeden. Dat opent perspectieven."
Ze lopen langs de heuvel waar de loden stad op is gebouw omhoog over de goed onderhouden weg. Boven aan de heuvel komen ze bij een volgend poortgebouw. Opnieuw met wachters."Daar gaan we weer." zegt Bartimeüs."Goedemorgen, wat is de reden van uw bezoek?" vraagt de wachter."Ik ben hier voor een optreden. Mijn naam is Ruarc the Magnificent.""Waar treedt u op?""Dat weeg ik nog niet, ik volg het feestgedruis.""Ok, loop maar door."Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen door het poortgebouw heen. Kritoias ziet een grote soldaat zitten."Kijk daar, een supersoldaat." zegt Kritoias en stoot Bartimeüs en Ruarc aan."Daar moeten we wel rekening mee houden." zegt Bartimeüs.
Ze lopen door de straten van de loden stad waar prachtige woonhuizen staan. De straat leidt naar een druk marktplein waar van alles wordt verhandeld. Aan de overgang van het marktplein is een poortgebouw waarachter het paleis te zien is."Daar komen we niet zo makkelijk binnen." zegt Ruarc, "Ik kan niet zeggen dat ik ben uitgenodigd door de keizer.""Jawel, dan heb je jezelf uitgenodigd." grapt Bartimeüs."We moeten een boodschap bij Emmett krijgen zodat hij ons kan uitnodigen." zegt Kritoias, "We kunnen een brief sturen. Dan moeten we wel perkament, inkt, een ganzenveer en was hebben. O, en ook nog iets van een zegel.""Ik heb genoeg zegelringen." zegt Bartimeüs en tikt op zijn buidel."Als iemand die herkent hebben we een probleem." zegt Ruarc, "Misschien iets anders?"Een dure munt met de beeltenis van de keizer, is dat een optie?" vraagt Bartimeüs."Perfect." zegt Kritoias, "Nu eerst die schrijfspullen kopen en dan moeten we hier ergens een geschikte plaats vinden om de brief te schrijven.""Daar, Het Keizers Genot, is dat wat?" vraagt Ruarc en wijst naar een luxe uitziend etablissement aan de rand van het plein."Die luxe, daar wen je snel aan zie ik al weer." zegt Kritoias, "Maar dat voldoet prima. Ik zal even vragen waar ik schrijfgerei kan kopen."
Een vriendelijke voorbijganger verwijst ze naar een straatje waar ze schrijfgerei kunnen kopen. Goedkoop is het niet, maar het is voor een goed doel. In ieder geval zijn de vellen papier nog niet zo duur als runenpapier. Wel hebben ze nog meer nodig dan ze dachten, inclusief zand om de inkt te drogen.
Tegen het middaguur gaan ze Het Keizers Genot binnen en kiezen een plaats achterin waar ze rustig kunnen schrijven. Ruarc schrijft de mooiste brief die hij ooit heeft gemaakt waarin hij enigszins verhult Emmett schrijft dat zij gehoord hebben van de dreiging via een kennis en dat ze graag een onderhoud willen. Als hij contact wil, dan zijn ze te vinden in Het Keizers Genot."Het is waarschijnlijk ook de enige brief die je ooit hebt geschreven." zegt Kritoias."Hoe krijgen we die nu bij Emmett?" vraagt Bartimeüs."We moeten hem afgeven bij de wachters en vragen of ze hem bezorgen." zegt Kritoias, "Een andere optie zie ik zo niet direct."
Ze betalen bij Het Keizers Genot, maar vragen om hun tafeltje te reserveren, omdat ze zo weer terugkomen. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen naar de poort naar het paleis, waar naast de normale wachters, die er hier nog wat zwaarder bewapend en bepantserd uitzien, ook twee supersoldaten nogal passief zitten te wachten."Halt, wat komt u doen?""Wij hebben een boodschap die we moeten bezorgen." zegt Kritoias."Voor wie is die boodschap?""Voor Emmett, de keldermeester." zegt Kritoias."Ok, geef maar hier.""Wij hebben de opdracht om de boodschap persoonlijk te overhandigen." zegt Ruarc."Ha, dat mocht je willen. Geef hem maar aan mij, dan zorg ik dat hij bij hem terechtkomt.""Uitstekend." zegt Kritoias, die intussen toverspreuk gebruikt, "Geef deze boodschap dan maar direct af bij Emmett de keldermeester." en hij geeft de man de rol perkament."Ja, dat ga ik doen." zegt de wachter en loopt weg naar het paleis, de andere wachter enigszins verbouwereerd achterlatend."Dank je wel." zegt Kritoias nog.
Als ze terug zijn in Het Keizers Genot vraagt Bartimeüs wat daar nu gebeurde."Ik heb hem een queeste gegeven om de boodschap direct af te geven." zegt Kritoias, "Er gebeuren nare dingen met hem als hij dat niet doet."Vervolgens maken ze zich gereed om lang te wachten. Misschien moeten ze hier wel ergens overnachten, of morgen terugkomen.
Een paar uur later, in de namiddag komt een jonge dame Het Keizers Genot binnen, kijkt even rond en loopt dan op hen af."Dag, bent u de heren van de boodschap?""Ja, dat klopt, welkom." zegt Ruarc, "Even een ogenblik."Ruarc concentreert zich even."We zijn nu vrij om de zaken te bespreken.""Ik begrijp dat jullie op de hoogte zijn van de situatie.""Voor een deel, we hebben iets vernomen van iemand die Emmett heeft horen praten met de mensen die aan het graven zijn en wij maken ons ernstig ongerust en willen graag helpen.""Kennen jullie de ontstaansgeschiedenis van Branduïn?""Nee, die kennen we niet, of Ruarc?""Eh, die heb ik op mijn reizen nog niet gehoord."
"Goed, in de korte versie is de stad gebouwd op de resten van de oude god.""Een oude god, interessant, misschien is het wel een cyclus." zegt Kritoias."Een cyclus?" vraagt de dame."Dat er steeds een god komt, die dan later weer sterft om opgevolgd te worden door een nieuwe god, maar laat mij je niet onderbreken.""Diep onder het paleis is een ruimte die is afgesloten en die daarmee te maken zou hebben. Er staat een rune op de toegangsdeur en het is alleen mogelijk om die met behulp van magie te openen. Dat is ook de connectie met de magiërs. Ronan, de magister van de toren, heeft de stad in brand gestoken. Ze zeggen dat hij niet zichzelf is of was. Hij is opgepakt en wordt nu vastgehouden in het paleis. Ze hebben de magiërs nodig om het zegel te verbreken, maar die hebben om dat te voorkomen zichzelf afgezonderd. Dat is niet normaal gedrag.""Wat zit er dan achter dat zegel?" vraagt Kritoias.
"Kennen jullie Mulin de Ziener? Die heeft gezegd dat de mens des godes voedsel is. Het gesloten portaal zou een portaal naar de verdoemenis zijn waar in de diepte het kwaad huist. Dat kwaad is in het verleden verdreven en wil nu terugkeren.""Dat zou matchen met het wezen dat huishoudt onder de Vanyana." zegt Bartimeüs."Daar heb ik niet van gehoord.""Dat komt omdat dat in een andere wereld is die een connectie heeft met onze wereld, maar ga verder." zegt Kritoias."Maar hoe kunnen jullie ons helpen?" vraagt ze."Wij moeten het paleis in zien te komen." zegt Kritoias, "Wij weten vrijwel zeker dat de Mond van de Keizer helemaal niet echt namens de keizer spreekt, maar zich in die positie heeft geplaatst.""Hoe weten jullie dat?""Wij denken dat zijn naam Fahzuhl is. Hij heeft een tijd in Vandalus gewoond en was daar de begeleider van de nicht van keizer, de koningin van Vandalus.""Dat zou wel passen met de geleerden van Vandalus die nu alle geschriften uit de kelders aan het doornemen zijn om te leren hoe ze de poort kunnen openen.""Wij willen hem stoppen, maar dan moeten we wel op één of andere manier het paleis in kunnen komen.""Jullie weten veel meer dan ik had gedacht, maar ik moet nu gaan, anders valt het op.""Kunnen we opnieuw afspreken?" vraagt Ruarc."Ja, over twee dagen.""Weer hier?" vraagt Ruarc."Nee, bij de ambachtswinkel van Lugh de schoenmaker.""Prima, wij blijven hier nog even zitten.""Tot ziens."
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc wachten even en lopen dan over het marktplein richting de poort tot het Kritoias een goed idee lijkt om eerst even te kijken waar Lugh zit. Na wat aanwijzingen te hebben gekregen vinden ze de schoenmakerij en daarna vervolgen ze hun reis naar buiten. De wachters hebben nu geen belangstelling voor ze en ze gaan via dezelfde weg terug als ze waren gekomen.In het tempelkwartier komt iemand op ze af."Mag ik u iets vragen?""Nee." zegt Bartimeüs."Waarom niet?""Dat gaat je geen reet aan, vanwaar de vraag?""Jullie zijn op zoveel plekken waar zoveel gebeurd, daar hebben we steeds meer interesse in.""Waarom houden jullie ons in de gaten?""Misschien zijn jullie wel agenten van een onbekende macht. Voor wie werken jullie?""Beolin." zegt Kritoias.Daarna lopen ze door naar de poort.
Aan het einde van de middag komen ze bij de boom aan die nu volledig gegroeid is. Sinds vanochtend is er niet heel veel lengte meer bijgekomen."Ik wil wel eens kijken of ik die man nog kan vinden, die aanvoerder van dat groepje gisteren." zegt Bartimeüs."Hier is hij niet." zegt Ruarc."Nee, ik ga wel kijken in de herberg."Bartimeüs loopt naar de herberg toe waar hij de man gezien heeft. Die is daar niet, maar wel twee van zijn vrienden. Bartimeüs loopt naar ze toe."Heren, ik ben op zoek naar jullie vriend.""He, jij bent een van die gasten.""Waar is jullie vriend?""Weg, geen idee waar hij is." zegt de ander, "Waarschijnlijk terug naar Branduïn-stad.""Jammer, ik had hem graag gesproken.""Ja, lekker hoor, door jou hebben we geen werk meer.""Dat is mooi. Was er geen ander werk?""Nee, we zijn ontheven van onze timmertaken.""Ah timmer-taken." zegt Bartimeüs."Ja, de grote baas had een ander idee.""Wie is dat?""Geen idee, wij zijn ook maar ingehuurd.""Dank je wel." zegt Bartimeüs, wenkt een serveerster en bestelt twee grote kroezen bier voor de mannen.
"Nog iets gevonden?" vraagt Kritoias als Bartimeüs terugkomt in hun huis."Nee, dit waren ook gewoon ingehuurde gasten." zegt Bartimeüs."Ik heb toch het gevoel dat we gewoon naar binnen moeten gaan en Fazuhl doodmaken." zegt Kritoias."Dat kunnen we ook doen." zegt Bartimeüs."Maar ik heb te weinig energie om dat makkelijk met zijn drieën te doen." zegt Kritoias, "Ik denk dat het wel beter bewaakt wordt dan dat stadhuis in Nymarc waar de koning van Vandalus zat.""Laten we eerst die extra info ophalen van die kerkermeester." zegt Ruarc, "Dan kunnen we verder kijken."Ze discussiëren nog verder die avond onder het genot van een mok bier.
Tijdens zijn wachtbeurt voelt Bartimeüs een lichte trilling. Het lijkt een beetje op wat hij voelde toen de Olcar naar deze realiteit kwamen, maar toch niet helemaal. Ongeveer 30 seconden later volgt een tweede trilling."Ik geef mij volledig over." mompelt Ruarc en doet zijn ogen open."Wat is er?" vraagt Bartimeüs, maar Ruarc reageert niet op hem."Wat brengt jou hier?" vraagt hij aan iemand die Bartimeüs niet ziet en begint naar buiten te lopen.Bartimeüs probeert hem tegen te houden, maar Ruarc doet zijn mond open en spuwt vuur naar Bartimeüs die daardoor geraakt wordt en vervolgens Ruarc op zijn hoofd slaat om hem tot reden te bewegen. (of zoiets, ik kon mijn aantekeningen niet echt volgen). Ruarc lijkt wakker te worden en is verbaasd dat hij vuur naar Bartimeüs heeft gespuwd. Ik heb er geen herinnering aan.Dan trilt de grond weer, nu wat langer.
Ruarc staat op een heuvel, ergens buiten. Op een andere heuvel ziet hij lichtjes. Hij hoort een stem die hem zegt dat het leger dat hij ziet, het dorpje zijn volk is en waarom hij niet daar is. De stem vraagt wie de mensen zijn die om hem heen staan, is hij ontvoerd? Het is belangrijk om daar verderop op de heuvel te zijn.Bartimeüs probeert Ruarc te laten struikelen, maar die ontwijkt zijn tackel. Kritoias ziet vaag een verschijning die hier niet hoort. Hij probeert Ruarc in slaap te toveren, maar ook dat mislukt. Ruarc loopt naar de boom, waar hij een lichtgevende verschijning ziet, een vrouw, die hem aanvalt. Dan valt hij neer.
Even later komt hij weer bij."Wat was dat?" vraagt Bartimeüs."Ja, weet niet." zegt Ruarc, "Gisteren had ik er ook al een beetje last van.""O, en dat zei je niet." zegt Kritoias."Ik dacht niet dat het een probleem zou zijn. Ik zie trouwens ook af en toe een soort draakverschijning.""Ha, dat zitten we in het zelfde team." zegt Bartimeüs."Nee, jij zit in team Balbar." zegt Ruarc.
Ze zien Ka-el aan komen rennen vanaf de boom."Wat is er aan de hand?" vraagt Bartimeüs."Er is iets gebeurd bij de boom." zegt hij, "Edda is flauwgevallen."Ze lopen naar de boom, want het lijkt erop dat dit te maken heeft met wat Ruarc aan het doen is. Daar zien ze dat er een grote haal van een klauw op de boom zit."Deed ze iets?" vraagt Kritoias."Ze raakte de boom aan na die laatste trilling en toen viel ze achterover." zegt Ka-el."De godin heeft meer aanhangers nodig." zegt Bartimeüs, "Dan kan ze die aanvallen wel aan. Maar wacht, ik kan de boom wat vragen denk ik."
Bartimeüs concentreert zich en begint een gesprek met de boom:"Wat is er gebeurd?""Pijn, een klauw uit de duisternis.""Wat het draakachtig?""Een oude kracht wordt wakker, eerder dan verwacht.""Heeft het te maken met de loden stad? Waar ze graven om de oude goden vrij te laten?""Ze graven op de verkeerde plek. Maar de eerste stap is gezet en er is daar iets.""Kunnen wij wat doen?""We zijn nog niet sterk genoeg, stop ze, ik hoop niet dat ze weten waar ze wel moeten zijn. Verspreid het woord!"
"Wat is hier gebeurd?" vraagt Edda, die wakker is geworden. Ze ziet dat Bartimeüs gewond is en geneest hem met de kracht van de godin."Het is nog niet te laat, interessant." zegt de boom tegen Bartimeüs, "Hebben we dit kunnen voorzien?"Dan blijft de boom stil.Ze gaan terug om te overleggen wat ze moeten doen en komen tot drie mogelijk acties: Nu naar binnen gaan, wachten op Lugh, of eerst info gaan verzamelen over het paleis. Ze besluiten om het tweede te doen.Tijdens zijn wachtbeurt ruikt Kritoias de geur van brandend hout.
Kritoias gaat op weg om eten te halen en Granny te informeren. Hij gaat hem vragen of ze weten hoe het kasteel in de loden stad in elkaar zit, zodat ze daar rond kunnen gaan lopen. Granny tekent een kleine kaart. In het hoofdgebouw zit de kerk van het kasteel. In het voorste gedeelte is de entree naar de kelders.
Na een verder overleg besluiten ze om gedurende de dag al naar het tempelkwartier te gaan, zodat ze morgen tijdig in de schonenwinkel kunnen zijn. Na wat uitrusten verlaten ze de stad weer via het touw en lopen om naar de oostelijke poort. Ze zoeken onderdak in The Worm and Willow, een aardige herberg in het tempelkwartier.Bartimeüs vindt dat het tijd is voor actie. Hij zeurt net zolang bij Kritoias totdat die met hem naar buiten gaat en hem onzichtbaar maakt. Dan loopt Bartimeüs naar de plaats waar de ruïne van de tempel van de keizer stond en plant daar de volgende eikel van de godin.Ondertussen genieten Kritoias en Ruarc van een bard in The Worm, volgens Ruarc heeft de jonge man zowaar talent!
's Nachts blijft het dit keer rustig
Na een goed ontbijt gaan ze op weg naar de loden stad. Ze komen bij de eerste poort en zeggen dat ze schoenen komen ophalen bij Lugh. Samen met de mooie kleding die ze dragen en een rinkelende buidel laten de wachters ze snel door. Dat is ook het geval bij de tweede poort. Even later melden ze zich bij Lugh de schoenmaker. Ze mogen direct mee naar achteren, waar Vahal, op ze zit te wachten. Hij is ingehuurd door Emmett. Hij vertelt Bartimeüs, Kritoias en Ruarc dat zij zich moeten voordoen als schriftgeleerden uit de Prinsdommen die Emmett komen helpen bij een klus. Er is een document in de archieven waar hij hun hulp bij nodig heeft.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc komen na een korte wandeling bij de poort naar het paleis aan. Ze herkennen geen van de wachters van de vorige keer dat ze hier waren."Goedemorgen.""Goedemorgen.""Wat brengt u naar het paleis?""Wij hebben een afspraak met kerkermeester Emmett." zegt Kritoias, "Hier is de uitnodiging.""Wacht u hier." zegt de wachter, loopt het terrein van het paleis op en verdwijnt in één van de gebouwen.
Na vijftien minuten komt de wachter terug."Volgt u mij maar.""Dank u." zegt Kritoias.De wachter gaat Bartimeüs, Kritoias en Ruarc voor en loopt door het poortgebouw naar een binnenplaats waar ze afbeeldingen van draken, legers, bomen en druïden zien. Ruarc stoot Bartimeüs aan en wijst naar de reliëfs.De wachter doet een deur open naar een wachtruimte."U kunt hier wachten." zegt hij, "Er komt iemand om uw zaak verder te behandelen.""Fijn, bedankt." zegt Bartimeüs.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen de kamer binnen, die mooi is versierd met reliëfs die het verhaal van de strijd tegen de druïden volgen. Er staan wat stoelen en tafels en er zijn wat versnaperingen.
Het duurt meer dan een uur voordat er een vrouw met Vandalusische trekken en tongval de kamer betreedt."Goedemorgen heren, u bent hier gekomen vanwege een uitnodiging?""Ja, dat klopt." zegt Kritoias, "Wij zijn Bartimeüs, Ruarc en Kritoias uit de Prinsdommen en kerkermeester Emmett heeft onze hulp gevraagd bij de ontcijfering van een aantal schriftrollen die uit onze streek afkomstig zijn.""En wanneer is die uitnodiging bij u aangekomen?""Dat is al enige tijd geleden." zegt Ruarc, "Wij zijn vanuit het noorden hierheen gereisd.""En u bent schriftgeleerden?""Ja, wij bestuderen de oudere schriftrollen uit de prinsdommen." zegt Ruarc."Ik wist niet dat daar veel op papier werd gesteld.""O, zeker wel, voornamelijk administratie, maar er zitten ook oude verhalen bij, daar ben ik dan vooral in geïnteresseerd." zegt Ruarc."Wat voor verhaal heeft u dan vooral onderzocht?""Het verhaal over de druïdejagers." zegt Ruarc."U heeft misschien al gehoord dat Emmett een andere rol heeft gekregen? Hopelijk is uw reis daardoor niet vergeefs geweest. Volgt u mij maar."
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc volgen de dame naar de overkant van het plein waar de verblijven voor de bedienden en gasten zijn gevestigd. Die verblijven zien er beter uit dan sommige patriciërhuizen in Nymarc. Ze gaan de hal binnen, nemen een gang en komen dan in een gemeenschappelijke ruimte uit."Daar is Emmett." zegt de vrouw en wijst een man van middelbare leeftijd aan die aan een grote tafel zit. Emmett staat op en loopt op ze af."Heren, fijn dat jullie hier zijn na zo'n lang reis.""Het genoegen is geheel aan onze kant." zegt Ruarc."Ik hoop dat jullie een goede reis hebben gehad.""Er waren betere en mindere gebeurtenissen onderweg." zegt Bartimeüs, "Maar nu zijn we hier.""Kom, neem plaats." zegt Emmett.Ze gaan zitten en de vrouw gaat erbij zitten."Waar verblijven jullie nu?" vraagt Emmett."In The Worm and Willow." zegt Ruarc."Wij kunnen hier wel voor verblijf zorgen." zegt Emmett, "Het gaat wel enige tijd uren om de tientallen documenten te onderzoeken die ik voor ogen heb.""Dank je wel." zegt Bartimeüs.Omdat de vrouw erbij zit praten ze daarna alleen maar over koetjes en kalfjes. Even later komen er ook bedienden met eten en drinken.
Aan het begin van de middag komt een bediende naar de tafel waar ze 'gezellig' aan het keuvelen zijn."Heren, uw vertrek is klaargemaakt.""Ah, fijn, ik ben benieuwd hoe het eruit ziet." zegt Bartimeüs."Wilt u mij volgen?""Zeker, tot later Emmett." zegt Bartimeüs.Ze nemen voor nu afscheid en volgen de bediende door een gang. Aan het einde gaan ze een trap omhoog."U heeft een vertrekt op de eerste verdieping, kamer nummer 7. Het schijthuis is hier aan het einde van de gang.De bediende gaat hen voor en doet kamer 7 open. Het is een ruime kamer en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan naar binnen."Beneden is het badhuis, heeft u andere vragen dan kunt u het gewoon vragen.""Dank je wel." zegt Kritoias en geeft de bediende een koperstuk.Die knikt even en verlaat dan de kamer.
De kamer die ze toegewezen hebben gekregen ligt aan de pleinkant van het gebouw en daardoor hebben ze een mooi uitzicht op de binnenplaats en de toegang naar het paleis zelf en niet op de muur van het kasteel. De onderste verdieping van hun gebouw is van steen, maar de bovenliggende zijn van hout gemaakt. Dat kunnen ze eigenlijk nu pas zien omdat de muren en het dak voorzien zijn van een dunne laag lood.Het meest imposant is het grote gebouw in het midden van het kasteel. Aan de voorkant heeft het zo te zien een soort hal van iets meer dan twee verdiepingen hoog. Het achterste deel bestaat uit drie verdiepingen is ongeveer 15 meter hoog. Naast het hoofdgebouw staat een klein gebouwtje dat aan de decoratie te zien een kapelletje lijkt te zijn. Daarnaast staat nog een rijk bijhuis. Tegen de muur staan aan die kant van het plein ook de barakken waar soldaten bezig zijn met execeren en onderhoud van hun wapenrusting en wapens.
"Zullen we eens bij dat tempeltje gaan kijken?" vraagt Ruarc."Ja, ik ben benieuwd of daar nog een priester is en wat die van de situatie vindt." zegt Kritoias.Ze laten hun wapens op hun kamer, want het is wat vreemd om hier met een heel arsenaal rond te lopen.Van dichtbij zien ze dat het inderdaad een kapel is die gewijd is aan de keizer. Ze zien de gebruikelijke iconografie met vliegende serpenten. De deur van de kapel is open en ze lopen naar binnen. Daar staat een beeld van de keizer dat nog heel is. Het gezicht lijkt niet heel erg op de andere gezichten die ze gezien hebben. Kennelijk is hier vrijwel altijd sprake van artistieke vrijheid en is het niet een natuurgetrouwe afbeelding.Van achteren komen twee priesters aanlopen. Althans, Bartimeüs, Kritoias en Ruarc nemen aan dat het priesters zijn, want ze hebben gewone kleding aan en geen gewaden."Welkom in de kapel. Wat kunnen wij voor jullie doen?""Wij komen hier eerbewijzen." zegt Kritoias, "Wat een mooie kapel is dit.""Dank je wel."Bartimeüs en Kritoias gaan bidden voor het beeld. Ruarc blijft staan en ziet dat één van de priesters een mes begint te trekken, maar de andere priester houdt hem tegen.
"Wat vinden jullie nu van die situatie in de stad?" vraagt Bartimeüs, "Dat de tempel van de keizer daar vernield is.""Dat is een ongebruikelijke situatie." zegt één van de mannen."Ja, hebben jullie nog contact met de hogepriester?" vraagt Kritoias."Eh, nee, die hebben we al een tijd niet meer gezien.""Op andere plekken hebben we helaas ook beelden van de keizer vernield zien worden." zegt Bartimeüs, "Is nu duidelijk wat de situatie rondom de keizer is? Er zijn conflicterende verhalen.""Er is een mond van de keizer, dus er is ook een keizer." zegt de priester."Dat is een interessante zienswijze." zegt Kritoias, "O, hier is nog een donatie."Kritoias pakt een zilver en legt dat voor het beeld neer."Dank u."
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen weg. Kritoias doet snel een sly ears om te proberen iets op te vangen wat de priesters zeggen, maar dat is niets bijzonders."Raar, één van hen trok een mes." zegt Ruarc."Wanneer?" vraagt Bartimeüs."Toen jullie voor het beeld zaten.""Ja, dat is vreemd." zegt Bartimeüs, "Ze hadden ook geen gewaden maar normale kleding. Ik vertrouw het niet helemaal.""Het is tijd voor een verkenning van dat grote gebouw." zegt Bartimeüs, "Iets met onzichtbaar?""Ja, en vliegen, alleen even door de ramen kijken waar dat kan." zegt Kritoias.
Ze lopen terug naar hun vertrek en doen de luiken open"Ok, als ik de spreuk heb gebruikt kan je een uur vliegen, let daarop. Die onzichtbaarheid duurt een dag, dus dat is geen probleem.""Check." zegt Bartimeüs.Kritoias betovert Bartimeüs en die klimt voorzichtig het raam uit en vliegt naar het grote gebouw. Kritoias ziet een soort groenig lichtschijnsel bij het uitspreken van de vliegspreuk.
Na bijna een uur laat hij, zoals gebruikelijk, Kritoias en Ruarc schrikken als hij terug is in de kamer."En wat is de situatie?" vraagt Ruarc."Het zijn drie verdiepingen. Beneden zijn er geen geen luiken, dus ik vermoed een zaal of zo. Op de eerste verdieping zijn de meeste luiken dicht. Ik heb er één opengemaakt en daar was een mooie kamer met een ledikant, dus iets van een slaapvertrek. Op de tweede verdieping zijn er luiken in het dak van de grote hal hiervoor, in het hoofdgedeelte zijn er aan de voorkant geen luiken. Aan deze rechterkant stonden er een paar open, daar was een salon waar iets van 5 mensen over zinloze dingen aan het praten waren. Die salon en waarschijnlijk ook ruimtes er naast komen uit op een grote feestzaal waar ook een trap naar beneden is. Aan de andere kant van het gebouw was een werkkamer waar iemand aan een bureau zat te schrijven. Ik ben nog even teruggegaan en volgens mij is dat een magiër. Hij had een gewaad aan en schreef iets over wat hij had geprobeerd en dat de enige reactie lichteffecten waren. Ik heb zeker niet alles gezien want veel van de luiken waren dicht."
"Die torens op het dak lijken voor de sier te zijn. Vanuit één van die torens kan je op het dak komen, waarschijnlijk om onderhoud te plegen. Ik ben ook nog even in het tempel geweest. Die mannen zijn daar nog en er zijn normale tempelspullen, niets bijzonders.Dat gebouw dat er naast staat is dichtgespijkerd, zowel de luiken als de deuren en dat is al een tijd terug gedaan.""Maar geen spoor van Fahzuhl." zegt Kritoias."Nee, die moet daar toch ook ergens slapen." zegt Bartimeüs."Gaan we eerst kijken wat Emmett te vertellen heeft?" vraagt Ruarc."Ja, we moeten een plan maken om te ontdekken waar Fahzuhl zit, maar dat zal vast met die Vandalusiaanse geleerden te maken hebben." zegt Kritoias, "Zou die man die je hebt gezien de magiër zijn die ze hebben meegenomen?""Je bedoelt Ronan?" vraagt Ruarc, "Mogelijk, maar hoe komen we daar achter zonder ons verdacht te maken?"Iemand klopt op de deur. Bartimeüs doet open en ziet een bediende die hen een uitnodiging brengt voor het diner, van Emmett. Als de avondklok klinkt, dan kunnen zij naar de grote zaal beneden komen.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc praten de rest van de middag over wat ze zouden kunnen doen, maar weten nog niet een goed onderbouwd plan te formuleren. Dan gaat de bel en gaan ze naar beneden voor het diner. Ze verwachten om alleen met Emmett te kunnen spreken, maar dat blijkt een misrekening. Een aantal Vandalusiaanse schriftgeleerden schuift ook aan, inclusief de dame die ze eerder hebben ontmoet, Inez. Ze probeert te achterhalen waar Bartimeüs, Kritoias en Ruarc nu precies voor komen, maar die houden zich op de vlakte. Emmett geeft aan dat het om documenten uit de openbare sectie gaat. Om te laten zien dat ze echt iets van verhalen weten vertelt Ruarc op magnifieke wijze het verhaal van Tristram en Izeld, een oud verhaal uit de prinsdommen.
Kritoias probeert er nog achter te komen hoe zit met de zogenaamd verdwenen keizer, die zou er immers moeten zijn als de mond van de keizer er is. Inez geeft daar alleen maar een ontwijkend antwoord op. De schriftgeleerden praten sowieso om de activiteiten heen die ze aan het uitvoeren zijn en willen daar geen duidelijk antwoord op geven. Totdat Kritoias de man die naast hem zit betoverd, waarna die toegeeft dat ze op zoek zijn naar verslagen van archeologische opgravingen, wat een paar andere schriftgeleerden die hem horen niet heel blij mee zijn.
Het is al vrij laat als het diner is afgelopen en Bartimeüs maakt nog een korte wandeling over het terrein voor ze gaan slapen. Bartimeüs houdt zoals gebruikelijk de eerste wacht. Na verloop van tijd voelt hij weer een trilling. Daar wordt Ruarc wakker van, althans, hij wordt wakker in een hut met een aantal mensen die hij goed kent, maar die niet Bartimeüs en Kritoias heten. Hij is gekleed in een berenvel en het is best koud. Hij blaast vlammetjes uit zijn mond omdat het koud is.Bartimeüs ziet dat Ruarc plotseling vuur begint uit te ademen en gebruikt de kracht van de godin om hem wakker te maken. Gelukkig werkt dat."Wat ben je aan het doen, idioot?" zegt hij tegen Ruarc."Wat?""De boel in brand zetten.""Ik was in een houten huisje.""Ik droom van naakte wijven." "Ik zat in een berenvel en het was koud." "Niet meer doen, straks brandt het keizerlijk paleis af!"
Ruarc gaat weer slapen en na verloop van tijd maakt Bartimeüs Kritoias wakker om de wacht over te nemen. Natuurlijk gaat hij weer droomwandelen. Hij probeert in de droom van Fahzuhl te komen en staat op het plein voor het paleis. Hij loopt de trappen naar de grote deuren op en gaat naar binnen. Bovenaan is een ontvangstruimte met grote deuren. Als hij daarheen loopt zwaaien ze open en komt hij in een grote zaal met een troon. Op de troon zit een indrukwekkende man. Bartimeüs bekijkt hem goed, maar herkent hem niet, want zijn gezicht verandert continu. Dan ontstaan er zwarte tentakelachtige rookpluimen die de troon omhullen. Dat zint Bartimeüs niets en hij draait zich om, maar ook daar ziet hij de rookpluimen. Hij probeert weg te lopen, maar de rook komt op hem af. Hij draait zich om naar de troon en heeft het gevoel dat achter de troon de bron van de tentakels is. In deze droom voelt het anders dan normaal. Dan wordt hij omringt door de duisternis en voelt zich even niet lekker worden voor hij wakker wordt."Brrr." zegt hij."Wat is er?" vraagt Kritoias."Dat was naar, ik was in het paleis en daar zat een man op de troon die verschillende gezichten had.""Een samengevoegd persoon?""Misschien, er waren ook zwarte tentakels die me pijn hebben gedaan.""We hebben het ook zo vaak gezegd. Oppassen met dat dromen!""Ik ga weer slapen."
Ruarc heeft de laatste wacht en hij let zeer goed op, maar het is hier heel veilig. Althans, Ruarc begint te spelen met het vlammetje dat hij uit zijn mond kan laten komen. Hij begint er mee op zijn hand te blazen, tot hij zijn hand verbrandt.
Wanneer ze alle drie wakker zijn bespreken ze de aanpak voor vandaag."Je kan een dag onzichtbaar zijn." zegt Kritoias tegen Bartimeüs, "Dan kan je op je gemak door het paleis heenlopen en wachten tot Fahzuhl langs komt lopen. Je kan alleen niet halverwege weg, dan de vliegspreuk duurt niet zo lang.""Hoe doen we dat dan?" vraagt Bartimeüs."Dan kom ik je bij het ochtendgloren ophalen bij de luiken aan de achterkant van het gebouw van die balzaal op de bovenste verdieping.""En wat gaan jullie dan doen?""Wij gaan proberen Emmett alleen te spreken te krijgen." zegt Ruarc, "Eens kijken of hij meer weet van wat er gaande is." Op dat moment klopt er iemand op de deur. Kritoias loopt naar de deur toe en doet hem voorzichtig open. Hij ziet één van de bedienden."Wensen de heren te ontbijten?""Ja, zeker." zegt Kritoias."Het ontbijt wordt geserveerd in de eetzaal.""Is dat een andere zaal?""Nee.""Dank je wel, we komen eraan."
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen naar de grote zaal en zien dat Emmett daar verderop met een aantal schriftgeleerden zit te eten."Goedemorgen." zegt Emmett."Goedemorgen." zeggen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc. Ze pakken wat ontbijt en gaan aan tafel bij Emmett en de schriftgeleerden zitten."Zo, wanneer kunnen we kijken naar de geschriften uit de Prinsdommen?" vraagt Ruarc."Dat kan direct na het ontbijt." zegt Emmett."O, we zullen vandaag met zijn tweeën kunnen kijken. Bartimeüs is helaas verhinderd.""Wat is er met hem aan de hand?" vraagt één van de schriftgeleerden."Ik ben niet helemaal lekker." zegt Bartimeüs, "Ik heb hier ook eigenlijk helemaal geen trek in.""Misschien kan je iets anders te eten krijgen?" vraagt Emmett en wenkt één van de bedienden."U voelt zich niet helemaal wel? Misschien wilt u iets anders eten?""Ja, mannenpap?""Wat is dat?""Iets van pap naar een speciaal recept in de Prinsdommen." zegt Kritoias."Helaas, dat hebben we niet."
"Ja, het lijkt me zeer interessant." zegt één van de schriftgeleerden, "Ik ben zeer benieuwd hoe deze geschriften eruit zien.""U gaat ook mee?" vraagt Kritoias."Jazeker, dit is een mooie gelegenheid om te kijken of deze geschriften een relatie hebben met het onderzoek dat wij doen.""Maar u kan toch geen oud Prinsdoms lezen?""Nee, maar die kennis kan ik gaandeweg opdoen.""Waar bent u dan naar opzoek?" vraagt Ruarc."Ja, u ging toch onderzoek doen naar archeologische zaken in de bodem? Niet naar verhalen?" vraagt Kritoias."Ja, maar ook in die verhalen kan een echo zitten van de residuen van de krachten die ouder zijn dan de geschriften.""Wat voor oudere krachten?" vraagt Kritoias, "Vertel daar eens meer over."De betoverde schriftgeleerde begint begeesterd te vertellen."Dat zijn krachten, en dat is wel puur hypothetisch, ik wil nogmaals benadrukken hypothetisch waar bij energieën omgezet kunnen worden in andere energieën en levensvormen in andere levensvormen. Een vorm van energietransitie in de sferen.""Ah ja, dat zegt mij wel iets." zegt Kritoias, "Dat is niet puur hypothetisch, wij hebben zoiets gezien.""Wat? Waar?""In het noorden, toen op een slagveld priesters van één of andere god zeven stervende mannen samenvoegden tot een nieuw persoon." zegt Kritoias."Dat is fascinerend. Waarom zeven?""Dat is evident." zegt Ruarc, "Met alle doorsnijdingen zijn er zeven primaire realiteiten die de energieën vormen.""Wat? Maar, ja, ja, inderdaad. Als ik nu stel dat...".De schriftgeleerde begint een hele verhandeling, terwijl hij opstaat om naar zijn werkplek te gaan. Hij gaat hen in ieder geval niet vergezellen.
"Wij begeleiden Bartimeüs even terug naar de kamer, even kijken hoe dat gaat.""Hoe lang zal dat duren?" vraag Emmett."Een minuut of tien." zegt Kritoias."Uitstekend, dan laat ik u over tien minuten ophalen." Bartimeüs, Kritoias en Ruarc gaan naar boven en Bartimeüs trekt zijn lederen wapenrusting aan en steekt zijn bijl bij zich. Kritoias maakt hem onzichtbaar en geeft hem de mogelijkheid om, gedurende 15 minuten, te vliegen. Opnieuw is er een groenig schijnsel te zien als hij de spreuk uitspreekt. Bartimeüs klimt het raam uit en vliegt naar de achterkant van het grote gebouw. Even later worden Kritoias en Ruarc door een bediende opgehaald. Zij laten hun spullen in hun kamer.
Bartimeüs bereikt de openstaande luiken van de balzaal op de tweede verdieping. Daar staat nu een grote tafel waar een groep jonge edelen aan het eten zijn. De tafelconversatie is de moeite van het aanhoren niet waard. In de balzaal zijn een deur links naar de salon en een deur rechts naar de kamer waar de magiër zat. Vlak naast Bartimeüs is een brede trap naar de eerste verdieping. Hij klimt stilletjes naar binnen en vliegt de trap af. Daar komt hij op een overloop waar twee grote trappen naar de beneden verdieping lopen. Aan beide kanten zijn dubbele deuren waarachter waarschijnlijk de kamers liggen waarvan hij er gisteren één heeft gezien.Bartimeüs luistert aan de deur van de rechterkant en hoort gekraak of er iemand loopt, en gerinkel van een wapenrusting, dan gekraak van een deur die open en dicht gaat. Hij opent voorzichtig de linkerdeur en ziet een gang die van links naar rechts loopt. In de tegenoverliggende wand ziet hij drie deuren. Aan het einde is nog een dubbele deur waar twee wachters voor staan.
Daar komt Bartimeüs voor nu niet veel verder. Hij doet de deur voorzichtig dicht en loopt naar de andere kan van de overloop waar ook een dubbele deur is. Daar luistert hij ook aan en hoort niets, dan doet hij de linkerdeur open en ziet opnieuw een gang die hier eindigt in een raam en aan de tegenoverliggende wand zit één deur. Als hij naar rechts kijkt ziet hij nog drie deuren en een dubbele deur aan het einde waar opnieuw twee wachters voor staan. Bartimeüs besluit naar beneden te lopen via de grote trap aan de linkerkant. Hij komt in een soort ontvangstzaal terecht. Naar de achterkant van het gebouw zijn twee sets dubbele deuren en naar het voorstel deel van het gebouw een hele grote dubbele deur. Deze ruimte wordt opgeluisterd door wandtapijten, beelden en andere versieringen. HIj loopt naar de, nu rechter, dubbele deur in de achterwand en luistert eraan. Daar hoort hij mensen praten en allelei geschuif.Bartimeüs wacht even af en doet dan voorzichtig de deur op een kier. Hij ziet een ploeg bedienden de restanten van het diner van de vorige avond afruimen en de zaal weer helemaal aan kant maken voor vanavond.Hij loopt naar de volgende dubbele deur. Daar is het stil. Als hij de deur voorzichtig opendoet ziet hij weinig, want daar is het donker. Hij laat zijn ogen even aan het donker wennen en ziet dan dat er stoelen en banken langs de wanden staan. Het midden van de zaal is helemaal leeg. Bartimeüs concludeert dat dit een danszaal moet zijn.
Kritoias en Ruarc zijn intussen door een bediende meegenomen naar de benedenverdieping. In het achterste deel van het gebouw is een trap naar beneden die naar een grote ondergrondse zaal leidt. Daar gaat een trap nog verder naar beneden, maar daar staan vier soldaten voor. Geen soldaten uit Branduïn, maar in het uniform van Vandalus. Een van de soldaten staart naar Kritoias en Ruarc."Zag je hem kijken?" vraagt Kritoias."Ja, zou hij ons kennen uit Nymarc? Ik herkende hem niet.""Ik ook niet."Emmett staat hen even verderop op te wachten, bedankt de bediende en neemt ze mee door een bibliotheek gevuld met voor het merendeel schriftrollen naar een gang aan de andere kant waar kantoren zijn. Hij neemt ze mee een kamer in waar twee mensen aan lessenaars aan geschriften werken. Een ervan is de vrouw waar ze al eerder contact mee hebben gehad. Hij gebaart ze te gaan zitten aan een vergadertafel, waarna ze alle drie plaatsnemen.
"Zo, wat kan ik voor jullie doen?""Wij hebben vernomen dat je verontrust bent over de graafactiviteiten die hier plaatsvinden.""Jullie hebben met Kyle gesproken.""Ja, dat klopt. We hebben overlegd met graaf Serdik en hij was het met ons eens dat dit een gevaar kan vormen. Vandaar at we hier zijn om te bekijken wat we daar aan kunnen doen. Kan je vertellen wat hier aan de hand is?""Op een dag zijn hier mensen binnengekomen en die hebben mijn vorige functie overgenomen.""En dat was die vrouw?""Ja, Inez. Zij heeft de verantwoordelijkheid over de vault met alle relikwieën overgenomen.""Wanneer was dat? Na het vertrek van de keizer?" vraagt Kritoias."Dat was vlak na het afbranden van de tempel.""Toen waren wij ergens in het zuiden." zegt Kritoias tegen Ruarc."En de vault is goed beschermd, daar zoeken ze niets.""Ja, je hebt rituelen en attributen nodig om daar levend in de buurt te komen."
"Wij hebben gehoord dat iemand er toch in is geslaagd iets mee te nemen." zegt Kritoias."Wat?""De staart van een demon.""Waar heb je dat gehoord?""We hebben de staart van de demon in handen gehad." zegt Kritoias, "Het verhaal was dat de Mano Tinto hem hadden gestolen. En de vault is naar beneden.""Ja, in grottenstelsel onder het kasteel. Maar daar zijn ze niet aan het graven, dat is verderop bij een deel dat is afgesloten. Het is een poort naar iets. Dat is al eeuwen geleden gesloten door de magiërs om oude krachten, tegen te houden.""Dat heb ik eerder gehoord." zegt Ruarc."Het is misschien geen echte poort, het is een rift." zegt Kritoias, "Wanneer hebben ze die poort afgesloten?""Tijdens het ontstaan van het keizerrijk. Ze proberen er nu langs te graven.""Als dit is wat wij denken dat het is, dan gaat dat niet helpen." zegt Kritoias."Wat denken jullie dat het is?""Een doorgang naar een andere realiteit, die misschien afgesloten is." zegt Kritoias, "Wij hebben eerder dit soort poorten geopend en zijn er doorheen gegaan naar een andere realiteit. Ik heb gezocht naar dat soort doorgangen hier in Branduïn, maar ik kon ze niet vinden. Misschien is dat omdat hij gesloten is. Interessant!""Andere realiteiten?" vraagt Emmett."Ja, waar bijvoorbeeld de Vanyana leven, de kinderen van de godin." zegt Ruarc."En de demonen." zegt Kritoias."Dat zijn toch mythen?""Nee, dat is werkelijkheid, maar een andere werkelijkheid."
"Maar het lijkt erop dat er wel iets doorheen wil komen." zegt Kritoias, "Vanwege die trillingen.""Ja, die hoorden we ook toen de Olcar kwamen." zegt Ruarc."Zijn die trillingen sterk hier?" vraagt Kritoias."Ja, kijk hier." zegt Emmett en wijst naar een aantal scheuren in het houtwerk."Dat kan best nog wel gevaarlijk zijn." zegt Kritoias, "Straks stort de hele boel in.""Denk je?" vraagt Emmett, "Degene die hier misschien nog iets over wist, Donovan, is gevlucht."
"Dan is Fahzuhl hier op zoek naar de toegang tot de andere realiteit?" vraagt Ruarc."Daar lijkt het wel op." zegt Kritoias, "Ik zou niet weten waarom al die mensen uit Vandalus hier zijn.""Wie is Fahzuhl?" vraag Emmett."Een ver familielid." zegt Kritoias, "Hij komt hier uit de buurt vandaan, maar heeft een tijd in Vandalus gewoond. Wij vermoeden dat hij zich tot Mond van de Keizer heeft gemaakt.""Hoeveel mensen zijn er nu aan het graven?" vraagt Ruarc."Tientallen." zegt Emmett."En waar brengen ze het afval heen?" vraagt Kritoias."Het grottenstel is groot genoeg om dat ergens op te bergen.""Aha, en daar kom je als je langs die vier soldaten van Vandalus de trap af gaat." zegt Ruarc."Ja, dat klopt."
"Hoe lang zijn die trillingen al aan de gang?" vraagt Ruarc."Een paar weken.""Wij hebben ook een manifestatie van een energiewezen gezien. Zou dat ermee te maken kunnen hebben?" vraagt Ruarc."Waar hebben jullie dat gezien?""Bij de tempel, maar ook hier boven het kasteel. Precies toen die trillingen er waren.""Wij hebben nog niet zoiets gezien."
"We moeten wachten wat Bartimeüs ontdekt. Ik denk dat we een aantal fake schriftrollen moeten maken zodat we die schriftgeleerden om de tuin kunnen leiden als ze komen kijken wat we aan het doen zijn.""O, dat kan ik wel." zegt Ruarc, "Emmett, heb je wat oud perkament of papier?""Ik ga op zoek."
Bartimeüs gaat helemaal terug naar boven en hij kijkt daar uit het raam of hij niet een verdieping naar beneden kan klimmen om te kunnen zien wat de wachters bewaken, maar deze kasteelmuur heeft te weinig handgrepen om zonder hulpmiddelen te kunnen beklimmen. Het feit dat het hier meer dan tien meter hoog is helpt ook niet mee. Dan gaat hij op zoek naar dieren, want die kunnen hem misschien ook informatie geven. Op deze verdieping zullen er niet veel zijn. Hij moet op zoek naar een plaats met veel eten. De keuken heeft hij nog niet gezien, waarschijnlijk kan je daar komen via de eetzaal die hij eerder heeft gezien. Bartimeüs sluipt naar beneden en luistert aan de deur van de eetzaal, waar nog steeds af en toe wat geluiden uit komen. Hij doet de deur voorzicht op een kier en als niemand kijkt sluipt hij naar binnen. Er is inderdaad een deur naar de keuken. Die staat gelukkig open, maar het is niet verstandig om naar binnen te gaan. Er lopen veel mensen in de keuken rond die al druk bezig zijn met de voorbereidingen voor het avondeten. De gangetjes zijn te smal en de kans is groot dat iemand hem raakt. Hij ziet wel een aantal katten, maar je kan ook lastig een uitgebreide discussie gaan voeren midden in de keuken.
Hij gaat weer terug naar boven, naar de zaal waar de jonge edelen aan tafel zitten. Er zitten geen vogels in het raamkozijn en hij heeft ook nog niet ontdekt hoe hij op het dak kan komen, daar moet een toegang via één van de torens zijn. Die torens heeft hij ook nog niet gezien. Die moeten in de hoeken zitten. Hij sluipt naar de salon, maar daar zijn stemmen te horen, dan maar naar de andere kant, waar de vermoedelijke magiër zat. Daar is het gelukkig stil en Bartimeüs glipt naar binnen. De ruimte is verlaten en de luiken zijn dicht. Wel zijn er links en rechts nog deuren. Hij luistert aan de rechterdeur, hoort niets en opent hem. Ook hier zijn de luiken gesloten en deze kamer wordt gebruikt als opslagruimte. Er staan extra tafels, stoelen, kleden en nog allerlei andere kleine dingen. Hij kijkt achterin de hoek, maar ziet geen toegang tot een toren.
Dan valt zijn oog op een spinnenweb."Waarom niet?" denkt hij en zorgt ervoor dat hij met de spin kan praten.Dat blijkt alleen niet één spin te zijn, maar de hele spinnenkolonie die hier zit."Hoi." zegt hij tegen de spin, "Ja, jij webmaster, webdeveloper.""Wie praat daar tegen mij? Ik zie niemand.""Ik doe je niets. Je moet me helpen.""Wie moet ik helpen?""Mij, Bartimeüs.""Wat voor soort ben jij?""Een mens.""Geloof hem niet!" zegt een ander."Het is een monster." zegt een derde, "Hij is gevaarlijk.""Nee, ik ben een vriend van de spinnetjes.""Kan jij voor vliegen zorgen? Er zijn veels te weinig vliegen hier.""Wonen jullie allemaal hier?"
"Wij wonen op de verkeerde plek." zegt een ander."Ja, je moet beneden zijn, daar komen de vliegen." zegt de derde."Weet jij wat er achter een deur is waar mensen voor staan?""Dat zijn veel plekken.""Wat is daarachter?""Mensen, spullen, vliegen. Maar op deze verdieping zijn niet veel insecten."Bartimeüs wordt niet veel wijzer van de spinnen en gaat terug naar de kamer met het bureau en probeert de andere deur.
Ook hier is het stil maar als hij de deur opent voelt hij alsof een toverspreuk op hem wordt gebruikt, maar hij kan de kracht weerstaan. Hij verwacht veel van de kamer, maar het is behoorlijk leeg. Het is een gastenkamer met een bed en een kist. In de kist zitten wat persoonlijke, niet kostbare of interessante spullen."Er moet toch iets zijn." denkt Bartimeüs.Hij onderzoekt de kamer zorgvuldig en ontdekt dat de linkerwand anders voelt dan de achterwand. Het binnenwerk van het kasteel is grotendeels van hout, maar deze muur lijkt van steen. Hij sluipt terug naar de grote zaal op deze verdieping, na nog een keer de bescherming van de deur te hebben weerstaan en constateert dan dat de balzaal eigenlijk tekort is. Er lijkt een geheime ruimte te zijn, maar het is onduidelijk hoe je daar in moet komen. Een inspectie van de wand van de zaal geeft geen aanwijzingen dat er een geheime toegang is."Dan misschien via de salon?" denkt Bartimeüs.Hij luistert aan de deur, maar daar zijn nog steeds stemmen te horen. Hij wacht bij de deur tot er iemand uitkomt.
Dat duurt een half uur en dan komen twee mannen de kamer uit. Bartimeüs glipt achter hen de salon binnen, maar dat was eigenlijk niet nodig, want ze laten de deur open staan. De salon is nu verlaten en hij loopt naar de deur in de rechter zijwand. Er is geen geluid achter te horen en hij opent de deur. Daarachter is een zelfde soort gastenkamer te zien. Bartimeüs glipt naar binnen en doet de deur achter zich dicht. Hij onderzoekt de kamer grondig, maar ontdekt alleen ook hier een stenen muur, maar geen geheime gang.Hij heeft nu niet veel opties meer en gaat posten op het balkon om te kijken of er aflossing van de wacht komt waar hij gebruik van kan maken.
Na 2,5 uur komt er twee wachters de trap op. Kennelijk de aflossing voor de wachters voor de deuren. Hij volgt ze en ze gaan inderdaad naar de rechterzijgang en lopen naar de twee wachters toe."Middag.""Middag. Bijzonderheden?""Nee, het is een rustige dag. Weinig beweging voor het avondeten.""Ok."De twee wachters die afgelost zijn lopen terug naar het balkon. Bartimeüs loopt eerst voor ze uit en daarna achter ze aan. Als hij op het balkon komt ziet hij ook twee andere wachters de andere gang inlopen. De twee wachters letten niet al te zeer op en lopen naar beneden, naar de hele grote dubbele deur. Ze doen één van de deuren open en twee wachters die ervoor staan groeten hen. Bartimeüs sluipt achter ze aan en weet naar binnen te komen voor de grote, zware deur weer dicht gaat.
Bartimeüs staat nu in een ruimte waar op verschillende plaatsen soldaten staan. Hij ziet aan beide kanten ronde muren. Daar zijn de torentjes waar hij naar op zoek was. Ook is er een grote trap naar beneden en een gang om die trap heen naar een andere ruimte. Bartimeüs neemt de trap naar beneden, de kelder in en gaat links een gang in. Daar ziet hij een mooie wandschildering op de houten panelen. Er is een strijdtoneel afgebeeld met soldaten en draken. Hij kijk naar de draak en dan ziet hij dat het oog van de draak een holte is waar iets in kan. Hij probeert er zijn vinger in te steken en voet iets, maar er lijkt niets te gebeuren. Dan ziet hij nog een draak die ook een holte in het oog heeft. Helaas is de afstand te groot om allebei de ogen te activeren.
Bartimeüs loopt verder de gang door, een hoek om en weer naar links. Dan komt hij in een verlichte ruimte waar de schriftgeleerden van Vandalus allerlei schriftrollen bestuderen. Aan de andere kant van die ruimte staat een deur, die gelukkig openstaat. Bartimeüs loopt erheen en ziet daar een ruimte met een trap waar vier soldaten van Vandalus voorstaan.Het is een kleine uitdaging, maar hij weet langs de soldaten te komen zonder dat ze hem opmerken.
De trap komt uit in een soort grottenstelsel. In de zaal waar de trap uitkomt zijn pilaren van rots die het dak omhoog houden. Bartimeüs ziet dat het grottenstelsel verder naar beneden loopt en daalt af. Hij komt in de grotten mannen en vrouwen tegen die aan het uitrusten zijn. Even verderop ziet hij lichtschijnsel op de wand. Hij loopt verder en komt in een grote grot met veel stalactieten en stalagmieten. In de grot is een rotswand waar runen op zijn aangebracht. Naast die rotswand is een grote graafoperatie aan de gang. Bartimeüs loopt naar de rotswand en bestudeert de runen. Ze lijken op die van de Vanyana. Op dat moment komt een zwarte tentakel door de rotswand heen. Hij aarzelt niet en rent gelijk terug naar boven.
Op hetzelfde moment voelt Ruarc iets vreemds alsof iets schubachtigs naar voren begint te komen, maar dan ebt het weer weg."Voelden jullie iets?" vraagt hij aan Kritoias en Emmett."Nee, niets bijzonders." zegt Kritoias en Emmett knikt instemmend.
Bartimeüs loopt terug naar de trap omhoog en klimt om de wachters heen die hem niet opmerken. Hij betreedt de bibliotheek die hij al eerder zag en ziet voornamelijk mannen met schriftrollen en boeken. Een van de mannen komt zeker uit Vandalus. Dan ziet hij een deur aan het einde van de bibliotheek. Hij loopt erheen, kijkt of niemand zijn kant opkijkt en opent dan voorzichtig de deur. Daarachter is een verlichte gang met een aantal deuren aan de zijkanten en een deur aan het einde. Bartimeüs glipt de gang in en begint naar de tegenoverliggende deur te lopen als die plotseling open gaat."Ik ben zo terug." zegt de man die de gang in loopt.Het is Emmett. De gang is alleen zo smal dat Emmett Bartimeüs waarschijnlijk gaat raken, ook al drukt hij zich tegen de muur. Bartimeüs loopt snel terug naar de deur en opent die."Hallo." zegt Emmett, "Hallo?"Hij loopt door de deur en kijkt om zich heen, maar kan niets zin. Hij doet de deur achter zich dicht en loopt dan verder. Zodra hij weg is gaat Bartimeüs weer door de deur. Daar ziet hij, naast wat andere mensen, waaronder de vrouw die ze eerder hebben ontmoet, Kritoias en Ruarc. Bartimeüs loopt naar Kritoias toe, die, net als Ruarc, druk bezig is om een 'oud' geschrift uit de Prinsdommen te fabriceren. Hij pakt een veer en laat die vlak voor Kritoias 'zweven', maar die heeft niets door.
De vrouw loopt naar het bureau toe waar Kritoias en Ruarc aan het schrijven zijn."Doe jij dat, Kritoias?"Kritoias kijkt op, "Wat?"Dan ziet hij de veer neerdwarrelen en vermoed direct dat hier iets bijzonders aan de hand is."Eh nee, misschien de wind?""Wind?""Ja, het tocht hier toch een beetje?" zegt Kritoias onschuldig en kijkt naar de deur die een beetje openstaat."H'mpf, dat zal dan wel."
Bartimeüs merkt dat hij hier verder niets gaat bereiken en sluipt terug naar het gangetje. Hij kijkt in de achter de andere deuren en ziet in de achterliggende kamers alleen lege planken. De Vandalusianen hebben de boeken en schriftrollen meegenomen. Hij gaat terug door de bibliotheek, de trap op die nog over is en komt door de deur bovenaan de trap in de hal van het gastenverblijf. Bartimeüs loopt terug naar de kamer die ze toegewezen hebben gekregen en het valt hem al snel op dat zijn boog niet exact op dezelfde plaats staat waar hij hem heeft achtergelaten. Met de gave van de godin ontdekt hij dat één van de bedienden in de kamer is geweest tijdens hun aanwezigheid.
Bartimeüs kijkt even rond en ziet dan een spinnetje zitten. Hij zorgt ervoor dat hij met de spin kan praten en spreekt hem (of haar) aan: "Spinnetje, spinnetje, is er een ander mens in de kamer geweest? Wat heeft die gedaan?""Hier? Hier hebben twee andere mensen geslapen.""Is er later iemand gekomen?""Ja, die heeft rondgekeken.""Heeft ze iets meegenomen?""Ze heeft onder het bed gekeken, maar dat is dom, want daar zitten geen lekkere vliegen.""En verder nog iets.""Iemand heeft mijn vorige web stuk gemaakt met een staf. Wat een onhandige lomperik.""Dat kan ik beamen."
Bartimeüs gaat, nog steeds onzichtbaar, op zoek naar de dienstmeid die in de kamer is geweest. Na een lange tijd zoeken komt hij haar tegen en begint haar te volgen. Ze gaat een kamer binnen en komt even later naar buiten met een stapel doeken. Daarmee loopt ze door de grote deur naar buiten en steekt het binnenplein over naar de barakken waar nog steeds een aantal soldaten hun materiaal verzorgt of oefeningen doet."Ha, schone doeken." zegt één van de mannen.De meid lacht en gaat naar binnen. Daar is het te smal om onzichtbaar rond te lopen, dus Bartimeüs gaat terug naar de kamer. Hij moet wachten tot het einde van de dag, gaat op bed liggen en geeft een klap tegen de muur zodat hij weer zichtbaar wordt.
Pas tegen het avondeten komen Kritoias en Ruarc weer terug in de kamer. Zij hadden geen haast, want Kritoias zou Bartimeüs pas de volgende ochtend ophalen. Ruarc zorgt ervoor dat ze ongehoord kunnen praten en Bartimeüs vertelt wat hij heeft ontdekt."Die geheime deur bij de drakenogen is de logische plek waar Fahzuhl zit." zegt Bartimeüs."Kunnen we die zo openmaken?" vraagt Ruarc, "Heb je daar geen sleutel voor nodig?""Niet als we er doorheen gaan." zegt Kritoias."Laten we dat vannacht dan gelijk gaan doen." zegt Bartimeüs."Ok, maar eerst even wat eten." zegt Ruarc.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen naar de eetzaal waar de gebruikelijke Vandalusianen al zitten te wachten. Onder het genot van een prima maaltijd wil Inez graag weten hoe het gaat."Hoe ver zijn jullie al?" vraagt ze."We zijn net begonnen." zegt Kritoias."Ja, de inventarisatie gaat nog wel een paar dagen duren." zegt Ruarc."O, dat is snel." zegt Inez."Dat is wat we nu voor ogen hebben." zegt Kritoias, "Het kan zijn dat er nog meer is.""En het onderzoek daarna?""Lastig te zeggen." zegt Ruarc.Inez laat doorschemeren dat zij wel iets over religie hebben gevonden als Ruarc plotseling begint te kreunen en vooroverbuigt. Kritoias heeft een direct vermoeden wat er dreigt te gebeuren en gebruikt een toverspreuk om het halve gebouw in het duister te hullen. Dan duikt hij neer, net als Bartimeüs. Ze horen een kreet een soort geluid van vlammen en dan een hoop gegil."Ruarc, Ruarc?" zegt Bartimeüs, maar krijgt geen reactie. Hij gebruikt de gave van de godin om een kleine bol licht te maken die het duister verdrijft en ziet dat er rechts van hem verbrande mensen bewusteloos op de grond liggen. Links naast hem ligt Ruarc op de tafel.
"Pak hem op." zegt Kritoias, "Ik zorg ervoor dat ik iets kan zien."Bartimeüs tilt Ruarc op terwijl Kritoias omloopt."Shit de boel staat daar verderop in brand." zegt Bartimeüs."Dit bovenste deel is van hout, ik denk dat die hele gebouw eraan gaat." zegt Kritoias."Snel terug naar onze kamer om onze spullen op te halen.""Ik hoop dat Ruarc snel bijkomt. O, en je hoeft niet heel erg te haasten, want een groep mensen probeert tegelijk door de uitgang te gaan."Ze wachten tot er ruimte is bij de deur en wringen zich er dan doorheen. Aan de andere kant ziet Kritoias Inez staan, die is niet geraakt door het vuur. Ze lopen rechtdoor de gang in en naar hun kamer aan de rechterkant.
Daar is het nog licht en Bartimeüs en Kritoias leggen Ruarc op bed. Dan zien ze een verandering bij Ruarc."Kijk!" zegt Kritoias en wijst naar Ruarc.De handen van R zijn klauwen geworden en er zitten schubben in zijn gezicht."Toch iets van weerwolfachtig iets?" zegt Bartimeüs, "Ik probeer hem wakker te maken met mijn gaven."Dat helpt helaas niet, wel horen ze beneden gegil."Wat is daar aan de hand? Nou ja, dit eerst. Ik ga de godin om hulp vragen." zegt Kritoias en begint te bidden.Bartimeüs volgt zijn voorbeeld en samen vragen ze de godin om Ruarc weer bij te brengen.
Plotseling horen ze voetstappen op de gang die stoppen voor hun kamerdeur. Kritoias concentreert zich om een toverspreuk te gebruiken. Vrijwel direct horen ze harde klappen op de deur. Iemand beukt de deur in! Sterke klauwen slaan gaten in het hout en al snel zit er een groot gat in de deur. Een geschubd mensachtig wezen staat in de deuropening. Een bliksemstraal van Kritoias treft het wezen in de keel en wordt gevolgd door een enorme donderklap. De impact is zo groot dat het wezen tegen de deur van de tegenoverliggende kamer wordt gesmeten. Het wezen blijft roerloos liggen. Op dat moment komt Ruarc weer bij, in verwarring over wat er is gebeurd en ook wel verdrietig over wat er met het wezen is gebeurd, maar dat laat hij niet merken, net als de stemmen die hij heeft gehoord. Zijn klauwen en schubben verdwijnen langzaam weer.
"Snel doe je maliënkolder aan en pak je spullen." zegt Kritoias tegen Ruarc."Ja, we moeten weg, want je hebt het gebouw in brand gestoken." zegt Bartimeüs."Laten we snel naar die geheime deur gaan nu het chaos is in het kasteel." zegt Kritoias."Ja, goed idee." zegt Bartimeüs.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc pakken al hun spullen en verlaten de kamer. Ze lopen via de trap aan het uiteinde van het gebouw waar ze op het uiteengereten lichaam van een bediende stuiten."Dat heeft die hagedis gedaan." zegt Bartimeüs.Op de begane grond lopen ze naar de hal waar mensen door elkaar heen rennen. In de verte begint ook de brandklok te luiden. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen door de deur en nemen de trap naar de kelder. Boven horen ze gekraak en ze zien dat er al rook uit het plafond komt. Van beneden komt ander geluid, namelijk dat van een gevecht. Onderaan de trap zien ze een drietal hagediswezens vechten tegen zes soldaten. Het is een strijd op leven en dood, want er ligt al één dode hagedis en twee dode soldaten."Helpen we?" vraagt Bartimeüs."Laten we naar de geheim kamer gaan." zegt Kritoias.Het is donker in de kelder, maar dankzij het nachtzicht dat Kritoias nog heeft brengt hij ze op aanwijzingen van Bartimeüs naar de muurschildering met de twee gaten in de ogen van de draken.
"Ik zal wat licht maken." zegt Kritoias en tovert een lichtstraal uit zijn linkerhand waarmee hij de muurschildering beschijnt."Ik weet niet of dit gaat werken." zegt Bartimeüs als hij de gaten bestudeert. Het is een soort hexagonaal gat en als ik er met een mes in prik, dan gebeurt er niets. Het lijkt een sleutelgat te zijn. Bartimeüs en Ruarc proberen nog even tegelijk iets te bewegen in het sleutelgat, maar dat levert niets op."Ok, ik maak een gat door de muur." zegt Kritoias en creëert een portaal.Daarachter is een donkere zaal van tien bij acht meter groot en zeker 8 meter hoog. De zaal is gemaakt van wit marmer en wat direct opvalt is een grote plaat zwart steen van 3,5 meter breed en 5 meter hoog die door twee marmeren standbeelden van draken wordt vastgehouden."Nou, Fahzuhl woont hier niet." zegt Kritoias droog.
Ze doorzoeken de kamer met de lichtstraal van Kritoias., maar er lijken geen andere deuren te zijn. Bartimeüs loopt naar het zwarte steen, wat heel donker is, maar af en toe wel het licht van Kritoias reflecteert."Zou het een portaal zijn?" vraagt Kritoias.Bartimeüs aarzelt niet, loopt naar de steen toe en raakt hem eerst aan met de punt van zijn mes en dan met zijn hand, maar het voelt aan als steen. Dan gebruikt Kritoias zijn magische zicht om te kijken of de zwarte plaat onder de invloed van magie is. Hij ziet een felle groene flits en wordt daarna een paar meter achteruit geworpen."Oef, daar zit heel veel goddelijke magie achter." zegt hij."Kan jij niet eens proberen?" vraagt Bartimeüs aan Ruarc."Ok."Ruarc loopt naar de plaat toe en probeert hem aan te raken met zijn hand, maar zijn hand gaat door de plaat heen."Er is helemaal geen plaat." zegt hij."Wat?" vraagt Bartimeüs en hij zit inderdaad de hand van Ruarc in de zwarte plaat verdwijnen."Ik wil wel weten wat er aan de andere kant is." zegt Ruarc en hij wil door de plaat heenstappen."Is het niet handig als we meegaan?" vraagt Kritoias, "We kunnen je niet helpen aan de andere kant.""Eh, ok, dat is goed." zegt Ruarc, "Houd mij vast."
Ruarc stapt door de plaat die inderdaad als een soort poort fungeert en ze arriveren alle drie in een grote zaal van 80 meter lang en 50 meter breed. Het is er licht, maar waar het licht vandaan komt is onduidelijk. Het plafond wordt omhoog gehouden door een zuilengalerij. De hele ruimte is van een wit materiaal gemaakt. Aan het einde van de zaal zien ze een trap omhoog die naar een podium voert waar een grote troon op staat."Dat materiaal doet me denken aan het gebouw dat de proto-Vanyana hadden gemaakt in die realiteit waar Tiana in vast zat." zegt Kritoias."Ja, dat lijkt er zeker op." zegt Bartimeüs."Ik ga kijken bij de troon." zegt Ruarc.
Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen de zaal door en zien dat de leuningen van de troon uit draken bestaan evenals de zitting."Ik ga boven kijken." zegt Ruarc.Hij loopt de trap op, terwijl Bartimeüs en Kritoias beneden blijven staan.Voor hij helemaal boven is verschijnt een persoon die Ruarc vaag bekend voorkomt op het podium bij de troon."Welkom." zegt de man."Dank u." zegt Ruarc."Ik zie dat u nog niet de juiste rite heeft gehad.""Dat is afhankelijk waar we hier voor zijn. Ik ben gestuurd door de keizer.""Waar is de keizer?""Dat is een goede vraag. Die is niet meer onder ons. Hij is vertrokken. Hij heeft mij erkend als zijn zoon.""Anders was je hier niet geweest. Maar je bent er niet klaar voor, toch? Ben je bereid om de troon nu voor eeuwig te bestijgen? Je hebt nog een heel leven voor je en je bent nog niet gezalfd. Je ben nog niet aangeraakt door de god."
"Ruarc wie is het?" roept Bartimeüs van beneden.Ruarc kijkt naar de man."Ik ben de troonbewaker.""Ik ben aangeraakt door de god in zijn tempel." zegt Ruarc."Je hebt de eerste proef doorstaan. Nu de tweede nog. Ik heb nog nooit iemand die niet klaar is plaats zien nemen op de troon. Je moet zowel de rite van de herkomst als de rite van de toekomst hebben ondergaan."Ruarc kijkt hem vragend aan."Die wordt uitgevoerd door je geslacht, zoals je weet, toch?""Sorry, ik ben nu de draad van het verhaal een beetje kwijt.""Je hebt de tweede rite nog niet ontvangen.""Ah, in dat geval zal ik terugkeren voor mijn plaats op de troon.""Als je de twee rites hebt volbracht.""Dank je wel."
Ruarc loopt naar beneden."Laten we teruggaan, kennelijk moet er nog een rite zijn.""Het is nu wel duidelijk dat jij de nieuwe keizer moet worden." zegt Bartimeüs.Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen terug naar de zwarte plaat die hier de uitgang vormt. Ruarc neemt Bartimeüs en Kritoias opnieuw mee door het portaal en ze komen terug in de kleinere hal in het kasteel."Nu op zoek naar Fahzuhl." zegt Bartimeüs."Wil je naar die plaats in de kamer van die tovenaar?" vraagt Kritoias."Ja, dat lijkt me de beste optie.""Goed, ik maak op nieuw een portaal in de muur."
Ze lopen voorzichtig door het portaal en de trap op naar de grote hal van het paleis. Kritoias gaat voorop, omdat hij nog in het donker kan zien. Gelukkig is de hal verlaten en Kritoias schijnt met zijn licht de weg naar de grote dubbele deuren die naar de achterkant van het paleis gaan. Bij de deur doet hij zijn licht uit en Bartimeüs opent zachtjes de deur. Vrijwel direct ziet hij in de verlichte zaal achter de deur dat er bewaker staan. Voorzichtig sluit hij de deur weer zonder te zijn opgemerkt."Hier kunnen we niet door." zegt hij."Via de toren?" vraagt Kritoias en wijst met zijn lichtstraal naar de deur van het torentje waar een wenteltrap in zou moeten zitten die naar het dak voert.""Ja, misschien dat er onderweg nog een geheime deur is." zegt Bartimeüs.Bartimeüs voelt aan de deur van de toren en merkt dat die niet op slot is. Voorzichtig opent hij de deur en erachter is het donker. Kritoias gaat voorop en schijnt achter zich zodat Bartimeüs en Ruarc niet struikelen. De muur van de toren is overal rond en de kans op een geheime deur is hier heel klein. Aan het einde van de wenteltrap is een deur en die komt inderdaad op het dak uit.
"Ok, zegt Bartimeüs, als ze bij de rand van het dak staan boven de kamer waar de tovenaar in zat, "Als we hier nar beneden klimmen, dan kan ik de kamer komen. Dan moet ik heel stilletjes die slaapkamer binnensluipen en de tovenaar doodmaken.""Dat is best gevaarlijk." zegt Ruarc."Ja, en was het niet zo dat je aan deze kant en aan de andere kant dat verschil in geluid hoorde?" vraagt Kritoias, "De ruimtes daar waren leeg, dus dat is misschien makkelijker.""Ja, goed plan." zegt Bartimeüs.
Ze lopen naar de andere kant van het dak waar ze geur van de brand ruiken. Gelukkig staat de wind de andere kant op en blaast die de rook over de kasteelmuur. Om de donkere plek heen zien vlammen en het hele dak van het gebouw staat al in brand."Nou, daar zullen we niet meer slapen." zegt Kritoias."En eten, het was best lekker." zegt Ruarc."We moeten naar beneden." zegt Bartimeüs. Hij pakt een touw en knoopt dat als een echte meester vast zodat ze makkelijk naar beneden kunnen gaan. Bartimeüs gaat als eerste en maakt het luik open van het raam. Gelukkig is het hier ook donker. Hij stapt naar binnen en de andere klimmen ook naar beneden, geholpen door het fantastisch vastgemaakte touw. Bartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen naar de zijkamer waar Kritoias opnieuw een portaal maakt in het deel wat anders klink. Alleen blijkt dat massief steen te zijn."Dan is de enige optie dat hij achter die door wachters bewaakte deuren op de eerste verdieping zit." zegt Bartimeüs.
"Hoe komen we daar?" vraagt Kritoias."Binnendoor?" zegt Bartimeüs en loopt naar de deur om te luisteren.Hij doet de deur naar de salon open, daar is nog steeds niemand."En nu door de hal naar beneden?" vraagt Ruarc."Ssst." zegt Bartimeüs en luistert aan de deur naar de hal, "Nee, daar zitten mensen."Hoe komen we daar dan?" vraagt Ruarc."Heb jij nog een touw bij je?" vraagt Bartimeüs aan Kritoias."Even kijken, dat heb ik al lang niet gebruikt."Kritoias doet zijn rugzak af en haalt ergens onderin een 15 meter lang touw vandaan."Daar is tie."Bartimeüs pakt het touw aan en bindt het aan een aantal zware objecten vast."Ga jij eerst?" vraagt Kritoias."Ja, goed.""Ik sta klaar, voor het geval je valt.""Dat gaat echt niet gebeuren."
Het touw verschuift een klein stukje als hij zijn gewicht erop zet, maar het blijft zitten en Bartimeüs klimt soepel naar beneden. Hij maakt met zijn dolk het luik open en klimt de slaapkamer binnen waar hij het touw vastmaakt. Hij staat in een verlaten, maar niet ongebruikte slaapkamer. Bartimeüs steekt zijn hoofd naar buiten, knikt en dat is het sein voor Kritoias en Ruarc om ook naar beneden te komen, wat zonder ongelukken verloopt.Kritoias schijnt met het licht uit zijn hand en de slaapkamer is inderdaad leeg. Iemand heeft hier wel geslapen, maar is misschien gaan kijken naar de brand. Bartimeüs loopt naar de deur en luistert eraan."Ik hoor wel wat stemmen maar niet hier in de buurt." fluistert hij."Die wachters moeten hier vlakbij staan toch?" vraagt Kritoias.Bartimeüs knikt van wel, "Als jij de deur opent dan kan ik er eentje neerschieten.""Dan zorg ik dat dat stilletjes gebeurt." zegt Ruarc.Kritoias opent langzaam de deur zodat Bartimeüs met zijn boog direct eventuele vijanden kan neerschieten, maar ze zien alleen maar een dubbele deur waar niemand voorstaat."Ze zijn weg." zegt Bartimeüs, "Even de andere kant checken."Bartimeüs kijkt voorzichtig de rechterkant van de gang in en die blijkt ook helemaal verlaten."Niemand, naar de deur."
Bartimeüs gaat voorop en sluipt naar de deur, gevolgd door Kritoias en Ruarc die de andere kant van de gang in de gaten houdt. Bartimeüs legt zijn oor tegen de deur en hoort stemmen."Nee, hier moet ik staan!" zegt een zware stem."Nee, fuck, idioot, jou moeten ze hebben." zegt een andere stem met een adellijke tongval."Nee, ik bewaak hier.""Kom kijken, kom kijken, er stort wat in." zegt een stem van verder weg.Dan volgen voetstappen die zich verwijderen.
Bartimeüs doet de deur voorzichtig open en hij, en Ruarc die achter hem staat, zien een puntvormig kamer die eindigt in een halfronde muur met een deur erin waar een drie meter hoge soldaat voor staat."Ik charm hem." zegt Ruarc en begint tegen hem te praten."He, vriend, hoe gaat het, tijd niet gezien.""Ja, he, vriend." zegt de soldaat."Wat doe je hier nu?""Bewaken!""Kan ik erdoor, met mijn vrienden, for old times sake.""Jij wel, maar je vrienden niet, dat mag niet.""Kan het echt niet?""Nee.""Kom, je moet helpen tegen de brand."
"He, tegen wie ben je aan het praten?" vraagt opeens een andere stem.Ze horen voetstappen die naar de deur toekomen. Een man in een prachtig nachtgewaad kijkt door de gedeeltelijk openstaande deur."Wie zijn jullie? Wat doen jullie hier?""Eh." zegt Bartimeüs."Ga weg, je hoort hier niet, burger!" zegt de man en maakt aanstalten om te gaan roepen.Bartimeüs spant zijn boog en schiet de man in zijn zij."Ah, godver, ah, ah." schreeuwt de man uit.Hij grijpt naar zij waar rood bloed zijn prachtige gewaad besmeurt. Kermend strompelt hij naar rechts uit het zicht."Wat is dat nou?" vraagt de soldaat."Niet, hij schrok." zegt Ruarc, "Ze gaan al weg, kom eens hier."Bartimeüs en Kritoias lopen snel de slaapkamer in, terwijl Ruarc de soldaat aan de praat houdt en hem verder de gang in lokt.
Kritoias loopt als eerste de gang weer in en door de dubbele deur die gedeeltelijk open staat, op de voet gevolgd door Bartimeüs. Rechts naast de deuren is een gang waar nu twee bewakers hun kant op komen lopen. Kritoias vuurt direct een koude bal op ze af, intussen kwam net twee man de gang in lopen die ook getroffen worden. De bewakers en de mannen zijn even van slag door de ijzige koude. Kritoias snelt vooruit en begint met zijn staf op de linker bewaker in te slaan. Bartimeüs heeft zijn bijl gepakt en hakt op de andere bewaker in en slaat hem boven de rand van zijn maliën in zijn nek. Er is het gekraak van botten te horen en bloed spat in het rond. De bewaker zakt op zijn knieën. Bartimeüs en Kritoias blijven op de andere man inslaan. Die kan goed vechten, maar Bartimeüs weet om zijn verdediging heen te werken. Een klap van Kritoias's staf velt hem."He, wat is dat?" horen ze.Aan het einde van de gang, aan de andere kant van het kasteel, is net zo'n soort wachtkamertje, waar ook een grote soldaat de wacht houdt. Bartimeüs en Kritoias lopen snel naar de deur in deze kamer waar de soldaat voor stond. Hij gaat gelukkig open en ze glippen er langs naar een kleine driehoekige kamer met nog een deur. Ze wachten even of de soldaat hierheen komt en de deur opent, maar dat is gelukkig niet zo.
Bartimeüs luistert aan de andere deur en hoort stemmen, zo te horen een aantal mannen en een vrouw, die verderop staan en de man helpen die gewond is geraakt. Bartimeüs opent de deur en ziet een kamer waar aan de overkant ramen zijn die een spectaculair uitzicht geven op het brandende complex aan de overkant, een zijmuur met een deur en een klein gangetje waar de stemmen vandaan komen. Bartimeüs wenkt Kritoias en loopt naar de deur. Hij wijst naar het gangetje en Kritoias staat er naast staan met zijn staf in de aanslag. Hij luistert aan de deur maar hoort niets.Ruarc zorgt voor een geluidsbubbel zodat hij met de soldaat kan praten die naast hem staat.
Na niets gehoord te hebben doet Bartimeüs de deur open en in de gloed van het vuur door de ramen achter hem ziet hij een uiterst luxueuze slaapkamer. "Slaapkamer van Fahzuhl." zegt hij tegen Kritoias, "Schijn eens bij, het is donker.""Die man die daar net kwam." zegt Ruarc tegen de soldaat "Is die weg?""Ja, hij is weg.""Hoe zag hij eruit?""Klein!"
Kritoias loopt naar de deur en schijnt met zijn lichtstraal de kamer door. Naast de luxueuze inrichting vallen alleen wat schriftrollen op die op een tafeltje liggen en een staf met iets dat op een mond lijkt. Verder ligt er ook wat stof.Ruarc staat te wachten en hoort herrie bij de haldeur, maar blijft rustig staan.
Bartimeüs loopt de kamer in richting de tegenoverliggende deur en Kritoias kijkt snel wat de paperassen inhouden."En?" vraagt Bartimeüs."Iets met verschijningsvormen, ik neem ze mee."Ruarc ziet een wachter voorbijlopen naar de soldaat, die steekt een hand omhoog naar iemand die uit het zicht staat. Ruarc verstopt zich in de kamer waar ze uitgekomen zijn.
Bartimeüs luistert aan de deur, maar hoort daar niets. Kritoias stopt de schriftrollen in zijn rugzak en loopt naar de deur.Ruarc hoort iemand weglopen en blijft wachten.
"Niets." zegt Bartimeüs en opent voorzichtig de deur. Kritoias schijnt naar binnen en ze zien een werkkamer met aan de overkant een tafel met allerlei papieren.Kritoias loopt voorzichtig naar binnen, maar dan verschijnt plotseling de gestalte van Fahzuhl vanachter de deur vandaan."Stop, jullie mogen hier niet binnengaan." roept een stem.Kritoias aarzelt niet en schiet een vuurpijl op de verschijning af, die er doorheen gaat! De vuurpijl raakt de papieren die op de werktafel liggen die meteen in brand vliegen."Shit een illusie." zegt Kritoias,"Lekker bezig. Waarom geen ijspijl?""Reactie.""Als jij niets zegt over mijn pijl, dan zeg ik niks over jouw pijl. De papieren!"Bartimeüs en Kritoias rennen naar de werktafel en redden zoveel mogelijk van de schriftrollen.
"Wegwezen, want hiermee gaat ook dit gebouw in vlammen op." zegt Kritoias.Ze lopen terug naar de slaapkamer, waar Kritoias de staf van de mond van de keizer meeneemt, en doen de deur achter zich dicht. Die is gelukkig nog leeg, net als de hal erachter. Ze lopen terug door het kleine kamertje naar de hal.Kritoias wijst naar het gangetje waar de wachters vandaan kwamen, hun lichamen zijn verdwenen en daar lopen ze heen.
Ruarc is intussen teruggeslopen naar de deur en luistert. Hij hoort een deur opengaan en maakt een illusie van een wachter die vanuit deze gang de ruimte met de schuine muur inloopt. Hij loopt naar de deur en klopt.
Bartimeüs hoort voetstappen achter zich, draait zich om en ziet een wachter op de deur kloppen waar ze net uitkwamen. Hij schiet direct een pijl in de rug van de man, maar die pijl gaat er natuurlijk dwars doorheen."Illusie." zegt Bartimeüs tegen Kritoias.Ruarc gluurt intussen langs de deur en ziet Bartimeüs en Kritoias staan."Hier!" roept hij.Bartimeüs en Kritoias lopen naar hem toe."Heb je hem gevonden?""Fahzuhl is de mond van de keizer, maar hij is er niet." zegt Bartimeüs."We hebben wat papieren gevonden en meegenomen, en dit." zegt Kritoias en laat de staf zien."O, en we moeten maken dat we wegkomen, er is iets in brand gevlogen." zegt Bartimeüs."Ja, de boel gaat afbranden."Ruarc kijkt naar Kritoias en schudt zijn hoofd, "Ik ben niet verbaasd."
"Hoe komen we hier weg?" vraagt Ruarc."Terug klimmen?" vraagt Bartimeüs."Ja, maar ik heb niet veel magische energie meer om iemand die valt voor een doodsmak te behoeden." zegt Kritoias."Ach, dat gaat toch niet gebeuren." zegt Bartimeüs."Ok, dan weer terug." zegt Ruarc.Ze lopen terug naar de slaapkamer, waar het touw nog steeds hangt om naar boven te klimmen."Ik ga eerst." zegt Bartimeüs."Ik ga wel bij het raam staan." zegt Kritoias.Bartimeüs klimt het raam uit en blijft haken met zijn bijl. Hij probeert zich vast te houden aan het touw, maar grijpt mis en valt naar beneden. Kritoias gebruikt direct een landing-spreuk zodat Bartimeüs niet te pletter valt."Kut." zegt Bartimeüs."Jij bent in ieder geval beneden." zegt Ruarc, die naar het raam is gelopen."Nu moeten wij door het gebouw, ik ga niet zo omhoog klimmen." zegt Kritoias, "Hier vang."Bartimeüs kijkt omhoog en Kritoias laat de staf van de Mond van de Keizer naar beneden vallen. Op dat moment wordt het een stuk lichter als de spreuk die alles donker maakte in de eetzaal eindigt."Shit, dan gaat mijn licht zo ook." zegt Kritoias.
"Laten we gaan kijken wat er in de hal gebeurt." zegt Ruarc, "Misschien is daar niemand.""Dat zou mooi zijn."Ruarc zorgt weer voor een geluidsbubbel en Kritoias en Ruarc lopen naar de deur aan het einde van de gang waar de slaapkamer aan grenst. Daar moeten ze zicht krijgen op de grote hal beneden. Voorzichtig doet Kritoias de deur open en als ze niemand zien schuifelen ze vooruit."Daar." zegt Ruarc en wijst naar bloedvlekken op de grond."Die gewonde is meegenomen." zegt Kritoias."En de doden waarschijnlijk ook." zegt Ruarc, "Als ze als dood waren."Ze lopen een klein stuk op de trap naar beneden totdat ze kunnen zien wat er beneden gebeurt.
De hal is gevuld met een groep mannen, vrouwen en kinderen in slaapkleding. Eromheen staan een aantal bewakers, waaronder de twee supersoldaten. De deur naar de zaal richting de uitgang van het kasteel gaat open en het gezicht van een bewaker wordt zichtbaar."We hebben bericht ontvangen dat het escorte bijna klaar is." zegt de man.Dan begint de rook van boven zichtbaar te worden in de hal waar de man staat."Brand! Snel naar buiten!"De groep edelen haast zich chaotisch door de deur gevolgd door de soldaten en bewakers.Kritoias en Ruarc lopen snel naar beneden en volgen ze naar de deur, waar ze zien dat ze ook de hal die erna ligt al verlaten hebben. Aan het plafond van de hal beginnen nu vlammen zichtbaar te worden.Kritoias en Ruarc volgen de groep naar de volgende hal waar ze zien dat de groep meegenomen worden naar buiten. Bij de ingang blijven wel zes wachters staan."Shit, kunnen we wachten hier?" vraagt Ruarc."Nee, het duurt te lang om energie op te doen. We kunnen ons wel verstoppen in de gang naar de troonzaal. Misschien proberen ze de brand te blussen."Ze lopen snel naar de trap naar de kelder en verstoppen zich daar.
"Brand!" horen ze iemand roepen."Waar?""Boven je ziet het direct! Kom!"Ze horen grote aantallen voetstappen van waarschijnlijk bewakers die de brand gaan proberen te blussen. Kritoias en Ruarc lopen naar boven en doen net of ze het gebouw ontvluchten. Er staan geen bewakers meer voor het kasteel en willen naar de zijkant lopen waar Bartimeüs uit het gebouw is gevallen, maar de hitte en chaos van de brand in het gasten- en bediendenverblijf is te groot. Ze lopen dan maar de andere kant op, want de poort naar de Loden stad is nog gesloten. Daar komen ze Bartimeüs tegen.
"Deze handel gaat ook affikken." zegt Kritoias, "We moeten ergens rusten zodat ik energie heb waarmee we weg kunnen komen.""Hoelang?" vraagt Bartimeüs."Als ik slaap drie uur, anders langer."Kritoias kijkt intussen naar het verlaten gebouw naast het paleis, maar dat staat te dicht bij alle commotie om even open te breken."Naar de achterkant." zegt Bartimeüs, "Daar zal het wel rustig zijn."Ze lopen langs het kasteel naar de achterwand waar inderdaad niemand te zien is en het ook erg donker is."Hier liggen maar en slapen." zegt Ruarc."Dat lukt zo direct niet." zegt Kritoias."Ik zing je wel in slaap." zegt Ruarc."Ok." zegt Kritoias.Ruarc gebruikt zijn slaapverwekkende gezang en brengt Kritoias in slaap, daarna gaat hij zelf ook rusten.
De grote brand, die intussen in de hele stad te zien is, trekt alle aandacht en niemand komt naar hun schuilplaats. Na iets meer dan drie uur maakt Bartimeüs Kritoias en Ruarc wakker. Kritoias is voldoende uitgerust, maakt hen allemaal onzichtbaar en zorgt dat ze kunnen vliegen. Daarmee ontsnappen ze eenvoudig uit het kasteel en vliegen terug naar hun huis in de hoge stad.
Eenmaal aangekomen bestudeert Ruarc de schriftrollen die ze hebben meegenomen. Hij constateert dat een deel in het Vandalus is geschreven en een ander deel in de oude taal. Hij ontdekt dat er twee gebieden in worden genoemd die belangrijk zijn, its bij Olcadaïr, wat in de geschriften Stilholm wordt genoemd en iets wat op de Zonne-eilanden uit de grond komt. Verder staat er bij dat iemand Muireann de ranger moet betrekken, omdat hij ervaring heeft met de wildernis.
Na nog wat gedronken te hebben gaan ze slapen. Bartimeüs neemt zoals gebruikelijk de eerste wacht. Gelukkig gebeuren er geen rare dingen met Ruarc. Kritoias neemt het over en Bartimeüs probeert, zonder overleg, in de droom van Fahzuhl te komen, wat wonderwel ook lukt. Bartimeüs staat in een blokhut. In de blokhut staat Fahzuhl."Wat doe jij hier?" vraagt Fahzuhl."Wat ik hier doe? Kijken waar je bent.""Wat gaat het je aan?""Ik wil het gewoon weten.""Ik ben hier." zegt Fahzuhl."Wat doe je hier?" zegt Bartimeüs en doet de deur open, maar ziet alleen een dicht bos.Hij is dus niet helemaal in het zuiden, want daar ligt nu sneeuw.
"Waar ben jij dan?" vraagt Fahzuhl."Waar denk je?" vraagt Bartimeüs."Dat weet ik niet.""Waar je was.""Waar ik was?""Wat doe je hier?""Een frisse neus halen."Bartimeüs kan zijn lachen niet inhouden.
"Is Kritoias nog bij je?""Ja, natuurlijk.""Ok.""Waar zou ik zonder Kritoias zijn?""Maar er is altijd een groter plan, geef er aan toe. Wat denk je?""Ik houd van mijn eigen leven.""Waar ik was zijn jullie heengegaan.""Ja, waar was jij voor het laatst?""Dat gaat je niks aan. Waarom ben je er zo geïnteresseerd in?""Waarom niet?""Het zijn mijn eigen zaken.""Ik ben gewoon nieuwsgierig.""Dat geloof ik niet."
"Wat je nog meer weet, heb je dat onder het lood bewaard?" vraagt Bartimeüs."Wat ben je cryptisch! Zeg wat je wilt. Je komt er helemaal voor in mijn droom opzoeken. Wat wil je?""Weten wat er on der de stad zit.""Wat er onder de stad zit?""Er zitten meerdere dingen onder.""Daar moet je zelf achter komen. In ieder geval is er de schatkamer van het keizerrijk.""Daar was hij niet.""Ik vond het best interessant.""Er zat een monster met tentakels.""Nee toch!""Ja toch.""Dan hebben jullie meer gevonden dan ik."
"Je bent er geweest? Wanneer?""Een tijdje terug.""Wat moet je? Je hebt er rondgekeken en nu ben je hier.""Ja.""Je wilt weten waar en waarom, waarom zou je me niet vertrouwen?""Je hebt moordaanslagen gepleegd op ons, eh, nee, Metla.""Op dat meisje van jullie? Die is niet gelukt.""Waarom?""Het was handig als niemand wist dat ik in Branduïn was.""Waarom wil je ons dan nu niet helpen, broer.""Ik wil eerst zelf iets ontdekken om zeker te zijn of de volgende stap de juiste is. Ga naar mijn studeerkamer in Branduïn.""Daar zijn we al geweest, mooi die staf. We hebben papieren gevonden, iets bij Olcadaïr. Waar ben je naar op zoek? Andere werelden? Wil je daar inkomen?"
"Zoiets.""Daar waar de monsters vandaan komen?""Monsters? De goden!""De werktuigen van de goden.""Een of andere krachten.""We hebben de godin, we hebben de keizer, maar daar is weinig meer van over, de groene god, we hadden Balbar. Zijn er nog meer?""Daar wil ik achter komen.""Ik vreest dat daar niet veel goeds van gaat komen. Waar hoop je op?""Verlossing. Vraag je je niet af waarom dit alles gebeurd?""Mwah, het je onze hulp nodig?""Ik denk dat het onze lotsbestemming is, maar daar wil ik nu achter komen."
"Wat is je grootste wens?" vraagt Bartimeüs, "Dat alles wordt als het was, of zoals het nu is, of wil je zelf god worden?""Misschien.""Onze vader heeft dat geprobeerd en dat is niet goed afgelopen.""We moeten snel handelen en het kan goedschiks of kwaadschiks.""Je bedoelt samenvoegen."
"Wat stel je voor?""Een gezamenlijke zoektocht.""Ik zet mijn toch door naar Olcadaïr.""Kan je een boodschap voor ons achterlaten.""Kom naar waar ik jullie voor het eerst heb ontmoet. Jullie zijn nu zeker in Branduïn.""Brand indeed."
De rest van de nacht verloopt rustig en Bartimeüs, Kritoias en Ruarc worden wakker in een verlaten verblijf."Zullen we zo eerst bij onze eigen tempel kijken?" vraagt Bartimeüs."Ja, maar eerst even wat eten en daarna bij de boom kijken?" vraagt Kritoias."Absoluut." zegt Bartimeüs."Ik vind het toch vreemd dat die ene zei dat ik zijn broeder was." zegt Ruarc."Wie zei dat?" vraagt Bartimeüs."Die wezens? Gisterenavond? Die op mij leken?""Als dat zo is, waarom viel hij me dan aan?" vraagt Bartimeüs."Hij was een gat in de deur aan het hakken, dus heb ik hem gebliksemd." zegt Kritoias."Hij was verwant aan mij, hij wilde mij redden." zegt Ruarc."Van ons?" vraagt Kritoias, "O, nee, van de andere kant.""Daar is geen speld tussen te krijgen." zegt Ruarc.
Na het eten lopen Bartimeüs, Kritoias en Ruarc naar de boom. Daarvoor steken ze de brug over de rivier over van het kasteelterrein naar het stadsgedeelte. De brug wordt nu bewaakt door soldaten."Halt, o, jullie zijn het." zegt één van de soldaten."Wat een toestand hè? Daar aan de overkant?" zegt een andere soldaat die naar het nog steeds rokende keizerlijk paleis op de andere heuvel wijst."Daar heeft vast iemand wat laten vallen." zegt Bartimeüs."Is hier nog iets bijzonders gebeurd?" vraagt Ruarc."Ja, we hebben duistere figuren gezien bij de boom." zegt de eerste soldaat, "Volgens ons zijn ze aan het spioneren.""Ja, en Ka-El heeft gevochten met die demon!" zegt de andere soldaat."Ja, hij is een echte held. Hij heeft de boom beschermd.""Dank je wel, dat klinkt spannend, we gaan kijken bij de boom." zegt Bartimeüs.
Ze lopen naar het veld waar de boom staat en ze zien dat er een tent staat. Om de boom heen staan soldaten op wacht en Alena zit buiten de tent."Hoi." zegt ze, "Hebben jullie daar wat mee te maken?" en ze knikt naar de rookwolken."Zijdelings." zegt Bartimeüs."Hoe minder we er over zeggen des te beter." zegt Kritoias."Ik heb gehoord dat het hier ook onrustig is geweest." zegt Ruarc."Ja, een demon viel de boom aan." zegt Alara."Was het zo'n aapdemon?" vraagt Kritoias."Ja, die we al eerder hebben gezien.""Een grote of een kleine.""Een kleine, en hij verdween toen hij hem had neergeslagen zei Ka-el.""Dat is niet per se goed." zegt Kritoias, "Als je een magisch wapen gebruikt kan je ze permanent dood maken. Zal ik jou zwaard betoveren?""O, als dat helpt, prima." en ze geeft Kritoias haar zwaard.Die gebruikt een toverspreuk en zorgt dat het zwaard twee weken beter werkt.
"Als er demonen komen moeten we de boel afzetten." zegt Bartimeüs, "Met een houten palissade?"Op dat moment komt Ka-el de tent uit."Goed werk!" zegt Ruarc, "Om die demon te verjagen. Wanneer was dat? Vannacht?""Nee, de nacht hiervoor."Eileen komt ook de tent uitlopen."Het was een echte heldendaad van Ka-el. De demon was de boom al aan het aanvallen, je kan de krassen nog zien.""En er liepen nog meer wezens rond?""Die heb ik niet gezien. Ik sliep met Edda in de tent."
Even later komt Jorik aanlopen met een mand met voedsel."Hoi Jorik.""Hoi, iemand trekt in lekkere zoete broodjes?""Ja, lekker." zegt Ruarc en ze pakken allemaal een broodje."Er zijn wel meer dingen die niet goed gaan." zegt Eileen, "Edda heeft slecht geslapen en ze is ook flauw gevallen.""O, weten we waardoor?" vraagt Kritoias."Door een 'monsterdraak' zei zei." zegt Eileen, "Die zetten van alles in brand.""Dat lijkt op het ding achter de poort." zegt Bartimeüs, waarbij Bartimeüs alleen zichtbaar voor Kritoias naar Ruarc wijst."Laten we Edda zelf vragen wat ze heeft gezien." Bartimeüs.
Ze gaan de tent binnen waar Edda nog op bed ligt."Je hebt een nachtmerrie gehad begreep ik." zegt Bartimeüs."Ja, een hele enge droom, het voelde echt. Ik was hier op deze plek en toen vatte de boom vlam en het voelde of ik ook de boom was. IK hoorde Tiana gillen, het was gruwelijk en toen barstte een monsterdraak eruit. Toen hoorde ik een stem die zei 'Het zal je niet lukken.'""Gelukkig was het maar een droom." zegt Ruarc, "De overkant staat echt in vuur en vlam.""Ik moet even naar de boom." zegt Edda en ze loopt de tent uit naar de boommBartimeüs, Kritoias en Ruarc lopen ook de tent uit en zien dat Edda met haar handen de boom aanraakt."Voelen jullie dat ook?" vraagt Bartimeüs, "Er lijkt hier wel iets te gebeuren.""Ja, ik zie het." zegt Kritoias, "H'm, misschien werkt dit ook."Kritoias loopt naar de boom en legt ook zijn handen op de boom."Ja, ja, nu snap ik wat je voelt." zegt hij tegen Edda, "Interessant."
"We moeten een tempel hier bouwen, ook om de zaak te verdedigen." zegt Bartimeüs."Ik kan wel een muurtje maken, maar niet om die hele boom heen, dat gaat heel lang duren." zegt Kritoias."Het moet wel mooi zijn." zegt Eileen, "Daarom hebben we een bouwmeester nodig, en arbeiders. We moeten geld hebben.""Hoeveel?" vraagt Bartimeüs."Ja, dat weet ik toch niet, ik ben geen bouwmeester." zegt Eileen.
"Die aapdemon is waarschijnlijk opgeroepen." zegt Kritoias,"Hier zijn geen rifts waar ze doorheen komen en er is geen staart die die rifts genereert. Ik vermoed dat hier ergens een cirkel ligt.""Dus als we de sporen volgen moeten we daarbij komen." zegt Ruarc."Het is alleen te laat om nog te zien wie het is." zegt Bartimeüs."Klopt, maar als je de sporen hebt kan je wel een beeld van de persoon krijgen." zegt Kritoias."Ja, natuurlijk, laten we kijken of we de sporen van de demon kunnen volgen." zegt Bartimeüs, "Die wijken behoorlijk af, dus dat zou niet al te moeilijk moeten zijn."
Bartimeüs loopt naar de boom en besteeds behoorlijk wat tijd om de bodem af te speuren, maar na een paar uur heeft hij eindelijk de sporen van de aapdemon gevonden. Met behulp van de godin en zijn kennis van spoorzoeken volgen ze de sporen naar een afgelegen plaats bi jde rand van de muur. Omdat ze zoeken naar een cirkel ontdekken ze al snel dat iemand hier zijn best heeft gedaan om de sporen van een cirkel uit te wissen.Bartimeüs laat de anderen niet te dicht bij de cirkel komen en nadert voorzichtig om geen andere sporen uit te wissen. Na grondig zoeken identificeert hij drie sets voetstappen. Met de gaven van de godin komt hij erachter hoe de veroorzakers van de sporen eruit zien.De kleinste voeten en minst diepe afdruk zijn van een dame in donkere kledij. Alleen haar bruine ogen zijn te zien door spleet in de kleding. Toch kan Bartimeüs zien at ze een Noorderling moet zijn. Ze heeft een dolk bij zich."Er is er in ieder geval één die lijkt op die moordenaars die ook achter de Baron en achter ons aanzaten." zegt Bartimeüs, "Even kijken wie die andere twee zijn."Dat blijken ook twee noorderlingen te zijn, maar dan mannen.
"Dan weten we wie het zijn en nu?" vraagt Ruarc."Ze zijn hier weggelopen, dus we kunnen de sporen volgen." zegt Bartimeüs."Prima." zegt Kritoias, "Knap dat dat nog lukt na twee dagen."Bartimeüs gaat weer voorop en de sporen van de vrouw lopen naar de brug terug naar het kasteelgedeelte. Op de brug raakt Bartimeüs de sporen even kwijt, maar aan de andere kant pikt hij ze weer op. Ze voeren naar een afgelegen plaats bij de muur. In dit gedeelte komt eigenlijk niemand. Daar stoppen de sporen."Weggevlogen of door de muur." concludeert Kritoias, "Teleportatie lijkt me niet, dan kan je dat gelijk doen. Door de muur is ook minder waarschijnlijk want aan de andere kant is een afgrond.""Dat is alles wat we nu te weten komen." zegt Bartimeüs."Geen goed teken, want ze kunnen onzichtbaar worden." zegt Ruarc, "Dat hebben we gezien.""We moeten in ieder geval Graneh informeren." zegt Kritoias."En hem de staf van de Mond van de Keizer brengen." zegt Bartimeüs, "Daar kan hij misschien nog iets mee."
Het is inmiddels het einde van de ochtend als Bartimeüs, Kritoias en Ruarc zich melden bij de poort van het paleis en vragen om een onderhoud met Graneh. Die is niet direct beschikbaar, maar na een half uur wachten kan hij hen ontvangen."Goedemorgen heren, goed dat jullie er zijn. Willen jullie iets drinken?""Ja, prima." zegt Bartimeüs."Goed, loop maar meer."Ze volgen Graneh naar een zijkamer van de grote hal, waar ze rustig kunnen praten."Voordat jullie kunnen vertellen wat er allemaal gebeurd is in het keizerlijk paleis heb ik nog een boodschap voor jullie. Vanmorgen is er een briefje bezorgd. Een jongen bracht het en zei dat het van een jonge dame kwam. Ik heb ontkend dat ik jullie kende en toch het briefje aangenomen.""En jij hebt natuurlijk gelezen wat erop staat.""Uiteraard." zegt Graneh, "Het zegt dat jullie over twee avonden in de blauwe draak een glas Branduïn bubly moeten bestellen.""Ah, dat zal Metla zijn." zegt Bartimeüs."Metla?""Ja, degene die connectie gaat leggen met de Mano Tinto waardoor we weten hoe we de logistiek van de Groene God kunnen platleggen.""Ah, ja, dat plan."
"Jullie kwamen hier vast vertellen over jullie vorderingen in de loden stad.""Ja, dat klopt." zegt Bartimeüs, "Ze waren in de grotten onder het kasteel aan het graven in een poging om achter een soort poort te komen waar een tentakelwezen achter zit.""Kansloos, want het is geen fysieke poort, maar een toegang tot een andere realiteit die, denk ik, door de magiërs is afgesloten. Zonder magie krijg je die niet open.""Maar hoe weten jullie dan dat er een tentakelwezen achter zit?""Ik zat de tentakels door de poort komen.""Maar het goede nieuws is dat ze voorlopig niet verder graven." zegt Ruarc, "Zowel de verblijven van de gasten en bedienden, als het kasteel zelf zijn in de as gelegd.""Ik wil niet weten wat jullie betrokkenheid daarbij is. Nu is wel het symbool van de keizerlijke macht verdwenen, dat geeft allerlei implicaties.""Fahzuhl is inderdaad de Mond van de Keizer." zegt Bartimeüs, "Maar hij is hier niet meer, hij is bij Olcadaïr in de buurt. Ken jij toevallig een Murrin?""Bij Olcadaïr? Murrin zou één van de hoge officieren in het leger kunnen zijn.""HIj zou iets van de wildernis moeten weten.""Hij zit bij de rangers, dus dat klopt wel. Maar hoe weten jullie dat?""We zijn in zijn slaap- en werkvertrek geweest in het kasteel." zegt Bartimeüs, "Daar was hij niet en hebben we informatie gevonden. Die hebben we ook meegenomen en kunnen jullie verder bestuderen.""Het is wel Vandalusisch en de oude taal." zegt Ruarc.
"We hebben nog iets wat interessant kan zijn." zegt Kritoias en hij tikt met de onzichtbare staf van de Mond van de Keizer op de grond waardoor die zichtbaar wordt."Zo, interessant, hoe komen jullie daaraan?""Die hebben we daar ook gevonden." zegt Kritoias, "Fahzuhl wilde er wel terugkomen, maar Mond van de Keizer was niet zijn einddoel. Hij is op zoek naar informatie over andere werelden.""Waarom?""Om god te worden of zo." zegt Kritoias."Kan dat dan?""Hij denkt van wel.""Wij moeten nog wat andere dingen doen." zegt Bartimeüs, "We houden je op de hoogte.""Ok, dank je wel, tot ziens."
"Jij wilt nog iets doen?" vraagt Ruarc aan Bartimeüs."Ja, ik moet zien hoe met de boom staat in het tempelgebied.""Ok, hoe ga je daarheen?" vraagt Ruarc."Ik denk via de geheime tunnel.""Zo geheim is hij niet als je hem kent." zegt Ruarc."Kan je mij onzichtbaar maken?""Ja, dat kan wel." zegt Kritoias en gebruikt weer een toverspreuk.Kritoias en Ruarc gaan intussen helpen om te bedenken hoe ze de boom kunnen beschermen
Sneller dan verwacht komt Bartimeüs weer terug, want de deur van het huis bij de muur, die ze hadden geforceerd is gerepareerd. Maar omdat hij onzichtbaar is kan hij de deur niet forceren. De tweede optie is een rondje vliegen, dus Kritoias geeft hem de mogelijkheid om een kwartiertje te vliegen.Bartimeüs vliegt snel naar het tempelkwartier en ziet al snel dat er geen grote boom staat. Op de plaats waar hij de boom heeft gepland is de grond zwartgeblakerd en er ligt een grote stapel stenen. Ook lopen er allemaal bewakers rondom het terrein.
De rest van de middag besteden ze aan het opzetten van de bewaking voor de komende nacht. Kritoias regelt bij Graneh dat er soldaten met honden rond zullen lopen om onzichtbare indringers op te kunnen sporen.Ruarc zal plaatsnemen in de tent bij Edda en Eileen, terwijl Bartimeüs en Kritoias onzichtbaar en met nachtzicht buiten gaan zitten.Ze verwachten niet dat de indringers al vroeg in de avond komen, maar pas na middernacht, dus, na een uitgebreide discussie of ze toch niet met de magiërs moeten gaan praten, gaan ze 's avonds eerst slapen.
Bartimeüs heeft zijn bovennatuurlijke zintuigen aangezet en merkt al voor dat ruim na middernacht één van de honden aanslaat dat er beweging is. Bartimeüs en Kritoias zitten tegen de boom aan en zien dat de hond aan de lijn wordt gehouden, maar wel iets van een onzichtbare persoon lijkt te volgen. Kritoias aarzelt niet en gooit een koude bal van 12 meter doorsnede op het gebied waar hij denkt dat de man loopt. Dat blijkt ook zo te zijn, want plotseling ligt er een blote, rillende man te kermen op de grond."Ha, we hebben je!" zegt de hondengeleider, "He, het is Tannes, de schoenlapper.""Wat?" zegt Kritoias, die nu zichtbaar is, "Het is een afleiding!""Klootzak! Kom, we pakken hem." zegt de hondengeleider."Nee!" zegt Kritoias, "Hij is onschuldig, ze hebben hem betoverd."Ruarc is inmiddels naar buitengekomen na de grote klap van de ijsbal."Help me om hem naar de tent te brengen." roept Kritoias naar Ruarc.
Ze brengen de schoenlapper de tent binnen waar Edda en Eileen wakker zijn geworden"Kunnen jullie hem helpen?" zegt Kritoias, "Hij is aan het doodvriezen.""Wat is er gebeurd?" vraagt Edda."Hij is gebruikt door onze tegenstanders om te kijken wat voor bescherming we hebben opgebouwd.""Ik zal mijn best doen." zegt Edda, ze bidt tot Tiana en geneest de schoenlapper."Wat is er gebeurd?" vraagt Eileen."Hij kwam onzichtbaar rondlopen en ik heb hem zichtbaar gemaakt." zegt Kritoias, "Ik vermoed dat iemand anders onzichtbaar aan het observeren is geweest. Kan de godin jullie niet onzichtbare dingen laten zien? Dan kunnen we achter ze aan.""Eh, misschien." zegt Edda en ze bidt tot de godin, "Hoe weet ik nu of het werkt?""Dat gaan we buiten zien." zegt Kritoias.Edda loopt naar buiten en blijft bijna gelijk staan."Er zit iemand bij de boom!""Ja, dat is Bartimeüs." zegt Kritoias, "Is er nog iemand anders?"Edda loopt even rond en ziet even later in de verte een onzichtbare gestalte. Ze probeert die te volgen, maar de gestalte loopt te snel waardoor die buiten het bereik van de goddelijke gave komt.
Bartimeüs weet nu waar de onzichtbare gestalte heeft gelopen en na wat lichtschijnsel van Kritoias vindt hij het spoor en volgt het. De spion heeft zich inmiddels al uit de voeten gemaakt. Het spoor leidt weer naar het kasteelterrein en Kritoias schijn snel het hele terrein over om te zien of er iemand een gat in de muur maakt op de plek waar ze vanmiddag ook waren, maar dat is niet het geval. Bartimeüs leidt ze daar wel heen en wijst op twee sets sporen. Eentje kwam aanlopen, de ander heeft hier wat stappen gezet. Op enige afstand van de muur stoppen de sporen."Ze zijn dus weggevlogen." zegt Kritoias.
Bartimeüs legt drie vallen aan zodat iemand die hier land direct geraakt gaat worden. Kritoias maakt ze onzichtbaar, zodat iemand de vallen niet kan ontwijken."Het zou alleen jammer zijn als hier iemand anders langkomst", zegt Kritoias, "Maar die kans is niet zo groot.""Ik moet nu wel zo gaan slapen", zegt Bartimeüs."Dan ga ik met je mee", zegt Ruarc."Dat is goed, ik blijf hier wel kijken of ze nog terugkomen", zegt Kritoias."Ik verwacht niet dat ze terugkomen", zegt Ruarc, "De keizer heeft altijd gelijk."
Wanneer Bartimeüs en Ruarc wakker zijn geworden en iets hebben gegeten gaan ze kijken waar Kritoias uithangt. Die zit nog steeds in de buurt van de vallen, waar inderdaad niemand naar toe is gekomen.Vandaaruit gaan Kritoias en Ruarc door naar de heilige boom aan de overkant van de brug Bartimeüs blijft, onzichtbaar, bij de traps.Eileen is daar bezig met de opbouw van de tempel en vertelt dat ze op zoek is naar een bouwmeester."Alles goed met je Ruarc?" vraagt ze."Zeker, ik ben blij dat er niets tragisch is gebeurt.""Gelukkig niet."Kritoias gaat naar hun verblijfplaats om te slapen en Ruarc blijft bij Eileen om verhalen te maken.
Na ongeveer een uur is er consternatie op het pad. Een goed geklede man, vergezeld van twee lijfwachten komt richting de boom lopen. Achter hen aan lopen wachters van de graaf."Waar is de priesteres?" vraag hij.Ruarc loopt naar de wachters van de graaf toe en vraagt waar de man vandaan komt. Hij is, samen met zijn bewakers, door de poort naar beneden gekomen. Ruarc ziet dat Edda uit haar tent komt om met de man te praten en hij zorgt dat hij het gesprek kan volgen.
"Goedemorgen, wat kan ik voor u doen?""Ik kom names Ermiet, de priester van Sal'ar. Hij wil graag met u in gesprek en ik verzoek u hem te ontvangen met alle honeurs. Ermiet denkt onze beide godsdiensten veel met elkaar te bespreken hebben.""Goed, hij zal gastvrij worden ontvangen.""Mooi, misschien zijn de zorgen over mogelijke vijandelijkheden onterecht.""U heeft mijn woord dat Ermiet hier niets zal overkomen. Wij ontvangen hem graag om twee uur na de hoogste zonnestand.""Dank u, ik zal de afspraak overbrengen aan Ermiet."De man neemt afscheid en vertrekt samen met zijn lijfwachten.
Ruarc loopt naar Eileen."Ik vindt het een bijzondere ontwikkeling dat ze willen praten", zegt Ruarc, "Heel raar om hier een gesprek te voren. We weten niet of ze te vertrouwen zijn.""Heb jij er problemen mee dat er andere goden zijn?" vraagt Eileen."Ja!" zegt Ruarc, "Ik stel voor om het niet hier te doen, maar in het kasteel.""Ok, ik moet toch naar Cedric om te vragen naar de bouwmeester", zegt Eileen.
Ruarc loopt naar hun verblijfplaats, maakt Kritoias wakker en ze lopen naar de plaats met de traps om met Bartimeüs te overleggen. Ruarc start met te vertellen wat er net is gebeurd."H'm, waarom willen ze praten?" vraagt Kritoias, "Willen ze iedereen weglokken bij de boom?""Ja, of is het een gratis verkenningsmissie?" zegt Bartimeüs."We moeten zowel de boom als de traps in de gaten blijven houden, maar er moet ook iemand bij het gesprek zijn.""Dat gaat mij wel lukken", zegt Ruarc, "Als jij dan naar de boom gaat.""Ja, dat kan ik doen", zegt Kritoias."Ok, dan blijf ik hier", zegt Bartimeüs."Als het bijna tijd is kan ik je gehoor nog verbeteren, want misschien zit je niet dichtbij genoeg om alles te horen", zegt Kritoias."Goed idee", zegt Ruarc.
Ongeveer een kwartier voor het afgesproken tijdstip komt de delegatie van de tempel van Sal'ar aanlopen door de stad. De hogepriester Ermiet en de zes andere priesters die hij heeft meegenomen worden vergezegd door een aantal wachters van de tempel en uiteraard begeleid door soldaten van de graaf. Ze lopen naar het kasteel waar ze binnen worden gelaten en meegenomen naar de grote zaal waar een tafel centraal staat opgesteld. Naast Edda, Eileen en Ermiet zullen ook de graaf, Ruarc en twee van de andere priesters van Sal'ar aan de tafel plaatsnemen.
Na de woorden van ontvangst door de graaf en de gebruikelijke vriendelijke woorden vooraf vraagt Edda wat Ermiet wil bespreken."Ik hoop op een fijn open gesprek. Er waren geruchten dat er hier iets moois werd opgebouwd en ik heb nu met eigen ogen gezien dat dat inderdaad het geval is. In deze moeilijke tijden willen wij graag de aandacht vestigen op de geestelijke waarden. Sal'ar stelt zich ten doel het vol kte redden.""Een mooi streven en Tiania is er ook voor het volk.""Wij zijn zelf ook bezig met het bouwen van een tempel, maar wij ervaren tegenwerking. Er zijn geruchten van een goddelijke macht in het noorden. Die zou gezorgd kunnen hebben voor de verschijnselen die we hebben gezien op het oude tempel terrein en wat er in de loden stad is gebeurd. Heeft u kwade machten opgemerkt?""De wereld is een kwalijke plaats", zegt Edda, "Tiana staat juist voor de liefde en schoonheid. Wanneer goden ontbreken is het nodig om het ontstane gat op te vullen. Wij hebben zelf ook vreemde wezens ontmoet die kwade bedoelingen hebben tegenover onze tempel.""U praat over diepe geestelijke dingen," zegt Ermiet, "Wij bespeuren een link tussen de duistere machten en de godin.""Tiana heult niet met duistere machten.""Ik vraag alleen dat wij elkaar niet als vijanden zien, maar dat wij samenwerken om de kwade machten te bestrijden.""Daar zijn wij het zeker mee eens. Dank u voor het gesprek."De priesters van Sal'ar nemen afscheid en gaan op de terugweg.
Wanneer Kritoias ze aan ziet komen laat hij zichzelf ook beter horen en loopt richting de weg om te kijken of hij verstaat wat ze zeggen. Het zijn, zo te zien, lokale bewoners, dus ze praten gelukkig geen andere taal."Het was goed om ze de hand te reiken om samen middelen in te zetten." zegt één van de priesters tegen een andere."Ja, zo te horen hebben zij hetzelfde probleem als wij."
Kritoias loopt naar het kasteel en vraagt samen met Ruarc of hij Graneh te spreken kan krijgen. Ze moeten een tijd wachten, maar dan duikt Graney op in de ontvangsthal."Jullie wilden mij spreken?""Ja, wij denken dat de tovenaars een bepaalde rol spelen in wat er nu gebeurt. Het is toch nodig om op een voorzichtige manier contact met ze te leggen. Je zie dat je wist dat ze een aantal controleagenten hebben?""Ja, die zou je voorzichtig kunnen benaderen. Ik ken een dame, een houthandelaar, die vaak te vinden is een herberg in de hoge stad. Haar naam is Una van Finsterbent en dan is er nog Fior, een assisentkleermaker in het gebied met de kleer- en schoenmakers. Zij rapporteren wekelijks aan een persoon die bij hen langskomt.